Home

Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1036, 21/01463

Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1036, 21/01463

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 november 2022
Datum publicatie
18 november 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:1036
Zaaknummer
21/01463

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Financiering van terrorisme. Middel over bewijsvoering bestanddeel “opzettelijk”. AG is van oordeel dat middel faalt voor zover geklaagd wordt over toepasselijkheid van het leerstuk ‘kleurloos opzet’, maar slaagt voor zover geklaagd wordt over motivering van het bestanddeel “opzettelijk”, gelet op ontbrekende vaststellingen over verdachtes wetenschap van (de aanmerkelijke kans) dat zijn geld (indirect) bij terroristische organisaties terecht zou komen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01463

Zitting 15 november 2022

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

Inleiding

  1. De verdachte is bij arrest van 22 maart 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 2. "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan", veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde, met name het bestanddeel “opzettelijk”, niet uit de bewijsvoering kan volgen.

4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met 1 oktober 2014 te Den Haag

opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie)

heeft gehandeld door:

indirect financiële activa, te weten een geldbedrag van: 245 euro (via een money transfer), ter beschikking heeft gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq.”

5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen aan een aan het arrest gehechte bijlage:

“1. De verklaring van de verdachte.

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

3 .1.3 ontvanger c.q. ontvangst van het geld

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar

Slotsom