Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:212, 21/00828
Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:212, 21/00828
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 maart 2022
- Datum publicatie
- 8 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:212
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:498
- Zaaknummer
- 21/00828
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Posbank-zaak. Medeplegen moord en brandstichting in 2003. Middelen over afwijzing getuigenverzoeken, over afwijzing verzoeken tot voeging stukken en over verwerping verweren. Conclusie strekt tot bepaling van de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00828
Zitting 8 maart 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
Inleiding
-
De verdachte is bij arrest van 26 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 meer subsidiair “Medeplegen van doodslag” en onder 2 “Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
-
De zaak is eerder bij de Hoge Raad aan de orde geweest. Op 17 december 2019 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.1
3. Tegen het na verwijzing gewezen arrest heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het middel bevat twee klachten. De eerste klacht is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot oproeping van de getuige [betrokkene 1] . De tweede klacht houdt in dat het hof de verklaringen van deze getuige voor het bewijs heeft gebruikt zonder er blijk van te hebben gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
5. Voordat ik de klachten bespreek, geef ik het getuigenverzoek en de overwegingen van het hof daaromtrent weer.
Het getuigenverzoek en de overwegingen van het hof
6. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 25 januari 2021, zoals blijkt uit de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, het verzoek tot het oproepen van de getuige [betrokkene 1] als volgt gedaan en toegelicht:
“Ook wenst de verdediging getuige [betrokkene 1] alsnog te horen:
De verdediging heeft onlangs de beschikking gekregen over een interview in het blad Panorama (bijlage I-eerder toegezonden) waarin [betrokkene 1] geïnterviewd wordt over zijn aanwezigheid bij de behandeling van deze zaak in Arnhem. Hij zegt expliciet dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting. Ten aanzien van cliënt heeft hij een dergelijke uitlating niet gedaan. De verdediging wenst hem hierover te bevragen. Tevens wenst de verdediging deze getuige te bevragen over totstandkoming van een compositietekening waaraan hij jaren geleden heeft meegewerkt naar aanleiding van een interview met journalisten van de Telegraaf. Het signalement van beide mannen komt namelijk niet overeen met het uiterlijk van cliënt. (bijlage II-eerder toegezonden)
De verklaring van [betrokkene 1] maakt deel uit van de bewijsmiddelen die het hof Arnhem heeft gebruikt ten laste van cliënt. De verdediging meent dat op basis van het arrest Keskin van het EHRM van afgelopen dinsdag 19 januari dit verzoek niet afgewezen kan worden: ik wijs in het bijzonder op overweging 45.
44. As regards the right to the examination of prosecution witnesses, the Court has held that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings (see Lucà v. Italy, cited above, § 39, and Al-Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], nos. 26766/05 and 22228/06, § 118, ECHR 2011).
45. Contrary to the situation with defence witnesses , the accused is not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary (see Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia, nos. 11082/06 and 13772/05, § 712, 25 July 2013, and Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia (no. 2), nos. 51111/07 and 42757/05, § 484, 14 January 2020).”
7. Gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 januari 2021 heeft het hof de beslissing op (onder meer) voormeld verzoek aangehouden tot bij (tussen)arrest.
8. Bij gelegenheid van pleidooi heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 3 februari 2021, zoals blijkt uit haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen, als volgt (opnieuw) verzocht om de getuige [betrokkene 1] te horen:
“Ook wenst de verdediging getuige [betrokkene 1] alsnog te horen: [betrokkene 1] heeft ooit in een interview gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting in Arnhem terwijl hij zich over cliënt niet al zodanig heeft uitgelaten, hetgeen opmerkelijk is. [betrokkene 1] is door het Hof Arnhem ten laste van cliënt gebruikt, cliënt meent op basis van het arrest Keskin de ruimte moet worden geboden om hem als getuige te horen- zeker nu [betrokkene 1] de enige getuige is geweest (voorzover de verdediging weet) die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien.”
9. Volgens het proces-verbaal van diezelfde terechtzitting heeft de verdediging bij gelegenheid van dupliek in dit kader nog het volgende aangevoerd:
“De verdediging meent dat [betrokkene 1] een belangrijke getuige is. Ik laat u een tekening zien van de vermeende dader, die niet overeenkomt met het signalement van mijn cliënt. Ik wil daar vragen over stellen en dat vindt het Openbaar Ministerie dan niet nodig. Het Openbaar Ministerie moet gewoon zorgen dat de verdediging de beschikking over alle stukken krijgt.”
10. De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn laatste woord ter terechtzitting van 3 februari 2021 vervolgens onder meer het volgende aangevoerd:
“Het Openbaar Ministerie heeft cruciale informatie en onomstotelijke bewijsstukken in de doofpot gestopt. [betrokkene 1] heeft [betrokkene 2] herkend en mij niet. Hoe cruciaal moet een getuige zijn? Door [betrokkene 1] zit ik al vier jaar onschuldig vast.”
11. Het hof heeft in zijn bestreden arrest het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [betrokkene 1] als volgt verworpen:
“De verdediging heeft verzocht de getuige [betrokkene 1] te doen horen. Daartoe is aangevoerd dat de getuige [betrokkene 1] volgens een artikel in het blad Panorama [betrokkene 2] ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland te Arnhem herkende en niet ook de verdachte die daar eveneens aanwezig was. Het hof begrijpt de toelichting van de raadsvrouw aldus dat een (mogelijke) verklaring van [betrokkene 1] dat hij de verdachte niet herkent hem ontlast. Verder dient [betrokkene 1] gehoord te worden over de totstandkoming van een compositietekening van twee personen, nu het signalement van beide mannen niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte.
Het hof overweegt dat de getuige [betrokkene 1] in het politieonderzoek heeft verklaard dat hij twee mannen heeft gezien bij de plaats delict op de Posbank. Hij heeft van hen algemene en weinig onderscheidende signalementen gegeven. Geen van de signalementen van de beide mannen zal door het hof tot het bewijs gebezigd worden. De door een op de terechtzitting in eerste aanleg aanwezige journalist opgetekende herkenning door deze getuige van de (destijds) medeverdachte [betrokkene 2] – 14 jaar na de dood van [slachtoffer] op de Posbank – leidt niet tot noodzaak thans deze getuige te vragen of hij de verdachte herkent. Het hof acht verder de door de getuige opgegeven signalementen dermate vaag en soms onderling tegenstrijdig dat de beantwoording van de vraag of hij de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg al dan niet heeft herkend of thans na 18 jaar al dan niet herkent irrelevant is. De verdediging is door het niet horen van [betrokkene 1] niet in haar belangen geschaad. Vragen over “de totstandkoming van een compositietekening” zijn dermate vaag dat het hof daartoe gelet op de onderbouwing geen noodzaak ziet.”
De eerste klacht: de afwijzing van het getuigenverzoek
12. De eerste klacht is gericht tegen de afwijzing van het getuigenverzoek door het hof en houdt meer in het bijzonder in dat het hof het verzoek van de verdediging tot oproeping van de getuige [betrokkene 1] op ontoereikende gronden heeft afgewezen en/of dat deze afwijzing door het hof, mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, het belang van de getuige als ooggetuige voor de vaststelling van de waarheid en/of de versterking van de verdediging en/of het mogelijk ontlastend karakter van zijn verklaring, onbegrijpelijk is.
13. Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de getuige zowel een ‘prosecution witness’ als een ‘defence witness’ is.
14. Voor zover het gaat om [betrokkene 1] als ‘prosecution witness’ wordt betoogd dat de afwijzing van het verzoek om hem te horen onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd, gelet op de jurisprudentie van het EHRM in de zaak-Keskin2 en de Post-Keskin-jurisprudentie van de Hoge Raad.3 In de toelichting op het middel wordt – kort gezegd – aangevoerd dat het hof verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voor de bewijsvoering heeft gebezigd, waardoor het belang van de verdediging bij het horen van de getuige [betrokkene 1] moest worden voorondersteld, terwijl volgens de steller van het middel:
(i) door het hof geen goede reden is gegeven waarom het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot deze getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt;
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, significant is voor de bewezenverklaring van het feit;
(iii) er geen sprake is van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
15. Voor zover het gaat om [betrokkene 1] als ‘defence witness’ wordt betoogd dat uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd volgt dat de verdachte betwist dat hij één van de twee personen is geweest die de getuige op de parkeerplaats heeft gezien en dat hij ook de juistheid van de verklaring van [betrokkene 2] betwist dat hij – naast [betrokkene 2] zelf – de andere daar aanwezige persoon is geweest. De verdachte wil [betrokkene 1] daarom vragen of deze hem ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij de getuige als publiek aanwezig was en naar verluidt heeft gezegd de daar ook aanwezige [betrokkene 2] als één van de mannen te herkennen, eveneens heeft herkend dan wel thans herkent als een van die mannen die toen en daar aanwezig waren. Verder wordt aangevoerd dat de verdachte in zijn verweren heeft gesteld dat hij niet voldoet aan enig door de getuige [betrokkene 1] gegeven signalement van de twee mannen en dat hij [betrokkene 1] wil bevragen over (de gang van zaken bij) de naar aanleiding van diens verklaring gemaakte compositietekeningen.
16. Een vraag die het middel opwerpt, is of het getuigenverzoek inderdaad (mede) moet worden beoordeeld als een verzoek om het horen van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Met het oog daarop sta ik kort stil bij twee arresten van de Hoge Raad.
17. Allereerst heeft de Hoge Raad in een arrest van 13 juli 2021 het volgende overwogen:
“2.4.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.9.2.)
2.4.3 In de onderhavige zaak heeft de raadsman het verzoek gedaan om [aangeefster] als getuige te horen. Dat verzoek is gedaan met het oog op het onderbouwen van het beroep op noodtoestand en (psychische) overmacht. Gezien de strekking van dat verweer, [....] gaat het hierbij niet om een verzoek dat betrekking heeft op het uitoefenen van het ondervragingsrecht in verband met een door de getuige afgelegde belastende verklaring die voor het bewijs kan worden gebruikt of al is gebruikt. Weliswaar heeft het hof als bewijsmiddel 1 een door [aangeefster] afgelegde verklaring over het wegnemen van een nest konijnen door de verdachte voor het bewijs gebruikt, maar uit het verzoek van de raadsman blijkt dat die verklaring niet wordt betwist, terwijl blijkens zijn als bewijsmiddel 2 gebruikte verklaring ook door de verdachte niet wordt betwist dat hij een moederkonijn met haar jongen uit de fokkerij van [aangeefster] heeft weggenomen. Het cassatiemiddel faalt voor zover het betoogt dat de beslissing tot afwijzing van het verzoek van [aangeefster] als getuige te horen in strijd komt met de onder 2.4.1 genoemde uitspraak van het EHRM.”4
18. Daarnaast heeft de Hoge Raad in een arrest van 28 september 2021 het volgende overwogen:
“2.4.1 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. In zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. Als het verzoek tot het horen van getuigen wordt gedaan met het oog op de onderbouwing van een verweer dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek en strekt tot toepassing van artikel 359a Sv, wordt van de verdediging gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen moeten worden gehoord.
2.4.2 In zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 heeft de Hoge Raad aandacht besteed aan de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens in de zaak Keskin tegen Nederland [...] en de betekenis van die uitspraak voor de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de Nederlandse strafrechter en voor het gebruik van verklaringen van getuigen voor het bewijs in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Deze uitspraak heeft aanleiding gegeven de eisen met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd. Die bijstelling houdt - kort gezegd en voor zover hier van belang - in dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen.
2.4.3 In de onderhavige zaak heeft de raadsman van de verdachte verzocht om drie personen als getuige op te roepen en te horen over - kort gezegd - de rol van [betrokkene 5] in de strafzaak tegen de verdachte en de verslaglegging daarover in processen-verbaal die in opdracht van het hof zijn opgesteld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat deze personen in de opgestelde aanvullende processen-verbaal doelbewust de door het hof gestelde vragen niet of onjuist hebben beantwoord om te voorkomen dat zou worden ontdekt dat [betrokkene 5] een verboden, gestuurde (burger)infiltrant of (burger)informant zou zijn geweest. De raadsman heeft in dat verband een beroep gedaan op artikel 359a Sv. Het verzoek strekt er dus toe dat de verdediging door middel van het horen van die getuigen de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, en betreft niet het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In deze situatie geldt de in het hiervoor genoemde arrest van 4 juli 2017 neergelegde regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Het arrest van 20 april 2021 heeft daarin geen verandering gebracht.”5
19. Uit deze jurisprudentie volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een getuigenverzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van de (Post-)Keskin-rechtspraak, de inhoud van het verzoek maatgevend is. Slechts als het verzoek strekt tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht in verband met een door de getuige afgelegde belastende verklaring die voor het bewijs kan worden gebruikt of al is gebruikt, is dat het geval.
20. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] kennelijk zo begrepen dat een (mogelijke) verklaring van deze getuige dat hij de verdachte niet herkent, de verdachte ontlast en dat hij daarom als ‘defence witness’ (getuige à décharge) moet worden beschouwd. Uit de hiervoor geciteerde onderdelen van de processtukken blijkt inderdaad dat de verdediging de getuige [betrokkene 1] niet wil horen om de door hem afgelegde verklaringen in het strafdossier te betwisten (als getuige à charge), maar ter ontlasting van de verdachte (als getuige à décharge). Uit de stukken van het geding blijkt immers dat de verdediging de getuige [betrokkene 1] wil horen omdat:
(i) de getuige [betrokkene 1] in een interview heeft gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting van de zaak in Arnhem, terwijl hij ten aanzien van de verdachte een dergelijke uitlating niet heeft gedaan;
(ii) de getuige [betrokkene 1] heeft meegewerkt aan een compositietekening, maar het signalement van beide mannen niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte.
De verdediging heeft daarbij opgemerkt dat de getuige [betrokkene 1] , voor zover de verdediging weet, de enige getuige is geweest die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien.
21. Gelet op het voorgaande faalt het middel voor zover daarmee op grond van de Post-Keskin-rechtspraak wordt geklaagd over de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] .
22. Voor zover het verzoek wordt beschouwd als een verzoek tot het horen van een ontlastende getuige wordt in de schriftuur met een beroep op rechtspraak van het EHRM gesteld dat de afwijzing van het getuigenverzoek door het hof niet begrijpelijk is, omdat de getuige [betrokkene 1] als ooggetuige van belang is voor de vaststelling van de waarheid en voor de versterking van de verdediging, en zijn verklaring mogelijk ontlastend is voor de verdachte. In dat verband wordt in de schriftuur aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 1] relevant is voor de vaststelling van de waarheid, omdat de getuige [betrokkene 1] , zoals door de verdediging is aangevoerd, zeer kort na het plegen van het delict (als enige getuige) aanwezig is geweest en daar twee mannen heeft gezien die zich in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer bevonden. Uit het door de verdediging aangevoerde zou blijken dat de verdachte betwist dat hij één van de twee personen is geweest die door de getuige [betrokkene 1] op de parkeerplaats is gezien. Hij wilde de getuige [betrokkene 1] daarom vragen of deze hem ter terechtzitting in eerste aanleg, waarbij de getuige als publiek aanwezig was en naar verluidt heeft gezegd de daar eveneens aanwezige [betrokkene 2] als één van de mannen te herkennen, ook heeft herkend dan wel nu herkent als een van die mannen. Verder heeft de verdachte gesteld dat hij niet voldoet aan de door getuige [betrokkene 1] gegeven signalementen en dat hij de getuige [betrokkene 1] wil bevragen over (de gang van zaken bij) de naar aanleiding van zijn verklaring gemaakte compositietekeningen.
23. In de schriftuur wordt in dit verband een beroep gedaan op het arrest-Murtazaliyeva van de Grote Kamer van het EHRM uit 2018, welk arrest gaat over verzoeken tot het oproepen van ontlastende getuigen. In dat arrest is onder meer overwogen:
“158. Where a request for the examination of a witness on behalf of the accused has been made in accordance with domestic law, the Court, having regard to the above considerations, formulates the following three-pronged test:
1. Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation?
2. Whether the domestic courts considered the relevance of that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial?
3. Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness of the proceedings?
159. The Court considers that the existing case-law already provides a solid basis for the application of all three steps of the test, but finds it appropriate to provide the following guidance for the examination of future cases.
(a) Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation
160. In respect of the first element the Court notes that under the Perna test the issue of whether an accused substantiated his or her request to call a witness on his or her behalf is decided by reference to the relevance of that individual’s testimony for “the establishment of the truth”. While certain post-Perna cases examined whether a witness’ testimony was relevant for the “establishment of the truth”, others relied on its ability to influence the outcome of a trial [...], reasonably establish an accused’s alibi [...], arguably lead to an acquittal [...] or arguably strengthen the position of the defence or even lead to the applicant’s acquittal [...]. What appears to unite all of the above standards is the relevance of a witness’s testimony to the subject matter of the accusation and its ability to influence the outcome of the proceedings. In the light of the evolution of its case-law under Article 6 of the Convention the Court considers it necessary to clarify the standard by bringing within its scope not only motions of the defence to call witnesses capable of influencing the outcome of a trial, but also other witnesses who can reasonably be expected to strengthen the position of the defence.
161. The relevance of testimony is thus also determinative of the assessment of whether an applicant has advanced “sufficient reasons” for his or her request to call a witness, since the strength of reasoning considered “sufficient” depends on the role of that testimony in the circumstances of any given case [...]. It is impossible to evaluate in the abstract whether certain reasons for the examination of a witness could be considered sufficient and relevant to the subject matter of the accusation. This assessment necessarily entails consideration of the circumstances of a given case, including the applicable provisions of the domestic law, the stage and progress of the proceedings, the lines of reasoning and strategies pursued by the parties and their procedural conduct. Admittedly, the relevance of a defence witness’ testimony might be so apparent in certain cases that even scant reasoning given by the defence would be sufficient to answer the first question of the test in the affirmative [...].
(b) Whether the domestic courts considered the relevance of that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial
162. The second element of the test requires the domestic courts to consider the relevance of the testimony sought by the defence and obliges them to provide sufficient reasons for their decisions. These requirements are well-established in the Court’s case-law [...].
163. The Court reiterates that, on the one hand, under Article 6 of the Convention the admissibility of evidence is primarily a matter for regulation by national law and the domestic courts are best placed to decide on the issue and, on the other hand, Article 6 § 3 (d) of the Convention does not require the attendance and examination of every witness on the accused’s behalf, but aims to ensure equality of arms in the matter. Within this framework it is primarily for the domestic courts to scrutinise carefully the relevant issues if the defence advances a sufficiently reasoned request to examine a certain witness.
164. Any such assessment would necessarily entail consideration of the circumstances of a given case and the reasoning of the courts must be commensurate, i.e. adequate in terms of scope and level of detail, with the reasons advanced by the defence.
165. Since the Convention does not require the attendance and examination of every witness on behalf of the accused, the courts cannot be expected to give a detailed answer to every motion of the defence but must provide adequate reasons [...].
166. Generally the relevance of testimony and the sufficiency of the reasons advanced by the defence in the circumstances of the case will determine the scope and level of detail of the domestic courts’ assessment of the need to ensure a witness’ presence and examination. Accordingly, the stronger and weightier the arguments advanced by the defence, the closer must be the scrutiny and the more convincing must be the reasoning of the domestic courts if they refuse the defence’s request to examine a witness.
(c) Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness of the proceedings
167. The Court considers that the examination of the impact which a decision refusing to examine a defence witness at the trial has on the overall fairness of the proceedings is indispensable in every case [...]. Compliance with the requirements of a fair trial must be examined in each case having regard to the development of the proceedings as a whole and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident [...].
168. In the Court’s opinion, the preservation of overall fairness as the final benchmark for the assessment of the proceedings ensures that the above three-pronged test does not become excessively rigid or mechanical in its application. While the conclusions under the first two steps of that test would generally be strongly indicative as to whether the proceedings were fair, it cannot be excluded that in certain, admittedly exceptional, cases considerations of fairness might warrant the opposite conclusion.”6
24. Voorafgaand aan de beoordeling van dit deel van de klacht, herhaal ik dat uit de stukken van het geding in deze zaak blijkt dat de verdediging de getuige [betrokkene 1] heeft willen horen omdat:
(i) de getuige [betrokkene 1] in een interview heeft gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting van de zaak in Arnhem, terwijl hij ten aanzien van de verdachte een dergelijke uitlating niet heeft gedaan;
(ii) de getuige [betrokkene 1] heeft meegewerkt aan een compositietekening, maar het signalement van beide mannen niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte.
De verdediging heeft daarbij opgemerkt dat de getuige [betrokkene 1] , voor zover de verdediging weet, de enige getuige is geweest die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien.
25. Daarnaast blijkt uit het bestreden arrest dat het hof het verzoek heeft afgewezen omdat:
(i) de getuige [betrokkene 1] algemene en weinig onderscheidende signalementen van de daders heeft gegeven die door het hof niet voor het bewijs worden gebruikt;
(ii) de door journalist opgetekende herkenning van de (destijds) medeverdachte [betrokkene 2] door de getuige [betrokkene 1] – op een terechtzitting in eerste aanleg 14 jaar na het delict – niet noodzakelijk maakt de getuige te vragen of hij de verdachte nu herkent;
(iii) de door de getuige [betrokkene 1] opgegeven signalementen dermate vaag en soms onderling tegenstrijdig zijn dat irrelevant is of de getuige [betrokkene 1] de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft herkend of nu na 18 jaar herkent;
(iv) de vragen over “de totstandkoming van een compositietekening” dermate vaag zijn dat zij het horen niet noodzakelijk maken.
26. De vraag is of deze motivering van de afwijzing in lijn is met de onder randnummer 23 aangehaalde rechtspraak van het EHRM. Ik bespreek daarom nu de drie stappen uit deze rechtspraak.
27. Met betrekking tot de eerste stap – de vraag of het getuigenverzoek toereikend is gemotiveerd en relevant is voor het beoordelen van de zaak – heeft het EHRM geoordeeld dat het gaat om “the relevance of a witness’s testimony to the subject matter of the accusation and its ability to influence the outcome of the proceedings”. De reikwijdte omvat “not only motions of the defence to call witnesses capable of influencing the outcome of a trial, but also other witnesses who can reasonably be expected to strengthen the position of the defence”. Het EHRM stelt ook dat “the relevance of a defence witness’ testimony might be so apparent in certain cases that even scant reasoning given by the defence would be sufficient to answer the first question of the test in the affirmative”. In de onderhavige zaak heeft de verdediging bij de onderbouwing van het verzoek duidelijk gemaakt dat de getuige [betrokkene 1] – voor zover de verdediging weet – de enige getuige is geweest die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien. Mede gelet op die omstandigheid is begrijpelijk dat de verdediging het horen van de getuige relevant acht voor het beoordelen van de zaak. De vraag of de getuige de verdachte als dader heeft herkend bij de terechtzitting van de zaak in Arnhem, houdt immers verband met de waarnemingen die de getuige op de Posbank heeft gedaan.
28. Met betrekking tot de tweede stap – de vraag of de rechter de relevantie van de verklaring heeft onderzocht en toereikende redenen heeft gegeven voor het niet-horen van de getuige – heeft het EHRM geoordeeld dat “the courts cannot be expected to give a detailed answer to every motion of the defence but must provide adequate reasons” en dat in het algemeen “the relevance of testimony and the sufficiency of the reasons advanced by the defence in the circumstances of the case will determine the scope and level of detail of the domestic courts’ assessment of the need to ensure a witness’ presence and examination”. Het EHRM stelt vervolgens: “the stronger and weightier the arguments advanced by the defence, the closer must be the scrutiny and the more convincing must be the reasoning of the domestic courts if they refuse the defence’s request to examine a witness”. Naar mijn oordeel blijkt uit het bestreden arrest dat het hof de relevantie van de verklaring van de getuige [betrokkene 1] heeft onderzocht, en blijkt daaruit ook dat het hof toereikende redenen heeft gegeven voor het niet-horen van de getuige. In het bijzonder acht ik redengevend dat het hof ter onderbouwing heeft gesteld dat de getuige [betrokkene 1] algemene en weinig onderscheidende signalementen van de daders heeft gegeven – dat is een feitelijk oordeel – zodat het hof niet zinvol acht de getuige 18 jaar na het delict opnieuw te horen, en het hof ook niet noodzakelijk vindt te vragen of de getuige de verdachte 14 jaar na het delict heeft herkend tijdens een terechtzitting of tijdens de behandeling door het hof 18 jaar na het delict herkent. Daarbij heeft het hof aangegeven dat het de signalementen die de getuige [betrokkene 1] van de beide mannen heeft gegeven, niet tot het bewijs zal bezigen. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de vragen over “de totstandkoming van een compositietekening” dermate vaag zijn dat zij het horen niet noodzakelijk maken. Ook deze reden acht ik toereikend, omdat de verdediging – getuige de onder randnummer 6 geciteerde pleitaantekeningen – geen reden heeft gegeven waarom deze vragen zouden moeten worden gesteld. De verdediging heeft ten aanzien van het verzoek tot het stellen van vragen over de totstandkoming van de compositietekening slechts aangegeven dat het signalement van de mannen op de tekening niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte. Waarom dat reden zou moeten zijn om vragen te stellen over de totstandkoming van die tekening, kan uit het verzoek echter niet worden opgemaakt.
29. Met betrekking tot de derde stap – de vraag of de beslissing van de rechter om een getuige niet te horen de eerlijkheid van het proces ondergraaft – heeft het EHRM geoordeeld dat deze vraag moet worden beantwoord “having regard to the development of the proceedings as a whole and not on the basis of an isolated consideration of one particular aspect or one particular incident”. Het hof heeft overwogen dat de verdediging “door het niet horen van [betrokkene 1] niet in haar belangen geschaad” is. Uit deze overweging is af te leiden dat het hof heeft beoordeeld of het afwijzen van het getuigenverzoek de belangen van de verdediging en daarmee de eerlijkheid van het proces als geheel aantast en heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
30. Gelet op het voorgaande meen ik dat de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek door het hof niet in strijd is met de in de schriftuur aangehaalde rechtspraak van het EHRM over ontlastende getuigen. Voor zover zij daarop berust, faalt de klacht.
De tweede klacht: het gebruik voor het bewijs
31. De tweede klacht houdt in dat het hof de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voor het bewijs heeft gebruikt zonder uit te leggen waarom dat verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces dat is neergelegd in art. 6 EVRM.
32. Zoals hiervoor bij de bespreking van de eerste klacht al aan de orde is gekomen, strekte het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [betrokkene 1] niet tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht om de door deze getuige afgelegde verklaringen in het strafdossier te betwisten. Daarnaast heeft het hof – zoals het bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ook heeft overwogen – bij de bewijsvoering geen gebruik gemaakt van signalementen die deze getuige heeft gegeven van de beide mannen die hij op de Posbank heeft zien lopen. Gelet op het voorgaande hoefde het hof in zijn arrest – anders dan de steller van het middel voorstaat – het gebruik voor het bewijs van verklaringen van de getuige [betrokkene 1] niet nader te motiveren. Het gebruik daarvan kan onder de gegeven omstandigheden immers geen strijd opleveren met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.
33. De klacht faalt.
Slotsom
34. Het middel faalt in alle onderdelen.