Parket bij de Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:294, 20/00989
Parket bij de Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:294, 20/00989
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 maart 2021
- Datum publicatie
- 26 maart 2021
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:294
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1534, Gevolgd
- Zaaknummer
- 20/00989
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheidsrecht. Afwikkeling aardbevingsschade. Onrechtmatigheid van hinder en overlast jegens bewoners. Vraag wanneer aanspraak bestaat op vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot, en op vergoeding van immateriële schade. Belang van de omstandigheid hoe vaak de bewoner fysieke schade aan de woning heeft gehad. Omvang immateriële schadevergoeding. Art. 6:162 BW, art. 6:97 BW, art. 6:106 BW. HR 19 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 (Groningenveld).
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00989
Zitting 26 maart 2021
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak
Nederlandse Aardolie Maatschappij BV
Advocaten: mrs. J. de Bie Leuveling Tjeenk en M.H.K. Jansen
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3]
4. [verweerder 4]
5. [verweerder 5]
6. En 48 anderen
7. [verweerder 7]
8. [verweerder 8]
9. [verweerder 9]
10. [verweerder 10]
11. [verweerder 11]
en 6 anderen
Advocaten: mrs. R.P.J.L. Tjittes en H. Boom
1 Overzicht
De eisers in eerste aanleg, [eisers zaak 1] en [eisers zaak 2] (in cassatie [verweerders] ), vorderen van NAM BV vergoeding van geleden en nog te lijden (i) immateriële schade als gevolg van de aardbevingen veroorzaakt door NAM’s aardgaswinning (smartengeld) en (ii) vermogensschade door gederfd woongenot als gevolg van de aardbevingen door NAM’s gaswinning. De eisers zijn of waren eigenaar of huurder van een woning in (de omgeving van) het ‘Groningen’-aardgasveld, waar de aarde vaak heeft gebeefd – en nog steeds beeft - als gevolg van de gaswinning. In hoger beroep ging het vooral om de vraag of de eisers hun vorderingen voldoende hebben onderbouwd.
Uit uw antwoorden in HR NJ 2020/3911 op prejudiciële vragen van de Rechtbank Noord-Nederland over onder meer vergoeding van gederfd woongenot en immateriële schade heeft het Hof afgeleid dat voor toewijzing van de eisen voldoende is dat vaststaat dat de eisers aan bepaalde relevante gemeenschappelijke kenmerken voldoen, mede gegeven dat er nog ruim 5.300 vergelijkbare zaken aankomen. Het hof heeft de eisers ingedeeld in negen categorieën op basis van de vraag of volgens eigen onderzoek door NAM vaststaat dat hun woning minstens eenmaal (woongenot) respectievelijk minstens twee maal (smartengeld) fysieke schade heeft geleden door de aardbevingen. Die criteria acht hij de meest objectieve en relevante voor de vraag of woongenot is gederfd respectievelijk persoonlijkheidsrechten zijn aangetast. Op basis daarvan heeft hij één of beide vorderingen toegewezen, afgewezen of aangehouden voor verder onderzoek. Daarbij heeft hij in tien gevallen in zijn beoordeling betrokken dat in die gevallen tussen NAM en de desbetreffende eisers finale kwijtingen waren overeengekomen, en geoordeeld dat die in sommige gevallen wel en in andere gevallen niet in de weg staan aan vergoeding van immateriële schade.
In cassatie bestrijdt NAM ‘s Hofs definitieve beslissingen met betrekking tot de eisers in de categorieën A (beide vorderingen toewijsbaar), B2 (vergoeding van woongenotschade toewijsbaar, maar smartengeld niet) en C2 (smartengeld toewijsbaar, maar vergoeding van woongenotschade niet). In de categorie E zijn beide vorderingen afgewezen. In de overige categorieën B1, C1, D1, D2 en D3 is de toewijsbaarheid van een van beide of van beide vorderingen nog onduidelijk, zodat in die categorieën de procedure wordt voortgezet.
2. Feiten 2
NAM wint vanaf 1963 gas uit het Groningenveld. Dat veld ligt onder de (voormalige) gemeenten Appingedam, De Marne, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand- Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en een stukje van Bellingwolde en Haren.
Bijna alle eisers wonen of woonden boven het Groningenveld. Enkelen van hen hebben er een tweede woning.
Artikel 34 Mijnbouwwet (Mbw) bepaalt dat NAM periodiek een winningsplan moet indienen. Voor uitvoering ervan is instemming van de minister van Economische Zaken (de minister) vereist. De Mijnbouwwet is op 1 januari 2017 gewijzigd. Tot die tijd kon de minister volgens art. 36(1) Mbw zijn instemming maar op twee gronden weigeren. Art. 36(2) Mbw bepaalde dat de minister, als deze gronden zich voordeden, ook kon instemmen onder beperkingen of onder voorwaarden. Art. 50 Mbw gaf de minister de bevoegdheid om maatregelen voor te schrijven bij (dreigende) ernstige aantasting van de veiligheid of het milieu. Hij kon ook maatregelen voorschrijven bij dreigende schade door bodembeweging. Per 1 juli 2017 heeft de minister meer mogelijkheden gekregen om instemming met een winningsplan te weigeren.
Op 21 december 2007 heeft de minister ingestemd met het winningsplan van NAM van 29 juni 2007. Tegen het besluit om in te stemmen met dat winningsplan is geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter.
Eind 2013 heeft NAM een winningsplan ingediend voor de jaren 2014 tot en met 2016. De minister heeft daarmee op 29 juni 2015 ingestemd, maar daarbij voor het gasjaar 2015-2016 de toegestane gaswinning beperkt tot 33 miljard m3. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dat besluit vernietigd en de maximale gaswinning voorlopig - totdat een nieuw besluit van kracht is - op 27 miljard m3 bepaald.
Op 30 september 2016 heeft de minister ingestemd met een nieuw winningsplan van NAM, maar bepaald dat in het gasjaar 2016-2017 niet meer dan 24 miljard m3 gas mag worden gewonnen, tenzij door koude meer nodig is en dat in dat geval maximaal 6 miljard m3 mag worden bijgewonnen. In een wijzigingsbesluit van 17 mei 2017 heeft hij de maximale winning bepaald op 21,4 miljard m3 per jaar, te verhogen met maximaal 5,4 miljard m3 als dat vanwege de koude nodig is. Bij uitspraak van 15 november 2017 heeft de Afdeling die twee besluiten vernietigd, de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen en bepaald dat de vernietigde besluiten blijven gelden tot de nieuwe besluiten in werking treden.
NAM is binnen die maxima gebleven. In 2012 is 48 miljard m3 gas uit het Groningenveld gewonnen en daarna 54 miljard m3 (2013), 42 miljard m3 (2014), 28 miljard m3 (2015), 28 miljard m3 (2016), 24 miljard m3 (2017),19 miljard m3 (2018) en 17,5 miljard m3 (2019). De gasproductie uit het Groningenveld is afgenomen tot (onder) 12 miljard m3 in 2020. Op 29 maart 2018 gaf het kabinet te kennen dat het de gaswinning uit het Groningenveld uiterlijk in 2030 wilde beëindigen, maar de minister heeft in september 2019 nader besloten de gasproductie uit dat veld in beginsel al per medio 2022 af te bouwen naar nihil.
De gasproductie uit het Groningenveld heeft bodemdaling en aardbevingen veroorzaakt en veroorzaakt die nog steeds. Onderstaande tabel, gebaseerd op gegevens van het KNMI,3 geeft het aantal door de aardgaswinning in 2012 t/m 2018 veroorzaakte bevingen boven het Groningenveld weer met een sterkte boven 1,5 Richter c.q. boven 2 Richter.
|
Jaar → Zwaarte ↓ |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
|
> 1,5 |
20 |
30 |
20 |
23 |
13 |
18 |
15 |
|
> 2,0 |
3 |
12 |
10 |
8 |
3 |
4 |
4 |
De zwaarste bevingen vonden in die periode plaats op/bij:
- 16 augustus 2012; Huizinge (3,4 Richter);
- 3 juli 2014; Garrelsweer (3,0);
- 30 september 2015; Helium (3,1);
- 8 januari 2018; Zeerijp (3,4);
- 22 mei 2019; Westerwijtwerd (3,4).
Tot 1 januari 2015 konden bewoners schade aan hun huizen melden bij NAM, die die meldingen volgens haar Schadeprotocol (het Protocol) behandelde, dat onder meer het volgende vermeldt:
“Jaarlijks vinden er aardbevingen plaats in Nederland. In Nederland kennen we natuurlijke aardbevingen, die vooral in Zuid-Nederland plaatsvinden. Daarnaast zijn er geïnduceerde aardbevingen, die ontstaan door gaswinning. Hierdoor kan er fysieke schade aan gebouwen ontstaan. NAM, als gasproducent, is aansprakelijk voor deze schade en verzorgt het herstel. Ons uitgangspunt is om dit zo zorgvuldig mogelijk te doen. Dit protocol beschrijft op welke wijze de afhandeling van schades door NAM plaatsvindt.”
De afwikkeling van gemelde schade volgens het Protocol verliep, kort gezegd, als volgt: een deskundige onderzocht op kosten van NAM de schade en deelde die in in één van de volgende categorieën: A-schade (veroorzaakt door aardbevingen), B-schade (bestaande schade die is verergerd door aardbevingen) of C-schade (schade zonder verband met aardbevingen). NAM vergoedde de kosten van herstel van A- en B-schades en niet die van herstel van C-schades. Wie het niet eens was met de deskundige, kon op kosten van NAM een eigen deskundige inschakelen. Werden de beide deskundigen het niet eens, dan konden de verschilpunten worden voorgelegd aan een onafhankelijke derde deskundige die, naar ik aanneem, besliste.
Vanaf 2015 werd NAM op steeds grotere afstand van de schade-afhandeling geplaatst. Aanvankelijk werd die afhandeling neergelegd bij het Centrum Veilig Wonen (CVW), een uitvoeringsorganisatie van NAM. In september 2016 nam de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) bij ingewikkelde schades de bemiddeling over van het CVW.
Naar aanleiding van een rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) van 18 februari 2015 heeft de directeur van NAM onder meer het volgende verklaard:
“Het is een feit dat de gasproductie in Groningen aardbevingen veroorzaakt en dat de gevolgen van de aardbevingen diep ingrijpen in het leven van de bewoners van Groningen.
Ik ben mij daar - ook in mijn ontmoetingen met bewoners - zeer van bewust.”
Op 17 januari 2014 schreef de minister aan de Tweede Kamer:4
“De gevolgen van langjarige gaswinning in Groningen zijn het afgelopen jaar steeds duidelijker geworden. De bewoners in de regio, en met name die in het meest risicovolle gebied rond Loppersum, zijn geconfronteerd met een toenemend aantal aardbevingen, waarvan de kracht bovendien groter is dan voorheen. De gevolgen voor huizen en gebouwen is zichtbaar. Dit leidt bij de bewoners tot oprechte zorgen over hun persoonlijke veiligheid en welbevinden in de directe leefomgeving. (...) Rustige en redelijke mensen zijn bezorgd over hun veiligheid en over wat er gaat gebeuren met hun woning en hun leefomgeving. (...) Er is meer dan bezorgdheid en boosheid bij de Groningers, zij zijn verontwaardigd en vinden dat hen onrecht wordt aangedaan. Deze gevoelens zijn zeer begrijpelijk en vereisen - net als de problematiek zelf - een adequate bestuurlijke reactie.”
Op 16 december 2014 schreef hij aan de Tweede Kamer:5
“In het gebied waar zich (frequent) aardbevingen voordoen, is het gevoel van een veilige leefomgeving aangetast. Dat grijpt diep in in het dagelijkse leven van de inwoners.”
Op 9 februari 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:6
“De gevolgen van de langjarige gaswinning in Groningen grijpen diep in op het dagelijks leven van de inwoners, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen.”
En op 2 april 2015 schreef de minister aan de Tweede Kamer:7
“Als gevolg van de gaswinning hebben al vele aardbevingen plaatsgevonden en er zullen nog aardbevingen volgen. (...) Dit leidt tot vele praktische problemen, maar vooral tot gevoelens van angst en onveiligheid.”
In 2018 is de schadeafhandeling overgenomen door de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG). De TCMG behandelt de schademeldingen van na 31 maart 2017. Zij past daarbij een nieuw schadeprotocol toe: het Protocol mijnbouwschade Groningen (het nieuwe Protocol), dat is vastgesteld door de Minister in het Besluit mijnbouwschade Groningen. Op grond van het nieuwe Protocol hebben mensen die recht hebben op vergoeding van mijnbouwschade ook aanspraak op een overlastvergoeding, die minimaal € 250 en maximaal € 1.000 bedraagt. De hoogte wordt vastgesteld door de TCMG, die ook bepaalt of iemand recht heeft op vergoeding van schade aan zijn of haar woning. De TCMG per 1 juli 2020 is opgegaan in het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) op basis van de Tijdelijke wet Groningen.8
Vanaf week 33 van 2012 (waarin de beving bij Huizinge plaatsvond) t/m week 50 van 2016 zijn bij NAM 76.613 schades gemeld. In 72.375 gevallen heeft NAM schadeherstel aangeboden. In 63.910 gevallen is een akkoord bereikt tussen NAM en de schademelder.
Naast een regeling voor de vergoeding van woningschade bestonden diverse andere regelingen, waaronder de Waardevermeerderingsregeling. Die hield in dat een woning-eigenaar bij fysieke schade van minimaal € 1.000,- een vergoeding van € 4.000,- ontving, bedoeld om energiebesparende maatregelen in de woning te treffen. De Waarderegeling gaf eigenaren die hun woning verkochten ook aanspraak op vergoeding van schade door lagere opbrengst vanwege de aardbevingen. Het zogenoemde ‘Koopinstrument’ maakte het mogelijk dat NAM zelf onverkoopbare woningen in bepaalde gebieden van het Groningenveld aankocht. Van 10 van de eisers is de woning aldus door NAM gekocht. In heel schrijnende gevallen kon een beroep worden gedaan op de Commissie Bijzondere Situaties. Naast de toerpassing van deze regelingen zijn tot medio 2019 ook ruim 900 woningen en gebouwen versterkt.
In de laatste jaren is veel onderzoek gedaan naar en gerapporteerd over de gevolgen van de gaswinning voor de veiligheid van de woningen en hun bewoners, de waarde-ontwikkeling van de woningen en het welbevinden van de bewoners van het Groningenveld.
3 Het procesverloop
De eisers in eerste aanleg, [eisers zaak 1] in de zaak met nummer C/19/109028, en [eisers zaak 2] in de zaak met nummer C/19/109680 (in cassatie [verweerders] ), vorderden bij dagvaarding van 6 februari 2015 en dagvaarding van 24 maart 2015, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht te verklaren dat NAM en/of de Staat jegens hen onrechtmatig handelt en heeft gehandeld in de zin van art. 6:177(1)(b) BW of art. 6:162 BW of beide;
- voor recht te verklaren dat de aantasting door NAM en/of de Staat van het woongenot van de eisers door de aardbevingen veroorzaakt door NAM’s gaswinning een aantasting in de persoon op andere wijze is in de zin van art. 6:106(1)(b) BW;
- voor recht te verklaren dat de aardbevingen als gevolg van NAM’s gaswinning een inbreuk op eisers’ persoonlijkheidsrechten in de zin van art. 6:162 BW zijn, namelijk op eisers’ recht op ongestoord woongenot;
- voor recht te verklaren dat de inbreuk door NAM en/of de Staat op eisers’ persoonlijkheidsrechten (hun rechten op een ongestoord woongenot) een aantasting in de persoon op andere wijze is in de zin van art. 6:106(1)(b) BW;
- voor recht te verklaren dat NAM en de Staat hoofdelijk of elk of één van beiden aansprakelijk zijn voor de door de eisers geleden en nog te lijden immateriële schade ex art. 6:106 BW, en NAM en/of de Staat hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van die schade, nader op te maken en te vereffenen, althans tot vergoeding van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- voor recht te verklaren dat de eisers vermogensschade lijden door gemis van onstoffelijk voordeel (ongestoord woongenot) door de aardbevingen veroorzaakt door NAM’s gaswinning;
- voor recht te verklaren dat NAM en de Staat hoofdelijk of elk of één van beiden aansprakelijk zijn voor de door de eisers geleden en nog te lijden vermogensschade door gemis van onstoffelijk voordeel (ongestoord woongenot) en NAM en/of de Staat hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van die schade, nader op te maken en te vereffenen, althans tot vergoeding van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- NAM en/of de Staat hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door eisers gemaakte buitengerechtelijke kosten, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte daarvan; en
- NAM en/of de Staat hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.
De eisers stelden dat zij door de aardbevingen (i) in hun persoon zijn aangetast in de zin van art. 6:106(1)(b) BW en (ii) woongenot derven en hebben gederfd waarvoor zij uitgaven hebben gedaan. NAM is volgens hen aansprakelijk op grond van art. 6:177 en 6:162 BW. NAM’s handelen kan volgens de eisers aan de Staat worden toegerekend, zodat zij ook de Staat aansprakelijk achten voor NAM’s onrechtmatig handelen. Verder stelden zij dat de Staat ook zelf onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door zowel voor als na de aardbeving in Huizinge onvoldoende maatregelen te nemen om schade te voorkomen of weg te nemen.
NAM en de Staat hebben zich gemotiveerd verweerd. NAM erkende op grond van art. 6:177 BW risicoaansprakelijk te zijn voor schade als gevolg van de aardbevingen, maar de eisers stelden volgens haar te weinig voor vergoeding van immateriële schade op die grond, en ook de vordering ter zake van vermogensschade door gederfd woongenot kon volgens NAM niet worden toegewezen. NAM stelde dat de eisers geen belang hebben bij een oordeel of NAM daarnaast schuldaansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW en bestreed dat dit het geval zou zijn. De Staat betwistte aansprakelijk te zijn. NAM’s handelen kon hem niet worden toegerekend en er was geen sprake van algemeen of concreet toezichtsfalen; ook overigens zag de Staat geen grond voor aansprakelijkheid van de Staat.
De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2017 voor recht verklaard dat de Staat jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW en heeft de overige vorderingen tegen de Staat afgewezen. Zij heeft verder voor recht verklaard:
(i) dat NAM jegens de eisers onrechtmatig handelt en heeft gehandeld op grond van art. 6:177(1)(b) BW en art. 6:162 BW, en
(ii) ten aanzien van bepaalde eisers9 dat
(a) de aantasting van hun woongenot als gevolg van de aardbevingen door NAM’s gaswinning een aantasting is van die eisers in hun persoon op andere wijze in de zin van art. 6:106(1)(b) BW;
(b) de aardbevingen als gevolg van NAM’s gaswinning een inbreuk ex art. 6:162 BW zijn op hun persoonlijkheidsrecht (recht op ongestoord woongenot);
(c) die inbreuk een aantasting in hun persoon op andere wijze is in de zin van art. 6:106(1)(b) BW en
(d) NAM aansprakelijk is voor de door die eisers geleden en/of nog te lijden immateriële schade ex art. 6:106 BW, en
(iii) ten aanzien van bepaalde eisers10 dat
(a) die eisers vermogensschade lijden in de vorm van gemis van onstoffelijk voordeel (ongestoord woongenot) als gevolg van de aardbevingen door NAM’s gaswinning, en (b) NAM aansprakelijk is voor de door die eisers geleden en nog te lijden vermogensschade door gemis van dat onstoffelijk voordeel.
De rechtbank heeft NAM veroordeeld tot vergoeding van die nader op te maken schade.
NAM heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. [eisers zaak 1] en [eisers zaak 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Hoewel hij in veel gevallen tot hetzelfde oordeel kwam als de Rechtbank, heeft het Hof om praktische redenen in beide hogere beroepen het vonnis van de rechtbank vernietigd behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling. Opnieuw recht doende, heeft het Hof voor recht verklaard dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eisers in de categorieën A (beide vorderingen toewijsbaar), B2 (vergoeding van vermogensschade door gemist woongenot toewijsbaar, maar smartengeld niet) en C2 (andersom) en daarom ex art. 6:162 BW en art. 6:177 BW aansprakelijk is voor (i) de immateriële schade van de eisers in de categorieën A en C2 en (ii) de vermogensschade wegens gemist woongenot van de eisers in de categorieën A en B2. Hij heeft NAM veroordeeld tot vergoeding van die nader op te maken schade. Hij heeft de overige vorderingen van deze eisers afgewezen, evenals alle vorderingen van de eisers in de categorie E. De zaak tussen NAM en de eisers in de categorieën B1, D1 en D2 wordt voorgezet.
NAM heeft tijdig, op 13 maart 2020, cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest voor zover ziende op de eisers in de categorieën A, B2 en C2. [verweerders] en [eisers zaak 2] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [verweerders] en [eisers zaak 2] hebben gedupliceerd. Ik noem de eisers in eerste aanleg hierna gezamenlijk ‘ [verweerders] ’ of ‘de eisers’.
4 Overzicht van de cassatiemiddelen
Het principale cassatiemiddel (NAM) heeft vier onderdelen. De eerste drie onderdelen hebben weer subonderdelen, in totaal 16. Dat bevordert de overzichtelijkheid niet en leidt tot overlap omdat NAM vanuit diverse invalshoeken en langs diverse wegen uitkomt op één kernstandpunt, nl. dat een (enigszins) groepsgewijze bepaling van aansprakelijkheid voor en begroting van woongenotschade en smart rechtskundig onjuist of onvoldoende gemotiveerd is, althans niet toelaatbaar is op ’s Hofs (te) grove wijze, omdat van geval tot geval beoordeeld moet worden, bij de woongenotschade, of de duldgrens wel is overschreden, en bij de smart, of wel sprake is van psychisch lijden of aantasting in de persoon van de klager op andere wijze, en zo ja, welke de concrete schade dan per geval is.
Onderdeel 1 bestrijdt in zeven subonderdelen ‘s Hofs oordeel dat NAM onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens de eisers A, B2 en C2 en aansprakelijk zou zijn voor de woongenotschade van de eisers A en B2. Het Hof had de ernst en de omvang van de hinder en de schade per eiser moeten beoordelen.
Onderdeel 2 betoogt dat het Hof uw bij prejudiciële beslissing HR NJ 2020/391 gegeven maatstaf voor bepaling van vermogensschade door gederfd woongenot (huurwaardeverlies) verkeerd of onbegrijpelijk heeft toegepast.
Onderdeel 3 stelt dat het Hof ten onrechte voor recht heeft verklaard dat NAM op grond van de artt. 6:162 BW en 6:177 BW aansprakelijk zou zijn voor de immateriële schade van de eisers A en C2, nu fysieke schade aan een woning niet zonder meer leidt tot recht op smartengeld, dat bovendien niet forfaitair kan worden vastgesteld, ook niet min of meer.
Onderdeel 4 is een geheel op eerdere klachten voortbouwende klacht.
Het incidentele cassatiemiddel klaagt in onderdeel 1 over ‘s Hof oordeel dat aanvullende schademeldingen die kort volgen op een eerdere schademelding niet meetellen als (volwaardige) vastgestelde A-of B-schade en bouwt daarop voort in onderdeel 2.
Het incidentele middel verzoekt u verder om buiten de orde van deze procedure de vraag te beantwoorden wat u bedoelde met de term ‘bewoners’, die het hof heeft uitgelegd als alleen huurders en eigenaren. [verweerders] betogen dat daaronder bijvoorbeeld ook inwonende partners en bruikleners zouden moeten vallen, die immers evenzeer zinloze uitgaven voor illusoir woongenot gedaan kunnen hebben.
5. Uw prejudiciële aardbevingsschade-beslissing HR NJ 2020/391 11
Bij prejudiciële beslissing van 19 juli 2019 heeft u de volgende antwoorden gegeven op twee vragen (8 en 9) van de Rechtbank Noord-Nederland over de eventuele vergoeding van gederfd woongenot en de eventuele toekenning van immateriële schadevergoeding voor bewoners van het Groninger aardbevingengebied (ik laat voetnoten weg):
“2.12.1 De achtste prejudiciële vraag luidt onder welke omstandigheden ook het gemis van onstoffelijk voordeel, te weten het ongestoorde woongenot waarvoor onnodige uitgaven (zoals betaling van hypotheekrente of huur) zijn gedaan, tot de door de exploitant te vergoeden (vermogens)schade behoort. Met deze vraag wenst de rechtbank in feite te vernemen of gederfd woongenot een vorm van schade is die voor vergoeding in aanmerking komt.
Een ieder heeft recht op ongestoord woongenot. Het aantasten van het woongenot van een ander door overlast of hinder, is onrechtmatig als de overlast of hinder wat hevigheid betreft boven een bepaald niveau uitkomt. De bepaling van dat niveau hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard, de ernst en de duur van de overlast of hinder.
Indien door (het risico op) bodembeweging het woongenot wordt aangetast, is het daardoor gederfde woongenot vermogensschade op vergoeding waarvan aanspraak kan bestaan. Als feiten komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van deze schade kan worden afgeleid, maar de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, moet deze schade worden geschat (art. 6:97 BW). Omdat veel bewoners boven het Groningenveld door (het risico op) bodembeweging woongenot zullen hebben gederfd, ziet de Hoge Raad aanleiding om ten behoeve van een eenvoudige en eenvormige afhandeling van deze schade, richtlijnen te geven aan de hand waarvan de schatting in beginsel moet worden verricht.
De door het derven van woongenot geleden vermogensschade van de bewoner die eigenaar van de woning is, bestaat in beginsel in het over de maanden waarin het woongenot is gederfd, berekende verschil tussen i) de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald indien hij de woning zou hebben gehuurd in de huidige situatie waarin bodembewegingen hebben plaatsgevonden en nog kunnen plaatsvinden, hetgeen betekent dat die huur is afgestemd op de omstandigheid dat zich bodembewegingen hebben voorgedaan en nog kunnen voordoen, en ii) de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald indien van bodembewegingen geen sprake zou zijn.
De in het derven van woongenot bestaande vermogensschade van de bewoner die huurder van de woning is, zal in beginsel kunnen worden vastgesteld op het over de maanden waarin het woongenot is gederfd berekende verschil tussen i) de marktconforme huur voor de woning in de huidige situatie waarin bodembewegingen hebben plaatsgevonden en nog kunnen plaatsvinden, en ii) de door de huurder over die maanden daadwerkelijk betaalde huur.
Het antwoord op de achtste prejudiciële vraag luidt als volgt. Gederfd woongenot is vermogensschade, op vergoeding waarvan een bewoner aanspraak kan maken. Als feiten komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van deze schade kan worden afgeleid, maar de omvang daarvan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, moet deze schade worden geschat (art. 6:97 BW). Voor de gevallen waarin het woongenot van een bewoner die boven het Groningenveld woont, is aangetast door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk, moet de schatting van het daardoor gederfde woongenot in beginsel worden verricht aan de hand van de hiervoor in 2.12.4 vermelde richtlijnen.
Prejudiciële vraag 9a luidt of bij schade die ontstaat door de exploitatie van een mijnbouwwerk – in algemene zin of in bijzondere gevallen – plaats is voor het oordeel dat sprake is van een zodanige aantasting van persoonlijkheidsrechten dat gesproken kan worden van een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106, onder b, BW.
Prejudiciële vraag 9b stelt aan de orde welke eisen in dat geval moeten worden gesteld aan het bewijs dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het bijzonder wenst de rechtbank met vraag 9b te vernemen of hiervoor volstaat de vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.
Met prejudiciële vraag 9c wenst de rechtbank te vernemen in hoeverre het hoogst persoonlijke karakter van immateriële schadevergoeding zich verdraagt met het min of meer ‘forfaitair’ vaststellen van schadevergoeding.
Als de schade die het gevolg is van een aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde ingevolge art. 6:106, aanhef en onder b, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In algemene zin heeft de Hoge Raad hierover eerder als volgt beslist.
Van de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het voorgaande is niet anders wanneer vergoeding van schade wordt gevorderd die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk. Voor een daartoe op art. 6:177 BW gestoelde vordering geldt dat de vraag naar het bestaan van een ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ wordt beantwoord aan de hand van de aard en ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de aard en ernst van de gevolgen van die gebeurtenis voor de benadeelde.
Als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen zal hij, voor zover het nadeel waarvan vergoeding wordt gevorderd niet in vermogensschade bestaat, voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Om te kunnen aannemen dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen dat op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking komt, volstaat niet de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.
Als de benadeelde vergoeding van nadeel vordert dat niet in vermogensschade bestaat en hij geen geestelijk letsel heeft opgelopen, kan hij recht hebben op vergoeding van schade als de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de gevolgen daarvan voor hem meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze. In beginsel zal de benadeelde deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Om te kunnen aannemen dat de benadeelde op de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde andere wijze in zijn persoon is aangetast, volstaat niet de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.
De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen nu dat niet verenigbaar is met het hoogst persoonlijke karakter van de vordering tot vergoeding van deze schade. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. hiervoor in 2.13.2) en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt.
Het voorgaande staat uiteraard niet eraan in de weg dat de Staat en NAM/EBN het initiatief nemen om met betrokken partijen (waaronder belangenorganisaties die benadeelden vertegenwoordigen) een regeling overeen te komen die op dit punt voorziet in een forfaitaire vergoeding.
De negende prejudiciële vraag wordt als volgt beantwoord.
Schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk kan bestaan in een andere aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106, onder b, BW. Voor de toepassing van art. 6:106, aanhef en onder b, BW gelden de algemene door de Hoge Raad ontwikkelde, hiervoor in 2.13.2 vermelde maatstaven, met dien verstande dat als de vordering tot vergoeding van deze schade stoelt op art. 6:177 BW, het kunnen aannemen van een ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ wordt beoordeeld aan de hand van de aard en ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en van de aard en ernst van de gevolgen van die gebeurtenis voor de benadeelde.
Om te kunnen aannemen dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen dat op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking komt, of dat de benadeelde om een andere reden op de in art. 6:106, onder b, BW bedoelde andere wijze in zijn persoon is aangetast, volstaat niet de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.
De omvang van een verplichting tot vergoeding van schade die bestaat in een aantasting in de persoon op andere wijze, laat zich niet ‘min of meer forfaitair’ vaststellen. Dat laat onverlet dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt.”