Home

Parket bij de Hoge Raad, 08-07-2022, ECLI:NL:PHR:2022:689, 21/02116

Parket bij de Hoge Raad, 08-07-2022, ECLI:NL:PHR:2022:689, 21/02116

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
8 juli 2022
Datum publicatie
1 september 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:689
Formele relaties
Zaaknummer
21/02116

Inhoudsindicatie

Europees recht. Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid Nederlandse rechter; pluraliteit van verweerders (art. 8 lid 1 EEX-Vo); beschikking Griekse mededingingsautoriteit; Nederlandse ankergedaagde; mededingingsrechtelijk begrip ‘onderneming’; arrest Sumal (HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800).

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/02116

Zitting 8 juli 2022

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak van

1 Athenian Breweries S.A.,

2. Heineken N.V.,

eiseressen tot cassatie, verweersters in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. W.H. van Hemel,

tegen

Macedonian Thrace Brewery S.A.,

verweerster in cassatie, eiseres in het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. P.A. Fruytier.

Eiseressen tot cassatie worden hierna aangeduid als AB en Heineken en samen als Heineken c.s.. Verweerster in cassatie wordt aangeduid als MTB.

1 Inleiding

1.1

Deze zaak betreft een bevoegdheidsincident. De Griekse bierbrouwerij MTB heeft de eveneens Griekse bierbrouwerij AB gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam wegens schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van mededingingsverstorende gedragingen van AB op de Griekse biermarkt. MTB heeft tevens Heineken gedagvaard, de holdingmaatschappij van AB. MTB stelt dat Heineken en AB in mededingingsrechtelijke zin tot dezelfde onderneming behoren die de inbreuk heeft gepleegd. MTB stelt dat Heineken daarom tegenover haar hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die volgens haar door genoemde inbreuk is veroorzaakt.

1.2

Niet in geschil is dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Heineken. Heineken is immers in Amsterdam gevestigd. Wel in geschil is of de rechtbank op grond van Verordening 1215/2012,1 hierna aan te duiden als Brussel I-bis, bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB. De rechtbank oordeelde van niet en heeft zich in zoverre onbevoegd verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat de rechtbank op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis wél bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van MTB tegen AB, omdat tussen die vorderingen en de vorderingen van MTB tegen Heineken een nauwe samenhang bestaat. Ik meen dat dit oordeel juist is.

1.3

Deze zaak raakt aan een bredere discussie, namelijk in hoeverre de uitleg van het begrip ‘onderneming’ uit het Europese mededingingsrecht doorwerkt in de geharmoniseerde bevoegdheidsregels van internationaal privaatrecht. Aanleiding voor dit debat is recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU of Hof), waarin is uitgemaakt dat het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip niet alleen van toepassing is op de publiekrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht door mededingingsautoriteiten, maar ook op de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht bij de burgerlijke rechter door partijen die stellen schade te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht.2

1.4

Mede gezien het grote aantal kartelschadezaken dat loopt bij Nederlandse gerechten zal ik in par. 4 van deze conclusie toelichten in hoeverre het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ kan doorwerken in de bevoegdheidsregel van art. 8 lid 1 Brussel I-bis. De meeste van deze procedures betreffen vorderingen tot schadevergoeding nadat de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een kartel tussen ondernemingen uit verschillende landen heeft vastgesteld (zogenoemde follow on-acties). De aangezochte rechter kan, als er verschillende gedaagden zijn waarvan er ten minste één in Nederland is gevestigd, ten aanzien van elk van de gedaagden internationale bevoegdheid ontlenen aan art. 8 lid 1 Brussel I-bis (en aan het equivalent daarvan, art. 7 lid 1 Rv, voor zover gedaagden woonplaats hebben buiten de Europese Unie).

1.5

Deze zaak wijkt in feitelijk opzicht nogal af van de meeste follow on-acties bij Nederlandse gerechten:

i) het betreft vorderingen wegens misbruik van machtspositie door één onderneming, niet vorderingen tegen diverse ondernemingen wegens deelname aan een kartel;

ii) deze vorderingen volgen op de vaststelling van een inbreuk door een nationale mededingingsautoriteit, niet op een boetebesluit van de Commissie;

iii) de inbreukmaker is gedagvaard in het forum van de topholding, en niet omgekeerd;

iv) de eiser is hier een concurrent die stelt inkomsten te zijn misgelopen, en niet een afnemer die stelt een prijsopslag te hebben betaald.

Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, maakt het echter in beginsel niet uit dat deze zaak in genoemde opzichten afwijkt van de stereotype follow on-acties.

2 Feiten

2.1

In cassatie staan de volgende feiten vast.3

2.2

MTB is een Griekse bierbrouwerij, die actief is op de Griekse biermarkt.

2.3

AB is een Griekse bierbrouwerij die in haar eigen productiefaciliteiten een aantal bier- en watermerken produceert, alsmede andere merken importeert, en deze vervolgens verkoopt en – met gebruikmaking van haar eigen logistieke centra – distribueert in Griekenland. Zij verkoopt ook bier onder het merk Heineken. AB maakt als operating company deel uit van het Heineken-concern, een wereldwijd opererend concern dat uit honderden verschillende juridische entiteiten bestaat in meer dan 70 landen.

2.4

Heineken is een beursgenoteerde houdstervennootschap die de strategie en doelstellingen van het Heineken-concern vaststelt. Zij heeft en had zelf geen operationele activiteiten in Griekenland. Heineken hield gedurende de in deze procedure relevante periode indirect – als (over)grootmoedervennootschap – circa 98,8% van de aandelen in het kapitaal van AB.

2.5

Op 4 juli 2001 is de Griekse mededingingsautoriteit, in de gedingstukken aangeduid onder de Engelstalige benaming Hellenic Competition Commission (hierna: HCC), ambtshalve een onderzoek gestart naar het algemene handelsbeleid van AB. De HCC heeft bij beschikking van 19 september 2014 geoordeeld dat AB een economische machtspositie op de Griekse biermarkt heeft en die positie heeft misbruikt in de periode van september 1998 tot en met 14 september 2014, door een beleid te voeren dat erop was gericht om concurrenten van de Griekse biermarkt uit te sluiten, welk gedrag is aan te merken als één enkele voortdurende inbreuk op art. 102 VWEU en het nationale equivalent daarvan, art. 2 van de Griekse Mededingingswet (in het Engels afgekort als GCA).

2.6

MTB heeft HCC verzocht Heineken in het onderzoek te betrekken. De HCC-beschikking vermeldt hierover in de Engelse vertaling (waarvan de juistheid niet in het geding is):

“(..) Submission of Macedonian Thrace Brewery for imputation of liability on the parent company

86 In its memoranda, Macedonian Thrace Brewery also refers to the matter of whether Heineken NV bears liability as the parent company of AB, and requests the HCC to expand its investigation to identify any such liability, (..)

88 In the case at hand, the Commission, acting in the context of its discretionary powers and having due regard to all contents of the case file and all facts of the case, held unanimously that there is no evidence or sufficient indications, nor any superior reasons of effectiveness justifying further investigation in that direction. (..)

89 In particular, without disregarding the ability to impute liability on the parent company for an infringement committed by its subsidiary, according to the relevant EU case-law, it is in any case imperative that all conditions imposing such liability based on the principle of proportionality be duly met. Accordingly, such discretion has been exercised by the national competition authorities up to now very scrupulously, and only in special cases. As already mentioned, there are no specific findings and/or evidence proving any direct, i.e. active, involvement of Heineken NV in the identified infringements, or any special circumstances generating inevitably a presumption that the parent company has been exercising decisive influence upon its subsidiary, according to the facts of the case. (...)”

2.7

Het beroep van AB tegen de HCC-beschikking is in 2017 door de Griekse bestuursrechter ongegrond verklaard, zij het dat de boete is verlaagd. AB heeft hoger beroep ingesteld. Bij de Griekse Raad van State.4

3 Procesverloop

4 Juridisch kader

5 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

6 Bespreking van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel

7 Conclusie