Home

Parket bij de Hoge Raad, 28-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:634, 20/02013

Parket bij de Hoge Raad, 28-06-2022, ECLI:NL:PHR:2022:634, 20/02013

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28 juni 2022
Datum publicatie
28 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:634
Formele relaties
Zaaknummer
20/02013

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van doodslag op twee broers bij een schietpartij in een café in Nijmegen in 2016. Middelen over o.m. (i) het gebruik voor het bewijs van een eigen waarneming van het hof dat op camerabeelden is te zien dat de verdachte een voorwerp vasthoudt dat “veel meer lijkt op een pistool dan op een mobiele telefoon”, (ii) het gebruik voor het bewijs van een verklaring die in het kader van een WOD-traject ex art. 126j Sv van een toenmalig medeverdachte is verkregen; vergelijking met de mr. Big-methode, (iii) verschillende bewijs- en motiveringsklachten t.a.v. het gebruik van forensisch bewijsmateriaal. De AG stelt zich op het standpunt dat in een geval als dit, waarin tijdens een WOD-traject intimidatie is ingezet als middel om informatie te verkrijgen van een medeverdachte, ook het toetsingskader zoals uitgezet in de mr. Big-zaken moet worden toegepast en dat het hof – gelet op het gevoerde verweer – het gebruik van de hierdoor verkregen verklaring ontoereikend heeft gemotiveerd. Ook meent de AG dat een aantal klachten over het bewijs doel treft. Alles overziend is de AG van oordeel dat de zaak opnieuw moet worden behandeld in feitelijke aanleg en is het advies het arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/02013

Zitting 28 juni 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De verdachte is bij arrest van 2 juli 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het eerste en tweede alternatief subsidiair bewezenverklaarde “telkens: medeplegen van doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest. Ook is de onttrekking aan het verkeer van een boksbeugel bevolen en beslist op vorderingen van drie benadeelde partijen en zijn dienovereenkomstig schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2 De strafzaak

2.1.

In deze zaak staat vast dat de verdachte [verdachte] en zijn broer [betrokkene 1] zich op 9 mei 2016 in een café in Nijmegen bevonden. In dat café waren ook onder meer de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]1 aanwezig, met wie zij een conflict hadden. Er heeft toen een schietpartij plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven zijn gekomen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er met drie verschillende vuurwapens in totaal 22 keer is geschoten. De vuurwapens zijn niet gevonden en er zijn beperkt beelden beschikbaar van de bewakingscamera die zich in het café bevond. [betrokkene 1] heeft bekend dat hij eerst met zijn eigen vuurwapen op de broers [slachtoffer 1 en 2] heeft geschoten en vervolgens het vuurwapen van [slachtoffer 1] heeft gepakt en ook daarmee op hen heeft geschoten. De verdachte heeft ontkend dat hij heeft geschoten. Het hof zag zich voor de vraag gesteld wie met het derde vuurwapen heeft geschoten: de verdachte of [slachtoffer 2] . Het hof heeft bewezen geacht dat het de verdachte is geweest en [betrokkene 1] en [verdachte] veroordeeld wegens medeplegen van doodslag op de broers [slachtoffer 1 en 2] .2

3 De cassatiemiddelen

3.1.

Namens de verdachte zijn vijf cassatiemiddelen ingediend die als volgt kunnen worden samengevat:

(i) Het eerste middel keert zich tegen het gebruik voor het bewijs van de eigen waarneming van het hof in de raadkamer dat op camerabeelden is te zien dat de verdachte een voorwerp vasthoudt dat “veel meer lijkt op een pistool dan op een mobiele telefoon”.

(ii) Het tweede middel richt zich tegen het gebruik voor het bewijs van een verklaring die is verkregen in het kader van een WOD-traject3 en de overwegingen van het hof daarover.

(iii) Het derde middel houdt verschillende bewijs- en motiveringsklachten in over het gebruik van forensisch bewijsmateriaal en het ontbreken van responsen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv.

(iv) Het vierde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te reageren op het beroep op noodweerexces en putatief noodweer en dat de verwerping van het beroep op noodweer onbegrijpelijk is.

(v) Het vijfde middel houdt in dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden en dat daarom strafvermindering moet plaatsvinden.

4 Het bestreden arrest en de aanvulling daarop van het hof

5 Het eerste middel

6 Het tweede middel

7 Het derde middel

8 Het vierde middel

9 Het vijfde middel

10 Conclusie