Home

Parket bij de Hoge Raad, 04-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:227, 21/02035

Parket bij de Hoge Raad, 04-03-2022, ECLI:NL:PHR:2022:227, 21/02035

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
4 maart 2022
Datum publicatie
31 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:227
Formele relaties
Zaaknummer
21/02035

Inhoudsindicatie

Procesrecht; anticipatie; is het niet-verschijnen/melden advocaat appellanten aan te merken als een verzuim van advocaatstelling als bedoeld in art. 123 Rv?; ontslag van instantie op de voet van art. 127 Rv

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/02035

Zitting 4 maart 2022

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

1. Depra GmbH

2. [eiser 2]

3. [eiseres 3]

tegen

Oldenburgische Landesbank AG

1 Aanduiding procespartijen en korte omschrijving zaak

1.1

Eisers tot cassatie worden hierna verkort aangeduid als: Depra c.s. en verweerster in cassatie als: OLB.

1.2

In het cassatieberoep wordt in de eerste plaats opgekomen tegen het oordeel van het hof dat appellanten, na anticipatie, hebben verzuimd tijdig advocaat te stellen op de voet van art. 123 Rv (terwijl het exploot van appeldagvaarding reeds een ‘advocaatstelling’ bevat). Daarnaast wordt de vraag aan de orde gesteld of appellanten geacht kunnen worden ‘niet’ te zijn ‘verschenen’ indien het hof de in het appelexploot gestelde advocaat niet digitaal of schriftelijk inlicht over de vervroegde inschrijving. Tot slot komt aan de orde of de procesadvocaat zich nog kan melden als de zaak ‘in staat van wijzen’ is als bedoeld in art. 123 lid 4 Rv.

2 Procesverloop1

2.1

Bij inleidende dagvaarding van 24 december 2019 hebben Depra c.s. OLB2 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Zij hebben daarbij, verkort weergegeven, een verklaring voor recht gevorderd dat OLB onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld (dwangbewindvoering) en gevorderd dat OLB wordt veroordeeld tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade en nog te lijden schade van Depra c.s. , nader op te maken bij staat.3

2.2

OLB heeft daarop bij incidentele vordering gevorderd dat de rechtbank zich jegens haar onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van Depra c.s. Zij voert hiertoe aan dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van die vorderingen.4

2.3

Depra c.s. hebben verweer gevoerd.

2.4

Bij vonnis in incident van 22 juli 2020 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen.

2.5

Depra c.s. hebben bij exploot van 12 oktober 2020 van dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, met dagvaarding van OLB tegen de zitting van 9 november 2021.

2.6

OLB heeft bij anticipatie-exploot van 23 november 2020 de eerstdienende dag vervroegd naar 8 december 2020.

2.7

Volgens het hof5 heeft zich op de eerstdienende dag namens Depra c.s. geen advocaat gesteld. Aan Depra c.s. is daarop, op de voet van art. 123 lid 1 Rv in verbinding met art. 353 Rv, gelegenheid gegeven om binnen een door het hof gestelde termijn alsnog advocaat te stellen. De zaak is hiervoor op de rol geplaatst van 22 december 2020. Op deze roldatum heeft zich voor Depra c.s. geen advocaat gesteld en heeft OLB gevraagd om bij arrest van de instantie te worden ontslagen.

2.8

Het hof heeft OLB bij arrest van 9 februari 2021 van de instantie ontslagen.

2.9

Depra c.s. hebben van dit arrest tijdig6 beroep in cassatie ingesteld.Tegen OLB is verstek verleend.Depra c.s. hebben afgezien van schriftelijke toelichting.

3 Ontvankelijkheid

3.1

Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Daaraan voorafgaand hebben Depra c.s. “voor zover nodig ter doorbreking van enig rechtsmiddelenverbod, waaronder in het bijzonder in art. 123 lid 5 in verbinding met art. 353 Rv”7, als doorbrekingsgronden aangevoerd dat het hof art. 123 Rv ten onrechte niet buiten toepassing heeft gelaten althans buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, alsmede met zijn behandeling van deze zaak en beslissingen (van de rolraadsheer) op en rond de rol van 8 en 22 december 2020 leidend tot het eindarrest van 9 februari 2021 het in art. 17 Grw en art. 6 EVRM gewaarborgd recht op toegang tot de rechter en rechterlijk gehoor in appel, heeft miskend.

3.2

Grondslag van de beslissing van het hof om OLB van de instantie te ontslaan, zijn in de kern de oordelen van het hof dat (i) op de in het anticipatie-exploot aangezegde roldatum zich namens Depra c.s. geen advocaat heeft gesteld (rov. 2.3); (ii) aan Depra c.s. conform art. 123 lid 1 Rv in verbinding met art. 353 Rv gelegenheid is geboden tot herstel van het verzuim van advocaatstelling, waartoe de zaak op de rol is geplaatst van 22 december 2020 en (iii) dat op deze roldatum zich geen advocaat heeft gesteld voor Depra c.s. (rov. 2.4 en 3.1).

3.3

Art. 123 lid 5 Rv bevat een algeheel rechtsmiddelenverbod.8 Dat brengt mee dat van de uitspraak van het hof in beginsel geen cassatieberoep openstaat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een dergelijk rechtsmiddelenverbod echter worden doorbroken indien de rechter (i) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden; (ii) de desbetreffende regeling ten onrechte niet heeft toegepast, of (iii) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.9

3.4

Om in het geval van een rechtsmiddelenverbod in cassatie toch ontvankelijk te (kunnen) zijn, dient in het cassatieberoep te worden gesteld dat en waarom het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken.10

3.5

Nu Depra c.s. – zie hierboven onder 3.1 – doorbrekingsgronden hebben gesteld, zijn zij ontvankelijk in hun cassatieberoep en komen de door hen geformuleerde klachten in zoverre voor behandeling in cassatie in aanmerking.11 Bij de behandeling daarvan dient vervolgens te worden beoordeeld of de door Depra c.s. gestelde doorbrekingsgronden zich voordoen.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie