Home

Parket bij de Hoge Raad, 24-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:614, 21/04095

Parket bij de Hoge Raad, 24-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:614, 21/04095

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 juni 2022
Datum publicatie
5 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:614
Formele relaties
Zaaknummer
21/04095

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Financieel recht. Vordering tegen bank i.v.m. door MKB-ondernemers afgesloten renteswaps. Omkeringsregel toepasselijk? Essentiële stellingen gepasseerd?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04095

Zitting 24 juni 2022 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

S.D. Lindenbergh

In de zaak

1. Swapschade B.V.

2. [de vof]

3. [eiser 3]

4. Lotus Import Nederland B.V.

5. Nusa Inda B.V.

6. [de cv]

7. En 5 anderen

tegen

ABN AMRO N.V.

Eiseres tot cassatie in deze zaak is Swapschade B.V. (hierna: “Swapschade” te noemen). Swapschade treedt op als procesgevolmachtigde van tien partijen. De partijen die de procesvolmacht hebben verstrekt, worden gezamenlijk aangeduid als “ [eisers] ” (in meervoud) en afzonderlijk “ [de vof] ”, “ [eiser 3] ”, “ Lotus ”, “Nusa Inda”, “ [de cv] ”, “BMA”, “ [eiser 7] ”, “ De Pilaar ”, “ [eiser 9] ” en “ [eiser 10] ” genoemd. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als “ABN Amro”.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

[eisers] zijn ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (MKB). Zij hebben in de jaren 2005 tot en met 2008 renteswapovereenkomsten afgesloten met ABN Amro. Namens [eisers] vordert Swapschade schadevergoeding van ABN Amro. Swapschade stelt dat [eisers] rentecapovereenkomsten in plaats van renteswapovereenkomsten zouden zijn aangegaan als ABN Amro hen volledig had voorgelicht over de voor- en nadelen van die rentederivaten.

1.2

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Volgens het hof valt in het algemeen niet te verwachten dat een MKB-er destijds bij volledige voorlichting in plaats van een renteswapovereenkomst een rentecapovereenkomst zou zijn aangegaan. Het hof overweegt daartoe (1) dat het niet voor de hand lag om een (aanzienlijke) premie te betalen voor de mogelijkheid om te profiteren van rentedalingen, nu de verwachting was dat de rente zou blijven stijgen en (2) dat die (aanzienlijke) premie op voorhand had moeten worden voldaan en dus ten laste zou komen van de met de kredietfaciliteit aan te trekken liquide middelen. In dat licht heeft Swapschade naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen dragen dat [eisers] bij volledige voorlichting door ABN Amro rentecapovereenkomsten in plaats van renteswapovereenkomsten zouden hebben afgesloten. Ook het beroep van Swapschade op de omkeringsregel wordt verworpen. Swapschade heeft volgens het hof niet aannemelijk gemaakt dat het (specifieke) gevaar waartegen de ingeroepen norm bescherming beoogt te bieden, zich hier heeft verwezenlijkt.

1.3

In cassatie richt Swapschade klachten tegen de verwerping van het beroep op de omkeringsregel. Naar mijn mening slagen die klachten niet. Het hof is op toereikende gronden tot het oordeel gekomen dat Swapschade niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich hier het (specifieke) gevaar heeft verwezenlijkt waartegen de ingeroepen norm bescherming beoogt te bieden. Verder voert Swapschade aan dat het hof essentiële stellingen over de nadelen van renteswaps heeft gepasseerd. Ook deze klacht lijkt mij ongegrond, omdat die stellingen niet (voldoende kenbaar) in de sleutel van het condicio sine qua non-verband staan en gezien het processuele debat ook niet van zodanig gewicht zijn dat het hof hierop had moeten ingaan.

2 Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan rov. 3.1 tot en met 3.4 van het arrest van 6 juli 2021.1

2.1

[eisers] zijn ondernemers of zijn betrokken (geweest) bij ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (“MKB-ers”) die in de jaren 2005 tot en met 2008 renteswapovereenkomsten met ABN Amro hebben afgesloten ter afdekking van renterisico van hun bij ABN Amro lopende leningen met variabele rente. Meer in het bijzonder geldt voor deze partijen het volgende.

(i) [de vof] kweekte snijbloemen in de gemeente Westland en bankierde sinds de jaren negentig bij ABN Amro. Eind 2004/begin 2005 wilde zij tuinland en een glasopstand met installaties en toebehoren kopen om haar onderneming uit te breiden. Op 9 februari 2005 ondertekenden de drie toenmalige vennoten van [de vof] een kredietovereenkomst met ABN Amro, waarmee de bestaande kredietfaciliteit van [de vof] werd verhoogd en zij een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 3.750.419,78, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 300.000,-, een bestaande lening van pro resto € 182.419,78 met een resterende looptijd van negentien jaar en zes maanden, een twintigjarige lening van € 1.300.000,-, een vijftienjarige borgstellingslening van € 450.000,- en een dertigjarige lening van € 1.518.000,-. [de vof] koos voor variabele rente. Op 4 april 2005 is [de vof] een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 500.000,-, een looptijd van zeven jaar en een vaste rente van 3,83%, met als referentierente 1-maands Euribor.2 Op die dag is [de vof] een tweede renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 500.000,-, een looptijd van vijf jaar en een vaste rente van 3,62%, met als referentierente 1-maands Euribor. Op 1 juli 2008 heeft [de vof] de eerder genoemde dertigjarige lening van € 1.518.000,- geherfinancierd door een tienjarige Euribor-lening van € 1.750.000,- aan te gaan. Op 23 juli 2008 is [de vof] een derde renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 799.946,-, een looptijd van tien jaar en een vaste rente van 5,28%, met als referentierente 1-maands Euribor. Op de einddata van de twee eerder door [de vof] aangegane renteswapovereenkomsten nam de hoofdsom met telkens € 500.000,- toe. Per 1 januari 2018 zijn twee van de drie vennoten van [de vof] uitgetreden, waarna de overgebleven vennoot de onderneming heeft voortgezet als eenmanszaak.

(ii) Een bedrijf van [eiser 3] maakt elektronica, zoals de matrixborden boven de snelweg. [eiser 3] stapte in 2005 van ING en Westland Utrecht Hypotheekbank over naar ABN Amro. ING wilde de relatie destijds beëindigen. Op 19 december 2005 ondertekende [eiser 3] een kredietovereenkomst met ABN Amro, waarmee hij een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 1.800.000,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 50.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 1.500.000,- en een tienjarige Euribor-lening van € 250.000,-. Op 19 december 2005 is [eiser 3] een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 1.750.000,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 3,59% en met de 1-maands Euribor als referentierente.

(iii) Lotus importeert, exporteert, onderhoudt en verkoopt sportauto’s. In 2006 had zij financiering nodig voor de aanschaf van een bedrijfspand. Op 1 juni 2006 werd namens Lotus een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee Lotus een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 1.000.000,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 100.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 400.000,- en een twintigjarige Euribor-lening van € 500.000,-. Op 7 juni 2006 is Lotus een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 900.000,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 4,30% en met de 3-maands Euribor als referentierente. Bij e-mail van 9 juni 2011 heeft ABN Amro aan Lotus bericht dat indien Lotus de opbrengst van de verkoop van een tankstation direct zou aanwenden voor de aflossing van de leningen, zij geconfronteerd zou worden met de negatieve waarde van de renteswapovereenkomst. Van het door Lotus uit de verkoop ontvangen bedrag van € 700.000,- werd € 600.000,- op een geblokkeerde deposito geplaatst en verpand aan ABN Amro. De resterende € 100.000,- kon worden afgelost op het rekening-courant krediet.

(iv) Nusa Inda (of één of meer van haar dochtervennootschappen) produceert etenswaren voor grootafnemers. Zij bankiert sinds 1995 bij ABN Amro. Zij wilde eind 2006 de nieuwbouw van een bedrijfspand met productiekeuken financieren. Op 31 januari 2007 werd namens Nusa Inda een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee Nusa Inda een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 3.400.000,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 300.000,- (was voordien € 158.823,-), een tienjarige Euribor-lening van € 2.300.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 400.000,- en een twintigjarige Euribor-lening van € 400.000,-. Op 9 februari 2007 is Nusa Inda met ingang van 1 april 2007 een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 2.300.000,-, een looptijd van negen jaar en tien maanden, een vaste rente van 4,32% en met de 3-maands Euribor als referentierente. Op 12 februari 2007 is Nusa Inda een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 400.000,-, een looptijd van negen jaar, een vaste rente van 4,32% en met de 3-maands Euribor als referentierente.

(v) [de cv] is eigenaar van een winkelcentrum en exploiteert een aantal winkels (Albert Heijn, Etos en Gall en Gall). Zij bankierde sinds 1999 bij ABN Amro. Begin 2007 had zij financiering nodig voor een arrangement van Albert Heijn Franchising B.V. Op 24 april 2007 werd namens [de cv] een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee [de cv] een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 5.192.387,99, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 875.000,- (was voordien € 300.000,-), een bestaande vijftienjarige lening van pro resto € 419.111,41, een bestaande tienjarige lening van pro resto € 95.611,10, een bestaande zesjarige lening van pro resto € 27.665,48, een tienjarige Euribor-lening van € 1.625.000,-, een 25-jarige Euribor-lening van € 250.000,-, een zevenjarige Euribor-lening van € 900.000,- en een twaalfjarig borgstellingskrediet van € 1.000.000,-. Op 11 mei 2007 is [de cv] met ingang van 1 januari 2008 een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 894.600,-, een looptijd van zeven jaar, een vaste rente van 4,63% en met de 1-maands Euribor als referentierente. Op 11 mei 2007 is [de cv] met ingang van 1 januari 2008 een tweede renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 1.625.000,-, een looptijd van negen jaar en tien maanden, een vaste rente van 4,65% en met de 1-maands Euribor als referentierente. Op 11 mei 2007 is [de cv] met ingang van 1 januari 2008 een derde renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van aanvankelijk € 979.245,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 4,65% en met de 1-maands Euribor als referentierente. Per 5 september 2018 is [de cv] uitgeschreven uit het Handelsregister. Haar onderneming is met ingang van 29 augustus 2018 voortgezet door [A] B.V.

(vi) In 2007 bestond de onderneming van BMA (of van één of meer van haar dochtervennootschappen) uit een opleidingsinstituut en examenbureau voor onder meer managementtrainingen en arbo-veiligheid. Zij is gespecialiseerd in projecten op het gebied van kennisoverdracht en instrumentontwikkeling ten behoeve van brancheorganisaties. Op 5 oktober 2007 werd namens BMA een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee BMA een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 2.200.000,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 350.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 1.280.000,-, een twintigjarige Euribor-lening van € 300.000,- en een vijfjarige Euribor-lening van € 270.000,-. De Euribor-leningen dienden ter overname van een faciliteit van BMA bij Rabobank. Op 4 oktober 2007 is BMA een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 1.850.000,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 4,78% en met de 1-maands Euribor als referentierente.

(vii) De onderneming waarbij [eiser 7] in 2008 betrokken was, produceerde wapeningsstaal voor betonconstructies. Ook richtte [eiser 7] zich op de handel in roerende en onroerende goederen en rechten, het huren en verhuren van zodanige goederen en het beheren van effecten. In 2008 was financiering nodig in verband met de koop van [eiser 7] door REPS Holding B.V. Op 21 april 2008 werd namens [eiser 7] een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee [eiser 7] een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 1.073.172,05, bestaande uit een bestaande tienjarige Euribor-lening van € 47.647,03 pro resto, een bestaande tienjarige Euribor-lening van € 25.525,02 pro resto, een tienjarige Euribor-lening van € 775.000,-, een 25-jarige Euribor-lening van € 180.000,- en een vijfjarige Euribor-lening van € 45.000,-. Op 21 april 2008 is [eiser 7] met ingang van 1 juni 2008 een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 1.000.000,-, een looptijd van negen jaar en elf maanden, een vaste rente van 4,79% en met de 1-maands Euribor als referentierente.

(viii) De Pilaar is een in Haarlem gevestigde ontwikkelaar, die zich richt op het bouwen en beheren van maatschappelijk vastgoed, zoals kinderdagverblijven. In 2008 heeft zij verzocht om financiering voor de aankoop van onroerende zaken in Amersfoort en Houten. Op 2 mei 2008 werd namens De Pilaar een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee De Pilaar een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 3.000.000,-, bestaande uit een rekening-courantkrediet van € 150.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 2.300.000,- en een 25-jarige Euribor-lening van € 550.000,-. Op 6 mei 2008 is De Pilaar een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 2.644.500,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 4,77% en met de 1-maands Euribor als referentierente.

(ix) [eiser 9] heeft een bedrijf gehad dat zich bezig hield met de fabricage van en handel in plaatwerk en constructiewerken. Omstreeks 2000 heeft hij het bedrijf verkocht. In 2008 zocht hij financiering voor de aankoop van twee kantoorpanden die hij in privé zou kopen als belegging. Op 26 mei 2008 heeft hij een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee hij een vijfjarige Euribor-lening van € 2.400.000,- pro resto en een vijfjarige Libor-lening van CHF 3.895.000,- is aangegaan. Op 30 mei 2008 is [eiser 9] met ingang van 1 juli 2008 een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 2.400.000,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 5,20% en met de 1-maands Euribor als referentierente. Op 26 augustus 2008 heeft [eiser 9] een nieuwe kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee hij een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 3.100.000,- en CHF 4.548.800,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 300.000,-, de bestaande vijfjarige Euribor-lening van € 2.400.000,- pro resto, de bestaande vijfjarige Libor-lening van CHF 3.895.000,- pro resto, een tienjarige Euribor-lening van € 400.000,- en een tienjarige lening van CHF 653.800,-. Op 1 oktober 2008 is [eiser 9] met ingang van 1 november 2008 een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 400.000,-, een looptijd van negen jaar en elf maanden, een vaste rente van 5,15% en met de 1-maands Euribor als referentierente. Op 20 januari 2014 heeft [eiser 9] een nieuwe kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee hij een nieuwe vijfjarige Euribor-lening kreeg van € 2.400.000,-.

(x) [eiser 10] exploiteert restaurant-brasserie De Meiboom in Aalst. Zij heeft het restaurant in 2000 overgenomen. Zij is toen het pand gaan huren waarin het restaurant is gevestigd. Een gedeelte van het pand is woonhuis. In 2008 deed voor [eiser 10] de mogelijkheid zich voor om het pand te kopen. Op 22 juli 2008 heeft [eiser 10] een kredietovereenkomst met ABN Amro ondertekend, waarmee zij een faciliteit ter beschikking kreeg van in totaal € 530.000,-, bestaande uit een rekening-courant krediet van € 35.000,-, een tienjarige Euribor-lening van € 445.000,- en een 25-jarige Euribor-lening van € 50.000,-. Op 22 juli 2008 is [eiser 10] een renteswapovereenkomst aangegaan met een hoofdsom van € 505.000,-, een looptijd van tien jaar, een vaste rente van 5,40% en met de 1-maands Euribor als referentierente.

2.2

Geen van de renteswapovereenkomsten van [eisers] is vervroegd beëindigd en geen van de volmachtgevers heeft aan ABN Amro enig bedrag betaald op de grond dat de renteswapovereenkomst een negatieve waarde had. Bij Lotus is wel een bedrag geblokkeerd geweest in verband met de negatieve waarde van de renteswapovereenkomst.

2.3

De Autoriteit Financiële Markten (“AFM”) heeft vastgesteld dat verschillende banken de belangen van MKB-klanten onvoldoende in acht hebben genomen bij het adviseren over en het aangaan van rentederivaten, zoals renteswaps. In maart 2016 heeft de minister van Financiën een onafhankelijke commissie in het leven geroepen (“de derivatencommissie”). In december 2016 heeft de derivatencommissie een rapport gepubliceerd met de titel Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB (“het herstelkader”).3 Aan de hand daarvan kunnen banken rentederivatencontracten beoordelen en vergoedingen aan klanten toekennen.

2.4

In 2017 en 2018 heeft ABN Amro in het kader van de herbeoordeling van haar rentederivaten onder het herstelkader een voorschot van € 100.000,- betaald aan Nusa Inda, een voorschot van € 41.500,- aan Lotus en een voorschot van (in elk geval) € 80.000,- aan [eiser 9] . Vervolgens heeft ABN Amro ‘definitieve aanbiedingen’ aan Nusa Inda, Lotus en [eiser 9] gedaan, die zij niet hebben aanvaard.

3 Procesverloop

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 14 mei 2018 heeft Swapschade ABN Amro in rechte betrokken. Swapschade vorderde in eerste aanleg als procesgevolmachtigde van [eisers] samengevat (i) een verklaring voor recht dat ABN Amro toerekenbaar tekort is geschoten in haar algemene en bijzondere zorgplichten en (ii) veroordeling van ABN Amro tot betaling van € 806.601,- aan [de vof] , € 314.791,- aan [eiser 3] , € 206.952,- aan Lotus , € 761.571,- aan Nusa Inda, € 961.780,- aan [de cv] , € 628.386,- aan BMA, € 403.506,- aan [eiser 7] , € 1.134.618,- aan De Pilaar , € 1.363.074,- aan [eiser 9] en € 259.546,- aan [eiser 10] .

3.2

Swapschade verwijt ABN Amro met name dat zij de volmachtgevers renteswaps en geen rentecaps heeft geadviseerd en dat zij de volmachtgevers niet heeft geïnformeerd over de eigenschappen en risico’s van renteswaps. Hierdoor zou ABN Amro haar (pre)contractuele zorgplicht hebben geschonden althans in strijd hebben gehandeld met de Wet financiële dienstverlening en/of haar Algemene Bankvoorwaarden. ABN Amro zou aldus onrechtmatig hebben gehandeld (art. 6:162 BW) dan wel toerekenbaar tekort zijn geschoten (art. 6:74 BW).

3.3

ABN Amro heeft in reconventie, na vermindering van eis, samengevat gevorderd dat de rechtbank Lotus , Nusa Inda en [eiser 9] zal veroordelen tot terugbetaling van de onder 2.4 hiervoor genoemde bedragen. Daartoe heeft ABN Amro gesteld dat Lotus , Nusa Inda en [eiser 9] deze bedragen als voorschot hebben ontvangen onder de voorwaarde dat zij het definitieve aanbod onder het herstelkader zouden aanvaarden. Nu zij dit niet hebben aanvaard, zijn zij gehouden om de voorgeschoten bedragen terug te betalen, aldus ABN Amro.

3.4

Bij brief van 17 september 2018 heeft de rechtbank Amsterdam meegedeeld dat zij voornemens is de zaak te splitsen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

3.5

Beide partijen hebben zich hierover bij akte van 17 oktober 2018 uitgelaten. Swapschade heeft zich tegen een splitsing verzet met het betoog dat er een grote samenhang bestaat in de eis voor alle volmachtgevers en dat het daarom niet doelmatig is om de zaak te splitsen.

3.6

In een brief van 21 november 2018 heeft de rechtbank meegedeeld dat in de reacties van partijen aanleiding wordt gezien om de voorgenomen splitsing van de zaak achterwege te laten. Daarna heeft de rechtbank bij (tussen)vonnis van 23 januari 2019 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie van partijen heeft op 5 juni 2019 plaatsgevonden.

3.7

Op 17 juli 2019 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen.4 De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie toegewezen.

3.8

De beslissing in conventie is als volgt gemotiveerd. Uit de akte van Swapschade van 17 oktober 2018 volgt dat zij kennelijk koos voor het voeren van de procedure op basis van een generieke onderbouwing (rov. 4.1). De zaak wordt dan ook aangemerkt als een generieke procedure en de rechtbank zal daarom slechts ingaan op de algemene, voor alle volmachtgevers geldende argumenten (rov. 4.2). Naar het oordeel van de rechtbank moet de vraag of een rentecap had moeten worden geadviseerd en verkocht in plaats van een renteswap, per individueel geval worden beantwoord (rov. 4.3). Ook het verwijt dat ABN Amro de volmachtgevers niet heeft voorgelicht over de eigenschappen en risico’s van de renteswaps kan niet in zijn algemeenheid worden beoordeeld, omdat per geval moet worden bezien of ABN Amro aan haar zorgplicht heeft voldaan (rov. 4.5). Tenslotte heeft ABN Amro terecht aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de volmachtgevers, indien zij volledig waren geïnformeerd of indien hen een rentecap was geadviseerd, ook daadwerkelijk een rentecap hadden afgesloten. Dat betekent dat de vorderingen ook afstuiten op het causaal verband (rov. 4.6).

3.9

Aan het oordeel in reconventie liggen de volgende overwegingen ten grondslag. In de brieven van ABN Amro van 16 en 19 oktober 2017 en 30 november 2017 aan Nusa Inda, Lotus en [eiser 9] is voldoende duidelijk vermeld dat de betaalde voorschotbedragen zouden moeten worden terugbetaald als het definitieve aanbod onder het herstelkader niet zou worden aanvaard (rov. 4.8). Vast staat dat Nusa Inda, Lotus en [eiser 9] het definitieve aanbod niet hebben aanvaard (rov. 4.8). Het beroep van Swapschade op misbruik van recht, misbruik van omstandigheden en op strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen (rov. 4.9).

In hoger beroep

3.10

Swapschade heeft bij dagvaarding van 26 september 2019 hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 23 januari 2019 en 17 juli 2019. Zij heeft een memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis van De Pilaar en [eiser 9] en vermindering van eis van Lotus , ingediend. ABN Amro heeft een memorie van antwoord genomen. Ter zitting van 4 juni 2021 hebben partijen de zaak laten bepleiten.

3.11

Bij arrest van 6 juli 20215 heeft het hof Amsterdam (kort gezegd) de bestreden vonnissen bekrachtigd met veroordeling van Swapschade in de proceskosten in hoger beroep.

3.12

De overwegingen van het hof kunnen als volgt worden samengevat.

3.13

Rov. 1, 2 en 3 betreffen de kern van de zaak, het procesverloop in hoger beroep en de feiten. In rov. 4.1-4.4 worden de vorderingen in eerste aanleg, het dictum van het vonnis en de eis in hoger beroep weergegeven. Rov. 4.5 gaat over een grondslagvermeerdering en een incidentele vordering van Swapschade die zij ter zitting van 4 juni 2021 weer heeft ingetrokken.

3.14

Rov. 4.6-4.7 houden verband met de mogelijke splitsing van deze zaak. In rov. 4.7 beslist het hof dat de zaak niet wordt gesplitst omdat partijen geen verlangen daartoe kenbaar hebben gemaakt en het hof zich voldoende voorgelicht acht om de zaak thans te kunnen afdoen.

3.15

Naar de vaststelling van het hof zien de gevorderde bedragen (afgezien van de eisvermeerderingen die in rov. 4.17-4.24 apart worden behandeld) op schade die is veroorzaakt doordat [eisers] renteswap- in plaats van rentecapovereenkomsten hebben afgesloten (rov. 4.8).

3.16

Vervolgens heeft het hof beoordeeld of is voldaan aan het vereiste van causaal verband.

3.17

Het hof wijst eerst op de overweging van de rechtbank dat de vorderingen afstuiten op het ontbreken van het voor toewijzing vereiste causaal verband. Swapschade heeft hiertegen een grief gericht en daarbij heeft zij een beroep gedaan op de omkeringsregel (rov. 4.9).

3.18

In rov. 4.10 heeft het hof de volgende maatstaf vooropgesteld:

“4.10 Het bestaan en de omvang van de schade moeten worden vastgesteld door de situatie zoals zij zich in werkelijkheid heeft voorgedaan te vergelijken met de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de (gestelde) onrechtmatige gedragingen achterwege waren gebleven. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op de benadeelde.”

3.19

Naar het oordeel van het hof valt in het algemeen niet te verwachten dat een MKB-er in de jaren 2005 tot en met 2008 in plaats van de afgesloten renteswapovereenkomst een rentecapovereenkomst zou zijn aangegaan indien hij volledig zou zijn voorgelicht over de voor- en nadelen van beide rentederivaten. Het hof komt tot dat oordeel omdat (1) het niet voor de hand lag om een (aanzienlijke) premie te betalen voor de mogelijkheid om te profiteren van rentedalingen, nu de verwachting was dat de rente zou blijven stijgen en (2) die (aanzienlijke) premie op voorhand had moeten worden voldaan en dus ten laste zou komen van de met de kredietfaciliteit aan te trekken liquide middelen. Het hof overweegt in dat kader als volgt:

“4.11 De stelling van Swapschade dat een MKB-er die een variabele lening afsluit of heeft afgesloten, en een renterisico wil afdekken, in het algemeen de voorkeur zal geven aan een rentecap boven een renteswap, indien hij of zij voldoende is voorgelicht over de voor- en nadelen van beide rentederivaten, onderschrijft het hof niet. Het ligt niet voor de hand om indien, zoals destijds het geval was, de verwachting was dat de rentetarieven zouden blijven stijgen, een (aanzienlijke) premie te betalen voor de mogelijkheid om te profiteren van niet verwachte rentedalingen. Daar komt bij dat die (aanzienlijke) premie op voorhand had moeten worden voldaan en daarmee dus ten laste zou komen van de met de kredietfaciliteit ten behoeve van de onderneming aan te trekken liquide middelen. Met de wetenschap van nu, de sterke daling van de rentetarieven in de jaren na 2008, zou iedereen voor een rentecap hebben gekozen of, wat meer voor de hand ligt, hebben afgezien van elke afdekking van het renterisico bij Euribor-leningen. Van die wetenschap mag echter niet worden uitgegaan, omdat deze is gebaseerd op wijsheid achteraf (hindsight bias). Uitgegaan moet worden van de wetenschap ten tijde van het aangaan van de renteswapovereenkomsten (vergelijk: hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1309, rov. 3.13). Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat het bij het aangaan van de renteswapovereenkomsten voor [eisers] maar ook voor ABN Amro niet voorzienbaar was dat de rente na 2008 structureel sterk zou gaan dalen.

4.12

Op grond van het voorgaande valt in het algemeen niet te verwachten dat een MKB-er die in de jaren 2005 tot en met 2008 een of meer renteswapovereenkomsten heeft afgesloten ter afdekking van renterisico van een of meer leningen met variabele rente, in plaats van de afgesloten renteswapovereenkomsten een rentecapovereenkomst zou hebben afgesloten indien hij of zij volledig zou zijn voorgelicht over de voor- en nadelen van beide rentederivaten. Ook voor alle andere normschendingen die Swapschade in haar vorderingen heeft genoemd, geldt dat (indien moet worden aangenomen dat ABN Amro die normen geschonden heeft) in het algemeen niet valt te verwachten dat, indien die normschendingen zouden zijn uitgebleven, de betrokken MKB-er rentecapovereenkomsten zou hebben afgesloten in plaats van de renteswapovereenkomsten. In het algemeen valt juist te verwachten dat de betrokken MKB-er ook dan de renteswapovereenkomsten zou hebben afgesloten die hij of zij heeft afgesloten. Om in een individueel geval tot een ander oordeel te kunnen komen, dient de benadeelde MKB-er voldoende feiten en omstandigheden te stellen (en bij voldoende gemotiveerde betwisting voldoende aannemelijk te maken) die toegesneden zijn op zijn of haar individuele geval en die een andere verwachting over de hypothetische situatie rechtvaardigen dan de hiervoor gegeven algemene verwachting.”

3.20

In rov. 4.13 overweegt het hof dat Swapschade voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep onder meer schriftelijke verklaringen van [eisers] in het geding heeft gebracht. Het hof citeert passages uit deze verklaringen (rov. 4.13.1-4.13.10) en oordeelt vervolgens in rov. 4.14 dat deze verklaringen onvoldoende zijn om het oordeel te kunnen dragen dat [eisers] in de hypothetische situatie een andere keuze zouden hebben gemaakt:

“4.14 Alle verklaringen blijven steken in de algemene verklaring dat de betrokken appellant een rentecap zou hebben gekozen en bereid en in staat zou zijn geweest de premie daarvoor te betalen. Dat is onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat zij in hun individuele geval in de hypothetische situatie een andere keuze zouden hebben gemaakt dan zij in werkelijkheid hebben gemaakt. Hetgeen Swapschade in de memorie van grieven onder het kopje “individuele omstandigheden” voor iedere appellant afzonderlijk heeft gesteld, voegt daar onvoldoende concrete feitelijke stellingen aan toe. Appellanten hebben dus onvoldoende gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat zij in de hypothetische situatie een andere keuze zouden hebben gemaakt dan zij in werkelijkheid hebben gedaan en dat zij rentecapovereenkomsten zouden hebben afgesloten in plaats van de renteswapovereenkomsten. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe. Ook het aanbod te bewijzen (i) dat [eisers] geen renteswapovereenkomsten zouden hebben gesloten indien zij door ABN Amro voldoende waren geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de eigenschappen en risico’s van een renteswap en (ii) dat [eisers] een rentecapovereenkomst zouden hebben afgesloten indien zij door ABN Amro waren geïnformeerd over de mogelijkheid van een rentecap en de eigenschappen van dit product (memorie van grieven, nr. 62 onder 6 en 7) wordt op die grond gepasseerd.”

3.21

Het hof verwerpt in rov. 4.15 het beroep op de omkeringsregel:

“4.15 Voor toepassing van de omkeringsregel is vereist dat een gedraging heeft plaatsgevonden die in strijd is met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Hiervóór heeft het hof geoordeeld dat Swapschade onvoldoende heeft gesteld om het oordeel te kunnen dragen dat [eisers] in de hypothetische situatie een andere keuze zouden hebben gemaakt dan zij in werkelijkheid hebben gedaan en dat zij rentecapovereenkomsten zouden hebben afgesloten in plaats van renteswapovereenkomsten. Hierin ligt besloten dat, indien al enige van de door Swapschade ingeroepen normen voldoen aan vorenstaande omschrijving, Swapschade in elk geval niet aannemelijk hee[e]ft gemaakt dat in de gevallen van [eisers] het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Het beroep op de omkeringsregel wordt daarom verworpen.”

3.22

Rov. 4.16-4.24 betreffen de eisvermindering ten aanzien van Lotus en de eisvermeerderingen ten aanzien van De Pilaar en [eiser 9] . De eisvermindering behoeft volgens het hof geen bespreking (rov. 4.16). Met betrekking tot de eisvermeerderingen beslist het hof als volgt.

3.23

De eisvermeerdering ten aanzien van De Pilaar berust op de stelling dat zij in 2011 een pand in Houten voor € 1,9 miljoen had kunnen verkopen, als zij de toen bestaande negatieve waarde voor de renteswap niet had hoeven te betalen, en dat zij het pand in 2018 heeft verkocht voor € 1,1 miljoen (rov. 4.17). Voor zover aan de vordering ten grondslag ligt dat De Pilaar de renteswapovereenkomst bij volledige voorlichting door ABN Amro niet zou hebben afgesloten, stuit deze af op de eerdere overwegingen over het causaal verband (rov. 4.18). Voor zover de vordering erop is gebaseerd dat ABN Amro in 2011 een norm heeft geschonden door bij verkoop van het pand aanspraak te maken op aanzuivering van de negatieve waarde van de renteswap, honoreert het hof het beroep op verjaring (rov. 4.19-4.21).

3.24

Ten aanzien van [eiser 9] berust de eisvermeerdering op de stelling dat zij gezien een brief van ABN Amro van 21 december 2018 recht heeft op een compensatie van renteopslag van € 54.325,98, vermeerderd met wettelijke rente ad € 2.395,92 (rov. 4.22). Het hof verenigt zich met het betoog van ABN Amro dat [eiser 9] geen rechten kan ontlenen aan deze brief, omdat [eiser 9] het daarin vervatte aanbod tot compensatie niet heeft geaccepteerd (rov. 4.23-4.24).

3.25

Het hof is op deze gronden tot het oordeel gekomen dat de vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is (rov. 4.25). Ditzelfde geldt voor de gevorderde verklaringen voor recht, omdat onvoldoende gesteld of gebleken is dat [eisers] hierbij een zelfstandig belang hebben (rov. 4.26). De vorderingen tot betaling van wettelijke rente, tot verwijzing naar de schadestaat, tot vergoeding van de proceskosten en tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad delen dit lot (rov. 4.27). Dit betekent dat de grieven falen. De bestreden vonnissen worden bekrachtigd met veroordeling van Swapschade in de proceskosten in hoger beroep (rov. 4.28).

In cassatie

3.26

Bij procesinleiding van 1 oktober 2021 (derhalve tijdig) heeft Swapschade cassatieberoep ingesteld. ABN Amro heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten en daarna gerepliceerd en gedupliceerd.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie