Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:220, 21/01245
Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:220, 21/01245
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 maart 2022
- Datum publicatie
- 9 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:220
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:687
- Zaaknummer
- 21/01245
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Is een Instagram-account een voorwerp dat vatbaar is voor verbeurdverklaring? AG is van mening dat uitgaande van de wetsgeschiedenis het begrip “voorwerp” a.b.i. art. 33a Sr dezelfde betekenis heeft als “goed” i.d.z.v. art 3:1 BW. Een gebruiksrecht is geen “vermogensrecht” i.d.z.v. het BW en dus, uitgaande van wetsgeschiedenis, geen voorwerp a.b.i. art. 33a Sr. Het WvSv biedt bovendien andere mogelijkheden tot ontoegankelijkmaking en vernietiging van gegevens. Ook vanuit wetssystematisch oogpunt ziet AG daarom geen reden om onder “voorwerpen” ook Instagram-accounts te begrijpen. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 21/01244 B.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01245 B
Zitting 8 maart 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klager.
-
De rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 8 februari 2021 het klaagschrift ex art. 552a Sv gedeeltelijk gegrond verklaard.
-
Er bestaat samenhang met de zaak 21/01244. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het middel
3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, mr. W. Bos, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat de inbeslaggenomen Instagram-accounts niet kunnen worden aangemerkt als voorwerpen in de zin van artikel 94 lid 2 Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het procesverloop
Op 10 september 2020 zijn onder de klager onder meer de twee Instagram-accounts "@ [account 1] " en "@ [account 2] " in beslag genomen.1 De klager wordt ervan verdacht dat hij via deze Instagram-accounts (valse) merkkleding zou verkopen, dan wel deze accounts zou gebruiken om mensen naar Whatsapp-groepen en andere accounts te leiden waar deze goederen werden aangeboden.2
Namens de klager is op 28 september 2020 een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend waarin hij zich verzet tegen deze inbeslagneming. Tijdens de raadkamerzitting van 18 januari 2021 heeft de officier van justitie het beslag toegelicht. Hier heeft hij ten aanzien van het doel van de inbeslagneming gesteld voornemens te zijn de Instagram-accounts in de strafzaak tegen de klager verbeurd te laten verklaren, omdat sprake zou zijn geweest van strafbare feiten die zijn gepleegd “met behulp van de Instagram-accounts”.3 Het gaat in deze zaak dus om beslag op de voet van art. 94 lid 2 Sv, ten behoeve van verbeurdverklaring op grond van art. 33a lid 1 onder c Sr.4
Tijdens de zitting van 18 januari 2018 heeft de officier van justitie primair het standpunt betrokken dat een Instagram-account een ‘goed’ is in strafrechtelijke zin en daarom ook een ‘voorwerp’ in de zin van art. 94 lid 2 Sv. In dit verband heeft zij een vergelijking gemaakt met onder meer het RuneScape-arrest. Subsidiair heeft zij betoogd dat het gebruiksrecht om van Instagram gebruik te maken een vermogensrecht zou zijn.5
De raadsman van de klager heeft ter zitting onder meer aangevoerd dat Instagram-accounts geen voorwerpen zijn in de zin van art. 94 (lid 2) Sv en daarom niet vatbaar voor inbeslagneming op de voet van dat artikel.
De rechtbank heeft in haar beschikking van 8 februari het beklag voor zover dat zag op het beslag op de Instagram-accounts gegrond verklaard. De beschikking houdt hieromtrent en voor zover relevant het volgende in:
“Ten aanzien is van het beslag op de twee genoemde Instagram accounts overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank merkt allereerst op dat de officier van justitie desgevraagd heeft bevestigd dat er zogenaamd klassiek artikel 94 Sv beslag ligt op genoemde accounts en dat het uitdrukkelijk niet gaat om een dergelijk beslag op bijvoorbeeld de gegevensdragers waarop deze accounts werden aangemaakt en/of geraadpleegd. Ook gaat het er in de visie van de officier van justitie niet om dat aan bijvoorbeeld een provider verzocht is de betreffende Instagram accounts ontoegankelijk te maken.
Anders dan de officier van justitie, en met de raadsman van klager, is de rechtbank van oordeel dat een Instagram account geen voorwerp is in de zin van artikel 94 Sv. Voorts kan een Instagram account niet als een goed worden beschouwd en is tevens geen sprake van een vermogensrecht. De vergelijking die de officier van justitie in dit verband maakt met, zoals zij aangeeft, andere virtuele goederen zoals bitcoins, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Bitcoins vertegenwoordigen, net als bijvoorbeeld een bankrekening(nummer), immers een vermogensrecht waar wel beslaglegging als bedoeld in artikel 94 Sv op mogelijk is. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk niet voor een Instagram account. Dat een dergelijk account waarde kan vertegenwoordigen, zoals betoogd is door de officier van justitie, maakt dit niet anders, nu voor een dergelijk account in dat verband geldt dat die waarde afhankelijk is van de gebruiker van dat account, bijvoorbeeld omdat iemand een bepaalde nationale of internationale bekendheid geniet.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de feitelijke grondslag van het beslag op de Instagram accounts onjuist is, dat het beslag op deze accounts derhalve onrechtmatig is en dient te worden opgeheven. In zoverre dient het klaagschrift derhalve gegrond te worden verklaard en het beslag op de Instagram accounts te worden opgeheven”