Home

Parket bij de Hoge Raad, 18-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:960, 21/00620

Parket bij de Hoge Raad, 18-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:960, 21/00620

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 oktober 2022
Datum publicatie
20 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:960
Formele relaties
Zaaknummer
21/00620

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Vervolg op ECLI:NL:HR:2018:2143. Veroordeling wegens bezit- en d.m.v. geautomatiseerd werk toegang verschaffen tot kinderporno. 1. Miskenning terugwijzingsopdracht HR door enkel te beslissen t.a.v. in beslag genomen, nog niet teruggegeven computer? 2. Onttrekking aan het verkeer van computer (art. 36b-36d Sr). Het oordeel van het hof dat de computer van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het bevel tot onttrekking aan het verkeer van een computer van het merk Medion, en tot een op art. 440 lid 2 Sv gebaseerde beslissing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00620

Zitting 18 oktober 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

Het gerechtshof Den Haag heeft, na gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing door de Hoge Raad1, bij arrest van 9 februari 2021 de onttrekking aan het verkeer bevolen van een in beslag genomen en nog niet teruggegeven computer van het merk Medion.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de Medion-computer. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat de (gehele) strafoplegging niet meer aan de orde is en zich enkel te buigen over de beslissing ten aanzien van de Medion-computer.

1.3

Ik zal het tweede middel als eerste bespreken. De vraag of het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door zich enkel te richten op de beslissing ten aanzien van de Medion-computer gaat namelijk vooraf aan de vraag of de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van die computer toereikend is gemotiveerd.

2 Het procesverloop

2.1

Het procesverloop in deze zaak is, voor zover voor de beoordeling van het tweede middel van belang, als volgt geweest.

2.2

In eerste aanleg heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 13 oktober 2014 de dagvaarding partieel nietig verklaard en de verdachte vrijgesproken van, kort gezegd, het bezit van en het zich toegang verschaffen tot kinderpornografische afbeeldingen. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

2.3

Het hof Den Haag heeft bij arrest van 22 november 20162 – met vernietiging van het vonnis van de rechtbank – eveneens de dagvaarding partieel nietig verklaard, maar de verdachte wegens “Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, en zich daartoe middels een geautomatiseerd werk de toegang verschaffen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en een taakstraf voor de duur van 180 uren, bij niet behoorlijke verrichting te vervangen door 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, waaronder de verbeurdverklaring van de bovengenoemde Medion-computer.

2.4

Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

2.5

Op 20 november 2018 heeft de Hoge Raad op dit cassatieberoep beslist. De klachten gericht tegen de bewijsconstructie, het uitblijven van een reactie van het hof op een verweer van de raadsman met betrekking tot de rechtmatigheid van de inbeslagneming van de gegevensdragers en het door het hof denatureren van de verklaring van de verdachte die hij ter terechtzitting heeft afgelegd, konden niet tot cassatie leiden en zijn door de Hoge Raad afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Over de klacht gericht tegen de verbeurdverklaring van de Medion-computer werd naar het oordeel van de Hoge Raad wel terecht geklaagd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten aanzien van de Medion-computer niet had vastgesteld dat hiermee het bewezenverklaarde was begaan, zodat niet aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring was voldaan. Dit heeft geleid tot de volgende terugwijzingsopdracht:

“De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de onder nummer 6 op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen vermelde computer, merk Medion;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.”

2.6

Het hof heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, de zaak op de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2021 behandeld. Blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het volgende naar voren gebracht met betrekking tot de strafoplegging:

“Voorts verzoek ik u - ambtshalve - de strafmaat aan te passen, waardoor er in ieder geval geen onvoorwaardelijk strafdeel meer van toepassing zal zijn, in verband met een ernstige overschrijding van de redelijke termijn.”

2.7

Het hof heeft in het thans bestreden arrest het volgende overwogen over de omvang van de zaak na terugwijzing daarvan door de Hoge Raad:

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van dit hof van 22 november 2016 is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals nader omschreven in dit arrest.

Namens de verdachte is tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 20 november 2018 voormeld arrest van het hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissing aangaande de onder nummer 6 op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen vermelde computer, merk Medion, en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van de zaak

Gelet op voormelde procesgang is - met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 20 november 2018 - het vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen uitsluitend voor wat betreft de beslissing aangaande de onder nummer 6 op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen vermelde computer, merk Medion.

Anders dan de verdediging wenst zijn de bewezenverklaring en de strafoplegging in deze procedure niet meer aan de orde. Die beslissingen zijn door het arrest van de Hoge Raad reeds onherroepelijk geworden.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.”

2.8

Het hof heeft bij het thans bestreden arrest het vonnis van de rechtbank van 13 oktober 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en de onttrekking aan het verkeer bevolen van de Medion-computer.

3 Het tweede middel

3.1

Het tweede middel klaagt dat het hof de door de Hoge Raad in zijn arrest van 20 november 2018 gegeven terugwijzingsopdracht heeft miskend. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof na terugwijzing door de Hoge Raad alsnog had kunnen beslissen tot verbeurdverklaring van de Medion-computer. Daarmee was de strafoplegging mogelijk aan de orde. Verbeurdverklaring is immers een bijkomende straf als bedoeld in art. 9 lid 1 onder b Sr. Het hof had dus niet kunnen volstaan met de vaststelling dat de strafoplegging, en de daarmee verband houdende overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, niet meer aan de orde konden worden gesteld.

3.2

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad dient het hof allereerst te bezien wat de verplichting om de zaak met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad te berechten en af te doen, betekent voor de omvang van de zaak die moet worden berecht.3 De rechter naar wie de Hoge Raad na (partiële) vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen of teruggewezen, is strikt gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing.4 Als door de Hoge Raad een bestreden uitspraak ‘wat betreft de strafoplegging’ wordt vernietigd, geldt in beginsel, tenzij in het desbetreffende arrest anders is vermeld, dat in deze vernietiging in de eerste plaats zijn begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv met betrekking tot de oplegging van een straf en/of maatregel.5 Indien van toepassing worden de bedoelde uitzonderingen expliciet kenbaar gemaakt in het dictum van de Hoge Raad. Het is niet aan de feitenrechter de terugwijzings- of verwijzingsopdracht nader te bepalen door daaraan een eigen interpretatie van de omvang en de inhoud van het cassatieberoep of van de reikwijdte van het cassatiemiddel te geven.6 Dat zal immers tot onduidelijkheid leiden.7 Bovendien is in zo’n geval niet uit te sluiten dat de verdachte de dans ontspringt bij de tenuitvoerlegging van een opgelegde sanctie indien de terugwijzings- of verwijzingsopdracht door de ontvangende feitenrechter te beperkt wordt opgevat. Na vernietiging door de Hoge Raad van (een deel van) de opgelegde sanctie(s) is de eerder opgelegde sanctie immers doorgaans komen te vervallen.8

3.3

Ik meen, anders dan de steller van het middel, dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad niet heeft miskend. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 november 2018 niet de (gehele) strafoplegging vernietigd, maar specifiek de verbeurdverklaring van de Medion-computer. Derhalve lees ik het arrest van de Hoge Raad zo dat de zaak is teruggewezen naar het hof, opdat deze enkel wat betreft de beslissing ten aanzien van (het beslag dat rust op) deze Medion-computer opnieuw wordt berecht en afgedaan en dat de (gehele) strafoplegging niet meer ter beoordeling van het hof staat. Voor dit standpunt meen ik steun te vinden in de formulering van de terugwijzingsopdrachten van de Hoge Raad in recentere zaken, waarin de Hoge Raad eveneens niet de (gehele) strafoplegging vernietigt, maar specifiek de verbeurdverklaring. In deze zaken wees de Hoge Raad de zaak terug, zodat ‘de zaak wat betreft de beslissing ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan’.9 Mijns inziens betreft deze formulering van de Hoge Raad in de recentere zaken ten opzichte van de andersluidende formulering die de Hoge Raad heeft gebruikt in onderhavige zaak geen inhoudelijke koerswijzing, maar een (nadere) verduidelijking van de terugwijzingsopdracht. Gelet op het voorgaande heeft het hof met zijn oordeel dat door het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2018 enkel de beslissing ten aanzien van de verbeurdverklaarde Medion-computer, en dus niet de (gehele) strafoplegging, aan de orde was de zaak conform de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad behandeld.

3.4

Het tweede middel faalt.

4 Het eerste middel

5 Conclusie