Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1116, 22/00408

Parket bij de Hoge Raad, 25-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1116, 22/00408

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 november 2022
Datum publicatie
15 december 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:1116
Formele relaties
Zaaknummer
22/00408

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Arbitrage. Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging arbitraal vonnis op de voet van art. 1066 lid 2 Rv. Onvoldoende belang bij schorsing (art. 3:303 BW)? Kan schorsingsverzoek ex art. 1066 lid 2 Rv ook worden ingesteld bij incidentele vordering in vernietigingsprocedure? Ontvankelijkheid cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/00408

Zitting 25 november 2022

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

1. [eiser 1]

2. [eiseres 2]

3. [eiseres 3]

4. [eiseres 4]

advocaat: mr. B.M.H. Fleuren

tegen

[verweerder]

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

In deze zaak hebben eisers tot cassatie (hierna: [eisers] ) vernietiging gevorderd van een tussen hun overleden (groot)moeder en verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) gewezen arbitraal tussen- en eindvonnis. In de vernietigingsprocedure hebben [eisers] een incident opgeworpen waarin zij schorsing hebben verzocht van de tenuitvoerlegging van het arbitrale eindvonnis op grond van art. 1066 lid 2 Rv. Het hof is van oordeel dat het schorsingsincident niet op de juiste wijze – door middel van een verzoekschrift – is ingeleid. Het hof stelt [eisers] echter om proceseconomische redenen niet op de voet van de wisselbepaling van art. 69 Rv in de gelegenheid om het schorsingsverzoek alsnog op de juiste wijze in te leiden. Volgens het hof ligt het schorsingsverzoek voor afwijzing gereed omdat [eisers] bij toewijzing daarvan onvoldoende belang hebben. Het arbitrale eindvonnis is namelijk al tenuitvoergelegd, zodat er niets meer valt te schorsen.

1.2

In cassatie klagen [eisers] dat het hof heeft miskend dat een schorsingsverzoek als bedoeld in art. 1066 lid 2 Rv wel degelijk kon worden ingesteld als incident in de vernietigingsprocedure, althans – voor zover dit niet geval zou zijn – dat het hof ten onrechte niet de wisselbepaling van art. 69 Rv heeft toegepast. Ook komen [eisers] op tegen het oordeel van het hof dat zij onvoldoende belang zouden hebben bij toewijzing van het schorsingsverzoek.

1.3

M.i. kunnen de klachten niet tot cassatie leiden, omdat in cassatie vaststaat dat de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis reeds is voltooid. [eisers] hebben derhalve geen belang hebben bij schorsing van de tenuitvoerlegging. Ten overvloede wordt ingegaan op de door het cassatiemiddel opgeworpen vraag of een schorsingsverzoek in de zin van art. 1066 lid 2 Rv ook bij wijze van incident in de vernietigingsprocedure kan worden ingediend. Deze vraag dient naar mijn mening bevestigend te worden beantwoord.

2 Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2021, rov. 2.1 tot en met 2.7.1

2.1

Partijen zijn erfgenamen van wijlen [moeder] (hierna: moeder). Uit het huwelijk van moeder en wijlen [vader] (hierna: vader) zijn vier kinderen geboren: [eiser 1] (eiser tot cassatie onder 1), [eiseres 2] (eiseres tot cassatie onder 2), [verweerder] en [vader van eiseressen 3 en 4] . [vader van eiseressen 3 en 4] is overleden op 13 januari 2021. [eiseres 3] en [eiseres 4] (eiseressen tot cassatie onder 3 respectievelijk 4) zijn de kinderen van [vader van eiseressen 3 en 4] en zij zijn door plaatsvervulling erfgenamen van moeder.

2.2

Vader en [verweerder] hebben vanaf 1 juni 1974 een landbouwbedrijf in [plaats] geëxploiteerd in maatschapsverband. Vader is in 2002 overleden. Moeder en [verweerder] hebben de maatschap voortgezet tot 2017. In februari 2017 zijn de boerderij, het bedrijf en enkele percelen grond verkocht. De opbrengst van € 1.151.963,13 is aanvankelijk bij de notaris in een depot geplaatst.

2.3

Tussen moeder en [verweerder] is een geschil ontstaan over de verdeling van de verkoopopbrengst. [verweerder] heeft conservatoir beslag gelegd op de gelden in het depot. Op 1 december 2017 is een arbitrageprocedure gestart tussen moeder en [verweerder] bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI).

2.4

Moeder is op 28 december 2020 overleden. Omdat de zaak in staat van wijzen was, heeft het scheidsgerecht [eisers] niet als partij toegelaten en op 12 juli 2021 het arbitrale eindvonnis gewezen (hierna: het arbitraal eindvonnis).2 In dat eindvonnis is moeder veroordeeld om aan [verweerder] € 867.095,98 te betalen uit het depot bij de notaris, met bijkomende veroordelingen. In totaal is moeder veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van € 1.138.564,48.

2.5

[verweerder] heeft het arbitraal eindvonnis op 12 en 13 juli 2021 aan [eisers] laten betekenen. Op 15 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland verlof verleend aan [verweerder] tot tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis.3 [verweerder] heeft dit verlof op 16 juli 2021 aan [eisers] laten betekenen.

2.6

In een executiegeschil hebben [eisers] in kort geding gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld de tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis te staken en tot opheffing van het beslag op de gelden bij de notaris, met bijkomende vorderingen. Bij vonnis van 9 september 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland deze vorderingen afgewezen.4 Tegen dit kortgedingvonnis hebben [eisers] hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.5

2.7

Op 15 september 2021 heeft de notaris € 1.021.681,88 aan [verweerder] uitbetaald. [eisers] hebben onder [verweerder] conservatoir beslag gelegd op deze gelden.

3 Procesverloop

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 12 oktober 2021 hebben [eisers] [verweerder] gedagvaard voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [eisers] hebben gevorderd, samengevat, dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) het arbitraal tussenvonnis van 19 december 2019 en het arbitraal eindvonnis vernietigt;

(ii) [verweerder] veroordeelt het bedrag van € 1.021.681,88 dat de notaris op grond van het arbitraal eindvonnis aan hem heeft uitbetaald (dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag), vermeerderd met de aan [verweerder] betaalde dwangsommen, als onverschuldigd aan [eisers] terug te betalen;

(iii) bepaalt dat de door [eisers] verbeurde dwangsommen op nihil worden bepaald.

3.2

Daarnaast hebben [eisers] in de inleidende dagvaarding bij wijze van een incident een ‘verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging ex artikel 1066 lid 2 Rv’ ingediend.6 Hieraan hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat zij, gelet op de kans van slagen van de vernietigingsprocedure, ‘recht, reden en een spoedeisend belang [hebben] bij toewijzing van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging’, omdat anders de kans aanzienlijk is dat de gelden waarop zij recht hebben zijn verdampt, terwijl er voor hen geen verhaalsmogelijkheden zijn.7

3.3

Bij arrest van 9 november 20218 heeft het hof in het incident het verzoek van [eisers] afgewezen en [eisers] veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil. De zaak is in de hoofdzaak verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“3.1 De hoofdzaak (de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis) wordt gevoerd met toepassing van de regels van de dagvaardingsprocedure. Dit volgt uit art. 1064a Rv. De vordering tot vernietiging schorst de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet (art. 1066 lid 1 Rv). Het incident tot schorsing wordt ingeleid met een verzoekschrift (art. 1066 lid 2 Rv) en de procedure die daarop volgt, wordt gevoerd met toepassing van de regels van de verzoekschriftprocedure (art. 1072a Rv).

3.2

In de dagvaarding van 12 oktober 2021 is het verschil in deze procedureregels niet onderkend en is het schorsingsverzoek gepresenteerd als ware het een schorsingsincident van gelijke aard als dat van artikel 351 Rv. In beginsel zou het hof [eisers] met toepassing van artikel 69 Rv in de gelegenheid moeten stellen om het schorsingsverzoek alsnog op de juiste wijze in te leiden.

3.3

Uit proceseconomische overwegingen zal het hof hiertoe niet overgaan. De reden hiervoor is dat het verzoek voor afwijzing gereed ligt omdat [eisers] bij toewijzing daarvan geen voldoende belang hebben zoals bedoeld in art. 3:303 BW. Immers, [eisers] hebben zelf aangevoerd dat de notaris op 15 september 2021 € 1.021.681,88 aan [verweerder] heeft uitbetaald ter uitvoering van het arbitraal eindvonnis van 12 juli 2021. De tenuitvoerlegging is daarmee voltooid, zodat er niets (meer) valt te schorsen. De omstandigheid dat [eisers] conservatoir beslag hebben gelegd op de gelden die door de notaris aan [verweerder] zijn uitbetaald, maakt dit niet anders.”

3.4

[eisers] hebben tijdig9 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 9 november 2021. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en zijn standpunt schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben afgezien van een schriftelijke toelichting. Zij hebben wel gerepliceerd.

3.5

Volledigheidshalve vermeld ik dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 26 juli 202210 op verzoek van [eisers] zowel de vernietigingsprocedure, waarin het in dit cassatieberoep bestreden arrest is gewezen, als de onder 2.6 genoemde kortgedingzaak op de voet van art. 62b RO11 voor verdere behandeling heeft verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

4 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

5 Bespreking van het cassatiemiddel

6 Conclusie