Home

Parket bij de Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:284, 20/01511

Parket bij de Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:284, 20/01511

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2021
Datum publicatie
16 april 2021
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:284
Formele relaties
Zaaknummer
20/01511

Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Clausule voor dekking van stormschade. Hevige storm ('supercell') gepaard gaande met windstoten en hagel. Is schade aan opstallen door inslag van hagel gedekt? Uitleg clausule. Causaliteitsmaatstaf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01511

Zitting 26 maart 2021

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

1. [eiseres 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

(hierna gezamenlijk: ‘ [eisers] ’)

tegen

Allianz Benelux N.V.

(hierna: ‘Allianz’)

Op 23 juni 2016 is de agrarische onderneming van [eisers] getroffen door een zogenoemde supercell: een fikse storm die met grote hagelstenen gepaard is gegaan. Er is schade ontstaan aan (onder meer) de daken van hun gebouwen. In dit verband hebben zij een beroep gedaan op hun bij Allianz lopende verzekering. Allianz heeft uitkering geweigerd, omdat sprake zou zijn van hagelschade en [eisers] niet voor clausule 593 hebben gekozen, waarmee zij dekking voor hagelschade zouden hebben gehad. Volgens [eisers] moet de schade worden aangemerkt als stormschade, waarvoor de verzekering wel dekking biedt. Zij hebben in dit verband ook aangevoerd dat de schade onder de dekking voor stormschade valt, omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet met zoveel woorden van de dekking voor stormschade heeft uitgesloten.

Bij de rechtbank hadden [eisers] succes, maar het hof heeft de vorderingen van [eisers] alsnog afgewezen. Het hof heeft overwogen dat, nu de verzekeringsvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt, moet worden gevonden met toepassing van de dominant cause-leer. Uitgaande van deze verzekeringsrechtelijke causaliteitsleer heeft het hof de hagel – en niet de storm – als de dominant cause aangewezen. De door [eisers] geleden schade valt daarom niet onder de dekking van de verzekering. Het hof is niet meegegaan met het betoog van [eisers] dat de schade onder de verzekering is gedekt, omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten.

In cassatie betogen [eisers] dat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat de dominant cause-leer van toepassing is. Ook zou het hof de dominant cause-leer en het daarbij horende common sense-criterium onjuist hebben toegepast. Volgens [eisers] had het hof de storm als de rechtens relevante oorzaak moeten aanwijzen of in elk geval als medeoorzaak. Ten slotte klagen zij over de verwerping door het hof van hun betoog dat de schade onder de verzekering is gedekt omdat Allianz schade die indirect is veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

[eisers] exploiteren een agrarische onderneming in Sterksel . Zij hebben met Aegon een verzekeringsovereenkomst gesloten onder de naam [de verzekering] (hierna: ‘de verzekeringsovereenkomst’ of ‘de verzekering’). De verzekering is stilzwijgend verlengd per 23 maart 2014 voor een periode van tien jaar.

1.3

Allianz is per 1 juli 2016 in de rechten en verplichtingen van Aegon ten aanzien van onder meer de verzekeringsovereenkomst getreden, ook voor zover de rechten en verplichtingen zijn ontstaan vóór 1 juli 2016. Hierna zal Allianz als verzekeraar worden genoemd ook als op het dan beschreven moment Aegon de verzekeraar was.

1.4

De polis luidt onder meer als volgt:

“Clausule(s) (...) 592 (...)

Dekking brand- en stormschade conform voorwaarden en clausule(s)

(...)

CLAUSULE 592

BIJZONDERE VOORWAARDEN STORMVERZEKERING VOOR AGRARISCHE BEDRIJVEN

Voor zover uit vermelding op het polisblad blijkt dat verzekerde objecten tegen het risico van stormschade zijn verzekerd, gelden de navolgende bepalingen naast de bij deze verzekering behorende voorwaarden brandverzekering voor agrarische bedrijven.

1 Storm

Onder storm wordt verstaan wind met een snelheid van ten minste 14 m/sec. Met schade door storm wordt gelijkgesteld schade door neerslag, voor zover deze schade het gevolg is van stormschade aan het (de) verzekerde gebouw(en) of aan het (de) gebouw(en) waarin de verzekerde objecten zich bevinden.”

1.5

Op 23 juni 2016 vond er in Sterksel en omgeving een hevige storm plaats die in de weerkunde wordt gekwalificeerd als supercell. Er is schade ontstaan aan (onder meer) de daken van de gebouwen van [eisers]

1.6

[eisers] hebben op 24 juni 2016 de schade gemeld bij Allianz. Allianz heeft op nog diezelfde dag Dekra Experts ingeschakeld om de schade vast te stellen. Dekra Experts heeft gerapporteerd bij eerste verslag van 13 juli 2016, dat onder andere als volgt luidt:

Evenement/oorzaak

Op 23 juni 2016 werd Sterksel en omgeving getroffen door hevig noodweer, gepaard gaande met extreme hagel, regen en bliksemontladingen. In de avond passeerde er een zogenaamde ‘supercell’ waarbij ondermeer hagelstenen met extreme afmetingen zijn gevallen. Ook was er sprake van windstoten, hevige neerslag en vele bliksemontladingen. (...) In de gehele omgeving ontstond ernstige schade aan auto’s, gewassen, daken, beglazing, rolluiken, et cetera.

Hoewel het, tijdens het passeren van de ‘supercell’ meest waarschijnlijk ook gestormd heeft, kan gesteld worden dat de storm niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade aan de (grotendeels asbesthoudende) daken. Uit eerdere onderzoeken van het KNMI is gebleken dat storm geen invloed heeft op de valsnelheid van de hagelstenen. Ons bureau heeft in de directe omgeving van het schadeadres tal van schaden in behandeling, die zijn ontstaan door het noodweer. Telkenmale is er sprake van schade door hagel en niet van directe schade door storm.

In enkele gevallen hebben wij uit het schadebeeld kunnen opmaken dat (storm)wind van invloed is geweest op het ontstaan van de schade, doordat verticale oppervlakten (zoals bijvoorbeeld beglazing en rolluiken) beschadigd raakten. Dit kan worden verklaard doordat de hagelstenen wel door de windvlagen onder een behoorlijke hoek het aardoppervlak hebben bereikt. Bij dergelijke schaden zijn wij van mening dat windstoten hebben bijgedragen aan de oorzaak van de schade, al is de exacte kracht van de maximale windstoot ons nog niet bekend. Als er geen sprake zou zijn geweest van wind(stoten) dan waren de hagelstenen loodrecht naar beneden gevallen en was schade aan verticale oppervlakten niet ontstaan.

Bij schade aan daken is dat anders. Hieraan zou ook schade zijn ontstaan als er geen sprake zou zijn geweest van storm. Zoals gememoreerd hebben de windstoten immers geen invloed op de valsnelheid van hagelstenen. (...)

Schadeomvang

Tijdens onze uitvoerige inspectie ter plaatse stelden wij vast, dat van de asbesthoudende golfplaten op twee stallen aan de lijzijde circa 20% en aan de windzijde circa 40% van de golfplaten door hagelinslag geperforeerd waren. Dat gold ook voor een aantal goten. (...) Van de asbestvrije golfplaten op de vleesvarkensstal raakten vele honderden platen geperforeerd. De stalen dakplaten van de opslagloods vertoonden vele duizenden deuken. (...).”

1.7

Bij brief van 27 juli 2016 heeft Allianz de assurantietussenpersoon van [eisers] het hiervoor bedoelde verslag toegestuurd en het volgende geschreven:

“De voornaamste oorzaak lijkt toch directe hagelschade te zijn en de polis geeft daarvoor geen dekking.

(...)

Dat betekent dat de schade niet volledig voor vergoeding in aanmerking komt.

De directe stormschade wordt wel vergoed.

De expert zal zijn werkzaamheden voortzetten en de schade vaststellen.”

1.8

Dekra Experts heeft een eindverslag opgemaakt, gedateerd 30 september 2016. In dat rapport is grotendeels hetzelfde opgenomen als in het eerste verslag en ook nog dat uit registraties van lokale weerstations blijkt dat er in Sterksel en omgeving windsnelheden zijn geregistreerd van 24 m/s. In het rapport is de schade begroot op in totaal € 75.566, met de vermelding, zakelijk weergegeven, dat daarover naar aanleiding van een uitvoerig mondeling onderhoud op de schadelocatie met verzekerde overeenstemming is bereikt.

1.9

Allianz heeft [eisers] bij e-mail van 18 oktober 2016 laten weten, zakelijk weergegeven, dat de opstalschade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de expert heeft vastgesteld dat de schade is ontstaan door hagel, en dat een niet verzekerde gebeurtenis is.

1.10

Op verzoek van [eisers] heeft een contra-expertise plaatsgevonden in welk kader op 9 februari 2017 een rapport is uitgebracht, waarin de door de verzekeringsovereenkomst gedekte stormschade wordt gesteld op € 208.952,57.

2 Procesverloop

Eerste aanleg

2.1

[eisers] hebben Allianz bij dagvaarding van 13 april 2017 in rechte betrokken bij de rechtbank Rotterdam. Zij hebben de rechtbank, voor zover in cassatie nog van belang, verzocht om Allianz te veroordelen tot betaling van € 221.921.2

2.2

Allianz heeft een beroep gedaan op de dominant cause-leer.3 Zij heeft aangevoerd dat de hagelstenen als de dominant cause van de schade moeten worden aangemerkt. Volgens Allianz biedt de verzekering geen dekking voor hagelschade.

2.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 maart 2018 de vordering van [eisers] tot een bedrag van € 75.566 toegewezen.4 De rechtbank heeft eerst de vraag beantwoord of de door [eisers] geleden schade onder de dekking van de verzekering valt:

Dekking

(...)

4.2.

Uitgangspunt is dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt de vrijheid met zich om daarbij binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.

4.3.

Tussen Allianz en [eisers] is een verzekering gesloten met als dekkingsomschrijving “brand- en stormschade conform voorwaarden en clausule(s)”. In de polis is, afgezien van de dekkingsomschrijving, alleen clausule 592 aan stormschade gewijd. In de verzekeringsvoorwaarden is geen bepaling opgenomen die betrekking heeft op stormschade.

4.4.

Voor het antwoord op de vraag of de door [eisers] geclaimde schade onder de dekking van de verzekering valt, komt het derhalve aan op de uitleg van de dekkingsomschrijving en het bepaalde in clausule 592.”

2.4

Volgens de rechtbank komt het bij deze uitleg aan op objectieve factoren:

“4.5. Door Allianz is onbetwist gesteld dat over de clausules en voorwaarden van de tussen partijen afgesloten verzekeringsovereenkomst niet is onderhandeld door partijen. Dit brengt mee dat het bij de uitleg van de tussen partijen geldende bepalingen met name aan komt op objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de verzekeringsovereenkomst als geheel.”

2.5

De toepassing van deze uitlegmaatstaf heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de door [eisers] geleden schade is, aansluiting moet worden gezocht bij de dominant cause-leer:

“4.6. Uit de bewoordingen van de dekkingsomschrijving en clausule 592 volgt dat schade als gevolg van storm is gedekt en dat onder storm wordt verstaan wind met een snelheid van ten minste 14 m/sec. In clausule 592 is geen causaliteitsmaatstaf opgenomen en ook uit het polisblad en de overige verzekeringsvoorwaarden volgt geen causaliteitsmaatstaf die op de aan de orde zijnde schade van toepassing is. Dit brengt mee dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de gestelde schade is aansluiting moet worden gezocht bij de zogenoemde dominant-cause-leer, zoals namens Allianz ook is aangegeven. Deze leer houdt in dat een of meer gebeurtenissen als oorza(a)k(en) van de schade kunnen worden aangewezen als zij effectief de schade rechtens relevant (heeft) hebben veroorzaakt en dat meer dan één oorzaak als rechtens relevant voor het ontstaan van de schade kan worden aangemerkt.

4.7.

Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of de storm als rechtens relevante oorzaak van de door [eisers] geleden schade, bestaande uit gaten in de daken van hun gebouwen als gevolg van hagel, kan worden aangemerkt.”

2.6

Toepassing van de dominant cause-leer leidt er volgens de rechtbank toe dat de storm als rechtens relevante oorzaak van de schade van [eisers] moet worden aangemerkt:

“4.8. Partijen zijn het erover eens dat de sterke windstoten en de opwaartse en neerwaartse windbewegingen in de supercell een (bepalend) effect hebben gehad op de omvang en de samenklontering van de hagelstenen en dat deze hagelstenen de schade hebben veroorzaakt. Voorts is niet in geschil dat er op 23 juni 2016 windsnelheden zijn geregistreerd van 24 m/sec en dat deze wind derhalve is aan te merken als storm in de zin van de verzekeringsovereenkomst. Onder deze omstandigheden kan de storm als rechtens relevante oorzaak van de schade aan de daken van de gebouwen van de [eisers] worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat, zoals Allianz stelt, het de hagelstenen zijn geweest die daadwerkelijk de gaten in de daken hebben veroorzaakt. Immers, zonder de storm zouden deze hagelstenen er niet in deze omvang zijn geweest en derhalve deze schade niet hebben veroorzaakt.”

2.7

Het beroep5 van Allianz op twee vonnissen6 en één arrest7 in twee andere procedures, waarin is geoordeeld dat de door de verzekerde geleden schade is aan te merken als hagelschade, slaagt volgens de rechtbank niet:

“4.9. Allianz beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt op uitspraken van rechtbank Gelderland van 2 augustus 2017 en rechtbank Rotterdam van 4 november 2016, in welke zaak in hoger beroep het gerechtshof Den Haag op 5 september 2017 uitspraak heeft gedaan. Dit beroep kan Allianz niet baten. Weliswaar is in deze uitspraken geoordeeld dat er geen dekking was voor schade als gevolg van de supercell van 23 juni 2016, maar in die zaken waren andere verzekeringsvoorwaarden van toepassing dan in de onderhavige zaak. In die zaken waren de vorderingen gebaseerd op een bij Interpolis afgesloten verzekering voor stormschade waarbij expliciet in de voorwaarden als uitsluiting was opgenomen dat onder schade door storm niet werd verstaan “schade die tijdens de storm door de inslag van hagel is ontstaan.” Een dergelijke uitsluiting heeft Allianz niet in haar voorwaarden opgenomen.

In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat in de tweede zin onder 1 van clausule 592 een uitbreiding is opgenomen van het verzekerd risico in geval van schade door neerslag als gevolg van storm. Weliswaar ziet deze uitbreiding niet, zoals Allianz terecht stelt, op de thans aan de orde zijnde schade van [eisers] maar het maakt wel dat er des te minder aanleiding is om het verzekerd risico zoals geformuleerd in de eerste zin onder 1 beperkter uit te leggen dan uit de bewoordingen volgt.”

2.8

Ook het betoog van Allianz dat [eisers] bij de totstandkoming zijn bijgestaan door een assurantietussenpersoon gaat volgens de rechtbank niet op:

“4.10. Het voorgaande in aanmerking nemende, treft ook het betoog van Allianz dat de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen door bemiddeling van de assurantietussenpersoon van [eisers] en dat deze tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd dan wel had dienen te adviseren dat hagelschade niet was gedekt onder de polis en zij zich daarvoor apart konden verzekeren, geen doel.

Zoals volgt uit het voorgaande, geven de bewoordingen van de polis geen aanleiding voor de door Allianz voorgestane uitleg dat er in een situatie als de onderhavige, waarbij sprake is van een supercell en schade ontstaat door hagel als gevolg van storm, geen dekking is voor die schade. Als Allianz deze schade niet onder de verzekeringsdekking had willen laten vallen, had het op haar weg gelegen om, zoals Interpolis dat blijkbaar wel heeft gedaan, schade die tijdens storm door inslag van hagel ontstaat, uit te sluiten.”

2.9

De rechtbank is tot het volgende oordeel gekomen:

“4.11. De door [eisers] geleden schade als gevolg van de supercell van 23 juni 2016 is derhalve gedekt onder de verzekering.”

2.10

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat partijen de hoogte van de schade in onderling overleg hebben vastgesteld op € 75.566 (rov. 4.19.).8 De rechtbank heeft Allianz veroordeeld om een bedrag van € 75.171 aan [eisers] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente (rov. 4.23. en 5.1.).9

Hoger beroep

2.11

Allianz heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij heeft slechts één grief aangevoerd, gericht tegen rov. 4.8. tot en met 4.10. van het vonnis van de rechtbank.

2.12

[eisers] hebben deels voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. In cassatie is alleen de voorwaardelijk incidentele grief I van belang. Deze grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank in rov. 4.6. dat “bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de gestelde schade is aansluiting moet worden gezocht bij de zogenoemde dominant-cause-leer, zoals namens Allianz ook is aangegeven”. In de toelichting op deze grief staat onder meer dat [eisers] van mening zijn dat de dominant cause-leer niet, althans niet de juiste causaliteitsmaatstaf is. Volgens [eisers] is de condicio sine qua non-leer meer passend of dient de leer van de adequate veroorzaking te worden toegepast.10

2.13

In het kader van de causaliteitskwestie die [eisers] en Allianz verdeeld houdt, heeft het hof eerst het volgende overwogen:

Causaliteit (grief 1 in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel)

4.1

De (enige) grief in het principaal appel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat storm (en niet hagel) moet worden aangemerkt als rechtens relevante oorzaak van de door [eisers] geleden schade, en dat die schade onder de verzekering is gedekt. Allianz is van mening dat de rechtbank de dominant cause-leer onjuist heeft toegepast. Voor het geval deze grief slaagt, klaagt grief I in het incidenteel appel erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag wat de oorzaak van de schade is, aansluiting moet worden gezocht bij de dominant cause-leer.

4.2

Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen, nu zij beide (de toepassing van) de zogenaamde dominant cause-leer aan de orde stellen.”

2.14

Vervolgens heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat de dominant cause-leer van toepassing is:

Het bepalen van de schadeoorzaak

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat op 23 juni 2016 sprake is geweest van een storm in de zin van de polisvoorwaarden, dat deze storm van invloed is geweest op de grootte en de zwaarte van de hagelstenen, en dat een causaliteitsmaatstaf in de polisvoorwaarden ontbreekt. Anders dan [eisers] betogen, leidt dit er echter niet toe dat de causaliteit tussen de storm en de schade in dit geval is gegeven. Aangezien de causaliteitsmaatstaf in de polisvoorwaarden ontbreekt, moet deze worden gevonden.

4.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, aangezien de polisvoorwaarden geen causaliteitsmaatstaf bevatten, het antwoord op de vraag of de schade van [eisers] onder de verzekering is gedekt afhangt van het antwoord op de vraag of de storm de rechtens relevante oorzaak is geweest van de schade (dominant cause-leer). De voorwaardelijke incidentele grief van [eisers] kan reeds daarom niet slagen. Een oorzaak kwalificeert als rechtens relevant als die geldt als de meest effectieve of meest dominerende factor voor het ontstaan van de schade. De rechtens relevante schadeoorzaak wordt mede vastgesteld met inachtneming van de regels van gezond verstand.”

2.15

De toepassing van de dominant cause-leer heeft het hof echter tot een conclusie gebracht die tegenovergesteld is aan die van de rechtbank. Volgens het hof moeten de (inslaande) hagelstenen worden aangemerkt als de rechtens relevante oorzaak – en dus niet de storm – zodat de door [eisers] geleden schade niet onder de dekking van de verzekering valt:

Rechtens relevante schadeoorzaak

4.5

Tussen partijen staat vast dat er op 23 juni 2016 een combinatie van storm, wind(stoten) en hagel heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn hagelstenen met extreme afmetingen gevallen, die onder meer de golfplaten op de varkensstallen van [eisers] hebben geperforeerd. Toepassing van de in het vorige punt omschreven maatstaf leidt tot het oordeel dat de (inslaande) hagelstenen de rechtens relevante oorzaak van de schade zijn. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal in een dergelijk geval immers – mede gezien het schadebeeld – de hagel en niet de storm als schadeoorzaak aanwijzen. Daaraan kan niet afdoen dat de extreme omvang van de hagelstenen heeft kunnen ontstaan door de hevige storm. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal zich immers veelal niet eens realiseren dat luchtbewegingen hoog in de atmosfeer hebben bijdragen aan het vormen en vallen van de hagelstenen. Voor zover [eisers] menen dat sprake is van stormschade omdat valwinden ervoor hebben gezorgd dat de hagelstenen met ongebruikelijke snelheid tegen de daken van haar gebouwen zijn gewaaid en dat daardoor de schade is ontstaan, miskennen zij dat ook dat juist als hagelschade, en niet als stormschade te kwalificeren valt. Dit betekent dat de schade niet op grond van clausule 592 als stormschade is gedekt.”

2.16

Volgens het hof faalt het betoog van [eisers] dat de schade onder de verzekering is gedekt, omdat Allianz indirecte schade veroorzaakt door storm niet van dekking heeft uitgesloten:

Dekking

4.6 (...)

Het gaat hier om een brandpolis waarbij de verzekerde de mogelijkheid heeft per object en per evenement voor een bepaalde dekking te kiezen (named perils-polis). Een uitsluitingsclausule komt pas aan de orde als eerst sprake is van een gedekt evenement. Dat doet zich hier niet voor. De door [eisers] afgesloten module voor onder andere stormschade dekt de schade aan de bedrijfsgebouwen van [eisers] niet. Daarbij merkt het hof op dat Allianz erop heeft gewezen dat clausule 593 “Bijzondere voorwaarden uitgebreide verzekering voor agrarische bedrijven” de mogelijkheid bood om naast stormschade ook hagelschade te verzekeren en dat [eisers] daar niet voor hebben gekozen. Door [eisers] is dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.”

2.17

Het voorgaande leidt er volgens het hof toe dat:

“4.7 (...) de in het geding zijnde schade van [eisers] niet onder de verzekering is gedekt en dat Allianz ter zake van deze schade onder de verzekering niet tot enige uitkering is gehouden.”

2.18

Het hof is tot de slotsom gekomen dat het door Allianz ingestelde principaal hoger beroep slaagt en dat de door [eisers] voorwaardelijk ingestelde grief I faalt.11 Het incidenteel hoger beroep treft geen doel (rov. 5.1). Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van [eisers] alsnog afgewezen (rov. 5.2 en dictum).

Cassatie

2.19

[eisers] hebben bij procesinleiding van 4 mei 2020, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Allianz heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht. Vervolgens hebben [eisers] gerepliceerd.

3 Causaliteit in het verzekeringsrecht

Inleiding

3.1

De supercell van 23 juni 2016, een fikse storm die met grote hagelstenen gepaard is gegaan, heeft niet alleen geleid tot de onderhavige procedure tussen [eisers] en Allianz, maar tot nog tenminste acht andere procedures tegen verzekeraars en tot een nog groter aantal uitspraken.12 Eén van deze andere procedures bracht het vorig jaar tot Uw Raad (zaak 19/05704).13 Het gaat om de procedure tussen de exploitanten van een varkensfokbedrijf (hierna: ‘de varkensfokkers’) en Interpolis,14 waarin ik op 13 november 2020 heb geconcludeerd.15 Uw Raad heeft in deze zaak nog geen uitspraak gedaan.

3.2

Zowel in de zaak van de varkensfokkers, als in de onderhavige zaak tussen [eisers] en Allianz, spelen vragen over causaliteit in het verzekeringsrecht een hoofdrol, en in het bijzonder de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast.16 Hoewel beide zaken vergelijkbaar zijn, zijn er ook enkele niet onbelangrijke verschillen. Zowel in de onderhavige procedure als in die tussen de varkensfokkers en Interpolis heeft de verzekerde geen dekking voor hagelschade genomen, terwijl dat wel tot de mogelijkheden behoorde. In beide zaken biedt de betrokken verzekering alleen dekking voor stormschade en is de vraag of de schade waarvan verzekerde vergoeding vordert is te beschouwen als gedekte stormschade. De contractuele context is in zoverre in beide procedures gelijk.17 Een belangrijk verschil tussen beide procedures is dat de varkensfokkers en Interpolis het er in de feitelijke instanties over eens waren dat de dominant cause-leer toepassing moest vinden.18 Omdat het hof vervolgens de dominant cause-leer op juiste wijze had toegepast, heb ik verwerping van het door de varkensfokkers ingestelde cassatieberoep voorgesteld.19 In de onderhavige procedure hebben [eisers] daarentegen het standpunt van Allianz dat de dominant cause-leer van toepassing is, bestreden, zowel in feitelijke instanties als in cassatie. Hierdoor is in deze zaak het debat in cassatie ruimer: het gaat niet alleen om de vraag of het hof de dominant cause-leer op juiste wijze heeft toegepast, maar vooral (en eerst) om de vraag of het hof deze leer mocht toepassen.

3.3

In beide zaken gaat het dus om causaliteit in het verzekeringsrecht en in het bijzonder om de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast. In mijn conclusie voor de zaak van de varkensfokkers ben ik uitvoerig op deze thema’s ingegaan.20 Het is niet efficiënt om al mijn bevindingen hier te herhalen. Daarom zal ik hier volstaan met het weergeven van de hoofdlijnen, onder verwijzing naar de belangrijkste randnummers uit eerdergenoemde conclusie.

3.4

Daarbij zal ik ook aandacht besteden aan een eveneens recente conclusie van A-G Valk in een andere verzekeringsrechtelijke zaak, waarin het (mede) gaat over causaliteit en de vraag of de dominant cause-leer moet worden toegepast.21 Ook in deze zaak heeft Uw Raad nog geen uitspraak gedaan.

In hoofdlijnen: causaliteit in het verzekeringsrecht en de dominant cause-leer

3.5

Heeft degene die schade heeft geleden een verzekering waarop hij een beroep kan doen, bijvoorbeeld een opstalverzekering, dan kan zich in de verhouding verzekerde-verzekeraar de vraag aandienen of de oorzaak van de schade onder de dekking van die verzekering valt.22 In de onderhavige zaak doet zich zo’n causaliteitsvraagstuk voor. [eisers] zijn van opvatting dat de schade is veroorzaakt door storm, waarvoor zij verzekeringsdekking hebben.23 Allianz is van opvatting dat hagel als de oorzaak van de schade moet worden aangemerkt, zodat zij niet hoeft uit te keren.24 In dit verband heeft Allianz erop gewezen dat schade door hagel niet wordt gedekt door de verzekering. Daarbij heeft zij aangevoerd dat [eisers] er niet voor hebben gekozen om hagelschade aan hun opstallen te verzekeren.25

3.6

Bij de beantwoording van de vraag of het in de verzekeringsovereenkomst verlangde causaal verband aanwezig is, komt het in de eerste plaats aan op inhoud en strekking van die overeenkomst en, zo daarover geschil bestaat, op uitleg van die overeenkomst. Uw Raad heeft deze maatstaf aangereikt in het Hogenboom/Unigarant-arrest.26 De voor (wettelijke) aansprakelijkheid geldende leer van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW) is hier niet aan de orde.27

3.7

In veel gevallen zal men uit de voeten kunnen met de door Uw Raad in het Hogenboom/Unigarant-arrest gegeven maatstaf. In lastige gevallen zoeken rechtspraak en literatuur hun toevlucht tot een uit een ‘normatieve causaliteitstheorie’28 voortvloeiende causaliteitsmaatstaf. Deze doet dan zijn intrede in de contractuele verhouding via het uitleg-leerstuk of op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). De belangrijkste causaliteitstheorieën in dit verband zijn:29

- de causa remota-leer,30 die als een toepassing van de leer van de adequate veroorzaking wordt gezien;

- de leer van de toerekening naar redelijkheid in een verzekeringsrechtelijke variant;31 en

- de causa proxima-leer,32 die in feite de leer van de dominant cause33 is geworden.

Niet kan worden gezegd dat onder het huidige recht één van deze theorieën, met uitsluiting van de andere, moet worden toegepast.34 Dit kan dus ook niet van de dominant cause-leer worden gezegd.

3.8

De dominant cause-leer, die een zekere populariteit in feitenrechtspraak35 en verzekeringsrechtelijke literatuur36 lijkt te hebben verworven, is een uit Engeland overgewaaide causaliteitsleer die kort samengevat inhoudt dat moet worden gezocht naar de meest dominante, inwerkende oorzaak. Hierbij moet men dan het gezond verstand (common sense) gebruiken.37

3.9

Ik ben geen voorstander van deze leer. Het common sense-criterium dat in deze leer centraal staat, geeft te weinig richting. Wat met de dominant cause-leer wordt bereikt, het aanwijzen van een ‘rechtens relevante oorzaak’ in het geval meerdere oorzaken zich aandienen, kan bovendien net zo goed binnen een op verzekering toegespitste toerekening naar redelijkheid.38 Ik wijs in dit verband ook op de wankele basis van de dominant cause-leer waar het om het Nederlandse recht gaat: een richtinggevende uitspraak van Uw Raad is er niet.39

3.10

Mijn voorkeur gaat uit naar toepassing in lastige gevallen van de leer van de toerekening naar redelijkheid, zij het dus niet in de art. 6:98 BW-variant. Ik stel me juist een verzekeringsrechtelijke variant van deze leer voor, waarbij schade wordt toegerekend aan een of meerdere oorzaken in het licht van de (bepalingen van de) verzekeringsovereenkomst, dus in het licht van de (al dan niet geobjectiveerde) bedoelingen en verwachtingen van de verzekeraar en de verzekeringnemer. De aard van de verzekering kan hierbij een rol spelen. Dit zou goed passen bij de centrale overweging in het Hogenboom/Unigarant-arrest.40 Zo’n theorie biedt ook ruimte om onderscheid te maken naar de aard van de verzekering: bij de aansprakelijkheidsverzekering en de schadeverzekering voor inzittenden kan men, juist vanwege het verband met het aansprakelijkheidsrecht, bijvoorbeeld wél het accent leggen op de toerekening naar redelijkheid zoals art. 6:98 BW die meebrengt, terwijl men bij andere verzekeringen, bijvoorbeeld bij de CAR-verzekering, het accent kan leggen op de causa proxima.41

De conclusie van A-G Valk inzake Bosporus/ASR (zaak 19/04757)

3.11

In mijn conclusie in de zaak tussen de varkensfokkers en Interpolis heb ik nog kunnen verwijzen naar de conclusie van A-G Valk in een andere verzekeringsrechtelijke zaak waarin het (mede) gaat over causaliteit.42 In die zaak, tussen Bosporus Freight Forwarding B.V. (hierna: ‘Bosporus’) en ASR, gaat het niet over de supercell van 23 juni 2016, maar over een verzekerde tweedehands auto die is gestolen en daarna uitgebrand werd teruggevonden. Voor de diefstal bestaat geen verzekeringsdekking, omdat Bosporus niet aan een zogenaamde alarmklasseclausule in de verzekeringsvoorwaarden heeft voldaan. Voor de brandschade bestaat wel dekking. Het hof Arnhem-Leeuwarden is niet meegegaan met het beroep van ASR op de dominant cause-leer, inhoudende dat de diefstal moet worden aangewezen als de dominante en daarmee rechtens relevante oorzaak, zodat aan de brand geen zelfstandige betekenis toekomt: 43

“2.7 (...) Ook wanneer wordt uitgegaan van de “dominant cause” leer betekent dit in dit specifieke geval dus niet dat de schade als gevolg van de diefstal (als “dominant cause” moet worden beschouwd. Uiteindelijk bieden de polisvoorwaarden voor dit geval van polycausaliteit geen aanwijzing voor de door ASR voorgestane uitleg. Als ASR op een geval als dit de “dominant cause” leer had willen toepassen, had het op haar weg gelegen om dit in duidelijke bewoordingen in de polisvoorwaarden op te nemen. Dat heeft zij echter nagelaten.”

3.12

Het hof heeft voor een proportionele uitkomst gekozen en geoordeeld dat ASR 30% van de gedekte brandschade aan Bosporus moet vergoeden:

“2.8 De, niet gedekte, diefstal heeft voor Bosporus allereerst geleid tot het verlies van de feitelijke macht, de gebruikswaarde en gaandeweg ook van de vermogenswaarde van de auto. De, wel gedekte, brand heeft onmiddellijk geleid tot zaaks- en vermogensschade. De uiteindelijke schade is een gevolg van beide factoren, maar onduidelijk is wat hun afzonderlijke causaliteitsbijdrage is geweest. De schade is mede een gevolg van een, niet gedekte, diefstal, welke omstandigheid, in de verhouding tot ASR, aan Bosporus als benadeelde kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht van ASR wegens de brandschade wordt daarom proportioneel verminderd door de schade over Bosporus en ASR te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Bij gebreke van nadere feitelijke informatie over de gebeurtenissen tussen de diefstal en de brand ligt als uitgangspunt voor de hand om de schade 50 - 50 te verdelen. Maar er kan toch ook niet zo maar worden voorbijgegaan aan het ervaringsgegeven dat een dief en zijn (directe) opvolgers als regel minder zorg zullen hebben voor de gestolen auto. Zo komt het nogal eens voor dat een auto wordt gestolen en vervolgens na kortere of langere tijd wordt gebruikt voor criminele activiteiten waarna de daders de sporen ervan door brandstichting aan de auto willen uitwissen. Dit rechtvaardigt de schade toch meer toe te rekenen aan de diefstal, namelijk voor 70%. ASR zal daarom 30% van de gedekte brandschade aan Bosporus moeten vergoeden.”

3.13

Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld. A-G Valk heeft geconcludeerd tot verwerping van beide cassatieberoepen. In zijn conclusie heeft ook hij vooropgesteld dat het in gevallen van meervoudige causaliteit gaat om uitleg van de verzekeringsovereenkomst.44 De diverse causaliteitstheorieën, waaronder ook de dominant cause-leer, kunnen als suggesties voor een mogelijke uitleg dienen. Het is volgens A-G Valk niet zo dat de rechter bij zijn uitleg aan één theorie is gebonden, ook niet in beginsel. De rechter is dus ook niet gebonden aan de dominant cause-leer.45 Die leer geldt volgens hem niet als hét uitgangspunt.46 Zelf heeft hij een voorkeur uitgesproken voor de leer van de toerekening naar redelijkheid.47 Uw Raad heeft als gezegd (randnummer 3.3 hiervoor) nog geen uitspraak gedaan in de zaak tussen Bosporus en ASR.

Slotsom

3.14

Uiteindelijk zijn A-G Valk en ik zijn het erover eens dat, waar zich in de verhouding verzekerde-verzekeraar de vraag aandient of de oorzaak van de schade onder de dekking van die verzekering valt, het aankomt op uitleg van die verzekering (het Hogenboom/Unigarant-arrest). In lastige gevallen kunnen normatieve causaliteitsleren hulp bieden (randnummer 3.6 hiervoor). Ik heb in dit verband een voorkeur uitgesproken voor een verzekeringsrechtelijke variant van de leer van de toerekening naar redelijkheid, met daarin ruimte voor het maken van onderscheid naar de aard van de verzekering. A-G Valk heeft ook een voorkeur voor de leer van de toerekening naar redelijkheid, maar heeft daarbij wel, als gezegd, opgemerkt dat geen van de causaliteitsleren tot regel kan worden verheven. Op het punt van de dominant cause-leer zitten A-G Valk en ik in ieder geval op één lijn: toepassing van die leer is niet hét uitgangspunt.

3.15

Na de publicatie van de zojuist besproken conclusies, hebben zich bij mijn weten geen nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Vanuit de literatuur of ‘het veld’ is, voor zover ik dit heb kunnen nagaan, slechts door een enkeling op deze conclusies gereageerd.48

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie