Parket bij de Hoge Raad, 22-02-2022, ECLI:NL:PHR:2022:168, 21/00633
Parket bij de Hoge Raad, 22-02-2022, ECLI:NL:PHR:2022:168, 21/00633
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 februari 2022
- Datum publicatie
- 22 februari 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:168
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:567
- Zaaknummer
- 21/00633
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Onderzoek i.d.z.v. art. 8 WVW 1994. Middel klaagt o.m. over oordeel hof dat de voorschriften van art. 13 lid 1 sub d, art. 15 sub a en art. 16 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer behoren tot het stelsel van strikte waarborgen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00633
Zitting 22 februari 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 5 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, kort gezegd: het besturen van een personenauto onder invloed van cannabis en cocaïne.
2. Namens het openbaar ministerie heeft mr. N.M. Boersma, advocaat-generaal bij het ressortparket te Den Haag, cassatieberoep ingesteld en heeft mr. W. Bos, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het draait in deze zaak vooral om de vraag of de gewijzigde werkwijze van de politie bij het bewaren en vervoer van bloed ten behoeve van onderzoek maakt dat bepaalde voorschriften van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) niet (langer) dienen te worden aangemerkt als waarborg waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Met andere woorden: zijn in de situatie waarin het bloed vanaf het moment van afname met -20°C is gekoeld, die bepalingen (nog) van belang voor de beoordeling van de vraag of sprake is van “onderzoek” in de zin van art. 8, vijfde lid, WVW 1994?
2. Het middel
4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de voorschriften van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, art. 15, aanhef en onder a, en art. 16, eerste lid, BADG in een geval als het onderhavige, waarin het bloedmonster vanaf de bloedafname tot aan de uitvoering van het feitelijke bloedonderzoek steeds onder geconditioneerde omstandigheden bij -20°C is bewaard en vervoerd, behoren tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 is omringd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof is volgens de steller van het middel aldus uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tenlastelegging opgenomen term "onderzoek" en heeft de verdachte derhalve vrijgesproken van iets anders dan hem was tenlastegelegd en de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Verder klaagt het middel dat in elk geval het oordeel van het hof dat er geen sprake is geweest van een "onderzoek" in voormelde zin niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is, nu de deugdelijkheid van het laboratoriumonderzoek en de daardoor gegeneerde uitslag op zichzelf niet ter discussie staat.
5. Alvorens nader op de inhoud van het middel in te gaan, geef ik eerst de tenlastelegging en de motivering van de vrijspraak van de verdachte weer.
6. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij, op of omstreeks 12 april 2019 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 3.4 microgram THC per liter bloed en 22 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.”
7. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
“Bewijsuitsluiting?
De raadsman betoogt dat in dit geval gehandeld is in strijd met het stelsel van strikte waarborgen als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), dan wel artikel 359a Sv, en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Dit brengt vervolgens mee dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
De advocaat-generaal betwist de stellingen van de raadsman gemotiveerd.
Wettelijk kader
[...]
Relevante feiten
Het hof gaat, voor zover van belang, uit van de volgende vaststaande feiten:
De verbalisanten hebben de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig op 12 april 2019 doen stilhouden. Om 8:15 uur is ter plaatse een speekseltest afgenomen. Op het politiebureau te Voorburg is om 9:50 uur bloed afgenomen. Op dezelfde dag is een aanvraag, laboratoriumonderzoek gedaan. Het verdachte betreffende bloedblok is door het laboratorium te Mönchengladbach op 16 april 2019 (zoals volgt uit de vrachtbrief) of 23 april 2019 (zoals volgt uit het rapport opgemaakt door het laboratorium) ontvangen. Het rapport is op 8 mei 2019 opgemaakt. Deze uitslag is op 9 mei 2019 door de Eenheid Den Haag van de Nationale Politie ontvangen. Op 20 mei 2019 is de verdachte in kennis gesteld van de uitslag van het onderzoek en van het recht op een tegenonderzoek.
Oordeel hof
Naar vaste jurisprudentie leidt niet-naleving van een voorschrift dat behoort tot de strikte waarborgen waarmee een bloedonderzoek is omringd tot vrijspraak. In dat geval is geen sprake van een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, WVW. Niet ieder voorschrift behoort tot dit stelsel van strikte waarborgen.
"Daarnaast is het zo", in de woorden van advocaat-generaal Knigge, "dat de niet-naleving van een doorgaans als ‘strikte waarborg’ aan te merken voorschrift niet steeds dwingt tot de conclusie dat het bestanddeel 'onderzoek' niet kan worden bewezenverklaard. Indien, ondanks het niet-naleven van het desbetreffende voorschrift, toch verwezenlijkt is wat dat voorschrift bedoelt te waarborgen, vormt die niet-naleving geen beletsel voor een bewezenverklaring. Dit kan zich voordoen bij voorschriften die de betrouwbaarheid van het onderzoek indirect beogen te waarborgen" (conclusie bij HR 7.4.2020, NJ 2020/161),
[...]
Het hof neemt tot uitgangspunt dat op 12 april 2019 een laboratoriumonderzoek van het bloed is aangevraagd. Het hof begrijpt dat indertijd de buisjes bloed op een vaste temperatuur van -20 graden Celsius werden ingevroren en bewaard tot aan het vervoer. Het vervoer naar Mönchengladbach vond eens per week via een koerier plaats, terwijl de buisjes bloed tijdens het vervoer met koudijs waren omgeven. De buisjes bloed werden in het laboratorium van ontvangst voorafgaand en na afloop van het onderzoek bewaard op -20 graden Celsius,
Indien de politieambtenaar de buisjes met de eerste op 12 april 2019 volgende zending heeft meegestuurd en de buisjes op 16 april 2019 zijn ontvangen, heeft deze ambtenaar de buisjes zo spoedig mogelijk doen bezorgen bij het laboratorium als bedoeld in artikel 13 van het Besluit, Indien deze buisjes een week later zijn verzonden, lijkt het erop dat deze verzending niet zo spoedig als mogelijk heeft plaatsgevonden.
Ingevolge artikel 15 van het Besluit is het de onderzoeker die de datum van ontvangst van de buisjes dient vast te leggen. Het rapport vermeldt als datum van ontvangst 23 april 2019. Indien deze opgave niet correct zou zijn gedaan en de buisjes een week eerder zijn afgeleverd, zoals blijkt uit de vrachtbrief van het koeriersbedrijf, is dit een schending van artikel 15 van het Besluit.
Indien de buisjes op 16 april 2019 zijn ontvangen, heeft het bloedonderzoek niet binnen twee weken na ontvangst plaatsgevonden en is door het laboratorium gehandeld in strijd met artikel 16 van het Besluit, doordat de gestelde termijn met een week overschreden is. Indien de buisjes bloed op 23 april 2019 zijn ontvangen, is de termijn van twee weken voor het verrichten van het bloedonderzoek precies gehaald (ervan uitgaande dat deze termijn aanvangt op de dag na ontvangst). Dat in dit geval de datum waarop het onderzoek aan het bloed is verricht afwijkt van de datum waarop het rapport is opgemaakt, blijkt niet.
Kern van het probleem is in dit geval de deugdelijkheid van de administratie van verzending vanuit Nederland, ontvangst van het bloed in Duitsland, de eventuele doorzending van het bloed vanuit Mönchengladbach naar een zusterlaboratorium in Dessau, en daarmee, alles bijeengenomen, van de controle op door Nederland naar het buitenland verzonden bloed. Gegeven het feit dat het gaat om buisjes met bloed, humaan lichaamsmateriaal, dat niet op vrijwillige basis, maar op last van de wetgever wordt afgegeven ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, dient daarmee overeenkomstig het Besluit op zorgvuldige en (ook achteraf) controleerbare wijze te worden omgegaan. Dat is in dit geval in onvoldoende mate gebeurd zoals blijkt uit het hier bovenstaande.
Hoewel de deugdelijkheid van het laboratoriumonderzoek en de daardoor gegenereerde uitslag op zichzelf niet ter discussie staat en betoogd zou kunnen worden dat de geschonden voorschriften de betrouwbaarheid van het onderzoek slechts indirect beogen te waarborgen, miskent dit betoog in dit geval enerzijds het gedwongen karakter van de afgifte van bloed door een verdachte en anderzijds het gegeven dat dit bloed, humaan lichaamsmateriaal, buiten de rechtssfeer van de Nederlandse staat wordt gebracht en de algehele administratie van wat er wanneer waar met het te onderzoeken bloed gebeurt in dit geval niet sluitend blijkt te zijn. Minst genomen geldt dat wanneer buisjes bloed buiten de rechtssfeer van de Nederlandse staat worden gebracht, de hiervoor besproken voorschriften behoren tot het stelsel van strikte waarborgen waarvan de niet naleving meebrengt dat het bestanddeel 'onderzoek' in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 niet is nageleefd. Gegeven hetgeen hierboven is besproken leidt dit tot de slotsom dat het onderzoek aan het op 12 april 2019 afgenomen bloed dient te worden uitgesloten van het bewijs.
Vrijspraak
Gegeven het feit dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW niet aan het bewijs kan meewerken, is alleen de bekennende verklaring van de verdachte als bewijsmiddel voorhanden. De verbalisanten hebben niets opvallends waargenomen aan het rijgedrag van de verdachte. Op alleen de verklaring van een verdachte kan iemand niet veroordeeld worden.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
8. Deze zaak wordt gekenmerkt door de bijzondere situatie dat het hof als gevolg van tegengestelde informatie in de administratie met betrekking tot de datum van ontvangst van het bloed door het laboratorium heeft geoordeeld dat het niet kon vaststellen op welke datum de buisjes met bloed in het laboratorium zijn bezorgd. De vrachtbrief vermeldt dat dit op (dinsdag) 16 april 2019 is gebeurd nadat de buisjes op (maandag) 15 april 2019 waren opgehaald, terwijl het rapport van het laboratorium (dinsdag) 23 april 2019 als datum van ontvangst in Mönchengladbach vermeldt. In het verlengde daarvan kon het hof evenmin vaststellen of art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG, dan wel art. 15, aanhef en onder a, BADG en art. 16, eerste lid, BADG is/zijn nageleefd. Wel heeft het hof geoordeeld dat indien de buisjes met bloed op 16 april 2019 zouden zijn ontvangen door het laboratorium in Mönchengladbach (Duitsland) art. 15, aanhef en onder a, BADG en art. 16, eerste lid, BADG niet zouden zijn nageleefd en dat indien de buisjes met bloed op 23 april 2019 door dit laboratorium zouden zijn ontvangen, het erop lijkt dat art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG niet zou zijn nageleefd. Het hof heeft geoordeeld dat nu het onderzoek heeft plaatsgevonden in een laboratorium buiten Nederland, elk van de drie voorschriften behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarvan de niet-naleving meebrengt dat het bestanddeel 'onderzoek' in art. 8 WVW 1994 niet is nageleefd. Ongeacht welk van beide scenario’s van toepassing is, is volgens het hof dus minimaal sprake is van de niet naleving van een strikte waarborg. Dit leidt het hof tot de slotsom dat het onderzoek aan het bloed dient te worden uitgesloten van het bewijs.
9. Aan het middel is allereerst ten grondslag gelegd dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat de buisjes met bloed ten tijde van de tenlastegelegde gedraging op een vaste temperatuur van -20°C werden ingevroren en bewaard tot aan het vervoer en dat het vervoer naar het laboratorium in Mönchengladbach eens per week plaatsvond via een koerier, terwijl de buisjes bloed tijdens het vervoer met koudijs waren omgeven. Dit betekent volgens de steller van het middel dat zowel de opslag van het bloedblok door de politie als het transport naar het laboratorium heeft plaatsgevonden conform de eisen als die in bijlage 1 bij de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: RADG) worden gesteld aan de opslag van bloedmonsters door een laboratorium en aan het transport in geval van tegenonderzoek. Onder deze condities doet het risico van bederf zich niet voor en heeft een eventueel vertraagde aflevering bij het laboratorium geen invloed op de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek. De steller van het middel voert daarbij aan dat zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat in het onderhavige geval een periode van 11 dagen is verstreken tussen de bloedafname en de ontvangst door het laboratorium in Mönchengladbach, aan die omstandigheid – gelet op de door de politie gehanteerde wijze van opslag en transport van het bloedblok – niet de conclusie kan worden verbonden dat geen sprake is van een “onderzoek” als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994. Als al wordt aangenomen dat door het tijdsverloop van 11 dagen het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG inderdaad niet is nageleefd, is immers toch verwezenlijkt wat dat voorschrift beoogt te waarborgen, te weten het voorkomen van bederf van het bloedmonster. De niet-naleving van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG vormt in dit geval volgens de steller van het middel daarom geen beletsel voor een bewezenverklaring.
10. Verder is aan het middel ten grondslag gelegd dat het hof (eveneens) feitelijk heeft vastgesteld dat het laboratorium de buisjes met bloed van de verdachte voorafgaand en na afloop van het onderzoek heeft bewaard op -20°C, hetgeen conform de eisen van de bijlage bij de RADG is. Onder deze condities geldt dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat de in art. 16, eerste lid, BADG genoemde termijn van twee weken waarbinnen het bloedonderzoek dient te worden verricht, met acht dagen is overschreden, dit evenmin tot gevolg heeft dat er geen sprake is van een “onderzoek” als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 omdat de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek daardoor niet in het gedrang zijn gekomen. Art. 16, eerste lid, BADG kan onder deze omstandigheden dan ook niet gerekend worden tot het stelsel van strikte waarborgen.
11. Tot slot voert de steller van het middel aan dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat art. 15 aanhef en onder a, BADG is geschonden omdat het rapport van het bloedonderzoek een onjuiste ontvangstdatum vermeldt, er geen reden is om de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat dit voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek en derhalve niet behoort tot het stelsel van strikte waarborgen.
12. Aan al het voorgaande doet volgens de steller van het middel niet af dat de buisjes met bloed buiten de rechtssfeer van de Nederlandse staat zijn gebracht. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het bij de buisjes met bloed gaat om humaan lichaamsmateriaal, dat niet op vrijwillige basis is afgegeven ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten.