Parket bij de Hoge Raad, 22-04-2022, ECLI:NL:PHR:2022:382, 21/02812
Parket bij de Hoge Raad, 22-04-2022, ECLI:NL:PHR:2022:382, 21/02812
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 april 2022
- Datum publicatie
- 17 juni 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:382
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:200, Gevolgd
- Zaaknummer
- 21/02812
Inhoudsindicatie
Rechtsvordering tot teruggave cultuurgoed art. 1008 Rv. Aanvangsmoment korte verjaringstermijn art. 3:310a lid 1 BW (oud). Niet uitsluitend kennis van door verzoekende lidstaat aangewezen ‘centrale autoriteit’ als bedoeld in Richtlijn 1993/7/EEG is beslissend voor aanvangsmoment korte verjaringstermijn. Toerekening van kennis aan verzoekende lidstaat.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02812
Zitting 22 april 2022
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
Het Koninkrijk Zweden
tegen
[het antiquariaat] B.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Zweden respectievelijk [het antiquariaat].
1 Inleiding
Deze zaak gaat, kort gezegd, over een vordering van Zweden uit hoofde van art. 1008 Rv tot teruggave door [het antiquariaat] van een antiquarisch boek, waarvan Zweden stelt dat het een cultuurgoed als bedoeld in die bepaling betreft dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van Zweden is gebracht. [het antiquariaat] heeft het desbetreffende boek in 2003 bij een Duits veilinghuis gekocht, waar het door een medewerker van de Koninklijke Bibliotheek van Zweden (onder een schuilnaam) ter veiling werd aangeboden. Deze medewerker had (onder meer) dit boek uit de bibliotheek ontvreemd. Zowel rechtbank als hof heeft geoordeeld dat de vordering van Zweden is verjaard op grond van de korte verjaringstermijn als bedoeld in art. 3:310a lid 1 BW (oud). Op grond van deze bepaling verjaart de vordering ex art. 1008 Rv door verloop van één jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder aan de EU-lidstaat zijn bekend geworden. Volgens het hof zijn de justitiële autoriteiten van Zweden in het kader van een op verzoek van Zweden gehouden huiszoeking van de Duitse politie bij het desbetreffende veilinghuis al in 2005 bekend geworden met de plaats waar het boek zich bevindt en de identiteit van de bezitter, te weten [het antiquariaat] uit [plaats] . De kennis van de Zweedse justitiële autoriteiten die bij de huiszoeking aanwezig waren (o.a. een officier van justitie en medewerkers van de politie van Zweden), kan volgens het hof aan Zweden worden toegerekend. Het hof voegt daar, als tweede zelfstandige grond, aan toe dat uit correspondentie tussen Zweden en [het antiquariaat] blijkt dat Zweden in ieder geval in 2012 bekend was met de identiteit van [het antiquariaat] en het feit dat het boek zich bij haar bevond. Zweden heeft de vordering tot teruggave van het boek pas op 9 februari 2018 ingesteld, zodat deze op grond van de korte verjaringstermijn van één jaar die in 2005 althans in 2012 is gaan lopen al geruime tijd is verjaard. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat art. 3:310a lid 1 BW (oud) aldus moet worden uitgelegd dat, evenals in het huidige, op 27 augustus 2015 in werking getreden, art. 3:310a lid 1 BW waarin de korte verjaringstermijn is verlengd tot drie jaar, kennis van de staat over de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter is beperkt tot kennis van de door de lidstaat aangewezen ‘centrale autoriteit’. Dat zou betekenen dat de vordering mogelijk nog niet is verjaard, omdat Zweden stelt dat de desbetreffende centrale autoriteit (Swedish National Heritage Board) pas op 23 september 2015 over de relevante kennis zou hebben beschikt. Deze uitleg van art. 3:310a lid 1 BW (oud) vindt m.i., ook in het licht van Richtlijn 1993/7/EEG en de opvolgende Richtlijn 2014/60/EU, geen steun in het recht. Het oordeel dat de kennis van de Zweedse justitiële autoriteiten aan Zweden kan worden toegerekend, houdt m.i. eveneens stand in cassatie. Ik concludeer dus tot verwerping van het cassatieberoep van Zweden.
2 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.5 van het arrest van 6 april 2021 van het gerechtshof [plaats] (hierna: het hof).1
De Koninklijke Bibliotheek van Zweden (hierna: de KB) had sinds 1869 in haar collectie een exemplaar van het werk, getiteld ‘Nippon. Archiv zur Beschreibung von Japan und dessen Neben- und Schutzländern: jezo mit den südlichen Kurilen, Krafto, Koorai und den Liukiu-Inseln, nach japanischen und europäischen Schriften und eigenen Beobachtungen bearbeitet’ van P.F. von Siebold. Dit exemplaar wordt hierna Nippon genoemd.
Nippon is tussen 1995 en 2003 door [KB-medewerker 1]2 [KB-medewerker 1] (hierna: [KB-medewerker 1]), een medewerker van de KB, gestolen dan wel verduisterd. [KB-medewerker 1] (onder de schuilnaam ‘ [schuilnaam] ’) heeft Nippon op 22 augustus 2003 bij het Duitse veilinghuis Ketterer Kunst GmbH (hierna: Ketterer) in Hamburg ter veiling aangeboden. Ketterer heeft Nippon op 17 of 18 november 2003 op de veiling verkocht voor € 89.700,-- inclusief veilingkosten.
Koper op de veiling was [het antiquariaat] . Zij drijft in [plaats] een onderneming in boeken, tijdschriften en ander drukwerk en legt zich tevens toe op de handel, im- en export van antiquarische boeken.
[KB-medewerker 1] is in 2004 aangehouden en heeft de ontvreemding van (onder meer) Nippon bekend. Op 12 september 2005 heeft de Duitse politie op verzoek van de staat Zweden huiszoeking gedaan bij Ketterer, waarbij twee medewerkers van de Zweedse politie, een Zweedse officier van justitie en twee experts van de KB aanwezig waren (hierna: de huiszoeking).
In 2012 heeft de KB geconstateerd dat door [het antiquariaat] op internet een werk werd aangeboden en dat het daarbij vermoedelijk ging om Nippon. Tussen de KB en [het antiquariaat] is vervolgens gecorrespondeerd over (teruggave van) Nippon. [het antiquariaat] was daartoe uiteindelijk bereid, maar wel tegen vergoeding van de door haar gemaakte kosten. Tot teruggave heeft dit niet geleid.
3 Procesverloop
Bij dagvaarding van 9 februari 2018 heeft Zweden [het antiquariaat] in rechte betrokken. Zweden vordert dat [het antiquariaat] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot teruggave van Nippon aan Zweden door afgifte daarvan aan een door of namens Zweden aan te wijzen (rechts)persoon binnen twee dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat [het antiquariaat] nalaat aan die veroordeling te voldoen.Zweden legt aan deze vordering ten grondslag, samengevat, dat [het antiquariaat] in het bezit is van Nippon en dat Nippon krachtens Zweedse wetgeving een cultuurgoed in de zin van Richtlijn 2014/60/EU is, dat op onrechtmatige wijze buiten Zweeds grondgebied is gebracht. Zweden stelt op die grond de rechtsvordering tot teruggave als bedoeld in art. 1008 Rv in.
[het antiquariaat] voert bij conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie verweer. [het antiquariaat] betwist allereerst dat Nippon een cultuurgoed is. Daarnaast beroept zij zich op verjaring van de vordering op grond van art. 3:310a lid 1 BW (oud) en op rechtsverwerking. De reconventionele eis is ingesteld onder de voorwaarde van toewijzing van een of meer van de vorderingen in conventie. De reconventionele eis heeft betrekking op een billijke vergoeding ex art. 3:86a BW.
Zweden heeft bij conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie op de voorwaardelijke eis in reconventie gereageerd.
Bij tussenvonnis van 22 augustus 2018 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) is een comparitie van partijen bevolen.3 Van de comparitie, die heeft plaatsgevonden op 4 december 2018, is proces-verbaal opgemaakt.
Bij eindvonnis van 16 januari 2019 heeft de rechtbank de vorderingen van Zweden afgewezen en is Zweden, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proces- en nakosten.4 De aan die beslissing ten grondslag liggende beoordeling van de rechtbank komt, samengevat, neer op het volgende. De stellingen van [het antiquariaat] over wat er bij de huiszoeking is gebleken en welke informatie daarbij voor de aanwezige Zweedse onderdanen beschikbaar is geworden, zijn door Zweden onvoldoende gemotiveerd betwist. De conclusie is daarom gerechtvaardigd dat op dat moment de twee betrokken medewerkers van de KB kennis hadden van het feit dat Nippon door [het antiquariaat] was gekocht en van de adresgegevens van [het antiquariaat] , welke kennis aan Zweden moet worden toegerekend. Zweden had op grond van die kennis maatregelen tot opeising van Nippon kunnen nemen. Aldus was Zweden op dat moment bekend geworden met de plaats waar Nippon zich bevond en met de identiteit van de bezitter of houder daarvan, althans had Zweden die met een beperkt onderzoek kunnen achterhalen. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot opeising als bedoeld in art. 3:310a lid 1 BW (oud) is daarom gaan lopen in september 2005. Die termijn bedraagt blijkens art. 3:310a lid 1 BW (oud) één jaar, zodat de verjaring van die rechtsvordering in elk geval eind september 2006 was voltooid. De door Zweden ingestelde vorderingen stuiten af op verjaring, het meest verstrekkende verweer van [het antiquariaat] .
In hoger beroep
Bij dagvaarding van 12 april 2019 is Zweden bij het hof in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 januari 2019.
Zweden heeft een memorie van grieven ingediend, waarop [het antiquariaat] bij memorie van antwoord heeft gereageerd.
Op 8 december 2020 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak door hun advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Bij arrest van 6 april 2021 heeft het hof het vonnis van 16 januari 2019 bekrachtigd en is Zweden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.5 Aan deze beslissing ligt de volgende beoordeling ten grondslag: (rov. 3.2 t/m 3.10)
“3.2 De beoordeling van het beroep door [het antiquariaat] op verjaring en van de daarmee verband houdende grieven van Zweden moet plaatsvinden aan de hand van artikel 3:310a lid 1 BW zoals dat luidde tot 27 augustus 2015 (hierna: artikel 3:310a lid 1 BW (oud)) voor zover dat beroep ziet op een verjaring die vóór die datum is aangevangen en voltooid. Dit artikel luidde tot 27 augustus 2015, voor zover hier van belang:
‘Een rechtsvordering tot opeising van een roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van een lid-staat van de Europese Unie (...) een cultuurgoed is in de zin van artikel 1, onder 1, van de richtlijn, bedoeld in artikel 86a, en waarvan die staat teruggave vordert op de grond dat zij op onrechtmatige wijze buiten zijn grondgebied is gebracht, verjaart door verloop van één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder aan die staat zijn bekend geworden (...).’
Dat Nippon een cultuurgoed in de zin van deze bepaling is, staat tussen partijen vast. [KB-medewerker 1] dan in eerste aanleg, betwist [het antiquariaat] dat feit in hoger beroep niet meer. Volgens [het antiquariaat] is de verjaring gaan lopen medio september 2005. Tijdens of kort na de huiszoeking bij Ketterer wist Zweden dat [het antiquariaat] Nippon had gekocht en waar [het antiquariaat] gevestigd was, aldus [het antiquariaat] . Zweden betwist een en ander.
Artikel 3:310a lid 1 BW (oud) verschilt van het huidige artikel 3:310a lid 1 BW onder meer doordat de erin geregelde zogeheten korte verjaringstermijn één jaar bedroeg (in plaats van thans: drie jaren) en doordat die verjaring een aanvang nam na de dag waarop bekendheid met de identiteit van de bezitter of houder en de verblijfplaats van het betrokken cultuurgoed bestond bij de desbetreffende staat (in plaats van thans: bij de centrale autoriteit van die staat als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2014/60/EU).
3.3 [het antiquariaat] baseert haar beroep op verjaring onder meer op drie door haar als producties 2, 3 en 4 bij conclusie van antwoord overgelegde documenten waarvan zij stelt dat Zweden die ter inzage en/of ter beschikking kreeg tijdens of na de huiszoeking bij Ketterer op 12 september 2005, te weten:
- -
-
pagina 3 uit een overzicht of lijst van werken die door [KB-medewerker 1] bij Ketterer ter veiling zijn aangeboden, waarop de titel van Nippon staat vermeld met daarachter de datum en prijs van de verkoop en de aanduiding van ‘ [het antiquariaat] b.v.’ als koper (productie 2). Als productie 15 bij memorie van antwoord zijn overigens de hieraan voorafgaande pagina’s 1 en 2 overgelegd;
- -
-
een pagina uit de administratie van Ketterer met daarop de volledige naam en adresgegevens van [het antiquariaat] in de [a-straat] in [plaats] (productie 3);
- -
-
een kopie van de factuur van Ketterer van 19 november 2003 aan het genoemde adres van [het antiquariaat] waarop onder meer de ook in productie 2 vermelde titel van Nippon en verkoopprijs voorkomen (productie 4).
- -
-
Het hof duidt deze documenten hierna ook aan als producties 2, 3 en 4.
3.4 [het antiquariaat] heeft voorts ter onderbouwing van haar beroep op verjaring onder meer gesteld:
a. bij de huiszoeking zijn vijf vertegenwoordigers van de Staat Zweden aanwezig geweest (zie hiervoor onder 2.4);
b. Zweden kreeg bij gelegenheid van de huiszoeking inzage in of de beschikking over de documenten die [het antiquariaat] heeft overgelegd als producties 2, 3 en 4 (zie hiervoor onder 3.3). Uit die documenten blijkt dat Nippon door [KB-medewerker 1] (‘ [schuilnaam] ’) ter veiling was aangeboden bij Ketterer en dat [het antiquariaat] Nippon daar op de veiling had gekocht alsmede de naam- en adresgegevens van [het antiquariaat] ;
c. uit een brief van Zwedens toenmalige advocaat van 28 augustus 2013 volgt dat Zweden beschikt over bij de huiszoeking in beslag genomen documenten, nu die brief vermeldt dat de KB Zweedse en Duitse politierapporten in bezit heeft waaruit blijkt dat het gestolen Nippon in 2003 was geveild bij Ketterer en verkocht aan [het antiquariaat] ;
d. [het antiquariaat] heeft Nippon sedert begin 2005 onder meer via haar website te koop aangeboden, hetgeen blijkt uit een door [het antiquariaat] overgelegd screenshot van 26 maart 2005 van de homepage van haar website. Hierop was een hyperlink geplaatst naar haar als pdf-bestand raadpleegbare catalogus 283, waarin Nippon met een uitvoerige beschrijving was opgenomen;
e. blijkens een brief van de advocaat van Zweden van 5 september 2012 aan [het antiquariaat] stelde Zweden zich toen met betrekking tot Nippon op het standpunt dat “...there can be no doubt about the provenance of the copy that is in your possession...”
Volgens [het antiquariaat] volgt hieruit dat Zweden op de genoemde tijdstippen bekend was met de verblijfplaats van Nippon en met de identiteit van [het antiquariaat] als bezitter of houder daarvan, althans dat Zweden op die tijdstippen met beperkt onderzoek die gegevens had kunnen achterhalen.
3.5 Zweden heeft hiertegen onder meer aangevoerd:
a. niet kenbaar is dat de producties 2, 3 en 4 bij de huiszoeking zijn aangetroffen, en Zweden betwist dat die zijn aangetroffen bij de huiszoeking en/of op dat moment aan de bij de huiszoeking aanwezige Zweden ter plekke ter inzage zijn gegeven en/of ter beschikking zijn gesteld;
b. Zweden heeft, voor zover het kan nagaan, niet ‘meteen na de huiszoeking’ van de Duitse politie informatie omtrent [het antiquariaat] als koper van Nippon en/of de producties 2, 3 en 4 ontvangen;
c. Zweden betwist dat [het antiquariaat] Nippon kort na de aanschaf op internet te koop heeft aangeboden. Zweden heeft pas omstreeks juli 2012 geconstateerd dat [het antiquariaat] een op Nippon gelijkend boek op internet te koop aanbood;
d. van de twee bij de huiszoeking aanwezige KB-medewerkers heeft [KB-medewerker 2] verklaard dat hij toen geen lijst van gestolen boeken heeft gezien en dat hij ongeveer een maand later een lijst heeft gezien van door [KB-medewerker 1] gestolen boeken waarvan hij zich niet herinnert dat daarop ook gegevens van de kopers stonden, en heeft [KB-medewerker 3] verklaard dat zij noch gedurende haar aanwezigheid in Hamburg bij de huiszoeking noch nadien kennis heeft gehad van een lijst van gestolen boeken met bijbehorende kopers;
e. productie 2 (het overzicht van door [KB-medewerker 1] bij Ketterer aangeboden titels met aanduiding van de kopers) is een Excel-tabel. Uit het proces-verbaal van de huiszoeking blijkt dat een dvd met Excel-tabellen met informatie over de veilingen in beslag is genomen, en ook dat de aanwezige Zweden daags na de huiszoeking (slechts) schriftelijke documenten hebben ingezien, hetgeen bevestigt dat zij productie 2 toen niet hebben gezien.
3.6 Het hof is van oordeel dat de grieven falen. Zweden heeft de gedocumenteerde stellingen van [het antiquariaat] dat informatie aangaande de koop van Nippon door [het antiquariaat] en de identiteit en vestigingsplaats van [het antiquariaat] bij de huiszoeking is gevonden en tijdens of kort na de huiszoeking ter kennis is gekomen van betrokken functionarissen van de Zweedse Staat, onvoldoende gemotiveerd betwist. Hierna wordt dit oordeel gemotiveerd.
Tussen partijen staat het volgende vast. [KB-medewerker 1] heeft in de jaren dat hij bij de KB werkte tientallen boeken van de KB ontvreemd. Na gerezen verdenking is de Zweedse politie een onderzoek gestart en in 2004 heeft [KB-medewerker 1] aan de Zweedse politie bekend dat hij onder meer Nippon had gestolen/verduisterd en ter veiling had aangeboden aan Ketterer. De huiszoeking bij Ketterer geschiedde op verzoek van Zweden (zie hiervoor onder 2.4) en vond blijkens het proces-verbaal daarvan plaats in het kader van een Zweedse gerechtelijke onderzoeksprocedure (“im Rahmen eines Ermittlungsverfahrens aus Schweden”). Zweden vaardigde naar de huiszoeking vijf Zweedse functionarissen af, namelijk een officier van justitie, twee politieambtenaren en twee medewerkers van de KB (in het proces-verbaal aangeduid als “die Schwedischen Staatsbürger” en verderop ook als “die Schweden”), die blijkens het proces-verbaal met instemming van de Duitse officier van justitie de huiszoeking begeleidden (“begleiteten die Durchsuchung im Einverständnis des Oberstaatsanwalt Kuhn”).
[KB-medewerker 1] heeft de ontvreemding van (onder meer) Nippon bekend tegenover de politie te Zweden. Uit het “Durchsuchungsvermerk” van de politie te Hamburg van 12 september 2005 blijkt dat naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van Zweden die dag een huiszoeking bij Ketterer heeft plaatsgevonden in verband met de door [KB-medewerker 1] bij KB ontvreemde werken (productie 1 bij conclusie van antwoord). Bij deze huiszoeking waren twee medewerkers van de Zweedse politie, een Zweedse officier van justitie en twee experts van de KB aanwezig.
De “Asservatenauflistung” van de politie te Hamburg van 14 september 2005 (productie 5 bij conclusie van antwoord) bevat een opsomming van de stukken die in beslag zijn genomen. Hierin is onder meer vermeld dat “Beutel 2” bevat “Käufer-rechnungen in Sachen [schuilnaam]” en “An den gesamten Inhalt des Beutels sind die Schweden interessiert.” Voorts is daarin vermeld: “Beutel 3 DVD mit Daten des Auktionshauses (...) 1 DVD mit den Auflistungen des Auktionshauses (Excel-Tabellen über stattgefundene Auktionen (...) Diese Daten werden von den Sweden benötigt”.
In voornoemd “Durchsuchungsvermerk” is vermeld: “Das Auktionshaus Ketterer hatte am 12.09.2005 eine Abrechnungsliste vorliegen, die uns über die Polizei in München zugefaxt wurde. Diese Auflistungen wurden als Beweismittel sichergestellt und befinden sich im Beutel mit der Nummer 4.” In voornoemde “Asservatenauflistung” is met betrekking tot die “Beutel” vermeld: “Beutel 4 Fax über Abrechnungen von Ketterer Kunst”, “- diverse Unterlagen” en “Diese werden von den Schweden benötigt.” Productie 16 bij memorie van antwoord is - onbetwist - een faxbericht van de politie te München d.d. 12 september 2005 14:40 uur, op briefpapier van een filiaal van Ketterer te München, waarop vermeld is met pen “Abrechnung” en onder andere “284”.
In productie 2 met in de kop “Tabelle 1_2” staat wat betreft Nippon: “284 754 (...) Nippon (...) 78.000 17.11.03 [schuilnaam] (...) [het antiquariaat] b.v. [001] (...)” In productie 3 houdende contactgegevens van [het antiquariaat] is bovenaan vermeld “ [001] ” en daaronder de naam en het adres van [het antiquariaat] , de naam van haar bestuurder en (met pen) het telefoonnummer van [het antiquariaat] . Productie 4 betreft een rekening van Ketterer d.d. 19 november 2003 waarop onder meer is vermeld: “Auktion 284”, “Kat.Nr (...) 754”, “Titel ... Nippon (...)” en “Summe brutto (...) 89.700,00”.
Gezien de aangehaalde woorden en nummers op de producties 2, 3 en 4 in verband met de aanhalingen uit de “Asservatenauflistung” en het “Durchsuchungsvermerk”, en in aanmerking genomen de aanleiding van de huiszoeking, is het hof van oordeel dat het verweer van [het antiquariaat] dat deze producties tijdens de huiszoeking op 12 september 2005 bij Ketterer zijn aangetroffen en door de Zweedse justitiële autoriteiten zijn ontvangen, onvoldoende gemotiveerd is weersproken door Zweden. Het had op zijn weg gelegen om dit door [het antiquariaat] gestelde resultaat van de huiszoeking gemotiveerd, met documenten gestaafd, te betwisten. Dit had Zweden bijvoorbeeld kunnen doen door alle stukken en data die zijn justitiële autoriteiten naar aanleiding van zijn rechtshulpverzoek hebben ontvangen van Duitsland in het geding te brengen, hetgeen Zweden echter heeft nagelaten.
Dit betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat de justitiële autoriteiten van Zweden kort na de huiszoeking op 12 september 2005 de beschikking hebben gekregen over de producties 2, 3 en 4. Het ligt voor de hand dat de bij de huiszoeking aanwezige officier van justitie en medewerkers van de Zweedse politie (kort) daarna kennis hebben genomen van deze producties, bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel. De plaats waar Nippon zich bevond en de identiteit van de bezitter of houder zijn aldus aan Zweden bekend geworden. Niet valt in te zien dat deze kennis van de Zweedse officier van justitie (en de twee Zweedse politiemedewerkers) niet aan Zweden is toe te rekenen, zoals Zweden ongemotiveerd stelt. Dat de KB volgens Zweden deze kennis van een en ander toen niet had, is niet van belang.
De conclusie hieruit is dat de verjaringstermijn van een jaar reeds lang was verstreken, voordat het huidige artikel 3:310a BW op 27 augustus 2015 in werking trad.
3.7 [het antiquariaat] heeft zich voor haar verjaringsverweer in hoger beroep voorts beroepen op de omstandigheid dat Zweden blijkens de correspondentie tussen partijen in ieder geval in 2012 beschikte over voldoende zekerheid dat Nippon zich bevond bij [het antiquariaat] in [plaats] en dus in ieder geval vanaf dat moment bekend was geworden met de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van de bezitter.
Ter uitwerking van dit beroep heeft [het antiquariaat] onder meer gewezen op de brief van de advocaat van Zweden aan [het antiquariaat] van 5 september 2012. Als bijlage was bij deze brief een rapport gevoegd van [KB-medewerker 4] van de KB van 3 september 2009, die zijn bevindingen presenteert als bewijs dat “...the example of Siebold “Nippon” (which is currently held by [het antiquariaat] b.v.) was stolen from our collections”. In de brief meldt de advocaat van Zweden dat het rapport bewijs oplevert dat Nippon “offered at your internet site once belonged to my client”, dat [KB-medewerker 4] bekend is met “the investigations by the German and Swedish police” en dat “there can be no doubt about the provenance of the copy which is in your possession.”
3.8 Het hof is van oordeel dat het beroep van [het antiquariaat] op verjaring ook op deze grond slaagt. Uit de brief van 5 september 2012 volgt dat Zweden in ieder geval op die datum bekend was met de identiteit van [het antiquariaat] en het feit dat Nippon zich bij haar bevond. De daaraan voorafgaande gebeurtenissen weggedacht, zou daarmee in ieder geval op die datum de verjaringstermijn van artikel 3:310a lid 1 BW (oud) zijn gaan lopen. Ook na 5 september 2012 is de correspondentie tussen (de advocaten van) partijen nog voortgezet. Het is denkbaar dat door Zweden in één van die latere brieven een op 5 september 2012 aangevangen verjaring is gestuit. Uit de stellingen van partijen volgt echter dat die correspondentie is geëindigd in 2013 en dat na de laatste brief van de advocaat van Zweden van 28 augustus 2013 en het antwoord daarop van de advocaat van [het antiquariaat] van 8 oktober 2013 geen verdere correspondentie of communicatie heeft plaatsgehad vóór de beslagpoging van Zweden op het adres van [het antiquariaat] in [plaats] op 7 december 2017. Ook indien de laatste brief van Zweden van 28 augustus 2013 stuiting van een lopende verjaring zou hebben betekend, zou door die stuiting, gelet op artikel 3:319 lid 1 BW, een nieuwe verjaringstermijn van één jaar zijn gaan lopen en zou de verjaring – de gebeurtenissen in 2005 weggedacht – uiterlijk zijn voltooid op 28 augustus 2014.3.9 Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [het antiquariaat] op verjaring slaagt op twee zelfstandige gronden. Zweden heeft in hoger beroep geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.3.10 De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Zweden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.”
[cursivering in origineel, A-G]
In cassatie
Bij procesinleiding van 6 juli 2021 – en derhalve tijdig – heeft Zweden bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 6 april 2021 (hierna: het arrest). [het antiquariaat] heeft een verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Het verweerschrift strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep, met veroordeling van Zweden in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het incidentele cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten van Zweden in het principale cassatieberoep slagen. In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep vordert [het antiquariaat] dat het arrest wordt vernietigd, met veroordeling van Zweden in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente. Zweden heeft in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep een verweerschrift ingediend, waarin Zweden zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Zweden verzoekt bij gegrondbevinding van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep de gevorderde veroordeling in de kosten van het geding te reserveren. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Zweden heeft gerepliceerd en [het antiquariaat] heeft gedupliceerd.