Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2022, ECLI:NL:PHR:2022:165, 21/03491
Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2022, ECLI:NL:PHR:2022:165, 21/03491
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 februari 2022
- Datum publicatie
- 15 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:165
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1105, Gevolgd
- Zaaknummer
- 21/03491
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 3:303 BW. Afwijzing van verzoek tot houden van voorlopig getuigenverhoor.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03491
Zitting 18 februari 2022
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[verzoeker]
tegen
1. Gemeente Loon op Zand
2. [verweerster 2] B.V.
3. [verweerster 3] B.V.
In deze zaak is een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor gedaan. Het gerechtshof heeft dit verzoek afgewezen (de rechtbank was ook tot afwijzing van het desbetreffende verzoek gekomen). M.i. kan de bestreden beschikking in stand blijven.
1 Feiten
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) stelt in zijn bestreden beschikking van 27 mei 20211 (hierna: de beschikking) geen feiten vast onder een daartoe strekkend opschrift. Wel bevat de beschikking een weergave van de door [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) aan zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in hoger beroep ten grondslag gelegde stellingen en van het daartegen door [verweerster 2] B.V. (hierna: [verweerster 2]) en [verweerster 3] B.V. (hierna met [verweerster 2] : [verweerders]) gevoerde verweer:
“(...)
3. De beoordeling(...)
3.2. [verzoeker] kan zich met deze uitspraak2 niet verenigen. Hij is hiervan in hoger beroep gekomen en voert daarbij thans het navolgende aan. De hoofdregel is, dat een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ingevolge art. 186 en 166 lid 1 Rv. in beginsel steeds toewijsbaar is. Afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor is slechts mogelijk indien zich feiten en omstandigheden voor doen die duiden op strijd met de goede procesorde, misbruik van bevoegdheid dan wel andere zwaarwichtige oordelen. [verzoeker] kan niet inzien dat een van deze gevallen zich hier voordoet.
Het uitgangspunt is immers een afspraak met een wethouder en ambtenaar alsmede met een projectontwikkelaar. Hij ging er daarbij vanuit dat alle betrokkenen de gemaakte afspraak zouden nakomen en de eerste twee jaren na 15 november 2017 was er niets dat er op wees dat een der betrokkenen het zou laten afweten en de afspraken zou schenden. Een voorlopig getuigenverhoor heeft ook die functie, dat een partij alvorens te gaan procederen wil bezien wat hij allemaal kan bewijzen en in welke richting hij zijn processuele pijlen moet richten. In de vrij complexe situatie in casu, waarin meerdere mensen met elkaar hebben gesproken en afspraken hebben gemaakt, was zo’n verhoor een uiterst probaat middel om de zaken helder en op een rijtje te krijgen. Het is met het oog daarop dat [verzoeker] niet begonnen is met een dagvaarding maar met een verzoek om getuigenbewijs te mogen leveren van hetgeen hij in een procedure zou moeten stellen en bewijzen.
Verder oordeelt de rechtbank met zoveel woorden dat tal van zaken niet vast zouden staan en niet bewezen zijn. Ook zouden diverse dingen te vaag omschreven zijn enz. Welnu, daarom is nu juist dit gevraagde getuigenverhoor geïndiceerd, namelijk om de leemten aan te vullen en de vaagheden op te klaren enz. De rechtbank keert de zaak precies om. Onduidelijkheden vragen nu juist om (aanvullend) getuigenbewijs. Zie ook de twijfelvragen die de rechtbank aanwezig acht met betrekking tot de verkoopovereenkomst van 21 juli 2019. Deze open stukken zijn nu juist een indicatie voor een getuigenverhoor namelijk om opheldering te verkrijgen.
Ten onrechte overweegt de rechtbank voorts dat [verweerster 2] thans niet aan de orde kan zijn omdat [verweerster 3] juridisch eigenaar zou zijn betreffende het stuk grond. Ook dat doet niet ter zake. In de eerste plaats niet omdat [verweerster 3] en [verweerster 2] grotendeels uit dezelfde mensen bestaan en in hetzelfde pand zijn gehuisvest. Feit is verder nu eenmaal, dat de overeenkomst van 15 november 2017 kennelijk en duidelijk is gesloten tussen [verzoeker] en [verweerster 2] . Deze brengt verplichtingen mee voor [verweerster 2] waar [verzoeker] [verweerster 2] op aan wenst te spreken. Hoe [verweerster 2] zich verder gaat verhouden tot [verweerster 3] , regardeert [verzoeker] niet. [verweerster 2] kan zich niet wegtoveren door [verweerster 3] in het verhaal te betrekken. Overigens is ook [verweerster 3] als gerekwestreerde in het verzoek opgevoerd.
De rechtbank gaat er in de beschikking ten onrechte vanuit, dat de gemeente Loon op Zand ook partij zou zijn in het bestreden vonnis. Weliswaar is de gemeente ook als gerekwestreerde partij opgevoerd door [verzoeker] (indien en voor zover nodig), dit neemt niet weg dat de gemeente bij de behandeling van het verzoek zich geheel afzijdig heeft gehouden. De gemeente heeft zich niet gesteld, doch laat verstek gaan.
Voorts heeft de rechtbank ten onrechte voorbij gezien aan de leeftijd van [verzoeker] (90). Zoals aangegeven is de getuigenis van [verzoeker] nauw verweven met de verklaringen van diverse anderen, die ook als getuigen worden gehoord. De verklaring van [verzoeker] is daarbij cruciaal en staat in het midden. De hoge leeftijd van [verzoeker] maakt daarom een voorlopig getuigenverhoor temeer gewenst. Wanneer het op een enquête aankomt na een tussenvonnis, kan dat wellicht nog heel lang duren. [verzoeker] is nu nog zeer vitaal en helder van geest. Daarom dient nu die gelegenheid te baat worden genomen. Het is immers niet te zeggen hoe zijn conditie zich zal ontwikkelen. De hoge leeftijd maakt het dringend om [verzoeker] thans onverwijld zijn verklaring te laten afleggen.
[verzoeker] verzoekt derhalve de navolgende getuigen te laten horen:
- [verzoeker] , de verzoeker;
- [betrokkene 1] , wethouder gemeente;
- [betrokkene 2] , ambtenaar gemeente;
- [betrokkene 3] , handhavingsambtenaar gemeente;
- [betrokkene 4] , namens [verweerster 2] ;
- [betrokkene 5] , jurist gemeente;
- [betrokkene 6] , ambtenaar gemeente;
- [betrokkene 7] te [plaats 1] ;
- [betrokkene 8] te [plaats 2] ;
- [betrokkene 9] te [plaats 2] ;
- [betrokkene 10] te [plaats 3] .
3.3. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is, zakelijk weergegeven, door en namens [verzoeker] nog het navolgende aangevoerd. Nu de wederpartij de stellingen van [verzoeker] ontkent is een getuigenverhoor geïndiceerd. Dit is niet alleen in het belang van [verzoeker] , maar ook in het belang van de wederpartij, die weten dan waar zij aan toe zijn en hoe zij hun verweer gestalte zullen moeten geven. Een constructieve proceshouding impliceert dan ook een positieve opstelling ten opzichte van een voorlopig getuigenverhoor. Voor een verweer tegen dit verzoek is dan ook geen enkel gegrond belang te vinden.
Middels verjaring is het huis van [verzoeker] gelieerd aan een erfoppervlakte bij zijn huis. Dit is van groot belang ten aanzien van de (verkoop)waarde. Hiermee was door de gemeente bij het opstellen van het buurtplan echter geen rekening gehouden en [verzoeker] heeft hiertegen dan ook bezwaar gemaakt. Aanvankelijk ziet de gemeente dit bezwaar over het hoofd. Hierop vraagt de gemeente [verzoeker] in te stemmen met een compromis waarbij een lijn wordt uitgestippeld waarbinnen zijn eigendom zich bevindt, zodanig dat de herinrichtingsplannen gewaarborgd zijn. Nu [verzoeker] de betrokken partijen aan deze gemaakte afspraken herinnert weet niemand ergens meer van. Het lijkt wel of alle wederpartijen bang zijn voor de waarheid. [verzoeker] heeft duidelijk aangegeven waar het om gaat en wat zijn belang is. Vanuit de loopgraven is het gemakkelijk voor alle wederpartijen om simpelweg te ontkennen en daarom is een confrontatie geïndiceerd.
Desgevraagd geeft [verzoeker] aan dat de koper van zijn woning in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure nog geen (juridische) stappen heeft ondernomen. Ook heeft deze koper niet aangegeven dit al dan niet voornemens te zijn en wat die stappen dan mogelijk zouden kunnen inhouden.
Voorts toont [verzoeker] het hof een aantal foto’s van de situatie ter plaatse die hij niet in het geding gebracht heeft. [verzoeker] betoogt hierbij dat de discussie zich thans concentreert op een klein driehoekig betegeld stuk grond van circa 6,5 m2 (hierna te noemen: de spie). Deze grond zou aan [verzoeker] in eigendom moeten (gaan) toebehoren zodat hij de muur van zijn garage kan verplaatsen omdat hij anders met zijn auto niet de draai kan maken om in zijn garage te komen. [verzoeker] parkeert zijn auto nu achter zijn garage op een zich aan de openbare weg bevindende parkeerplaats. Indien [verzoeker] eigenaar van de spie zou worden (al dan niet op grond van verjaring) zou hij ook een carport kunnen maken waaronder hij zijn auto zou kunnen parkeren. [verzoeker] erkent desgevraagd dat deze spie ook geen onderdeel heeft uitgemaakt van de stukken en of bouwtekening toen de verkoopakte bij de notaris gepasseerd is. Zonder deze spie is het huis volgens [verzoeker] “onbekwaam” en dan gaat de geplande verkoop ook niet door, waardoor hij schade lijdt en in zijn belangen wordt geschaad.
3.4. Bij verweerschrift hebben [verweerster 2] en [verweerster 3] het navolgende gesteld. [verzoeker] stelt dat hij door verjaring eigenaar is geworden van een stuk grond achter zijn perceel van 24m2; [verweerster 3] is juridisch/kadastraal eigenaar van dat stukje grond.
Verder stelt [verzoeker] een overeenkomst met [verweerster 2] te hebben gesloten inhoudende o.m. dat hij van [verweerster 2] een ‘spie’ grond vallende in die 24 m2 zou krijgen.
[verweerster 3] betwist uitdrukkelijk dat [verzoeker] eigenaar is (of zelfs kan zijn) geworden van haar grond achter het perceel dat haar kadastraal in eigendom toebehoort. Het verzochte getuigenbewijs kan geen bewijs bijbrengen van deze principale stelling van [verzoeker] dat hij wél eigenaar zou zijn geworden. Het verzochte getuigenbewijs mist relevantie. De eigendomsclaim kan immers slechts gebaseerd zijn op bezit en gebruik van die grond in het (verre) verleden. [verzoeker] zelf zal daarover wel een standpunt hebben, maar geen van de andere getuigen kan daarover iets verklaren. Bovendien licht [verzoeker] ook in het geheel niet toe of en zo ja, welke getuigen iets zouden kunnen verklaren over de door hem geclaimde eigendom van het bewuste stukje grond. Dit leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoeker] waar het gaat om zijn stelling dat hij (en niet [verweerster 3] zoals kadastraal is geregistreerd) eigenaar is van een stukje grond achter zijn perceel in de kern grondslag ontbeert en reeds op grond van het bepaalde in artikel 186 jo. 166 Rv dient te worden afgewezen. [verzoeker] heeft zijn woning inmiddels onvoorwaardelijk verkocht aan een derde en daarbij het bewuste stukje grond (uiteraard) niet mee verkocht. [verzoeker] heeft dus geen belang meer bij zijn eigendomsclaim en derhalve ontbeert ook het verzoek dat ertoe strekt om die stelling te bewijzen, een belang als bedoeld in art. 3:303 BW.
[verzoeker] stelt voorts - aldus [verweerster 2] en [verweerster 3] - dat naar aanleiding van zijn zienswijze de wethouder is komen “smeken” om te bewilligen in een minnelijke oplossing. Vervolgens zou de wethouder daarop een “toezegging” hebben gedaan dat [verzoeker] de garagemuur die op de achtergrens van zijn perceel staat mocht verplaatsen en/of verwijderen. Daarnaast heeft [verzoeker] afspraken gemaakt met [verweerster 2] . En hoewel de gemeente nergens mee heeft ingestemd of ondertekend is volgens [verzoeker] aldus een driepartijenovereenkomst tot stand gekomen. Het bewijs daarvan en van de inhoud wenst hij kennelijk met getuigenverklaringen te leveren.
Allereerst merken [verweerster 2] en [verweerster 3] op dat het bouwproject nagenoeg is voltooid en dat [verzoeker] daarin een nieuwbouwappartement heeft gekocht van [verweerster 3] . Het is ondenkbaar en het gaat ook niet aan dat [verzoeker] alsnog via de civielrechtelijke weg tegen de vergunningverlening zou (kunnen) ageren. Kennelijk zal [verzoeker] dat wel proberen gezien zijn eigendomsclaim. En [verweerster 2] en [verweerster 3] stellen zich dan ook primair op het standpunt dat [verzoeker] om die reden niet in een dergelijke vordering zal kunnen worden ontvangen zodat zijn onderhavige verzoek belang ontbeert.
Overigens heeft [verzoeker] inmiddels zonder succes zowel een bestuursrechtelijk als een civiel kort geding gevoerd. Ook is hij thans nog in een bestuursrechtelijke procedure tegen de gemeente Loon op Zand verwikkeld. Aangezien [verzoeker] ook een groot aantal ambtenaren van de gemeente Loon op Zand wenst te horen wijzen [verweerster 2] en [verweerster 3] erop dat het niet zo kan zijn dat [verzoeker] het civiel procesrecht ‘gebruikt’ om aan bewijsgaring voor die procedure(s) te komen. Om voormelde redenen heeft [verzoeker] geen belang bij zijn verzoek, maar is dat op grond van de laatste overweging tevens in strijd met de goede procesorde.
[verzoeker] wil nu door de wethouder en een aantal gemeente ambtenaren te horen kennelijk bewijs vergaren dat de afspraken gemaakt zijn met zowel de gemeente als [verweerster 2] . En dat zij dus rechtens gehouden zijn om de wensgedachte van [verzoeker] te verwezenlijken. Deze stellingen liggen naar de mening van [verweerster 2] en [verweerster 3] op basis van de voorliggende schriftelijke gegevens en hun stellingen echter zo evident ver van de (voorshands) aannemelijke werkelijkheid af dat toewijzing van het verzoek slechts een “phishing expedition” in gang zet en dat daardoor het verzoek in strijd is met de goede procesorde zodat het dient te worden afgewezen wegens misbruik van bevoegdheid ex art. 3:13 BW.
3.5. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is, zakelijk weergegeven, namens [verweerster 2] en [verweerster 3] nog het navolgende aangevoerd. [verweerster 2] en [verweerster 3] geven aan dat dit al de zesde procedure is die [verzoeker] in deze kwestie heeft aangespannen. Bovendien heeft [verzoeker] geen enkel belang bij deze procedure, hij heeft immers een adequate parkeerplaats voor zijn auto en de grond die hij nu in eigendom wil hebben (de spie) maakt helemaal geen deel uit van de woning die door hem bovendien inmiddels verkocht is. Het is niet duidelijk wat [verzoeker] nu eigenlijk wil, eigendom door verjaring? Er zijn achter de garage nu vier parkeervakken waar [verzoeker] zijn auto kan parkeren. Ook kan [verzoeker] , zonder de spie daarbij te betrekken, de deur van zijn garage groter maken zodat hij met zijn auto wel de draai kan maken om naar binnen te rijden. Daar komt bij dat de spie ook helemaal niet bebouwd mag worden en dit stuk grond kan dus ook niet door [verzoeker] of wie dan ook worden aangewend voor het verplaatsen van de huidige garagemuur. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek dan ook geen enkel belang.
Namens de gemeente heeft [betrokkene 5] nog aangegeven niets te verbergen te hebben. De visie van [verzoeker] is onjuist en is gebaseerd op een zeer subjectieve interpretatie van de gebeurtenissen die aantoonbaar en in hoge mate in strijd zijn met de daadwerkelijke gang van zaken.
3.6. Het hof overweegt het volgende.
(...)”[cursivering toegevoegd, A-G]3
2 Procesverloop
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 juni 2020, heeft [verzoeker] de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingplaats Breda (hierna: de rechtbank) verzocht te bepalen dat met betrekking tot de in zijn verzoekschrift vermelde feiten en omstandigheden een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden, een datum te bepalen waarop dit getuigenverhoor wordt gehouden, te bepalen dat de in het verzoekschrift genoemde personen ter zake als getuigen zullen worden gehoord, een rechter-commissaris te benoemen ten overstaan van wie de getuigenverhoren zullen worden gehouden, een datum te bepalen voor welke de beschikking aan de gerekwestreerden dient te worden opgezonden c.q. te worden betekend, alsmede te bepalen op welke termijn de getuigen dienen te worden opgeroepen.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2020, hebben [verweerders] gereageerd op genoemd verzoekschrift van [verzoeker] , concluderend tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] , kosten rechtens. De gemeente Loon op Zand (hierna: de Gemeente) heeft geen verweer gevoerd.
Op 24 augustus 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Bij die gelegenheid is [verzoeker] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens [verweerders] is directeur [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]) verschenen, bijgestaan door een advocaat. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]), juridisch adviseur van de Gemeente, is als toehoorder verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn verzoek nader toegelicht.
Bij brief van 26 augustus 2020 heeft de advocaat van [verzoeker] in het geding gebracht, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, een kopie van de koopovereenkomst van 21 juli 2019 die [verzoeker] ter verkoop van zijn woning gesloten heeft met een zekere [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10]). In deze brief staat onder meer:
“(...)De overeenkomst is gesloten op 21 juli 2019. Dat was dus in de tijd dat de situatie nog was zoals deze ter zake is getoond. Zie de formulering: Nr. 17: benedenwoning (begane grond) met garage en erf (prijspeil 21-07-2019). Dit wijst ook op de openheid van erf en garage enz. Dat wordt nog versterkt door de bepaling: “Panden worden aanvaard in de staat als op 21-7-2019 is vastgesteld”.
Dit wijst op de openheid van de spie, zoals ook aangegeven op de tekening, welke aan het verzoekschrift is gehecht.
Kortom: De koper wenst geleverd te krijgen de onroerende zaak in die staat en omvang en hoedanigheid zoals deze was op 21 juli 2019. Toen was de ruimte dus nog open en was er ook geen sprake van dat deze mogelijk zou worden volgebouwd.(...)”
Bij brief van 7 oktober 2020 heeft de advocaat van [verweerders] een reactie gegeven op genoemde brief van 26 augustus 2020 zijdens [verzoeker] . In deze brief van 7 oktober 2020 staat onder meer:
“(...)De bijlage betreft een kopie van de koopovereenkomst die op 21 juli jl. is gesloten tussen [verzoeker] en [betrokkene 10] . Volgens de inhoud van de overeenkomst worden de “panden aanvaard in de staat als op 21-07-2019 is vastgesteld”.
Echter, een beschrijving van die staat is niet voorhanden. En de overeenkomst vermeldt verder niets over de eigendomsdiscussie over de spie grond noch over het nieuwbouw project van cliënten.
Mr de Man stelt vervolgens in zijn brief dat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst sprake zou zijn geweest van een “openheid met de spie” en dat “de staat” in de overeenkomst daarnaar verwijst, maar dat is onmogelijk.
Immers, de (onherroepelijke) omgevingsvergunning voor de bouw van het nieuwbouw project dateert van 12 oktober 2018. En de realisatie van die nieuwbouw was in juli 2019 reeds aangevangen! [verzoeker] was hiermee uiteraard bekend. Dus zowel de juridische als de feitelijke situatie was dus niet zoals mr de Man die beschrijft.
Kortom: naar de mening van cliënten is hert ongeloofwaardig dat [verzoeker] de litigieuze spie grond die buiten de kadastrale grenzen van de eigendom van [verzoeker] ligt, heeft ‘meeverkocht’ aan [betrokkene 10] . In elk geval vermeldt de koopovereenkomst daarover niets. En zelfs als dat in de verhouding tussen [verzoeker] en [betrokkene 10] geen discussie zou zijn, dan dient die onbevoegde verkoop geheel voor rekening van de [verzoeker] te blijven en kan hij daaraan in deze procedure geen rechtsbelang ontlenen.(...)”
Bij brief van 21 oktober 2020 heeft de advocaat van [verzoeker] nog gereageerd op genoemde brief van 7 oktober 2020 zijdens [verweerders] In deze brief van 21 oktober 2020 staat onder meer:
“(...)In de overeenkomst met [betrokkene 10] wordt wel degelijk gesproken over de woning/benedenwoning met garage en erf. Dat ziet duidelijk mede op de spie. Zie de formulering: Nr. 17: benedenwoning (begane grond) met garage en erf, prijspeil 21 juli 2019.
Ten overvloede daarbij dan nog de formulering: “Panden worden aanvaard in de staat als op 21 juli 2019 is vastgesteld”. Dat betekent in de situatie met de omgeving zoals deze was voor de bouwactiviteiten.(...)”