Home

Parket bij de Hoge Raad, 01-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1176, 21/00895

Parket bij de Hoge Raad, 01-11-2022, ECLI:NL:PHR:2022:1176, 21/00895

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 2022
Datum publicatie
13 december 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:1176
Formele relaties
Zaaknummer
21/00895

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Mishandeling (art. 300 jo. 304 lid 1 sub 1 en 3 Sr) en bedreiging (art. 285 Sr). De eerste twee middelen bevatten motiveringsklachten (uos, bewijs) m.b.t. de bewezenverklaarde mishandelingen. Het derde middel klaagt dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde schriftelijke verklaring aan de hand waarvan het laatste woord is uitgesproken in het ongerede is geraakt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00895

Zitting 1 november 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 26 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. ‘mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel’, 2. ‘bedreiging met brandstichting’ en 3. ‘mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ veroordeeld tot 200 uren taakstraf subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Tevens heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Bespreking van het eerste middel

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de verwerping van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwede standpunt met betrekking tot de (on)betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer] , of dat de daartoe opgegeven redenen ongenoegzaam zijn.

4. De betreffende verklaring is tot het bewijs van de feiten 1 en 2 gebezigd. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring van deze beide feiten, de bewijsvoering en passages uit de in hoger beroep overgelegde pleitnota weer.

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

‘1. hij op 15 september 2019 te [plaats] zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door

- een stoel tegen de arm te gooien;

2. hij op 15 september 2019 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met brandstichting, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik steek de boel in brand” en daarbij dreigend een aansteker en een fles wasbenzine te tonen;’

6. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

‘1. De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2021 verklaard – zakelijk weergegeven - :

Op 15 september 2019 waren [slachtoffer] en ik in onze woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Uit boosheid heb ik met stoelen gegooid. Ik was boos op [slachtoffer] . Die boosheid had zich tijdens de avond opgebouwd. Ik ben naar beneden gelopen om een fles wasbenzine en een aansteker te halen. Ik wilde een shockeffect bewerkstelligen.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 januari 2020 verklaard - zakelijk weergegeven - :

Mijn vrouw en ik hadden die avond onenigheid. Ik had aangegeven te willen gaan scheiden.

Ik had inderdaad een fles wasbenzine in mijn hand. Het klopt dat ik heb gezegd dat ik de boel in de brand zou steken.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2019 van Politie Eenheid Den Haag (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op 15 september 2019 kregen wij, verbalisanten, omstreeks 00:42 uur de opdracht te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Meldster [slachtoffer] had via het alarmnummer 112 contact met de politie en gaf aan dat haar man haar wilde vermoorden. Aan de telefoon was geschreeuw en gevloek te horen. De dienstdoende centralist gaf aan dat er geluiden te horen waren alsof er gevochten zou worden. Een mannenstem roept "kolere wijf".

Op het genoemde adres zijn ingeschreven [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1957, en [slachtoffer] .

Om 00.47 uur heeft de centralist weer contact met meldster. Meldster vertelt aan de centralist dat er een stoel naar haar hoofd is gegooid.

Omstreeks 00.59 uur kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse op genoemd adres. Op de eerste verdieping hoorden wij, verbalisanten, vanuit de slaapkamer een vrouw roepen. In de slaapkamer zagen wij, verbalisanten, dat er een grote tafel en een aantal stoelen omgevallen op de vloer lagen. Ook lagen er verschillende gebruiksartikelen verspreid over de kamer. Wij zagen dat er in een afzonderlijke ruimte in de kamer een vrouw stond. Wij hoorden de vrouw zeggen dat ze 112 gebeld had omdat haar man haar wilde vermoorden. Wij zagen dat de vrouw niet uit deze afzonderlijke ruimte kon komen omdat de doorgang geblokkeerd was door de stoelen en tafels die op de grond lagen.

De vrouw was genaamd [slachtoffer] . Zij vertelde dat haar man [verdachte] vannacht had gedreigd dat hij haar wilde vermoorden. [slachtoffer] was bang dat haar man de slaapkamer op zou komen daarom had ze twee stoelen schuin tegen de slaapkamerdeur gezet. Vrij snel daarna kwam haar man binnen door de deur open te beuken. Hij begon tegen [slachtoffer] te schelden. Hij heeft de eerder genoemde stoelen richting [slachtoffer] gegooid. Doordat [slachtoffer] de stoelen afweerde, heeft ze een schaafplek op haar linker onderarm en een pijnlijke plek op haar rechter bovenarm opgelopen. [slachtoffer] had kort daarvoor 112 gebeld omdat de situatie uit de hand dreigde te lopen.

[verdachte] is naar beneden gelopen en heeft wasbenzine en een aansteker uit de keuken gepakt. Hij is daarmee teruggegaan naar de slaapkamer en is voor [slachtoffer] gaan staan waarbij hij tegen [slachtoffer] riep dat hij de woning in de brand ging steken. Hierbij nam hij een dreigende houding met de aansteker en de fles aan. Ik, [verbalisant] , zag deze fles met wasbenzine op de slaapkamer liggen, de fles was ongeveer 2/3 gevuld. Ook zag ik, verbalisant [verbalisant] , de aansteker tussen de stoelen op de slaapkamer liggen.

[slachtoffer] is erg bang van haar man geweest, hij was vannacht helemaal doorgedraaid en ze was erg bang dat hij haar iets ernstigs zou aandoen of haar zou vermoorden.

Van de verwondingen aan de armen van [slachtoffer] zijn door ons, verbalisanten, fotografische opnamen gemaakt alsook van de ravage op de slaapkamer.

4. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2021 waargenomen - zakelijk weergegeven - :

Op bladzijde 20 van het dossier is te zien dat een tafel is omgegooid en op de vloer ligt en dat er stoelen zijn omgegooid.

Op bladzijde 25 van het dossier is een foto van een arm afgebeeld. Om de arm is een wondje, een schaafplek, te zien.

5. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2019 van Politie Eenheid Den Haag (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik, verbalisant, verklaar het volgende.

Op 15 september 2019 omstreeks 00.42 uur werd door mevrouw [slachtoffer] bij de 112 melding gemaakt dat zij door haar man vermoord zou worden. Het gesprek tussen de meldster mevrouw [slachtoffer] en een medewerkster van de meldkamer werd door mij opgevraagd en uitgeluisterd.

MK = medewerkster van de meldkamer

MD = meldster

VE = verdachte [verdachte]

VE : ik steek de boel maar in de brand

MD : [a-straat 1] in [plaats]

MD : mijn man wil mij vermoorden en het huis in de brand steken.

MK : Waar is uw man

MD : boven, hij wil mij vermoorden

VE : Teringwijf

VE : Teringwijf

MD : ik heb een stoel naar mijn hoofd gehad

MD : alles overhoop, met tafels en stoelen.

MD : hij heeft ook met wasbenzine de boel af te steken met een aansteker

MK : geprobeerd het huis in brand te steken. Zegt u dat?

MD : ja

6. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2020. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :

als de op 26 oktober 2020 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik wil opmerken dat het een ongelukkig tijdstip is dit, omdat we midden in een echtscheiding zitten. Die procedure loopt al een jaar. De echtscheiding is op 2 oktober 2020 uitgesproken door de rechter.

U vraagt mij wat ik me verder nog herinner nadat hij de bocht om kwam in de logeerkamer en u vraagt mij wat er toen gebeurde. Dat weet ik niet meer wat er gebeurde. Dat weet ik niet meer precies. Hij pakte de stoel en gooide die weg door de kamer. Hij zei: "Nu ga ik het huis in de fik steken". Toen was hij nog in de logeerkamer. Hij zei dat hij het huis in de fik zou steken. Hij had die fles met wasbenzine beet en hij knipte met een aansteker om hem aan te krijgen. Dat zag ik. Ik was doodsbang. U vraagt mij wat mijn gevoel en stemming was toen [verdachte] deze uitlating deed over het brandstichten. Toen hij zei van "ik ga het huis in de fik steken"? Totale paniek. Ik zat voor mijn gevoel opgesloten in de logeerkamer. Hij stond bij de doorgang bij het raam met een fles wasbenzine en een aansteker. Als die fles vlam gevat had, dan kon ik nergens heen. Ik was in paniek. Ik was doodsbang dat hij het zou doen.

De bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - slechts, gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Overweging Hof: het is een feit van algemene bekendheid dat [plaats] deel uitmaakt van de gemeente [plaats] .’

7. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 en naar aanleiding van een voorwaardelijk verzoek het volgende overwogen:

‘Zowel de advocaat-generaal als de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht op grond van de verklaring van [slachtoffer] , als gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen (...) in samenhang bezien met de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij met een stoel heeft gegooid, de foto van het letsel van [slachtoffer] , de inhoud van de 112-melding, alsmede de door de verbalisanten geconstateerde situatie op de plaats delict, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 tenlastegelegde mishandeling van [slachtoffer] .

De verklaring die [slachtoffer] op 26 oktober 2020 ten overstaan van de raadsheer-commissaris in het bijzijn van de verdediging heeft afgelegd, is naar het oordeel van het hof onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Bij dit oordeel betrekt het hof de omstandigheid dat die verklaring ruim een jaar na het onderhavige incident is afgelegd. Het behoeft geen betoog dat door tijdsverloop herinneringen aan een gebeurtenis vervagen en/of vervormd raken. Dat zulks ook in de onderhavige zaak het geval is, volgt uit de verklaring van de getuige zelf. Aan het begin van haar verhoor heeft de getuige immers verklaard dat het een "hele emotionele geschiedenis" is geweest en dat een groot gedeelte ervan "geblokt" is.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige

De verdediging heeft een verzoek tot het nogmaals horen van [slachtoffer] als getuige gedaan, indien het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde zou komen.

Nu aan de door verdediging aan het verzoek verbonden voorwaarde is voldaan, dient het hof het verzoek te beoordelen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Zoals onder het kopje: "Nadere bewijsoverweging" is overwogen, vindt de tegenover de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer] steun in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte zelf en de foto van het letsel van [slachtoffer] . Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht, zodat er geen noodzaak is gebleken voor het nogmaals horen van [slachtoffer] als getuige.

Het hof wijst het daartoe strekkend verzoek van de verdediging dan ook af.’

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2021 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze houdt onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):

‘1. Client stelt dat [slachtoffer] de bewuste avond veel alcohol had gedronken. Overigens bevestigt getuige [getuige] dat [slachtoffer] veel dronk (...). Client stelt [slachtoffer] kenbaar te hebben gemaakt dat hij wilde scheiden, maar dat zij vervolgens - naar zijn zeggen - hysterisch en geestdriftig reageerde. Client heeft direct verklaard geen stoelen of voorwerpen naar haar te hebben gegooid en haar niet te hebben mishandeld. Client stelt wel stoelen te hebben omgegooid en verbaal uit zijn slof te zijn geschoten, maar dit betreft geen mishandeling. Voorts stelt hij de telefoon uit haar hand te hebben ontfutseld, maar hierbij geen geweld tegen haar te hebben gebruikt. Mishandeling ontkent client dus.

(...)

Feit 1, mishandeling ex-vrouw [slachtoffer]

4. Tenlastegelegd is dat client zijn ex-vrouw [slachtoffer] heeft geslagen tegen het hoofd en/of lichaam en/of een stoel (of voorwerp) tegen haar lichaam heeft gegooid.

5. De verdediging acht de verklaringen van aangeefster innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar. Tegenover de politie had [slachtoffer] belastend verklaard (...), zo stelde zij dat cliënt een stoel naar haar toe zou hebben gegooid en zij geraakt zou zijn op haar lichaam en in haar gezicht. Op essentiële onderdelen komt [slachtoffer] tegenover de raadsheer commissaris echter terug op haar verklaring.

6. Tegenover de raadsheer-commissaris verklaart zij dat de stoel tegen de boekenkast is aangegooid door client en dat zij niet door de stoel is geraakt (...).

Voorts verklaart [slachtoffer] tegenover de rh-c dat zij niet is (...) geslagen door cliënt (...). Wél stelt zij te zijn vastgepakt. Vastpakken (zonder lichaamspijn) is echter geen mishandeling en is bovendien niet tenlastegelegd.

7. Deze verklaring van [slachtoffer] tegenover de rh-c rijmt met de verklaring die client van meet af aan heeft afgelegd. Dit is daarmee een verklaring die dus door het overige bewijs nu wordt ondersteunt en bevestigt daarmee dat cliënt consistent en geloofwaardig verklaart.

8. [slachtoffer] ’s eerdere verklaring dient niet als leidraad voor de feitenlezing te worden gehanteerd. Allereerst al om het feit dat [slachtoffer] geen officiële aangifte (verklaring) heeft afgelegd. In het dossier bevindt zich enkel haar verklaring die zij kort ter plaatse in de woonkamer tegenover de verbalisanten heeft afgelegd (...). De verbalisanten hebben deze verklaring van haar samenvattend opgenomen in een p-v dat bovendien pas later die dag is opgemaakt. Hierdoor is de verklaring van [slachtoffer] dus niet exact woordelijk opgenomen in het dossier zoals dat normaal wel gebeurt bij een aangifte of politieverhoor. Dit doet daarmee afbreuk aan de betrouwbaarheid van die verklaring van [slachtoffer] , omdat het ‘van horen zeggen' later samenvattend is geverbaliseerd en de precieze bewoording dus niet is meegeschreven.

9. De verdediging heeft overigens nog een voorbeeld waaruit volgt dat de feiten zoals opgenomen in het p-v (...) niet volledig stroken met de waarheid. Zo hebben de verbalisanten opgenomen dat mevr. [slachtoffer] 'niet uit deze afzonderlijke ruimte kon komen omdat de doorgang geblokkeerd was door de stoelen en de tafels die op de grond lagen' (...). Echter, tegenover de meldkamer heeft [slachtoffer] verklaard: 'als ze aanbellen dan loop ik naar beneden en open ik’ en 'ik hoor niets, misschien doet de bel het ook niet. Zal ik naar beneden gaan?’ En 'ja, ik ga roepen. Ik loop wel naar beneden, is dat goed’ (...). Deze verklaringen van [slachtoffer] tegenover de meldkamer rijmen niet met de stelling in het p-v (...) dat [slachtoffer] niet uit de kamer kon komen omdat de doorgang geblokkeerd was. Tegenover de rh-c wordt getuige [slachtoffer] hiermee geconfronteerd en daar verklaart [slachtoffer] dat zij over de stoelen en dozen op de grond kon om de deur open te doen (...). Met andere woorden, de deur was dus niet geblokkeerd. Ook hieruit volgt dus dat wij niet blind op het p-v (...) kunnen varen.

10. Voorts bestrijdt client de lezing van de feiten van de verklaring van [slachtoffer] die door de politie is opgenomen (...). En kennelijk bestrijdt client deze feitenlezing terecht, aangezien [slachtoffer] dus tegenover de rh-c op cruciale punten anders verklaart dan hoe haar verklaring door de politie is opgenomen in het dossier. Tegenover de rh-c ontkent [slachtoffer] de essentiële belastende elementen van de tenlastegelegde mishandeling. De verdediging verzoekt uw hof de verklaring van [slachtoffer] afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris betrouwbaar en geloofwaardig te achten. Die verklaring is immers ook ten overstaan van een rechter afgelegd en bovendien is die verklaring wél direct woordelijk mee getypt!

11. Bij deze stand van zaken dient cliënt van de mishandeling te worden vrijgesproken, aangezien van mishandeling geen sprake is.’

9. De steller van het middel voert aan dat aldus door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht, inhoudend dat de verklaring die de aangeefster aanvankelijk ten overstaan van de politie heeft afgelegd onbetrouwbaar is (en niet voor het bewijs kan worden gebezigd). Het hof zou van dit standpunt zijn afgeweken door ‘de initiële de-auditu verklaring’ van de aangeefster tot het bewijs te bezigen. Daarbij heeft het hof, zo begrijp ik, volgens de steller van het middel ontoereikend beargumenteerd waarom het van bedoeld standpunt is afgeweken.

10. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv sprake is als dat standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.1 De vraag kan worden gesteld of het standpunt waar de steller van het middel op doelt daadwerkelijk ‘door argumenten geschraagd’ is. Deze formulering eist een zekere stevigheid van de argumentatie.2 De raadsman heeft omtrent de verklaringen van aangeefster aangevoerd dat deze ‘innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar’ zijn. Dat de verklaring die aangeefster later bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd niet verenigbaar is met de verklaring die zij eerder tegenover de politie – die haar te hulp kwam - heeft afgelegd, is evenwel op zichzelf geen (sterk) argument om de tegenover de politie afgelegde verklaring onbetrouwbaar te oordelen. Dat de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van aangeefster rijmt met de verklaring die de verdachte heeft afgelegd, is als zodanig evenmin een (sterke) indicatie van onbetrouwbaarheid van de verklaring die aangeefster tegenover de politie heeft afgelegd.

11. Dat de verklaring van aangeefster samenvattend is opgenomen in een proces-verbaal dat later die dag is opgemaakt doet evenmin (wezenlijk) afbreuk aan de betrouwbaarheid. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de omstandigheid dat het proces-verbaal dezelfde dag nog is opgemaakt volgt dat het tijdsverloop tussen de waarnemingen ter plaatse (inclusief de verklaring van aangeefster) en het tijdstip van verbaliseren betrekkelijk kort was. En dat de door verbalisanten gerelateerde verklaring in andere waarnemingen van verbalisanten ter plaatse (omgevallen tafel en stoelen, wasbenzine, ravage op de slaapkamer, verwondingen van aangeefster) steun vond. Tegelijk volgt alleen al uit het tijdsverloop tussen de aanvankelijke melding (00.42 uur); het volgende contact met de centrale (00.47 uur) en het tijdstip van aankomst van verbalisanten (00.59 uur) dat de omstandigheid dat aangeefster er in het gesprek met de meldkamer nog vanuit ging de verbalisanten binnen te kunnen laten, niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de verklaring die zij nadien tegenover de verbalisanten heeft afgelegd.

12. Ervan uitgaand dat het aangevoerde de ondergrens van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt haalt, wijs ik op ’s hofs overwegingen onder de kopjes ‘Nadere bewijsoverweging’ en ‘Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige’. Daarin ligt niet alleen als ’s hofs oordeel besloten dat de verklaring die aangeefster op 26 oktober 2020 ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft afgelegd ‘onvoldoende betrouwbaar (is) om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt’, waarbij het hof betrekt ‘dat die verklaring ruim een jaar na het onderhavige incident is afgelegd’. Het hof oordeelt ook dat de tegenover de politie afgelegde verklaring van aangeefster steun vindt in andere bewijsmiddelen ‘waaronder de verklaring van de verdachte zelf en de foto van het letsel’ van aangeefster. In deze overwegingen ligt besloten waarom het hof, in weerwil van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, de door aangeefster tegenover de politie afgelegde verklaring betrouwbaar heeft geoordeeld. Tot nadere motivering was het hof in het licht van het aangevoerde niet gehouden.3

13. Het eerste middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

Feit 3, mishandeling van verbalisant [benadeelde]

Bespreking van het derde middel

Afronding