Home

Parket bij de Hoge Raad, 23-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:436, 19/03004

Parket bij de Hoge Raad, 23-03-2021, ECLI:NL:PHR:2021:436, 19/03004

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 maart 2021
Datum publicatie
28 april 2021
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:436
Formele relaties
Zaaknummer
19/03004

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Middelen over onder meer de verwerping van een niet-ontvankelijkheidsverweer vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel en de bewijsvoering van medeplegen van witwassen, oplichting en valsheid in geschrift. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81.1 RO).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03004

Zitting 23 maart 2021

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, wegens 1. ‘medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’; 3. ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’ en 4. ‘medeplegen van, van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr.1

2. Er bestaat samenhang met zaak 19/00303. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft negen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel is bij (per fax verzonden) brief van 25 oktober 2020 ingetrokken. Daarom blijft bespreking achterwege.

5. Het tweede, derde en vierde middel zien op beslissingen inzake het onder 4 tenlastegelegde feit. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring van feit 4, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer. Het vijfde en zesde middel zien op beslissingen inzake het onder 3 tenlastegelegde feit; het zevende middel ziet op de bewijsvoering van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring van feit 3 en ‘s hofs op dit feit betrekking hebbende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen weer. Het achtste en negende middel zien op de straftoemeting.

Bewezenverklaring feit 4, bewijsmiddelen en bewijsoverweging

6. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

‘4: hij op één of meer tijdstippen in de periode van 28 maart 2008 tot en met 30 juni 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of één of meer andere(n), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) telkens:

A. van een voorwerp, te weten een geldbedrag tot een totaal van ongeveer EUR 410.000, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats of de verplaatsing, verborgen of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp is, en/of;

B. een voorwerp, te weten een geldbedrag tot een totaal van ongeveer EUR 410.000 voorhanden heeft/hebben gehad of heeft/hebben overgedragen door te storten en/of te ontvangen en/of te houden en/of op te nemen op/van rekeningnummers: [003] t.n.v. [A] en/of [004] t.n.v. [A] en/of [002] t.n.v. [verdachte] e/o en/of enig ander rekeningnummer, van diverse contante geldbedragen tot een totaal bedrag van EUR 410.000 D-672 en door van dit totaal bedrag van EUR 410.000 D-672 een bedrag van 360.000 EUR D-678 althans enig geldbedrag over te boeken en/of door te betalen naar bankrekening [001] t.n.v. [medeverdachte], ten behoeve van de aankoop van een appartement in Brazilië, terwijl hij wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.’

7. De bewezenverklaring van feit 4 steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘60. Het in de wettelijke vorm opgemaakte zaaksproces-verbaal van verdachte d.d. 31 januari 2011 (3-PV) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:

D-672

In maart, april en mei 2008 is middels 64 contante geldstortingen in totaal 410.000 euro gestort op twee bankrekeningen van verdachte [C] BV en op een privébankrekening van medeverdachte [verdachte].

D-678

In mei en juni 2008 is ten laste van de drie voornoemde bankrekeningen in totaal 360.000 euro overgeboekt naar girorekening [001] ten name van verdachte [medeverdachte]. In mei en juni 2008 is ten laste van girorekening [001] 359.300 euro overgeboekt naar een buitenlandse bankrekening ten name van [B] Ltda, gevestigd in [plaats] te Brazilië.

D-675

In het kantoor van medeverdachte [A] is voorts een faxbericht aangetroffen, afkomstig van [medeverdachte] en gericht aan [B] Ltda. Deze fax is in de Engelse taal gesteld. In de fax staat onder meer: 'we announce a payment of two seperate payments of 50.000 euro from a dutch company named [C] B.V.'. De fax is gedateerd 7 april 2008.

D-677

In het kantoor van medeverdachte [A] is tevens een kopie aangetroffen van een paspoortblad ten name van [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1958.

D-678

Uit onderzoek in de girorekening [001] van verdachte [medeverdachte] komt naar voren dat op 3 juni 2008 ten laste van bankrekening [002] van medeverdachte [verdachte] tweemaal 30.000 euro is overgeboekt naar girorekening [001] ten name van verdachte [medeverdachte]. Ook komt naar voren dat in de periode 5 mei tot en met 8 mei 2008 ten laste van bankrekening [003] ten name van medeverdachte [C] B.V. viermaal 50.000 euro is overgeboekt naar girorekening [001] ten name van verdachte [medeverdachte]. Voorts komt naar voren dat zowel op 21 mei als op 26 mei 2008 ten laste van bankrekening [004] van verdachte [C] B.V. 50.000 euro is overgeboekt naar girorekening [001] ten name van verdachte [medeverdachte].

(....)

D-673/D-674

In totaal is 360.000 euro overgeboekt naar de girorekening van verdachte [medeverdachte]. Dit bedrag is gelijk aan het aankoopbedrag van de maisonnette, nummer [...], van het gebouw ‘[D]’ te Brazilië.

Het eerste afschrift van girorekening [001] ten name van verdachte [medeverdachte], gedagtekend 16 mei 2008, vermeldt een beginsaldo van 0,00 euro. Op het eerste afschrift, blad 1, staan vier bijschrijvingen van ieder 50.000 euro afkomstig van rekening [003] van medeverdachte [A]. Tevens staan vermeld twee afboekingen van ieder 50.000 euro met vermelding ‘BUITENL BET [B] Ltda’ en tweemaal de verschuldigde provisie van deze overboekingen; tweemaal 65 euro.

Op het tweede afschrift, blad 1, staan één bijschrijving van 50.000 euro afkomstig van rekening [004] van medeverdachte [A]. Tevens staan vermeld twee afboekingen van ieder 50.000 euro en één van 40.000 euro met vermelding ‘BUITENL BET [B] Ltda’ en driemaal de verschuldigde provisie; tweemaal 65 euro en éénmaal 55 euro. Op het tweede afschrift, blad 2, staat één bijschrijving van 50.000 euro afkomstig van rekening [004] van medeverdachte [A] en twee bijschrijvingen van ieder 30.000 euro afkomstig van rekening [002] van medeverdachte [verdachte]. Tevens staan vermeld twee afboekingen van ieder 50.000 euro en één van 19.300 euro met vermelding van ‘BUITENL BET [B] Ltda’ en driemaal de verschuldigde provisie; tweemaal 65 euro en éénmaal 34.30 euro. Ook staat een afboeking van 54.95 euro vermeld met omschrijving ‘TARIEF POSTBANK ROYAALPAKKET 2008’.

Op het derde afschrift, gedagtekend 9 maart 2009, staat een overboeking vermeld van het restantsaldo van 165.75 euro ten gunste van bankrekening [005] ten name van [betrokkene 1] [plaats]. Vervolgens wordt girorekening [001] opgeheven. Op grond van het vorenstaande wordt vermoed dat girorekening [001] van verdachte [medeverdachte] speciaal ten behoeve van de transactie naar [B] Ltda is geopend en gebruikt.

61. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte d.d. 1 juli 2010 (V2-09) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [verdachte]:

V= Vraag verbalisant(en)

A= Antwoord gehoorde

O= Opmerking verbalisant(en)

(...)

V: Hoe kent u [medeverdachte] uit [plaats]?

A: Die ken ik niet. U vraagt mij of ik hem wel eens ontmoet heb en ik zeg u nooit.

V: Wat is de reden dat u en [A] in 2008 geld hebben overgemaakt naar [medeverdachte]?

A: Ik kreeg het verzoek van een kennis van mij om eens te kijken of het mij zou lukken om geld over te boeken naar Zuid-Amerika, Dit was voor de aankoop van een pand in Brazilië. Dat zei die kennis. Ik heb het geprobeerd, maar ik kreeg het geid terug. En inmiddels had ik ook gezien dat op de rekening van [A] contant geld werd gestort in tranches van 5000 euro. Ik geloof dat het in totaal om 3 ton ging. Ik heb dat geld onmiddellijk teruggeboekt naar een rekening die ik doorkreeg van diezelfde kennis. Ik heb ongeveer 4000 euro commissie in verband hiermee afgesproken en ontvangen en ik heb mijn boekhouder, [betrokkene 3] uit [plaats], opdracht gegeven om deze 4000 te verantwoorden bij de fiscus.

O: Verbalisant merkt op dat u eerst geld heeft overgeboekt naar Zuid-Amerika en toen pas geld ontving.

A: Het geld kwam in kleinere porties binnen en ik heb het in bedragen van 50.000 euro overgeboekt. Maar het geld kwam terug op de rekening. Waarom dat geld niet in Brazilië bleef weet ik niet. Die kennis waar ik het over heb is een persoon met de naam van [betrokkene 1]. Die vroeg mij of ik dit geld wilde overmaken. Ik heb [betrokkene 1] hier na die tijd nog over gesproken en ik heb toen gezegd dat ik dit allemaal wat raar vond. Hij is er niet op ingegaan en we hebben het erbij gelaten.

V: Gaf [betrokkene 1] u de rekening waar dat geld naar toe moest?

A : Ja, dat was [betrokkene 1].

(...)

V : Heeft u aan [betrokkene 1] gevraagd waarom hij niet zelf geld zou overmaken naar Zuid-Amerika?

A; Ik heb hem dat gevraagd, maar hij vertelde mij toen dat het hem niet lukte, vandaar dat hij mij dat vroeg. Naast dit verzoek is er nog een eerder verzoek geweest van [betrokkene 1] om een geldbedrag over te maken. Toen moest dit naar Zwitserland. Dit ging toen om een bedrag van ik dacht 101.000 euro. Ik heb dit bedrag in twee keer overgeboekt. Het ging toen om 2 x 50.000 euro. De rest was provisie voor mij. U vraagt mij vanaf welke rekening dit geld is overgeboekt. Dit was een rekening van [A]. Ik weet niet hoe dit is verantwoord in de boekhouding van [A]. Ook dit geld kwam als contant geld op de rekening van [A] terecht.

(...)

V: Van twee bankrekeningen van gastouderbureau [A] is in de periode van 5 mei 2008 tot en met 26 mei 2008 in totaal 300.000 euro overgeboekt naar ING bankrekening [001] ten name van [medeverdachte] te Hilversum. Heeft u dit geld overgeboekt naar [medeverdachte]?

A: Ja

V: Wat is de reden dat dit geld van verschillende bankrekeningen komt en in meerdere boekingen is geboekt van de twee bankrekeningen van gastouderbureau [A]. Met andere woorden: Wat is de reden dat dit geld niet in één keer is overgeboekt?

A: Ik kan geen 3 ton overboeken via internetbankieren. Hier geldt een maximum van 50.000 euro per transactie.

V: Met datum 2 juni 2018 heeft u van uw privébankrekening bij de ABN AMRO bank met nummer [002] tweemaal een bedrag van 30.000 euro overgemaakt naar ING bankrekeningnummer [001] van C. [medeverdachte]. Heeft u dit geld overgemaakt?

A: Dat weet ik niet meer.

Vraag verbalisanten: Heeft [A] contante omzet?

Antwoord gehoorde: Neen.

Opmerking verbalisanten: In de periode maart 2008 tot en met 28 mei 2008 is bij [A] op de bankrekeningen [003] en [004] en op uw bankrekening met nummer [002] in totaal 410.000 euro gestort aan contant geld. Heeft u deze bedragen op die rekening gestort?

Antwoord gehoorde: Neen, maar dit moet dan samenhangen met [betrokkene 1].

Vraag verbalisanten: Wat is de reden dat dit bedrag in 64 stortingen in verschillende steden in Nederland is gedaan, op 3 verschillende bankrekeningen, zowel [A] als u zelf?

(...)

Antwoord gehoorde: Ik heb deze 64 stortingen niet gedaan. Ik wil nu mijn verklaring op dit punt herzien. Ik wil nu verklaren dat ik wel contant geld heb gekregen van [betrokkene 1]. Ik kreeg dit geld om op mijn bankrekening en de bankrekening van [A] te storten, om vervolgens dit geld over te boeken naar Zwitserland. Ik kreeg het eerste geld in Nijkerk, dat was in [E] (het hof leest ‘[E]’), een restaurant. Dat was op dezelfde dag dat ik het gestort heb op de rekening van [A]. Dat was 100.000 euro en dat heb ik in verschillende porties gestort op de bankrekeningen van [A] en van mijzelf denk ik. Ik stortte dit geld in kleine porties af omdat ik weleens had gehoord van ongebruikelijke transacties en ik wilde niet opvallen bij de bank. Dat andere geld, dat later gebruikt zou worden voor het overboeken naar Brazilië, heb ik niet gekregen van [betrokkene 1]. Hoe dat geld op mijn rekeningen is gestort weet ik niet, maar het moet van [betrokkene 1] zijn of in ieder geval uit zijn kring.

V: Hoe kan het dat op het bedrijfsadres van [A] te [plaats] een faxbericht afkomstig van [medeverdachte] gericht aan [B] Ltda werd aangetroffen met daarop gegevens over een betaling van een appartement. In de fax staat onder meer: ‘we announce a payment of two seperate payments of 50.000 euro from a dutch company named [C] B.V.?’

A: Daar heb ik eigenlijk al over verklaard, want dit is het geld wat ik heb gestort naar Brazilië en wat later terug is gekomen waarna ik het geld heb geboekt op de bankrekening van die [medeverdachte].

62. Geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid. aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een overzicht van kasstortingen ((...), bijlage D-672, (...)) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Overzicht van kasstortingen op bankrekeningen van:

- [A]: bankrekeningnummer [003]

o Tweemaal een kasstorting op 28 maart 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling voorschot’.

o Driemaal een kasstorting op 1 april 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling voorschot’.

o Viermaal een kasstorting op 9 april 2008 onder vermelding van ‘lening’.

o Eenmaal een kasstorting op 11 april 2008 onder vermelding van ‘lening’.

o Tweemaal een kasstorting op 2 mei 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling lening’.

o Tweemaal een kasstorting op 6 mei 2008 onder vermelding van ‘terugstorting lening’.

o Eenmaal een kasstorting op 20 mei 2008 onder vermelding van ‘terugstorting lening [verdachte]’

- [C] B.V.: bankrekeningnummer [004]

o Tweemaal een kasstorting op 28 maart 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling voorschot ’.

o Tweemaal een kasstorting op 1 april 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling voorschot’.

o Eenmaal een kasstorting op 1 april 2008 onder vermelding van ‘terugstorten voorschot ’.

o Eenmaal een kasstorting op 9 april 2008 onder vermelding van ‘Lening [verdachte]’.

o Viermaal een kasstorting op 9 april 2008 onder vermelding van ‘lening ’.

o Tweemaal een kasstorting op 2 mei 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling lening’.

o Eenmaal een kasstorting op 6 mei 2008 onder vermelding van ‘terugbetaling lening’

o Tweemaal een kasstorting op 6 mei 2008 onder vermelding van ‘terugstorting lening’.

o Eenmaal een kasstorting op 20 mei 2008 onder vermelding van ‘terugstorting lening [verdachte]’.

o Eenmaal een kasstorting op 26 mei 2008 onder vermelding van ‘terugstorting lening’.

63. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte d.d. 5 juli 2010 (...) voor zover ïnhoudende — zakelijk weergegeven - als verklaring van medeverdachte [verdachte]:

V= Vraag verbalisant(en)

A= Antwoord gehoorde

O= Opmerking verbalisant(en)

(...)

O: Op 1 juli bent u om 19:59 uur gehoord (...). In dit verhoor hebt u onder meer verklaard: ‘Ik wil nu verklaren dat ik wel contant geld heb gekregen van [betrokkene 1]. Ik kreeg dit geld om op mijn bankrekening en de bankrekening van [A] te storten, om vervolgens dit geld over te boeken naar Zwitserland. Ik kreeg het eerste geld in Nijkerk, dat was in [E], een restaurant. Dat was op dezelfde dag dat ik het gestort heb op de rekening van [A]. Dat was 100.000 euro.’

Verbalisanten tonen een overzicht van contante stortingen op bankrekeningen van [A] en [verdachte] (D-672) en merken op dat de eerste contante storting is gedaan op 28 maart 2018 aan de Apollolaan 171 te Amsterdam bij een filiaal van de ABN AMRO bank. Het betrof vier keer een storting van 5000 euro onder vermelding van ‘terugbetaling voorschot’.

V: Waarom staat bij de boeking de vermelding ‘terugbetaling voorschot’?

A: Dat zou ik niet weten. Ik heb geen voorschot uitbetaald wat contant is teruggekomen.

V: Waren deze stortingen afkomstig van die 100.000 euro die u van [betrokkene 1] had gekregen?

A: Ja, dat heeft er wel mee te maken volgens mij.

O: Verbalisanten tonen een afschrift (D-698) van een bladzijde uit een in object A, de woning van [verdachte], aangetroffen agenda en merken op dat op de datum vrijdag 28 maart 2008 met blauwe pen de aantekening ‘[F]; A4’ is genoteerd.

V: Kan het zijn dat u het geld niet in de [E] overhandigd kreeg maar ergens anders?

A: Dat is dus zo. Ik heb het geld in het [F] motel aan de A4 in de bar gekregen van [betrokkene 1] en niet in de [E]. Ik zal u op bijlage D-672 met een kruisje aangeven welke bedragen ik zelf heb gestort. Ik weet dat ik deze bedragen heb gestort, want het is wel logica dat ik de bedragen in [plaats] en Assen heb gestort, dat kan je ook deels zien aan het pasnummer [006]. Dat is het nummer van mijn bankpas.

(...)

V: Had u het geld geteld dat u bij [F] op 28 maart 2008 van [betrokkene 1] had gekregen en hoeveel was dit?

A: Neen, eigenlijk niet. Het is allemaal redelijk snel gegaan en ik geloofde hem op zijn woord. [betrokkene 1] had tegen mij gezegd dat het rond de ton was. We hebben het daar bij [F] niet geteld. Wel weet ik dat het in een enveloppe zat in coupures van 500 euro.

V: Wat was de herkomst van de geldbedragen die contant zijn gestort op de rekeningen van [A] en de bankrekening van uzelf?

A: Geen idee, ik heb [betrokkene 1] niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam.

V: Wanneer heeft u twee keer 50.000 euro overgemaakt naar Zwitserland?

A: Dat weet ik echt niet meer.

V: Waarvoor moest u twee keer 50.000 euro overmaken?

A: Dat weet ik ook niet. Ik heb dat niet gevraagd aan [betrokkene 1]. Ik heb het verzoek gekregen van [betrokkene 1] om dit geld over te maken naar Zwitserland en ik heb dat gedaan en heb hem niet gevraagd waarom of waarvoor dit was.

(...)

V: Op welke wijze zijn deze overboekingen verantwoord in de boekhouding van [A]?

A: In de boekhouding zitten ze als facturen. Ik denk dat het als kosten geboekt is, dat denk ik. Dat het als kosten geboekt is komt omdat het een factuur is en die is in de boekhouding verwerkt.

O: Verbalisanten tonen gehoorde een kopie van twee facturen van [G] AG, [b-straat 1] Zug (D-696 en D-697). Beide facturen hebben als factuurdatum 17 März 2008 en de omschrijving: “RECHNUNG für unsere Aufwendungen in Zusammenhang mit dem Projekt Immobilien-Beratungsauftrag, Honorarasumme gemäss Art. 4.1. des Beratungsvertrages, EURO 105.000,00".

V: Wat kunt u omtrent deze facturen verklaren?

A: Dit zijn de facturen die ik gehad heb. Het is eigenlijk één factuur. Die ik één keer in de boekhouding heb opgenomen. Ik zie met u twee parafen van mij staan achter het bedrag van 100.000 euro. Dat komt omdat ik dacht dat we, [betrokkene 1] en ik, hadden afgesproken dat ik 100.000 euro zou overmaken naar Zwitserland en geen 105.000 euro. Dat is namelijk het bedrag wat op de factuur is gedrukt om te betalen. Ik heb een streep door dit bedrag gezet en er met pen 100.000 onder gezet en een paraaf en dat bedrag heb ik in twee boekingen van 50.000 euro overgemaakt naar het rekeningnummer onderaan de factuur.

(...)

V: Zijn deze twee facturen van [G] AG (D-696 en D-697) opgenomen in de financiële administratie van [A]?

A: Ja.

V: Op welke wijze zijn deze twee facturen verantwoord in de financiële administratie van [A]?

A: Als kosten. Het waren geen kosten, maar het is toch zo geboekt.

64. Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur van [G] AG ((...), bijlagen D-696 en D-697, (...)) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:

Facturen van [G] AG te [b-straat 1] Zug gericht aan [A] B.V. t.a.v. [verdachte], [c-straat 1] NL – [plaats]. De factuurdatum is 17 maart 2008.’

8. Het hof heeft ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

‘Het hof kan zich vinden in de volgende overwegingen van de rechtbank en neemt die over.

Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het geld dat in de tenlastelegging wordt bedoeld, van misdrijf afkomstig is. De rechtbank overweegt dat een duidelijke criminele herkomst van het geld dat in de tenlastelegging wordt bedoeld, ontbreekt, in die zin dat op grond van de beschikbare stukken niet met zekerheid valt te zeggen uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig zou zijn. Volgens vaste rechtspraak kan het bestanddeel “uit enig misdrijf afkomstig” niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit de processtukken blijkt dat op de rekening van verdachte en de rekeningen van zijn bedrijf [C] B.V. vanuit verschillende plaatsen in het land meerdere kasstortingen zijn gedaan variërend van € 5.000,- tot € 20.000,- per keer. Het gaat in totaal om 64 stortingen in een periode van twee maanden tijd. Verdachte heeft aangegeven dat hij denkt dat deze stortingen gedaan zijn door [betrokkene 1], een kennis uit de zakenwereld. Van deze [betrokkene 1] heeft verdachte daarnaast in een restaurant een bedrag van E 100.000,- contant, in coupures van € 500,- ontvangen. Verdachte heeft niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam en heeft het in gedeeltes contant op zijn eigen rekening(en) gestort. In totaal is een bedrag van € 410.000,- middels kasstortingen bijgeboekt op de rekeningen van verdachte en zijn bedrijf.

Op verzoek van [betrokkene 1] heeft verdachte vanaf de rekening(en) van zijn bedrijf twee stortingen van € 50.000,- gedaan aan een voor hem onbekend bedrijf in Zwitserland. Verdachte wist niet wat hiervan de reden was en heeft hier ook niet naar gevraagd. Hij heeft een nota van deze betaling verzocht en heeft deze (valse) nota in de administratie van zijn bedrijf opgenomen om daarmee de ontvangst en de betaling van het bedrag van € 100.000,- te kunnen verantwoorden.

Daarnaast heeft verdachte, eveneens op verzoek van [betrokkene 1], een bedrag van in totaal € 360.000,- overgemaakt naar de rekening van een hem verder onbekende persoon genaamd [medeverdachte] ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië. Dit deed verdachte nadat een eerdere rechtstreekse overboeking naar Brazilië niet was geslaagd. Verdachte heeft aangeven met deze transacties in totaal € 4.000,- te hebben verdiend

De rechtbank overweegt dat het zeer ongebruikelijk is om in een restaurant een bedrag van € 100. 000,- in coupures van € 500,- die in het normale betalingsverkeer nauwelijks voorkomen en waarvan bekend is dat deze bij misdaad vaak gebruikt worden, te ontvangen en vervolgens zonder opgaaf van reden per bank voor een ander naar een buitenlandse firma over te boeken. Eveneens is het zeer ongebruikelijk, zo heeft verdachte zelf ook verklaard, om zonder vermelding van of duidelijkheid omtrent de herkomst ervan, een bedrag van ongeveer € 360.000,- in tientallen relatief kleine bedragen door kasstortingen gestort te krijgen en het totale bedrag vervolgens, tegen een fors bedrag aan commissie, over te maken op de rekening van een onbekend persoon ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië.

In aanvulling op deze overwegingen merkt het hof het volgende op. Bij meerdere kasstortingen staat een omschrijving zoals “lening”, “terugbetaling lening” of “terugbetaling voorschot”. Verdachte heeft geen verklaring voor deze omschrijving, die niet strookt met de verklaring die hij heeft gegeven voor de geldstroom.

Volgens verdachte lukte het niet om via zijn rekening, c.q. die van zijn bedrijf, geld over te boeken naar Brazilië en is om die reden het geld door hem doorgeboekt naar de rekening van [medeverdachte]. Uit de stukken blijkt dat op 5 mei 2008 voor het eerst door verdachte geld naar de rekening van [medeverdachte] is overgeboekt. Verdachte heeft geen verklaring kunnen geven voor het feit dat nadien ook nog geld is gestort op rekeningen waarover hij de beschikking had in plaats van rechtstreekse storting of overboeking op de rekening van [medeverdachte].

Net als de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig was en dat het opzet van verdachte, op zijn minst in voorwaardelijke zin, daarop ook was gericht.

Nu verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan, is sprake van het medeplegen van gewoontewitwassen.’

Bespreking van de middelen 2, 3 en 4

9. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de officier van justitie ontvankelijk heeft geacht in de vervolging van het onder 4 tenlastegelegde feit, althans dat het hof de verwerping van een tot niet-ontvankelijkverklaring strekkend verweer onvoldoende met redenen heeft omkleed.

10. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 3 januari 2018 aangevangen met een regiezitting. Op 26 september 2018 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Het hof was daarbij anders samengesteld. De advocaat-generaal heeft de zaak opnieuw voorgedragen; ik begrijp daaruit dat de behandeling opnieuw is aangevangen (art. 322, derde lid, Sv jo. art. 415, eerste lid, Sv). Nadat de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken heeft medegedeeld, heeft de raadsvrouw aangegeven een aantal preliminaire verweren te willen voeren. Daar heeft het hof – al was de raadsvrouw te laat (art. 283 Sv jo. art. 415, eerste lid, Sv) – in bewilligd. De raadsvrouw heeft vervolgens het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Daaraan ontleen ik het volgende (met weglating van voetnoten):

Preliminaire verweren

(...)

Ten aanzien van feit 4: schending gelijkheidsbeginsel

17. De verdediging heeft in eerste aanleg ten aanzien van het vierde ten laste gelegde feit uitvoerig gemotiveerd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

18. De verdediging wenst hetgeen dat in eerste aanleg is aangevoerd als hier woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen. In aanvulling hierop wenst zij het navolgende op te merken.

19. De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat de keuze, om [betrokkene 1] niet te vervolgen en cliënt wel, binnen de grenzen van het opportuniteitsbeginsel valt. De rechtbank heeft daarmee miskend dat zij de toelaatbaarheid van deze keuze behoort te toetsen aan de hand van algemene beginselen van een behoorlijke procesorde. In het huidige tijdperk kan niet meer worden volgehouden dat de beslissing tot vervolging zich volledig onttrekt aan beoordeling op verenigbaarheid met ongeschreven noties van behoorlijk overheidsoptreden. Strijd met een beginsel zoals het gelijkheidsbeginsel kan de werking van het opportuniteitsbeginsel beperken.

20. De rechtbank stelt in haar vonnis dat het Openbaar Ministerie in alle redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen om cliënt te vervolgen na uitleg van de officier van justitie over een zogenaamd verschil in bewijsrechtelijke posities van cliënt en [betrokkene 1].

21. Indien er al sprake is van een verschil in bewijsrechtelijke posities -quod non- dat is dit een direct gevolg van het feit dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om geen onderzoek te doen naar [betrokkene 1].

22. De verdediging heeft bij appelschriftuur gesteld “De facto heeft dat dan tot gevolg dat de redenering van de rechtbank er toe zou leiden dat het Openbaar Ministerie de (on)gelijkheid van gevallen zelf zou kunnen bepalen. Tegen een dergelijke invulling van het gelijkheidsbeginsel verzet de verdediging zich. Daarenboven is van een ongelijkwaardige bewijspositie geen sprake. Alle bewijzen die de rechtbank heeft gebruikt ter ondersteuning van haar oordeel, kunnen gelden jegens [betrokkene 1]. Ten onrechte is niet aangegeven op welke wijze de bewijspositie afwijkt in die mate dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou moeten stranden.”’

11. De voorzitter heeft blijkens het proces-verbaal aangegeven ‘dat de raadsvrouw niet hoeft voor te dragen hetgeen door de verdediging in eerste aanleg ten aanzien van het preliminaire verweer in de pleitnota is neergelegd. Het hof beschouwt dat onderdeel als voorgedragen.’ De betreffende pleitnota in eerste aanleg houdt op dit punt het volgende in:

3.0 Witwassen - strijd met het gelijkheidsbeginsel

3.1 Ten aanzien van het witwas verwijt dat wordt gemaakt geldt voorts dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Gelijke zaken moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid gelijk worden afgedaan. Uit zaakproces-verbaal [medeverdachte] wordt duidelijk dat er één man is die aan de touwtjes heeft getrokken. [betrokkene 1].

3.2 In het proces-verbaal is letterlijk opgenomen dat het vermoeden is ontstaan dat

"(...) verdachte [betrokkene 1] degene was die de beschikking had over € 410.000."

"(...) verdachte [betrokkene 1] een aantal van de gerelateerde 64 kasstortingen zelf heeft verricht en een aantal door anderen heeft laten doen"

"(...) verdachten [betrokkene 1] opdracht heeft gegeven tot het overboeken van € 360.000 naar [B] LTOA en zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

3.3 Dat de Officier van justitie dezelfde indruk heeft (gehad) van de doorslaggevende rol van [betrokkene 1] blijk wel uit hetgeen even verderop is opgenomen in het proces-verbaal:

"Op grond van de onderzoeksresultaten heeft Officier van Justitie mr. Edens besloten om [betrokkene 1] niet voor strafrechtelijke vervolging in dit onderzoek te voegen. Een zelfstandig onderzoek contra [betrokkene 1] acht Officier van Justitie mr. Edens opportuun."

3.4 Middels onze brief van 6 juni 2013 hebben wij de Officier van Justitie verzocht de onderzoeksresultaten uit het onderzoek naar [betrokkene 1] aan ons te verstrekken. De verdediging heeft daarbij een evident belang. Client lijkt immers voor het karretje van [betrokkene 1] te zijn gespannen. Mogelijk geldt hetzelfde voor [medeverdachte] die hier voor uw Rechtbank terecht staat. Het dossier laat de mogelijkheid open - en wijst zelfs in die richting - dat [betrokkene 1] twee partijen aan elkaar heeft gekoppeld en aan hen beide een ander verhaal heeft voorgehouden waarna partijen gehandeld hebben zoals zij hebben gedaan.

3.5 Het antwoord dat wij ontvingen op ons verzoek, mag verbazen. Op 11 juni 2013 ontvingen wij een brief van het OM waarin ons werd medegedeeld dat er geen separaat strafrechtelijk onderzoek is opgestart tegen [betrokkene 1]. Daar werd gisteren in het requisitoir nog aan toegevoegd dat het onderzoek naar [betrokkene 1] wegens capaciteitsproblemen geen doorgang heeft gevonden.

3.6 Onduidelijk is over welk capaciteitsprobleem het Openbaar Ministerie het heeft? Wat dient er dan allemaal nog te worden uitgezocht in de zaak tegen [betrokkene 1]? Is de vraag aan het Openbaar Ministerie niet gerechtvaardigd of de dossiers tegen [medeverdachte] en cliënt in verband met het witwasdelict niet voldoende zijn voor een dagvaarding voor 16 april 2015 jegens [betrokkene 1]?

3.7 De antwoorden zijn duidelijk. Als er voldoende bewijs zou zijn tegen [medeverdachte] en cliënt, is er zeker voldoende bewijs tegen [betrokkene 1]: de spil! Het kan natuurlijk zo zijn dat de Officier van Justitie meent dat er onvoldoende bewijs is tegen [betrokkene 1]. Daar is de verdediging het dan mee eens. Onmiskenbaar is dan de conclusie in verband met dit verwijt ten aanzien van cliënt dat daarvoor het bewijs geheel onvoldoende is.

3.8 Hoe dan ook: het niet vervolgen van [betrokkene 1] gezien zijn rol in ten aanzien van dit feit, kan in het licht van het gelijkheidsbeginsel slechts betekenen dat ook cliënt niet vervolgd kan worden.

3.9 Het is onbegrijpelijk dat het onderzoek tegen de hoofdverdachte, [betrokkene 1], niet wordt voortgezet terwijl deze feiten voor cliënt, die een minimale rol heeft in het geheel, wel tot vervolging heeft geleid en bovendien, bij gebrek aan een hoofdrolspeler, thans als zodanig wordt gepositioneerd.

3.10 Met de onderhavige beslissing is het verbod op willekeur in aanzienlijke mate geschonden Een dergelijke beslissing kan niet worden gerechtvaardigd en levert een schending op van het gelijkheidsbeginsel.’

12. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende naar voren gebracht:

‘De deelonderzoeken van de opsporingsonderzoeken in het kader van de fraude kunnen niet allemaal worden uitgerechercheerd. Hiervoor is te weinig capaciteit. U kunt er voor kiezen om dit te respecteren.’

13. Het gerechtshof heeft naar aanleiding van het gevoerde preliminaire verweer het volgende overwogen:

‘Het gelijkheidsbeginsel staat bovendien niet aan vervolging door de advocaat-generaal in de weg. Capaciteitsproblemen zijn een reden om niet tot vervolging over te gaan. Het kan echter niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Dat is te billijken.’

14. Nadat de advocaat-generaal zijn vordering aan het hof heeft overgelegd, heeft de raadsman op de betreffende terechtzitting wederom het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die aan het hof is overgelegd. Bij het proces-verbaal is slechts één pleitnota gevoegd, waarin het eerder geciteerde als preliminair verweer is opgenomen. Het hof heeft daar in het arrest niet opnieuw op beslist. Ik begrijp uit een en ander dat het betreffende verweer bij pleidooi niet opnieuw, met andere of aanvullende argumenten, is gevoerd. In cassatie wordt er ook niet over geklaagd dat het arrest geen beslissing op het betreffende verweer bevat. Geklaagd wordt over de beslissing op het gevoerde preliminaire verweer.

15. Uw Raad heeft in HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1632 inzake de toetsing van de vervolgingsbeslissing aan beginselen van een behoorlijke procesorde het volgende overwogen:

‘2.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7).’

16. De enkele omstandigheid dat vervolging van anderen, ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij zich aan een vergelijkbaar strafbaar feit schuldig hebben gemaakt, achterwege is gebleven, staat er niet aan in de weg dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Daarbij speelt een rol dat het achterwege blijven van een vervolging in een vergelijkbare zaak niet meebrengt dat de vervolgingsbeslissing in die zaak voortaan maatgevend zou dienen te zijn. Mogelijk is ten onrechte geseponeerd. Het achterwege laten van vervolging in een andere zaak zou de gemaakte fout dan alleen maar groter maken.2

17. De steller van het middel voert nog aan dat het verweer er ‘in de kern’ op neerkomt dat het onbegrijpelijk is dat de verdachte voor feit 4 is vervolgd ‘terwijl de medeverdachte die kan worden aangemerkt als “de spil” met betrekking tot dit feit niet is vervolgd’. Ook die omstandigheid leidt er mede in het licht van het voorgaande niet toe dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Ik wijs in dit verband op HR 21 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0369, NJ 1988/1021 m.nt. ’t Hart. De verdachte was in die zaak vervolgd wegens het uitdelen van pamfletten van de Centrumpartij, terwijl een lid van de Tweede Kamer voor die partij dat - zo had het hof vastgesteld – nauw betrokken was geweest bij de opstelling van het pamflet en bij de voorbereiding van de verspreiding, en dat ook aan die verspreiding had meegewerkt, niet was vervolgd. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging: het zou ‘onaanvaardbaar’ zijn dat tot vervolging van een deel van de verspreiders was besloten terwijl daarvan bij de ‘eerstverantwoordelijke’ was afgezien. Als het streven had voorgezeten te voorkomen dat strafvervolging van het Kamerlid een ‘martelaar’ zou maken, was dat volgens het hof geen toereikende grond voor deze beslissing. Uw Raad casseerde: ‘Wat er zij van de door het hof veronderstellenderwijze genoemde redenen’ waarom de OvJ had afgezien van vervolging van het betreffende Kamerlid, ‘nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent de gronden waarop de OvJ niettemin is overgegaan tot de vervolging van de verdachte is ’s hofs oordeel dat hij aldus heeft gehandeld naar willekeur’ niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

18. Al met al is ’s hofs oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging niet onbegrijpelijk en heeft het hof de verwerping van het verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging toereikend met redenen omkleed. Ik merk daarbij op dat het hof in aanmerking heeft kunnen nemen dat capaciteitsproblemen tot keuzes bij het vervolgen van strafbare feiten noodzaken.

19. Het tweede middel faalt.

20. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om de stukken in de zaak tegen [betrokkene 1] te voegen in de zaak tegen verdachte heeft afgewezen, althans dat de afwijzing van dat verzoek onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

21. In de pleitnota heeft de raadsman, in aansluiting op de randnummers die bij het tweede middel zijn geciteerd, een verzoek geformuleerd:

‘23. De verdediging heeft bij appelschriftuur verzocht om een aanvulling op het dossier met alle bewijsstukken uit het dossier van [betrokkene 1], alsmede de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing de zaak tegen hem te seponeren. Gezien vorenstaande wordt dit verzoek om een aanvulling op het dossier van voormelde stukken door de verdediging gehandhaafd.’

22. In verband met dit verzoek vestigt de steller van het middel ook de aandacht op een ander onderdeel van de pleitnota waarin aan de zaak tegen [betrokkene 1] wordt gerefereerd:

‘167. Hij vertrouwde [betrokkene 1] en zag hem als een slimme zakenman en niet als iemand die zich inliet met criminele praktijken. Om te achterhalen wat de herkomst van de gelden zijn en of deze van misdrijf afkomstig zijn, had [betrokkene 1] bevraagd moeten worden. De keuze van het Openbaar Ministerie om dit na te laten althans deze stukken niet toe te voegen aan het dossier komt voor rekening van het Openbaar Ministerie en kan niet aan cliënt worden tegengeworpen.’

23. Het hof heeft dit verzoek in het bestreden arrest verworpen met de volgende overweging:

‘Het verzoek tot voeging van alle stukken uit de zaak tegen [betrokkene 1] wordt afgewezen. Het staat het openbaar ministerie vrij op grond van capaciteitsproblemen een keuze te maken tegen wie wel en niet nader onderzoek wordt verricht en wie wel of niet wordt vervolgd. Er is geen aanwijzing dat de keuze om tegen [betrokkene 1] geen verder onderzoek te verrichten op oneigenlijke gronden is gebaseerd. Evenmin is er aanleiding te veronderstellen dat er onder de stukken met betrekking tot [betrokkene 1] stukken aanwezig zijn die van belang zijn voor de zaak tegen verdachte.’

24. De steller van het middel brengt naar voren dat het verzoek om voeging van stukken mede is gedaan om te achterhalen wat de herkomst van de gelden was en of de gelden van misdrijf afkomstig waren. Die vraag zou voor de beoordeling van het onder 4 tenlastegelegde feit van wezenlijk belang zijn. Aan de verdachte zou in redelijkheid niet kunnen worden tegengeworpen dat hij zijn verzoek niet nader heeft gespecificeerd nu hij niet op de hoogte kon zijn van de inhoud van het dossier van [betrokkene 1]. Uit de stukken blijkt volgens de steller van het middel dat er wel een onderzoek zou zijn gestart maar dat dit onderzoek vanwege capaciteitsproblemen geen doorgang heeft gevonden. Er zou dus ‘kennelijk’ wel een dossier tegen [betrokkene 1] bestaan. Tegen die achtergrond zou ’s hofs oordeel dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat er stukken zijn die relevant zijn voor de zaak tegen de verdachte zonder nadere motivering niet begrijpelijk zijn.

25. Het verzoek van de raadsman dat in randnummer 23 van de pleitnota is verwoord, is een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, jo. art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf bij de beoordeling van dat verzoek is of aan het hof de noodzakelijkheid blijkt van de overlegging van de bescheiden waarop het verzoek betrekking heeft. Bij het beantwoorden van die vraag geeft art. 149a, tweede lid, Sv een richtsnoer. 3 Ingevolge dat artikel behoren tot de processtukken ‘alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn’, behoudens de uitzondering van art. 149b Sv. Die uitzondering speelt in dit geval geen rol.

26. De raadsman heeft het verzoek om aanvulling van het dossier met ‘alle bewijsstukken uit het dossier van [betrokkene 1]’ in randnummer 23 van de pleitnota onderbouwd met een verwijzing naar ‘vorenstaande’. Die voorgaande randnummers behelzen, zo bleek, een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook het gestelde in randnummer 23 is onder dat kopje geplaatst. Bij de bespreking van het tweede middel is gebleken dat en waarom hetgeen door de raadsman is aangevoerd met betrekking tot het niet vervolgen van [betrokkene 1] er niet aan in de weg staat dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging tegen de verdachte. Een en ander brengt mee dat het hof het in randnummer 23 geformuleerde verzoek kon afwijzen met de overweging dat er geen aanwijzing is ‘dat de keuze om tegen [betrokkene 1] geen verder onderzoek te verrichten op oneigenlijke gronden is gebaseerd’. Als ik het goed zie, worden in cassatie ook geen klachten geformuleerd tegen dit onderdeel van ’s hofs motivering van de afwijzing.

27. De steller van het middel meent dat het verzoek ‘mede (is) gedaan om te achterhalen wat de herkomst van de gelden was en of de gelden van misdrijf afkomstig waren’. Die strekking van het verzoek komt uit het gestelde in randnummer 23 evenwel niet naar voren. En het in randnummer 167 gestelde heeft het hof naar het mij voorkomt niet behoeven op te vatten als een verzoek om stukken (met dit doel) te voegen. De raadsman signaleert dat de keuze van het openbaar ministerie om [betrokkene 1] niet te bevragen ‘althans deze stukken niet toe te voegen aan het dossier’ voor rekening komt van het openbaar ministerie en niet aan de verdachte kan worden tegengeworpen. Een verzoek aan het hof wordt in dit randnummer niet geformuleerd. Tegen deze achtergrond is ’s hofs overweging voor zover inhoudende dat er geen aanleiding is om ‘te veronderstellen dat er onder de stukken met betrekking tot [betrokkene 1] stukken aanwezig zijn die van belang zijn voor de zaak tegen verdachte’ geen reactie op een verzoek van de raadsman.

28. Een en ander brengt mee dat het middel, dat als gezegd klaagt over (de motivering van) de afwijzing van het verzoek om de stukken in de zaak tegen [betrokkene 1] te voegen in de zaak tegen de verdachte, faalt.

29. Het derde middel faalt.

30. Het vierde middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte het onder 4 bewezenverklaarde ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ heeft begaan. Het middel valt in drie deelklachten uiteen.

31. De eerste deelklacht (onder A) houdt in dat uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet zonder meer kan worden afgeleid dat het geld ‘afkomstig is uit enig misdrijf’. De steller van het middel bestrijdt niet dat, vanwege de diverse stortingen en overboekingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. De verdachte zou evenwel een ‘duidelijke verklaring’ hebben afgelegd, waarin hij het openbaar ministerie voldoende informatie heeft verschaft om nader onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Dat dit onderzoek vanwege capaciteitsproblemen niet is uitgevoerd, zou de verdachte niet kunnen worden tegengeworpen. De steller van het middel attendeert er daarbij op dat het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen is afgewezen.

32. Uw Raad heeft eerdere rechtspraak inzake het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen in HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156 als volgt samengevat:

‘2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)’

33. Onder de bewijsmiddelen zijn verklaringen opgenomen die de verdachte op 1 juli en 5 juli 2010 heeft afgelegd (bewijsmiddelen 61 en 63). Uit die verklaringen heeft het hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte geld dat hij van [betrokkene 1] kreeg, heeft overgeboekt naar Zwitserland en naar een rekening van medeverdachte [medeverdachte]. Die verklaring over de herkomst van het geld betreft niet een ‘concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ waaruit volgt dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Anders dan de steller van het middel meent, kan de verklaring van de verdachte daarmee ook niet op één lijn worden gesteld. Strafbaarheid uit hoofde van de witwasbepalingen treedt in als de daar omschreven gedragingen worden verricht met geld waarvan, al dan niet mede op basis van het uitblijven van een verklaring die het tegendeel aannemelijk maakt, wordt vastgesteld dat het afkomstig is uit enig misdrijf. De enkele omstandigheid dat de verdachte informatie heeft gegeven die nader onderzoek naar de herkomst van het geld mogelijk maakt (maar niet op een legale herkomst wijst), staat niet aan een bewezenverklaring in de weg.

34. Wat het bedoelde getuigenverzoek betreft, kan het volgende worden opgemerkt. De rechtbank had de verdachte eveneens veroordeeld wegens (onder meer) het onder 4 tenlastegelegde feit. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 januari 2018, de regiezitting, blijkt dat de raadsvrouw heeft verzocht om ‘de appelschriftuur van mr. De Bont als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast sluiten wij ons aan bij het verzoek van mr. H. Polat, raadsman van de medeverdachte, waarbij is gevraagd om [betrokkene 1] en [betrokkene 4] als getuige te mogen horen’.

35. De voorzitter heeft na een korte onderbreking onder meer het volgende meegedeeld.

‘De onderzoekswensen die door mr. De Bont in de appelschriftuur van 30 juni 2015 zijn gedaan, beoordeelt het hof aan het criterium van het verdedigingsbelang. Inhoudelijk mag van de verdediging worden verwacht dat ten aanzien van elk van de geuite wensen duidelijk en specifiek wordt onderbouwd wat de relevantie van die wensen is in verband met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In de schriftuur van 30 juni 2015 zijn niet specifieke personen genoemd en van de bedoelde personen is niet specifiek onderbouwd waarover verklaard zou moeten worden. Evenmin is de relevantie ten aanzien van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onderbouwd. (...) De verzoeken uit de appelschriftuur van mr. De Bont worden daarom afgewezen.

Ten aanzien van de vandaag door de raadsvrouw gevraagde getuigen, welk verzoek aan het noodzaakcriterium wordt getoetst, heeft te gelden dat niet is aangegeven welke vraag of vragen aan welke getuige gesteld zou(den) moeten worden en evenmin is de relevantie met de in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen onderbouwd. (...) Het hof wijst daarom, getoetst aan het noodzaakcriterium, het verzoek ten aanzien van alle gevraagde getuigen af. (...)

De raadsvrouw heeft ook nog aangegeven dat zij graag aansluiting zoekt bij het verzoek van de raadsman in de zaak tegen medeverdachte ten aanzien van het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 4]. Het hof wijst dit verzoek in de zaak tegen de medeverdachte af. In de eerste plaats omdat deze beide getuigen in die zaak reeds eerder zijn gehoord en de verdediging van de medeverdachte de gelegenheid heeft gehad om de getuigen vragen te stellen, van welke gelegenheid door de verdediging ook gebruik is gemaakt. Van de noodzaak om deze getuigen nogmaals te horen is niet gebleken. Daar komt bij dat noch van de zijde van de raadsman van de medeverdachte, noch van de zijde van de raadsvrouw thans is onderbouwd welke vragen aan deze getuigen gesteld zouden moeten worden en in hoeverre zulks verband zou houden met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Voor het horen van deze getuigen in de onderhavige strafzaak bestaat geen noodzaak. Op verzoek van de raadsvrouw zal het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] nog wel aan het onderhavige dossier worden toegevoegd en zal van dat proces-verbaal een kopie aan de raadsvrouw worden verstrekt.’

36. Uit een en ander volgt dat de raadsman die de verdachte in eerste aanleg heeft bijgestaan in de appelschriftuur niet om het horen van [betrokkene 1] heeft verzocht. De raadsvrouw die de verdachte tijdens de regiezitting in hoger beroep bijstond, heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij het verzoek van een andere raadsman om [betrokkene 1] als getuige te horen. Op een dergelijk verzoek is het noodzaakcriterium van toepassing. Dat brengt mee dat de beslissing op het verzoek niet in stand is gebleven als Uw Raad, met mij, uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2018 afleidt dat het onderzoek (wegens de gewijzigde samenstelling van het hof) opnieuw is aangevangen (art. 322, vierde lid, Sv). In dat geval kan in cassatie aan de afwijzing van dit verzoek naar het mij voorkomt in deze ook geen argument worden ontleend. Maar ook los daarvan kan aan de wijze waarop dat verzoek is gedaan en beargumenteerd niet een aanwijzing worden ontleend dat de verdachte door nader onderzoek naar [betrokkene 1] duidelijkheid heeft proberen te creëren omtrent de herkomst van de betreffende gelden.

37. De tweede deelklacht (onder B) betreft de bewijsvoering van het opzet van de verdachte op de criminele herkomst van het geld. Uit de bewijsmiddelen zou niet meer blijken dan dat [betrokkene 1] aan de verdachte heeft gevraagd om geldbedragen te ontvangen en over te boeken, en dat de verdachte heeft verzuimd navraag te doen naar de herkomst van het geld. Op basis van de verklaringen van verdachte zou wellicht kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zodanig is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat sprake is van schuldwitwassen, maar voorwaardelijk opzet is volgens de steller van het middel niet zonder meer uit de bewijsmiddelen af te leiden.

38. Het hof heeft in de geciteerde bewijsoverweging eerst de bewijsoverweging van de rechtbank overgenomen. Daarin stelt de rechtbank vast dat op de rekening van de verdachte en op rekeningen van zijn bedrijf in twee maanden tijd 64 kasstortingen zijn gedaan, variërend van € 5.000,- tot € 20.000,- per keer. Verdachte heeft aangegeven dat hij denkt dat deze stortingen zijn gedaan door [betrokkene 1], van wie verdachte in een restaurant ook een bedrag van € 100.000,- contant, in coupures van € 500,- heeft ontvangen. Verdachte heeft niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam en heeft het in gedeeltes contant op zijn eigen rekening(en) gestort. In totaal is aldus een bedrag van € 410.000,- bijgeboekt op de rekeningen van verdachte en zijn bedrijf. Verdachte heeft op verzoek van [betrokkene 1] vanaf de rekeningen van zijn bedrijf twee stortingen gedaan van € 50.000,- aan een voor hem onbekend bedrijf in Zwitserland. Hij wist niet wat hiervan de reden was en heeft daar niet naar gevraagd. Hij heeft een nota van deze betaling verzocht en deze valse nota in de administratie van zijn bedrijf opgenomen. Voorts heeft verdachte op verzoek van [betrokkene 1] in totaal € 360.000,- overgemaakt naar de rekening van een hem onbekend persoon ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië. Verdachte heeft verklaard met deze transacties € 4000,- te hebben verdiend.

39. De rechtbank overweegt vervolgens dat het ‘zeer ongebruikelijk’ is om in een restaurant een bedrag van € 100.000,- in coupures van € 500,- te ontvangen en zonder opgaaf van redenen per bank voor een ander naar een buitenlandse firma over te boeken. En dat het eveneens ‘zeer ongebruikelijk’ is om zonder duidelijkheid omtrent de herkomst een bedrag van ongeveer € 360.000,- in tientallen relatief kleine bedragen door kasstortingen gestort te krijgen en het totale bedrag tegen een fors bedrag aan commissie over te maken op de rekening van een onbekend persoon ten behoeve van de aankoop van een pand in Brazilië.

40. Het hof voegt daaraan toe dat bij meerdere kasstortingen een omschrijving staat zoals ‘lening’, ‘terugbetaling lening’ of ‘terugbetaling voorschot’ en dat de verdachte geen verklaring heeft voor deze omschrijving, die niet strookt met de verklaring die hij heeft gegeven voor de geldstroom. Het hof overweegt voorts dat de verdachte heeft verklaard dat het niet lukte om het geld over te boeken naar Brazilië en dat het geld om die reden door hem is doorgeboekt naar de rekening van [medeverdachte]. En het hof wijst er vervolgens op dat de verdachte op 5 mei 2008 voor het eerst geld naar de rekening van [medeverdachte] overboekt, en dat de verdachte geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat ook nadien nog geld is gestort op rekeningen waarover hij de beschikking had in plaats van rechtstreekse storting of overboeking op de rekening van [medeverdachte].

41. Uit deze overwegingen, gelezen in samenhang met de bewijsmiddelen, volgt dat uit de bewijsmotivering niet slechts blijkt dat de verdachte ‘heeft verzuimd navraag te doen naar de herkomst van het geld’. Zo is overwogen dat en waarom de gang van zaken bij de ontvangst en bij het overboeken van de gelden ‘zeer ongebruikelijk’ is. Voorts heeft het hof de bewezenverklaring van het opzet op de criminele herkomst van het geld niet alleen uit verklaringen van de verdachte afgeleid. De verdachte heeft ook een valse nota inzake de overboekingen naar Zwitserland in zijn administratie opgenomen (bewijsmiddelen 63 en 64). En de omschrijving bij een groot aantal kasstortingen spoort niet met de verklaring die de verdachte voor de geldstroom heeft gegeven (bewijsmiddelen 62 en 63).

42. Het hof heeft al met al uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geldbedrag van € 410.00,- (on)middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. En het hof heeft dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

43. De derde deelklacht (onder C) bestrijdt dat uit de bewijsvoering kan volgen dat sprake is van een gewoonte. Herhaling van het plegen van een delict is volgens de steller van het middel op zichzelf nog geen gewoonte; naast de duur van de periode en de frequentie van de handelingen zou ook de intentie van de verdachte van belang zijn. Het hof zou een en ander hebben miskend door het medeplegen van gewoontewitwassen af te leiden uit de omstandigheid dat ‘verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan’. En uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat de verdachte ‘de neiging had om telkens weer een dergelijk feit te begaan’.

44. De steller van het middel baseert de stelling dat van een gewoonte(delict) slechts sprake is bij de neiging om telkens weer een dergelijk misdrijf te begaan, op het commentaar bij art. 250 Sr in Noyon/Langemeijer/Remmelink.4 Dat commentaar wijst voor deze opvatting naar Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 15e druk, p. 122.5 Aldaar wordt, zonder verwijzing naar andere bronnen, gesteld: ‘Onder gewoonte pleegt te worden verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard der feiten betreft en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat’. Dat de intentie van de dader van belang zou zijn, baseert de steller van het middel op Tekst en Commentaar Strafrecht. Dat commentaar vermeldt: ‘Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gewoonte, is – naast de duur van de periode en de frequentie van de gepleegde handelingen – ook de intentie van de verdachte bij een en ander van belang, aldus Rb. Rotterdam 19 oktober 2006, NbSr 2006/447’.6

45. De Graaf heeft in haar proefschrift een paragraaf aan gewoontedelicten gewijd. Daarin stelt zij voorop dat er een belangrijk verschil bestaat tussen het maken van een ‘beroep’ en het maken van een ‘gewoonte’ van het begaan van strafbare feiten: ‘Om van het begaan van een strafbaar feit een beroep te maken, dient de verdachte het oogmerk te hebben om het strafbare feit te herhalen, om zich op die manier een bron van inkomsten te verschaffen. (...) Voor het bewijs van het begaan van een strafbaar feit als gewoonte moet vaststaan dat het desbetreffende feit meermalen is begaan’.7 Zij wijst erop dat de maximumstraf die gesteld is op gewoontewitwassen even hoog is als de straf die kan worden opgelegd bij kwalificatie van het bewezenverklaarde als witwassen, meermalen gepleegd (acht jaren).8 Ook ik meen dat er, in ieder geval bij witwassen, geen aanleiding is om voor een veroordeling wegens gewoontewitwassen de vaststelling van een bijzondere intentie te eisen dan wel een neiging om telkens weer het betreffende misdrijf te begaan. Die neiging volgt in toereikende mate uit de frequentie waarmee het misdrijf is gepleegd.9 Voor zover het middel ervan uitgaat dat een bewezenverklaring van gewoontewitwassen de vaststelling van een bijzondere intentie of een dergelijke neiging vereist, berust het op een verkeerde rechtsopvatting.

46. Een en ander brengt mee dat het hof de bewezenverklaring van (medeplegen van) gewoontewitwassen kon baseren op de vaststelling dat ‘verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan’.

47. Het vierde middel faalt.

Bewezenverklaring feit 3, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

Bespreking van het vijfde, zesde en zevende middel

Bespreking van het achtste en negende middel; afronding