Home

Parket bij de Hoge Raad, 02-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:179, 19/05483

Parket bij de Hoge Raad, 02-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:179, 19/05483

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 maart 2021
Datum publicatie
4 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:179
Formele relaties
Zaaknummer
19/05483

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Een van de middelen betreft de vraag of sprake is van een wijziging van toepasselijke regels van sanctierecht die ten voordele van de verdachte werkt, nu art. 37 (oud) Sr per 1 januari 2020 is vervallen en de strafrechter sedertdien (daarvoor in de plaats) de mogelijkheid heeft gekregen tot het verstrekken van een zorgmachtiging o.g.v. 2.3 Wfz jo. 6:5 Wvggz. De conclusie gaat in dat verband in op het wettelijke kader en enige problematiek die ten gevolge van het vervallen van art. 37 (oud) Sr in de praktijk speelt. De AG is van oordeel dat dit middel slaagt. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van het hof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/05483

Zitting 2 maart 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 november 2019 de verdachte niet strafbaar verklaard ter zake van de bewezenverklaarde “belaging” en “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, hem ontslagen van alle rechtsvervolging en de plaatsing van hem gelast in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar.

2. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel en de bespreking daarvan

3. Het eerste middel klaagt dat het hof voor het gelasten van de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis heeft acht geslagen op “hetgeen ook overigens op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken” zonder dit nader te preciseren, zodat het arrest in zoverre ontoereikend is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.

4. Omtrent de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof het volgende overwogen:

Strafbaarheid van de verdachte

Om te bepalen in welke mate het bewezen verklaarde aan de verdachte is toe te rekenen, heeft het hof acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 19 april 2019, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] , psychiater, en het Pro Justitia rapport d.d. 30 april 2019, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 2] , GZ-psycholoog.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Volgens zowel de psychiater als de psycholoog leidt deze stoornis tot waanbelevingen bij de verdachte.

Volgens de psychiater is het ten laste gelegde geheel voortgekomen uit psychotische belevingen en zijn met waanzekerheid beleefde projectie van vrijwel al zijn negatieve ervaringen en belevingen op zijn moeder en stiefvader.

De psycholoog meent op grond van de stukken te kunnen stellen dat de psychotische belevingswereld van de verdachte en zijn reacties daarop zijn functioneren domineren. Met betrekking tot het gedrag dat uit de bij de verdachte bestaande wanen voortkomt, beschikt de verdachte niet over zijn vrije wil. Hij reageert op basis van hevige achterdocht, angst en woede en ontbeert ziektebesef.


Beide gedragsdeskundigen oordelen dat de ziekelijke stoornis ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was en dat die stoornis de gedragingen en gedragskeuzes van de verdachte heeft beïnvloed. Beiden concluderen dat de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de eerder omtrent de persoon van de verdachte door [betrokkene 4] , psychiater, en [betrokkene 3] , GZ psycholoog, op 10 april 2018 respectievelijk 25 april 2018 uitgebrachte rapportages Pro Justitia. Deze gedragsdeskundigen komen in hun rapportages (in grote lijnen) tot dezelfde conclusies.

Nu de conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voornoemd worden gedragen door hun bevindingen en worden gesteund door de conclusies van laatstgenoemde gedragsdeskundigen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne.
Het hof is dan ook van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend wegens de ten tijde van het plegen van die feiten aanwezige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Het hof acht de verdachte daarom ter zake van het eerste en tweede cumulatief bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar.

De verdachte is derhalve niet strafbaar en zal mitsdien van alle rechtsvervolging worden ontslagen.”

5. Het hof heeft bij zijn oordeel dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend allereerst acht geslagen op de pro justitia-rapportages van psychiater [betrokkene 1] en GZ-psycholoog [betrokkene 2] van respectievelijk 19 april 2019 en 30 april 2019. Daarnaast heeft het hof bij zijn oordeel betrokken de eerder opgemaakte pro justitia-rapportages van psychiater [betrokkene 4] en GZ-psycholoog [betrokkene 3] van 10 april 2018 respectievelijk 25 april 2018. Naar het hof heeft geoordeeld komen de in deze rapportages neergelegde conclusies omtrent de persoon van de verdachte in grote lijnen met elkaar overeen. Omdat de conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden gedragen door de bevindingen van [betrokkene 4] [betrokkene 3] , heeft het hof de conclusies van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgenomen en die tot de zijne gemaakt. Daar had het hof het bij kunnen laten. De motivering zou ook dan al in voldoende mate toereikend zijn geweest.

6. Daarnaast heeft het hof evenwel ook genoemd hetgeen “ook overigens” op de terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Uit de context waarin dit zinsdeel is geplaatst, maak ik op dat het hof hier niet het oog heeft gehad op een concreet voorval dat zich ter terechtzitting heeft voorgedaan of een concrete indruk die het hof toen heeft opgedaan, maar dat het meer in zijn algemeenheid bedoelt te verwijzen naar wat omtrent het feit en mede in samenhang daarmee de persoonlijkheid van de verdachte ter terechtzitting ter sprake is gekomen en/of is gebleken. Ook omdat een toelichting op het middel in het geheel ontbreekt, zie ik mede gelet op mijn opmerking in randnummer 5 niet in waarom het niet nader specificeren van deze omstandigheden door het hof tot cassatie zou dienen te leiden.

7. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel en de bespreking daarvan

Het derde middel en de bespreking daarvan

Slotsom