Parket bij de Hoge Raad, 03-12-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1247, 20/04355
Parket bij de Hoge Raad, 03-12-2021, ECLI:NL:PHR:2021:1247, 20/04355
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 december 2021
- Datum publicatie
- 4 januari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:1247
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:582, Gevolgd
- Zaaknummer
- 20/04355
Inhoudsindicatie
Gebreken bij ombouwen bestelauto tot camper. Klachtplicht ex art. 7:23 BW ambtshalve toegepast. Grenzen van de rechtsstrijd.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/04355
Zitting 3 december 2021
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
[eiser]
tegen
Dutch Campers B.V.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en DC .
1 Inleiding
Deze zaak is in cassatie toegespitst op de vraag of het hof ten onrechte ambtshalve toepassing heeft gegeven aan de klachtplicht ex art. 7:23 lid 1 BW. Dat is m.i. het geval. DC heeft niet het verweer gevoerd dat [eiser] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd als bedoeld in art. 7:23 lid 1 BW. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven.
2 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2, onder a t/m n van het arrest van 29 september 2020 van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).1
DC is volgens de omschrijving van haar bedrijf bij de Kamer van Koophandel een bedrijf dat zich bezighoudt met het vervaardigen van cabines en modules voor recreatie-expeditie voertuigen en aanverwante activiteiten.
Tussen [eiser] en DC is een overeenkomst gesloten op grond waarvan DC een aan [eiser] toebehorende bestelauto ( [de camper] , kenteken [001] , hierna: de camper) zou ombouwen naar een camper.
DC heeft op 23 februari 2017 een offerte uitgebracht, welke door [eiser] , nadat partijen in e-mails enkele wijzigingen hierop waren overeengekomen, op 28 februari 2017 is geaccepteerd. In de offerte is – onder meer – het volgende vermeld:
“Zoals besproken kunnen wij voor u ombouwen een [de camper] (...) tot comfortabele camper naar uw wensen uitgevoerd.”
Tussen partijen was voor de werkzaamheden een bedrag van € 22.889,-- inclusief btw overeengekomen en dit bedrag is ook door [eiser] aan DC betaald.
De camper is op 2 juni 2017 opgeleverd. Bij e-mail van 5 juni 2017 heeft [eiser] aan DC bericht “blij te zijn met de camper”. Hij bevestigde voorts “na een rustige thuisinspectie” een aantal nazorgtaken die hij met DC was overeengekomen, en meldde een aantal nieuwe klachten.
De camper is op 12 juni 2017 APK gekeurd, waarna DC een aantal gebreken heeft verholpen. Op 16 juni 2017 is de camper opnieuw aangeboden bij het APK keuringsbedrijf. Toen werd vastgesteld dat de dieseltank nog lekte.
Bij e-mail van 20 juni 2017 heeft [eiser] aan DC een ingebrekestelling gestuurd waarbij hij een opsomming van de klachten gaf.
Op 23 juni 2017 is [eiser] met de camper op reis gegaan (naar Spanje). Na terugkomst heeft hij op 19 juli 2017 een lijst met twintig verbeterpunten aan DC gestuurd.
Bij e-mail van 21 juli 2017 heeft DC vier gebreken erkend, te weten:
- de lekkende dieseltank;
- het afschermen van de elektrische bedrading aan de onderkant van de camper;
- het verhelpen van het wegschuiven van het matras;
- het monteren van andere openhouders voor de kastjes.
DC heeft verklaard bereid te zijn de herstelkosten bij een ander bedrijf ten aanzien van deze posten voor haar rekening te nemen. Aansprakelijkheid voor de andere door [eiser] genoemde gebreken heeft zij van de hand gewezen.
Tussen 11 juli 2017 en 31 januari 2018 heeft [eiser] diverse camperbouwers bezocht om (onder andere) de hiervoor genoemde gebreken te laten verhelpen. Een van deze door [eiser] bezochte camperbouwers, de firma [A] (hierna: [A]), heeft op 6 maart 2018 een per post gespecificeerde begroting opgesteld van de herstelkosten, voor een totaalbedrag van € 16.795,-- inclusief btw.
In september 2017 is [eiser] met het vliegtuig op vakantie gegaan naar Griekenland, waar hij een auto heeft gehuurd en verblijfskosten heeft gemaakt.
Bij aangetekende brief van 27 december 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] aan DC bericht dat [eiser] op de voet van art. 6:87 BW zijn aanspraak op nakoming wenste om te zetten in een aanspraak op vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 11.436,96.
Op verzoek van [eiser] heeft DEKRA Automotive (hierna: DEKRA) op 22 februari 2018 een rapport uitgebracht. Bij dit onderzoek is DC niet betrokken. DEKRA concludeert als volgt:
“Bij het onderzoek hebben wij een aantal afwijkingen/onvolkomenheden geconstateerd aan het interieur van het woongedeelte van het bovengenoemd voertuig. Deze afwijkingen en of onvolkomenheden staan onder hoofdstuk 5 inspectie vermeld en dienen op korte termijn hersteld en of aangepast te worden. Het defect aan de brandstoftank (lekkage) dient deugdelijk en snel gerepareerd te worden (...).”
Op 23 april 2019 heeft ZNEB Expertise en Taxatie B.V. (hierna ZNEB) op verzoek van [eiser] een onderzoek ingesteld naar de door [eiser] gestelde gebreken aan de camper. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de locatie van [A] . Bij de expertise waren aanwezig [eiser] en [A] . Ten aanzien van de betrokkenheid van DC wordt in het rapport het volgende opgemerkt:
“ [betrokkene 1] , namens partij II [ DC , A-G], spraken wij op 26 maart 2019 vooraf aan de expertise telefonisch. Wij hebben in dit telefoongesprek partij II uitgenodigd voor de expertise van 29 maart 2019. Partij II gaf aan dit met zijn broer/compagnon te bespreken waarnaar [waarna, A-G] deze ons terug belde. In dit telefoongesprek gaf partij II aan dat het niet mogelijk was aanwezig te kunnen zijn en gaf aan uiterlijk 27 maart 2019 terug te bellen voor een ander [andere, A-G] datum. Tot op het moment van het opstellen van dit rapport hebben wij niets meer vernomen en was partij II zonder verder tegenbericht niet aanwezig tijdens onze expertise.”
In het rapport is op pagina 5 onder meer het volgende geschreven:
“Gezien het resultaat dat wij hebben aangetroffen stellen wij dat deze ombouw een aaneenschakeling is van het oplossen van misstanden tijdens de ombouw. Vast is komen te staan dat de fundering van deze ombouw al een probleem opleverde en dit de gehele ombouw parten heeft gespeeld. (...)”
3 Procesverloop
[eiser] heeft DC bij dagvaarding van 21 juni 2018 in rechte betrokken. [eiser] vordert – na wijziging van eis – dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- a. DC wordt veroordeeld om aan [eiser] bij wijze van voorschot tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 16.795,-- aan vervangende schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2018 tot aan de dag van voldoening;
- b. DC wordt veroordeeld om aan [eiser] bij wijze van voorschot tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.910,02 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2018 tot aan de dag van voldoening;
- c. DC wordt veroordeeld om aan [eiser] bij wijze van voorschot tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 942,-- wegens buitengerechtelijke incassokosten;
- d. DC wordt veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met € 131,-- aan nakosten.
Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat DC is tekortgeschoten in haar verplichtingen en daarom vervangende schadevergoeding verschuldigd is. Er zijn door DEKRA 23 gebreken geconstateerd. DC heeft het bestaan van vier gebreken erkend. DC is ondanks herhaalde sommaties in gebreke gebleven met herstel van de gebreken aan de camper. Aangezien het een consumentenkoop betreft waarbij de gebreken zich binnen zes maanden na oplevering hebben geopenbaard, wordt op grond van art. 7:18 lid 2 BW vermoed dat de camper bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. De kosten van herstel van de camper bedragen blijkens een e-mail van 6 maart 2018 van [A] € 16.795,--, welk bedrag DC als vervangende schadevergoeding dient te betalen. Omdat herstelwerkzaamheden aan de camper niet voor de geplande vakantie naar Griekenland in september 2017 konden worden uitgevoerd, moest vervangend vervoer in de vorm van vliegtickets en autohuur worden betaald, hetgeen een schadepost is waarvoor DC aansprakelijk is. Dat geldt ook voor de benzinekosten naar tien herstelbedrijven voor een prijsopgave van de herstelkosten. Ook de kosten van het onderzoekrapport door DEKRA dienen te worden vergoed.
DC heeft de vorderingen bij conclusie van antwoord betwist.
Bij tussenvonnis van 14 september 2018 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) een comparitie van partijen bevolen.2 De comparitie heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Voorafgaand aan de comparitie heeft [eiser] nog producties overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.
Bij eindvonnis van 25 januari 2019 heeft de kantonrechter: een bedrag van € 3.525,44 ter vergoeding van schade toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 21 juni 2018; een bedrag van € 577,82 toegewezen aan buitengerechtelijke incassokosten; DC veroordeeld in de proceskosten; en het meer of anders gevorderde afgewezen.3 Het toegewezen bedrag van € 3.525,44 is opgebouwd uit een bedrag van in totaal € 1.050,-- op basis van de opgave van [A] voor de vier erkende gebreken, € 1.500,-- voor plaatsen bak cooker en aanpassen kastje, € 300,-- voor verplaatsen lampjes, € 175,44 voor brandstof en € 500,-- voor het rapport van DEKRA.
In hoger beroep
[eiser] is bij dagvaarding van 23 april 2019 bij het hof in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 25 januari 2019. [eiser] heeft geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het vonnis van de kantonrechter (gedeeltelijk) zal vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen, zoals weergegeven onder 3.1 hiervoor, alsnog zal toewijzen, alsmede dat DC wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten ad € 2.148,-- en in de proceskosten in beide instanties.
[eiser] heeft een memorie van grieven ingediend en DC een memorie van antwoord. Verder is van de zijde van [eiser] nog een akte met een productie ingediend, waarop DC bij antwoordakte heeft gereageerd.
Bij arrest van 29 september 2020 vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep (met uitzondering van de in het dictum vermelde beslissingen omtrent de proces- en nakosten) en, opnieuw rechtdoende: veroordeelt het DC , uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [eiser] van € 9.237,06, vermeerderd met wettelijke rente over € 7.719,06 vanaf 21 juni 2018 tot de dag der voldoening; bekrachtigt het hof het bestreden vonnis voor het overige; compenseert het de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; en wijst het het (in hoger beroep) meer of anders gevorderde af.4 Het bedrag van € 9.237,06 is opgebouwd uit een bedrag van € 7.719,06 (waarvan de kantonrechter reeds 3.525,44 heeft toegewezen en het meerdere door het hof wordt toegewezen in verband met de deels slagende grieven 3, 4, 6, 7, 8, 10 en 12) en een bedrag van € 1.518,-- voor buitengerechtelijke kosten (waarvan de kantonrechter reeds € 577,82 heeft toegewezen en het verschil door het hof wordt toegewezen overeenkomstig rapport Voorwerk II). In cassatie is nog slechts van belang het oordeel van het hof over de grieven 1 en 9, die volgens het hof falen omdat [eiser] over de onderwerpen die in die grieven aan de orde zijn (kort gezegd: de afwerking van de kastdeurtjes ‘doorlopend met alu trim’ en de locatie van het dakluik) te laat (niet binnen bekwame tijd als bedoeld in art. 7:23 lid 1 BW) zou hebben geklaagd:
“3.8 Met grief 1 klaagt [eiser] over het oordeel van de kantonrechter dat uit de omschrijving in de offerte “bovenkasten achter, links en voorzijde doorlopend met alu trim” niet kan worden opgemaakt dat er geen onderbreking tussen de kastdeurtjes mocht zitten. Van een gebrek is volgens de kantonrechter geen sprake. Deze grief faalt op grond van het navolgende. Ingevolge artikel 7:23 lid 1 BW kan een koper er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken hiervan in kennis heeft gesteld. Ten aanzien van consumentenkoop wordt een termijn van twee maanden na de ontdekking nog als tijdig beschouwd. De strekking van deze bepaling is dat de verkoper zo snel als mogelijk kennis draagt van de gestelde gebreken en dat hij beschermd wordt tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten.
In het onderhavige geval heeft [eiser] in zijn e-mail van 5 juni 2017 aan DC gemeld blij te zijn met de camper, deze rustig te hebben geïnspecteerd en daarbij nog een aantal gebreken te hebben geconstateerd. De klacht over de keukenkastjes, visueel direct waarneembaar, werd in deze e-mail niet geuit. In zijn e-mail van 20 juni 2017 heeft [eiser] een aantal nieuwe klachten naar voren gebracht ten opzichte van de e-mail van 5 juni 2017. Daarbij heeft hij voor het eerst aangegeven dat niet was voldaan aan zijn keuze voor kastjes die slechts een centimeter uit elkaar lagen, maar dat hij in plaats daarvan kastjes heeft gekregen die “wel zes zeven centimeter uit elkaar lagen. Ook aan onze wens dat de zilverkleurige strips tot aan de onderkant zouden reiken is niet voldaan.” Naar aanleiding daarvan heeft DC (blijkbaar) gevraagd om een lijst met alle gebreken, getuige de e-mail van 19 juli 2017 van [eiser] aan DC (...) n.a.v. de navolgende lijst waar je om hebt gevraagd. (...)” In deze lijst van gebreken keert het punt van de keukenkastjes en alu trim niet terug. Mede gelet op deze chronologische gang van zaken en de strekking van artikel 7:23 BW, te weten het bieden van duidelijkheid aan de verkoper ten aanzien van eventuele opleveringsgebreken, alsmede in aanmerking genomen dat [eiser] tussen 20 juni 2017 en 19 juli 2017 met de camper op vakantie was geweest, mocht DC erop vertrouwen dat de gebrekenlijst van 19 juli 2017 volledig was, en dat deze de lijst van 20 juni 2017 verving. Het eerstvolgende moment waarop [eiser] aan DC kenbaar heeft gemaakt het niet doorlopen van de kastjes en de alu trim als een gebrek te beschouwen was met het rapport van DEKRA in januari 2018. Dit is meer dan zes maanden na oplevering en ook meer dan zes maanden na 20 juni 2017, en derhalve te laat.
(...)
3.17 Grief 9 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat ten aanzien van (de plaatsing van) het dakluik geen sprake is van een gebrek. Ter toelichting op deze grief stelt [eiser] dat met DC was overeengekomen dat dit dakluik met ingebouwde ventilator boven de kookplaat gemonteerd zou worden. [eiser] heeft verder ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat in zijn bijzijn door een medewerker van DC met een stift een kruis op de plek van het dak van de camper is geplaatst waar het dakluik met ventilator moest komen. [eiser] stelt dat DC zonder verder overleg het dakluik toch in het midden van het dak heeft geplaatst.
Blijkens het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg heeft DC erkend dat gesproken is over plaatsing van het dakluik uit het midden. Zij stelt – blijkens de weergave in het proces-verbaal – dat zij om constructieve redenen ervoor heeft gekozen het dakluik toch in het midden te plaatsen. Wat hiervan ook zij, de grief faalt omdat [eiser] te laat heeft geklaagd. In zijn e-mail van 20 juni 2017 heeft [eiser] een aantal nieuwe klachten naar voren gebracht ten opzichte van de e-mail van 5 juni 2017. Daarbij heeft hij voor het eerst aangegeven dat niet was voldaan aan zijn wens “om het voorste dakluik meer opzij, meer boven de keuken aan te brengen”. Naar aanleiding daarvan heeft DC (blijkbaar) gevraagd om een lijst met alle gebreken, getuige de e-mail van 19 juli 2017 van [eiser] aan DC (...) n.a.v. de navolgende lijst waar je om hebt gevraagd. (...)” In deze lijst van gebreken keert het punt van de plaats van het dakluik niet terug. Mede gelet op deze chronologische gang van zaken, gelet op de strekking van artikel 7:23 BW – te weten het bieden van duidelijkheid aan de verkoper ten aanzien van eventuele gebreken –, en ten slotte in aanmerking genomen dat [eiser] tussen 20 juni 2017 en 19 juli 2017 met de camper op vakantie is geweest en de camper dus uitgebreid heeft kunnen beoordelen, mocht DC erop vertrouwen dat de gebrekenlijst van 19 juli 2017 volledig was, en dat deze de lijst van 20 juni 2017 verving. Dit geldt te meer nu [eiser] op 20 juni 2017 slechts melding maakte van een door hem geuite wens, en hij niet stelt dat door DC was toegezegd die wens te honoreren. Het eerstvolgende moment waarop [eiser] aan DC kenbaar heeft gemaakt de plaatsing van het dakluik als een gebrek te beschouwen was met het rapport van DEKRA in januari 2018. Dit is meer dan zes maanden na oplevering en ook meer dan zes maanden na 20 juni 2017 en derhalve te laat.”
[onderstreping en cursivering in origineel, A-G]
In cassatie
Bij procesinleiding van 24 december 2020 (en derhalve tijdig) heeft [eiser] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 29 september 2020 van het hof. DC heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijke toelichting gegeven. [eiser] heeft gerepliceerd.