Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:224, 20/03966

Parket bij de Hoge Raad, 08-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:224, 20/03966

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 maart 2022
Datum publicatie
8 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:224
Zaaknummer
20/03966

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Veroordeling vrouw tot twintig jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van de moord op haar echtgenoot. Bewijsmotivering voor medeplegen berust in belangrijke mate op de omstandigheid dat het hof het niet aannemelijk acht dat de verdachte het dodelijk geweld alleen heeft uitgeoefend. Cassatiemiddel dat in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden òf er wel sprake is geweest van een gezamenlijk uitvoering of een nauwe en bewuste samenwerking met een ander persoon en waaruit het medeplegen heeft bestaan, slaagt. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03966

Zitting 8 maart 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 1 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “medeplegen van moord” op haar echtgenoot veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Voorts zijn door het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, te weten de vader, de moeder en twee zussen van het slachtoffer en heeft het hof de namens hen gevorderde materiële en immateriële ‘shockschade’ toegewezen, alsmede schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld, waarvan de eerste vier opkomen tegen de bewijsconstructie die het hof heeft gehanteerd en tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van de moord door de verdachte. Het vijfde middel richt zich tegen de door het hof toegewezen schadevergoedingen aan de benadeelde partijen.

1.3.

Namens de benadeelde partijen hebben mr. C.H. Dijkstra en mr. R.E.H. Jager, advocaten te Amersfoort, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Daarin wordt geklaagd over de gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Mr. N. van Schaik heeft hierop bij verweerschrift gereageerd.

2 Waarover het in deze zaak gaat

2.1.

Op 8 juli 2017 heeft [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) het festival FreezeForze in de Westereen bezocht. De volgende ochtend op 9 juli 2017 omstreeks 10:25 uur werd in het weiland gelegen aan de Bûterwei, in de buurt van het festivalterrein, zijn levenloze lichaam aangetroffen. De telefoon van het slachtoffer werd een meter voor hem in het gras gevonden. Aan de hand van de locatiegegevens van het Google account van het slachtoffer die zijn aangetroffen op zijn telefoon en getuigenverklaringen is gebleken dat het slachtoffer op 9 juli 2017 omstreeks 00:27 uur het festivalterrein lopend heeft verlaten. Daarna bevond hij zich vanaf in ieder geval 00:40:09 uur in het weiland ter hoogte van de Bûterwei waar zijn stoffelijk overschot later die dag is aangetroffen. Daar is ook het dodelijk geweld op het slachtoffer toegepast. Het slachtoffer is door herhaald slaan met een voorwerp op/tegen zijn hoofd en lichaam om het leven gebracht en had zowel uitwendig als inwendig zware letsels aan en in het hoofd, het aangezicht, de hals, heup, ledematen, geslachtsdelen en de romp. Het is niet waarschijnlijk dat het slachtoffer na zijn dood is verplaatst of dat het slachtoffer met de toegebrachte letsels zelf nog een grote afstand kon afleggen. Het slagwapen is niet gevonden.

2.2.

De vrouw van het slachtoffer is als verdachte aangemerkt. Zij heeft van begin af aan ontkend bij zijn dood betrokken te zijn geweest. Zij heeft verklaard die nacht op de Bûterwei aanwezig te zijn geweest, om het slachtoffer op te halen van het festival zoals tussen haar en het slachtoffer was afgesproken. Uit haar telefoongegevens en camerabeelden van een tankstation kan worden afgeleid dat dit omstreeks de tijd is geweest dat het slachtoffer om het leven is gebracht. Naar haar zeggen heeft zij het slachtoffer bij de Bûterwei niet aangetroffen, waarop zij weer naar huis is gereden.

2.3.

De rechtbank heeft haar in eerste aanleg veroordeeld wegens moord en is er daarbij van uitgegaan dat zij de moord alleen heeft gepleegd. Het hof heeft aangenomen dat zij de moord heeft medegepleegd en ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“zij op 9 juli 2017 te De Westereen, in de gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en een mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met een hard en/of stevig voorwerp op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”

2.4.

Het bijzondere in deze zaak is, dat er geen direct bewijs is dat de verdachte de moord heeft medegepleegd. Het hof heeft haar betrokkenheid uitsluitend uit indirect bewijs afgeleid en daarbij tevens gebruik gemaakt van kennelijk leugenachtige verklaringen die volgens het hof door de verdachte zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen.

3 Samenvatting van de bewijsvoering door het hof

3.2.

Nadat het hof in het bestreden arrest, waarbij de Promis-werkwijze is gehanteerd1, heeft vastgesteld op welke wijze, wanneer en waar het slachtoffer om het leven is gekomen – zie voor een samenvatting 2.2. hiervoor2 – heeft het hof, gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte, zeer uitgebreide overwegingen gewijd aan de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer.3 Deze vraag is door het hof bevestigend beantwoord.

3.3.

Voor de leesbaarheid van deze conclusie zal ik hetgeen het hof daartoe heeft overwogen niet in zijn geheel citeren maar de essentie daarvan weergeven om een beeld te schetsen van de bewijsconstructie.

3.4.

De vaststellingen van het hof omtrent de betrokkenheid van de verdachte kunnen als volgt puntsgewijs worden samengevat, waarbij ik zoveel mogelijk de volgorde aanhoud van de overwegingen van het hof zoals deze zijn weergegeven onder “2.2 De betrokkenheid van de verdachte” van het arrest:

Vastgestelde feiten en omstandigheden in relatie tot de betrokkenheid van de verdachte

- zowel op het lichaam van het slachtoffer als in de Mercedes van de verdachte zijn verschillende blauwe verfdeeltjes aangetroffen. Daarvan heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) niet kunnen vaststellen of deze qua samenstelling overeenkomen en het NFI heeft hieraan geen in een specifiekere statistische waarde uitgedrukte bewijskracht kunnen verbinden. Niettemin heeft het hof het aantreffen van de blauwe verfdeeltjes in de Mercedes redengevend geacht voor het aannemen van een relatie tussen het slagwapen, waarvan deze verfdeeltjes afkomstig moeten zijn, en de Mercedes waarin de verdachte die avond reed. Het hof overweegt nadrukkelijk dat de bevindingen van het NFI op zichzelf niet doorslaggevend zijn voor het bewijs, maar dat het hof hieraan “een zekere bewijswaarde voor daderschap” toekent in samenhang met de andere bewijsmiddelen.4

- Uit camerabeelden die door de politie zijn veiliggesteld in de omgeving van de route die de verdachte op 8 en 9 juli 2017 heeft gereden heeft het hof afgeleid dat de verdachte op 8 juli 2017 om 21:54 uur de woning met haar Mercedes heeft verlaten en daar om 22:02 is teruggekeerd. Vervolgens is zij in de nacht van 9 juli 2017 omstreeks 00:24 uur met haar auto weggereden en omstreeks 01:07 weer thuis aangekomen. In combinatie met de geregistreerde tijdstippen en locaties van de telefoon van de verdachte heeft zij in die periode heen en terug gereden van haar huis naar de Bûterwei.5

- Uit de gebruikersactiviteiten en locatiegegevens van het Google account van de verdachte blijkt dat de telefoon van de verdachte zich om 00:31 uur ter hoogte van de Bûterwei bevindt en om 00:45 uur ter hoogte van de kruising van Bûterwei en Fogelsang, De Westereen. Rond dat laatste tijdstip (00:46) is de telefoon van de verdachte uitgeschakeld. Om 01:10 uur is de telefoon van de verdachte weer ontgrendeld. Het hof leidt hieruit af dat de onderzoeksresultaten overeenkomen met de verklaring van de verdachte dat zij, aangekomen op de Bûterwei, haar telefoon in de Mercedes achterliet toen zij uit de auto stapte. Maar op grond van het deskundigenonderzoek dat aan de telefoon is gedaan, gaat het hof ervan uit dat de telefoon, toen zij weer instapte om te vertrekken vanaf de Bûterwei, niet is uitgevallen ten gevolge van een lege batterij, zoals de verdachte heeft verklaard, maar dat zij haar telefoon toen heeft uitgeschakeld.6

- Een festivalbezoekster (getuige [betrokkene 1] ) die op 9 juli 2017 rond 00:30 naar huis fietste, heeft verklaard dat zij twee personen, zij meende een man en een vrouw, die in het zwart waren gekleed bij de kruising van de Fogelsang met de Bûterwei heeft gezien. Volgens haar stond de vrouw eerst tegen een auto aangeleund waarna zij samen met de ander in de richting van het weiland is gelopen. Door het hof is vastgesteld dat de ingang van het weiland zich hemelsbreed op 16.30 meter afstand bevond van de plaats waar het slachtoffer later is gevonden. Het hof leidt uit de verklaring van de getuige in combinatie met de locatie- en tijdgegevens van de telefoon van de verdachte af, dat het niet anders kan zijn dan dat één van de twee personen die de getuige heeft gezien de verdachte was, staande tegen de Mercedes, en dat de verdachte toen dus samen was met een ander. Daarnaast stelt het hof vast dat het slachtoffer die plek aan de Bûterwei lopend is genaderd en aldaar uiteindelijk in ieder geval om ongeveer 00:40 uur is gearriveerd.7

De beoordeling van de verklaringen en het gedrag van de verdachte

3.5.

Het hof heeft met betrekking tot de door de verdachte afgelegde verklaringen het volgende overwogen:

“De verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd over de periode in de aanloop naar 8 en 9 juli 2017 en de periode daarna. Eerst is zij als getuige gehoord. Later is zij als verdachte aangemerkt en heeft zij in die hoedanigheid veelvuldig en uitvoerig verklaard.

Het hof stelt vast dat de verdachte in haar verschillende verklaringen op veel onderwerpen niet consistent heeft verklaard. Het valt op dat zij haar verklaringen voortdurend bijstelt wanneer zij in verhoren wordt geconfronteerd met resultaten van het onderzoek. Dit maakt dat de verdachte niet consistent is en aan geloofwaardigheid inboet. Het hof gebruikt daarom enkel de verklaring van de verdachte voor bewijs wanneer ondersteuning in ander bewijsmateriaal voorhanden is. Het hof verbindt op een aantal punten conclusies aan hetgeen verdachte heeft verklaard. Het hof zal hieronder op een aantal relevante onderwerpen over het gedrag en de activiteiten van de verdachte in de aanloop naar het tenlastegelegde feit zoals dat in de nacht heeft plaatsgevonden nader ingaan.”8

3.6.

Samengevat komen de bevindingen van het hof op het volgende neer:

- Uit het sms- en belgedrag tussen de verdachte en het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer door de verdachte is gestimuleerd om die dag naar het festival te gaan en dat de verdachte gecontroleerd heeft waar het slachtoffer die dag en avond gedurende het festival verbleef.9

- Het hof neemt aan dat de verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard over een autorit die zij in de avond van 8 juli 2017 om 22:00 uur heeft gemaakt.10 De relevantie van deze vaststelling wordt pas duidelijk bij de overwegingen van het hof ten aanzien van het medeplegen. Het hof veronderstelt dat zij tijdens deze rit de medepleger heeft opgehaald, zie onder 5.6 hierna.

- De verdachte heeft volgens het hof de afspraak over de ophaallocatie van het slachtoffer, namelijk dat hij naar de Bûterwei moest komen, geregisseerd en neemt op basis van onderzoek aan de computers van het slachtoffer en de verdachte, de navigatie van de Mercedes en de inhoud van de sms-berichten van de verdachte aan het slachtoffer aan, dat in eerste instantie een andere ophaalplek is afgesproken.11

- Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat zij die nacht alleen op de Bûterwei aanwezig is geweest en dat zij niets heeft gezien of heeft meegekregen van het feit dat haar echtgenoot op dat moment in het weiland om het leven is gebracht niet geloofwaardig.12

- De verdachte heeft verklaard dat zij over de terugweg naar huis in de nacht van 9 juli 2017 nergens is gestopt en heeft er geen verklaring voor gegeven dat zij over de terugweg 19 minuten heeft gedaan terwijl zij over de heenweg 5 minuten heeft gereden. Het hof merkt deze verklaring als kennelijk leugenachtig aan.13 Ook dit aspect is van belang voor de beantwoording van de vraag door het hof of er sprake is geweest van medeplegen. Het hof neemt aan dat zij op de terugweg de medepleger ergens heeft afgezet en zich van het slagwapen heeft ontdaan, zie onder 5.6 hierna.

- Eveneens kennelijk leugenachtig is volgens het hof de verklaring van de verdachte dat zij het slachtoffer tijdens de zoektocht naar hem samen met haar schoonvader kort na middernacht regelmatig heeft proberen te bellen, omdat dit niet uit het forensisch onderzoek van haar telefoon blijkt en de schoonvader van de verdachte bovendien heeft ontkend dat de verdachte toen met zijn telefoon heeft gebeld.14

3.7.

Daarnaast heeft het hof voor de bewezenverklaring ook waarde gehecht aan gedragingen van de verdachte voorafgaand aan, rondom en na afloop van het overlijden van het slachtoffer. Zo acht het hof het vreemd dat de verdachte bij aankomst op de Bûterwei haar telefoon in haar auto heeft gelaten in plaats van deze bij zich te houden en dat zij bij haar vertrek vanaf de Bûterwei haar telefoon heeft uitgeschakeld en pas bij thuiskomst weer heeft aangezet. Ook heeft zij zich ten opzichte van vriendinnen opmerkelijk uitgelaten doordat zij op een moment dat het slachtoffer nog niet was gevonden heeft gezegd “Hij komt nooit weer” en dat het wapen nooit zou worden gevonden.15

3.8.

Het hof besteedt ook aandacht aan het motief van de verdachte en overweegt daarbij dat een groot aantal getuigen uit de omgeving van de verdachte heeft verklaard dat de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte al lange tijd moeizaam was, dat er meerdere keren bemoeienis is geweest van de politie in verband met conflicten binnen het gezin en dat een echtscheiding, die op handen zou zijn, grote financiële gevolgen zou hebben voor de verdachte. In dat verband wordt ook gewezen op een levensverzekering die de verdachte en het slachtoffer in 2015 kruiselings hebben afgesloten met een uitkering van € 600.000 bij overlijden. Het hof ziet in deze omstandigheden een financieel en relationeel motief van de verdachte voor de levensberoving van het slachtoffer.16

Medeplegen

3.9.

Anders dan de rechtbank in eerste aanleg, heeft het hof wel bewezen verklaard dat er een mededader betrokken is geweest bij het doden van het slachtoffer. Het hof motiveert dit aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden:

- Allereerst stelt het hof vast dat de getuige [betrokkene 1] omstreeks 00:30 uur, de verdachte en een ander persoon bij de auto van de verdachte heeft zien staan op de kruising Bûterwei/Fogelsang op 9 juli 2017 en heeft gezien dat beide personen toen het weiland inliepen.17

- Gelet op het op het slachtoffer toegepaste geweld, de verschillen in postuur van het slachtoffer 1,92 meter lang en 85 kilogram zwaar en de verdachte 1,70 meter lang en 60 kilogram zwaar, acht het hof het onaannemelijk en niet goed denkbaar dat “de verdachte alleen het toegepaste heftige geweld heeft toegebracht en acht het hof het ook daarom aannemelijk dat een medeverdachte betrokken is bij het toebrengen van het dodelijke letsel.”18

- Het hof vindt aanwijzingen in het dossier die duiden op betrokkenheid van een of meer anderen. Zo volgt uit onderzoek van de telefoon van de verdachte dat zij rond 8 en 9 juli 2017 intensief contact heeft gehad met haar oom [betrokkene 2] – wiens nummer onder de naam “ [betrokkene 2] ” op 4 juli 2017 opgeslagen was op haar telefoon – en haar moeder [betrokkene 3] en blijkt uit onderzoek van de telefoon van de moeder van verdachte dat zij in Nederland was op de avond van 8 juli 2017 en dat zij alle sms-berichten van 7 en 8 juli 2017 van haar toestel heeft verwijderd. Uit het dossier volgt verder dat de moeder van verdachte al de volgende ochtend aan twee personen heeft verteld dat het slachtoffer dood was, terwijl op dat moment zijn lichaam nog niet gevonden was. Daaruit leidt het hof af dat er sprake was van daderkennis bij [betrokkene 3] .19

3.10.

Het hof vat zijn conclusies op p. 39 e.v. van het arrest als volgt samen:

“2.4 Samenvatting van de conclusies van het hof

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen komt het hof tot een bewezenverklaring.

Daartoe stelt het hof vast dat het slachtoffer door herhaald slaan tegen en op zijn lichaam met een (hard) voorwerp om het leven is gebracht op de plek in het weiland aan de Bûterwei alwaar hij de volgende ochtend werd aangetroffen. Dit geweld is op hem toegepast in het tijdvak van ongeveer 00:30 uur tot 00:46:34 uur. De verdachte bevond zich in datzelfde tijdvak tezamen met een ander in de onmiddellijke nabijheid van die plek in het weiland. De verdachte stond tezamen met die ander aanvankelijk tegen haar Mercedes geleund waarna zij samen met die ander in de richting van de ingang van het weiland is gelopen. Die ingang van het weiland bevond zich op slechts 16.30 meter afstand van de vindplaats van het slachtoffer.

Het hof gelooft de verdachte uitdrukkelijk niet in haar scenario over haar aanwezigheid alleen die nacht op de Bûterwei. Haar scenario wordt op belangrijke onderdelen weerlegd door het bewijs en het hof acht het ook volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte niets zou hebben meegekregen van het feit dat haar echtgenoot in het weiland om het leven werd gebracht, terwijl zij zich in de directe nabijheid van die plek bevond.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen met een ander het slachtoffer om het leven heeft gebracht.

Het hof concludeert dat de verdachte het slachtoffer heeft gestimuleerd het festival te bezoeken. Uit het sms- en belgedrag concludeert het hof dat zij tot het moment dat zij in de nacht op de Bûterwei arriveerde in haar vele contacten liefdevol en sturend was. Het hof duidt dat gedrag als het houden van controle op de vraag waar het slachtoffer die dag en avond verbleef. De verdachte heeft vervolgens in de nacht de komst van het slachtoffer naar de Bûterwei geregisseerd met het sms-bericht zoals zij dit naar het slachtoffer zond.

Het hof heeft in zijn afweging de onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen verfdeeltjes in de letsels van het slachtoffer en de Mercedes op de wijze zoals bovenomschreven meegewogen. Deze resultaten vormen weliswaar op zichzelf gezien geen doorslaggevend bewijs. Het past evenwel in de conclusie dat de verdachte tezamen met een ander betrokken is geweest bij het doden van het slachtoffer. Het hof beschouwt dit bewijsmiddel niet als op zichzelf staand, maar acht het in samenhang met het overige bewijs redengevend voor een bewezenverklaring.

Het hof concludeert uit de bovenstaande bewijsmiddelen, haar voortdurende contact met het slachtoffer, het feit dat de verdachte in de middag de Bûterwei heeft bezocht en zoekslagen deed op internet, dat zij zich heeft voorbereid. Uit de contacten die zij voorafgaand en op de dag zelf met haar moeder en [betrokkene 2] onderhield concludeert het hof dat zij in haar plan waren betrokken.

Het hof is van oordeel dat de verdachte in veel van haar verklaringen niet consistent heeft verklaard en op verschillende onderdelen ongeloofwaardig is. Op onderdelen moet ook worden vastgesteld dat zij kennelijk leugenachtig heeft verklaard. Het hof is van oordeel dat die leugens van de verdachte over haar autorit in de avond van 8 juli 2017, de terugreis vanaf de Bûterwei in de nacht en haar leugen over het (niet) bellen van haar echtgenoot in de zoektocht naar hem kort na middernacht samen met haar schoonvader, zijn bedoeld om haar rol en de betrokkenheid van een of meer anderen bij de dood van het slachtoffer te bemantelen. In zoverre dragen deze leugens bij tot bewijs.

Het hof concludeert daarover dat de verdachte de digitale onderzoeksresultaten van het tijdlijn en locatieonderzoek met betrekking tot de afgelegde ritten weerspreekt voor wat betreft de ritten in de avond ruim twee uur voordat het slachtoffer werd gedood en de terugreis vanaf de Bûterwei in de nacht. Dit terwijl er geen enkele aanleiding bestaat de betrouwbaarheid van dat bewijs in twijfel te trekken.

Het hof concludeert uit het politieonderzoek en deskundigenbewijs dat de verdachte haar telefoon bij vertrek vanaf de Bûterwei in de nacht uitschakelde, terwijl die bij thuiskomst weer werd aangezet. Aan de andersluidende verklaring van de verdachte kan het hof geen andere conclusie verbinden dan dat zij heeft willen verhullen dat zij met het uitschakelen heeft beoogd te bewerkstelligen dat van de door haar te rijden route terug geen gegevens konden worden geregistreerd. Het hof stelt nog vast dat de verdachte aan de Bûterwei in de nacht haar telefoon na aankomst aldaar in de Mercedes heeft achtergelaten in plaats van bij zich te houden, alvorens ze de telefoon bij haar vertrek ruim een kwartier later uitschakelt. Het hof acht ook dit gedrag zoals boven overwogen onnavolgbaar en niet passend bij het opwachten van haar echtgenoot. Het hof concludeert uit haar handelwijze aan de Bûterwei met betrekking tot haar telefoon dat de verdachte berekenend te werk is gegaan.

Het hof concludeert uit de telefonische contacten van de verdachte met haar moeder en oom in de periode voorafgaand en op de dag zelf, de vastgestelde reisbewegingen van de moeder in de avond vanuit Duitsland in Nederland, de daderkennis van de moeder en het troostende bericht vroeg in de ochtend van de oom op zondagochtend 9 juli 2017 voordat bekend was dat het het slachtoffer was dat was gevonden, dat er aanleiding bestaat uit te gaan van verdenking van betrokkenheid van beiden bij de dood van het slachtoffer. Het dossier bevat evenwel onvoldoende concreet bewijs om met zekerheid vast te kunnen stellen wat de precieze rol van de moeder was en of het de oom of uiteindelijk een ander was die de verdachte op de Bûterwei vergezelde. Dat de identiteit van de persoon die op de Bûterwei de verdachte vergezelde niet kan worden vastgesteld staat een bewezenverklaring van het medeplegen evenwel niet in de weg.

Het hof kent bij de beoordeling van de bewijsmiddelen tot slot ook betekenis toe zoals hierboven reeds geduid, aan het opmerkelijke gedrag op verschillende bovenomschreven onderdelen en de bovenomschreven uitlatingen naar anderen door de verdachte. Het hof acht dit gedrag en haar uitlatingen niet in overeenstemming met het scenario dat de verdachte geen strafbare betrokkenheid heeft als medepleger bij het feit. Het hof ziet in de bovenomschreven bewijsmiddelen een financieel en relationeel motief voor de levensberoving van het slachtoffer.

2.5 Opzettelijk en met voorbedachten rade

De verdachte heeft volgens een vooropgezet plan het slachtoffer naar de Bûterwei laten komen, zodat hij vervolgens op de plek waar hij in de ochtend van 9 juli 2017 is aangetroffen met een slagwapen op een gewelddadige manier om het leven werd gebracht. De belangrijkste rol van de verdachte was ervoor te zorgen dat het slachtoffer op het juiste moment naar de juiste locatie kwam, terwijl zij er tegelijkertijd voor zorgde dat haar medeverdachte(n) op het juiste tijdstip op de juiste locatie was/waren en vervolgens weer van de Bûterwei kon(den) wegkomen en uiteindelijk ontkomen. De verdachte heeft aldus in ieder geval een essentiële en regisserende rol gehad binnen het vooraf opgevatte plan om het slachtoffer om het leven te brengen. Voorts heeft zij tezamen met een ander het slachtoffer opgewacht op zeer korte afstand van de uiteindelijke plaats van het delict. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof opzet op de dood en voorbedachten rade bij de verdachte. Alle handelingen die de verdachte heeft verricht rondom 9 juli 2017 waren er naar hun uiterlijke verschijningsvorm op gericht om het plan dat haar echtgenoot om het leven zou worden gebracht te laten doen slagen. Het hof acht geen contra-indicaties aanwezig die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.

2.6 Conclusie ten aanzien van de primair ten laste gelegde moord

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 9 juli 2017 in De Westereen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord ten aanzien van haar echtgenoot.”

4 De eerste vier cassatiemiddelen

5 Het vierde middel (medeplegen)

6 Conclusie