Parket bij de Hoge Raad, 09-11-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1052, 20/03683
Parket bij de Hoge Raad, 09-11-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1052, 20/03683
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 november 2021
- Datum publicatie
- 9 november 2021
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:1052
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1932
- Zaaknummer
- 20/03683
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vordering benadeelde partij. Slagende klacht art. 421.3 Sv. De benadeelde partij heeft een schadepost opgevoerd die in eerste aanleg niet is opgevoerd. Hof had de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn vordering. Falende klachten benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03683
Zitting 9 november 2021
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
Inleiding
-
De verdachte is bij arrest van 3 november 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mishandeling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, waarvan twintig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1505,00 en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
-
Namens de benadeelde partij [benadeelde] zijn door mr. M.M. de Boer, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld met betrekking tot de beslissing van het hof op zijn vordering als benadeelde partij.
-
Ik zal eerst het middel van de verdachte bespreken en vervolgens de middelen van de benadeelde partij.
Het middel van de verdachte
5. Het middel behelst de klacht dat het hof de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade heeft toegewezen met betrekking tot schadeposten die door de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep zijn gevorderd.
Ten laste van de verdachte heeft het hof subsidiair bewezenverklaard dat:
“ hij op 16 april 2019 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door:
- met een vuist tegen het hoofd van die [benadeelde] te slaan,
- met een vuist tegen de hand van die [benadeelde] te slaan,
- met kracht het bovenlichaam en de armen van die [benadeelde] vast te pakken,
- meermalen de ribben en onderarmen van die [benadeelde] vast te pakken,
- meermalen in de ribben en onderarmen van die [benadeelde] te knijpen.”
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg gevoegd met een vordering van in totaal € 9.308,67, waarvan de vordering van de materiële schade € 1.173,82 bedroeg. De politierechter heeft deze vordering in zijn geheel afgewezen en daartoe overwogen dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 oktober 2020 is als vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde] M.M. de Boer verschenen, die aldaar de door de benadeelde partij ingediende vordering nader heeft toegelicht. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer in:
“Ik heb mijn cliënt in eerste aanleg niet bijgestaan. Ik begreep niets van de vordering die toen is ingediend. Daarom heb ik de vordering opnieuw vastgesteld met een lagere materiële schade. Dan is de vraag of het hof de verklaring van mijn cliënt geloofwaardig acht. In dat geval kunt u de bedragen schatten.
Mijn cliënt heeft bij de politie verklaard dat zijn bril onherstelbaar was beschadigd als gevolg van het ten laste gelegde feit. U vertelt mij dat in de vordering zich geen rekening bevindt van het overhemd. Mijn cliënt heeft verklaard dat ook deze onherstelbaar is beschadigd. Mijn cliënt moest tevens de therapieën door [betrokkene 1] zelf betalen. Deze werden door de verzekering niet vergoed. Deze kosten staan in het overzicht van de zorgkosten over 2019 en 2020. Tevens kunt u in dit overzicht zien dat mijn cliënt op 16 april 2019 op de eerste hulp is geweest vanwege zijn letsel.
Mijn cliënt heeft mij gevraagd om hier ter terechtzitting te zeggen dat hij het heel erg vindt dat hij door iemand, die zijn eigen land is ontvlucht vanwege homogeweld, is mishandeld.”
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof heeft ten aanzien hiervan het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.308,67, bestaande uit € 1.173,82 aan materiële schade en € 8.134,85 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De gehele vordering is ter terechtzitting in hoger beroep gematigd en bedraagt thans € 7.250,00, bestaande uit € 2.250,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade. De materiële schade bestaat uit € 216,00 voor een telefoon, € 310,00 yoor een bril, € 129,00 voor een overhemd, € 590,00 aan inkomstenderving en € 1.005,00 aan medische kosten. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de gehele vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Primair is namens de verdachte verzocht de vordering af te wijzen met betrekking tot de bril, de telefoon, het overhemd en de inkomstenderving. Subsidiair is gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot voornoemde schadeposten. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof als volgt.
De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op genoemde aard en de ernst van de normschending en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Het hof wijst het overige deel van de vordering af. Met betrekking tot de materiële schade overweegt het hof als volgt.
Het hof is van oordeel dat alleen de gevorderde ‘medische kosten’ voor toewijzing in aanmerking komen. Deze schadepost is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden toegewezen.
In de overige - door de verdediging betwiste - materiële kosten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze onvoldoende onderbouwd zijn om tot toewijzing te beslissen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof stelt de wettelijke rente van de immateriële schade vast op de pleegdatum en de wettelijke rente van de materiële schade, om praktische redenen, in het midden van de periode waarin de voor vergoeding in aanmerking gekomen medische kosten zijn uitgegeven. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
Blijkens het dictum in het arrest heeft het hof als volgt beslist:
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.505,00 (duizend vijfhonderdvijf euro) bestaande uit € 1.005,00 (duizend vijf euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 4.500,00
(vierduizend vijfhonderd euro) bestaande uit immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.”
De steller van het middel klaagt dat de in hoger beroep gevorderde vergoeding van de materiële schade bestond uit een nieuw opgevoerde schadepost, namelijk betalingen aan een alternatief genezer/fysiotherapeut [betrokkene 1].
Art. 421 lid 3 Sv brengt mee dat de benadeelde partij, voor zover de vordering in eerste aanleg niet is toegewezen, binnen de grenzen van de vordering zoals gedaan in eerste aanleg, zich in hoger beroep opnieuw kan voegen. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep geen schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen.1
In de onderhavige zaak heeft de benadeelde partij [benadeelde] als schadepost opgevoerd de niet door de verzekering vergoede kosten van de behandeling van [betrokkene 1]. Dit betreft, zoals door de steller van het middel terecht is aangevoerd, een schadepost die in eerste aanleg nog niet is opgevoerd. Het hof had de benadeelde partij [benadeelde] aldus ook ten aanzien van die post niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn vordering. De Hoge Raad kan de toewijzing van de vordering op dit punt verminderen en ook de aan de vordering accessoire oplegging van de schadevergoedingsmaatregel corrigeren.
Het middel slaagt.