Parket bij de Hoge Raad, 21-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:974, 22/00116
Parket bij de Hoge Raad, 21-10-2022, ECLI:NL:PHR:2022:974, 22/00116
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2022
- Datum publicatie
- 10 november 2022
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:974
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:438, Gevolgd
- Zaaknummer
- 22/00116
Inhoudsindicatie
Arbitrage. Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis op grond van art. 1065 lid 1, onder c en e, Rv (oud) wegens schending van de in het toepasselijke reglement neergelegde procedureregels en het beginsel van hoor en wederhoor door toekenning van een hoger rentepercentage (10,5%) over de hoofdsom bij arbitraal herstelvonnis op de voet van art. 1060 Rv (oud), dan in het oorspronkelijk arbitrale vonnis was toegewezen (5%). Gedeeltelijke vernietiging ingevolge art. 1065 lid 5 Rv (oud) mogelijk, in die zin dat het (gewijzigde) arbitrale vonnis wordt vernietigd voor zover het scheidsgerecht daarin het oorspronkelijke vonnis ten onrechte heeft verbeterd en een rentevoet hoger dan 5% heeft toegewezen? Heeft het hof de bij de beoordeling van een vernietigingsvordering te betrachten terughoudendheid in acht genomen? Schending van hoor en wederhoor? Rechtsverwerking op grond van art. 1065 lid 4 Rv (oud)?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00116
Zitting 21 oktober 2022
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Heidelbergcement Central Europe East Holding B.V.
(hierna: HCCEEH)
advocaat: mr. R.R. Verkerk
tegen
Alpha Investgroup Corporation
(hierna: Alpha)
advocaat: mr. B.M.F. Fleuren
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over de (gedeeltelijke) vernietiging van een tussen Alpha en HCCEEH gewezen arbitraal vonnis van het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) op de voet van art. 1065 Rv (oud).
Tussen Alpha en HCCEEH is een geschil ontstaan over de betaling van de resterende termijnen van de koopprijs van de door HCCEEH gekochte aandelen in twee Kazachse entiteiten. In de arbitrageprocedure heeft Alpha in haar Statement of Claim onder meer betaling van HCCEEH gevorderd van die resterende termijnen vermeerderd met 5% rente. Het scheidsgerecht heeft deze vordering toegewezen. Alpha heeft het scheidsgerecht vervolgens verzocht om correctie van het arbitrale vonnis, in die zin dat de daarin toegewezen rentevoet van 5% wordt gewijzigd in 10,5%. Aan het verzoek heeft Alpha ten grondslag gelegd dat zij in haar laatste processtuk (closing submission) op grond van het toepasselijke Kazachs recht heeft geopteerd voor het op het moment van het wijzen van het arbitrale vonnis geldende rentepercentage in plaats van de rente op het moment van het indienen van de vordering. Het scheidsgerecht heeft het herstelverzoek gehonoreerd. Op vordering van HCCEEH heeft de rechtbank het (gewijzigde) arbitrale vonnis vernietigd, voor zover daarin een rentevoet hoger dan 5% is toegewezen. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het arbitrale vonnis voor vernietiging in aanmerking komt, onder meer omdat het tot stand is gekomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor nu HCCEEH niet heeft kunnen reageren op de vermeerdering van eis in de closing submission. Het hof oordeelt echter dat een toegekend rentepercentage niet gedeeltelijk kan worden vernietigd en vernietigt de gehele renteveroordeling in het arbitrale vonnis.
HCCEEH komt in het principale cassatieberoep op tegen deze wijze van partiële vernietiging door het hof en betoogt vanuit verschillende invalshoeken dat een onterechte correctie door het scheidsgerecht van een arbitraal vonnis ongedaan gemaakt moet kunnen worden in een vernietigingsprocedure (waardoor het aanvankelijk toegewezen percentage van 5% weer geldt). Een deel van deze klachten slaagt m.i. In het incidentele cassatieberoep bestrijdt Alpha met verschillende klachten het oordeel van het hof dat het arbitrale vonnis vatbaar is voor vernietiging. Deze klachten falen.
2 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2021, rov. 2.1 tot en met 2.14.1
HCCEEH en Alpha hebben op 9 oktober 2006 een Sale and Purchase Agreement (hierna: de SPA) gesloten op grond waarvan HCCEEH de aandelen van Alpha in twee Kazachse entiteiten heeft gekocht voor een totale koopprijs van USD 51,8 miljoen. De koopprijs zou in acht verschillende termijnen aan Alpha betaald worden.
Tussen HCCEEH en Alpha is een geschil ontstaan over de betaling van de laatste vijf termijnen van de koopprijs onder de SPA en over de geldigheid van een Termination and Settlement Agreement (hierna: TSA). Op 11 juni 2013 heeft Alpha tegen HCCEEH een procedure bij het NAI aanhangig gemaakt. Het NAI heeft een scheidsgerecht van drie arbiters samengesteld (hierna: het scheidsgerecht) en partijen hebben het NAI Arbitragereglement van 1 januari 2010 in de Engelse vertaling (hierna: het NAI-reglement) van toepassing verklaard op de arbitrageprocedure.
Op 2 december 2014 heeft Alpha haar Statement of Claim bij het scheidsgerecht ingediend. Zij vordert daarin, onder meer, betaling van de resterende termijnen van de koopprijs onder de SPA vermeerderd met 5% rente per jaar.
Na uitwisseling van diverse (proces)stukken tussen partijen heeft ten overstaan van het scheidsgerecht een First Evidentiary Hearing (van 1 tot 5 februari 2016) en een Second Evidentiary Hearing (van 11 tot 13 januari 2017) plaatsgevonden.
Op 24 maart 2017 hebben HCCEEH en Alpha het scheidsgerecht als volgt per e-mail bericht:
"The Parties have conferred and resolved that they will agree to the deadline for the parties' closing submissions being extended to Friday 21 April 2017 on the basis that on this date the Parties' will provide their final submissions in these arbitral proceedings. In other words, the parties have agreed to waive their respective rights to file rebuttal submissions and will therefore proceed on the basis that there will be only one round of closing submissions, based on the common understanding that post-hearing briefs serve the purpose of commenting on the outcome of the evidentiary hearing(s) and the evidence which is on the record, but may not introduce new facts."
Het scheidsgerecht heeft diezelfde dag per e-mail het volgende aan partijen geantwoord:
“The parties’ extension request (to file final closing submissions by 21 April 2017) is granted."
Op 21 april 2017 heeft Alpha haar Claimant’s Closing Submissions en heeft HCCEEH haar Post-Hearing Brief ingediend (hierna afzonderlijk en gezamenlijk: de closing submission(s)). Alpha heeft in haar closing submission, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“J3 INTEREST
504. The governing law of the SPA (the Law of Kazakhstan) applies to the Claimant’s right to seek interest in relation to late payment. No particular rate of interest is specified by the SPA.
505. Article 353 of the Civil Code of the Republic of Kazakhstan sets forth that a forfeit shall be payable for illegal use of another person's money resulting from failure to discharge a monetary obligation or late discharge there of or from illegal receipt or saving at another person’s expense. Where no contractual rate is set, the forfeit is calculated based on the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan on the day when the monetary obligation or part thereof is discharged. A court may make this award based on the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan: (i) on the day the claim was filed; (ii) on the day the judgment was issued: or (iii) on the day of actual payment (at the creditor's option).
506. The Claimant elects for the interest rate to be that applicable as at the date of judgment. As of 1 April 2017, the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan is 11% per annum. (..) The Claimant therefore claims interest on each Milestone at the rate of 11% (or such other rate as may then be applicable) from the date the Tribunal finds the Milestone became due until the date of payment by the Respondent.”
Het scheidsgerecht heeft op 15 augustus 2017 een Award gewezen (hierna: het oorspronkelijke vonnis). Het scheidsgerecht heeft in het oorspronkelijke vonnis – voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven – geoordeeld dat HCCEEH de resterende termijnen van de koopprijs onder de SPA aan Alpha moet betalen vermeerderd met 5% rente per jaar. Over de gevorderde en toegewezen rentevoet van 5% per jaar heeft het scheidsgerecht het volgende overwogen:
“V. TRIBUNAL'S DECISION AND REASONING
(..) E. Interest
1001. The Claimant submitted that a 5% per annum interest rate is applicable to payments under the SPA (...). The Respondent has not made any contrary submissions. The Tribunal accepts that a 5% per annum interest rate is the applicable rate to outstanding payments due under the SPA. (..)"
Op 14 september 2017 heeft Alpha met een beroep op (i) artikel 52 lid 1 van het NAI-reglement een verzoek tot correctie van het oorspronkelijke vonnis (hierna: het herstelverzoek) en (ii) artikel 53 lid 1 van het NAl-reglement een verzoek tot aanvulling van het oorspronkelijke vonnis (hierna: het verzoek tot aanvulling) bij het scheidsgerecht ingediend.
In het herstelverzoek heeft Alpha, onder meer, verzocht om de rentevoet van 5% per jaar aan te passen naar een rentevoet van 10,5% overeenkomstig hetgeen zij in haar closing submission heeft gevorderd en heeft daarbij, voor zover relevant, de volgende toelichting gegeven:
“11. The 5% interest rate specified in the Statement of Claim was the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan at the date of the Statement of Claim. However, in paragraph 506(1) of the Claimant’s Closing Submissions, the Claimant elected for the interest rate to be that applicable as at the date of judgment (rather than the date of the claim). On the date of the Award, the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan was 10,5% per annum (http://www.nationalbank.kz/?docid=951&switch=english).
Paragraphs 1001 and 1026(f) of the Award should therefore be amended to reflect this interest rate.”
Op 29 september 2017 heeft HCCEEH haar reactie op het herstelverzoek en het verzoek tot aanvulling ingediend. Daarin heeft zij, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“33. Qualifying Claimant's desire for a better interest rate as computational or clerical error in the meaning of Article 52(1) of the NAI Rules speaks for itself and highlights Claimant's - or its counsel's - general approach in this matter.
34. Since the NAI Rules do not provide a legal basis for Claimant's requested retroactive amendment of para. 1026(f) of the Award to the detriment of Respondent, this request must be rejected.”
Alpha heeft vervolgens op 9 oktober 2017 van repliek gediend waarbij zij – samengevat en zakelijk weergegeven – de grondslag voor de gevorderde rentevoet van 10,5% zoals die in haar closing submission is opgenomen, heeft herhaald.
Op 16 oktober 2017 heeft HCCEEH als volgt, voor zover relevant, van dupliek gediend:
“33. Claimant 's request that the interest rate of 5% payable under the Award (para. 1026(j) of the Award) should be amended to 10,5% as "computational or clerical error" in the meaning of Article 52(1) of the NAI Rules is evidently unfounded.
34. Claimant's argument that it would be entitled to be compensated for its damage (..), and that a claim for an interest rate of 10,5% could be based on Kazakh law (..) relates to the substance of the matter and is therefore entirely misplaced in a Request for Corrections. Claimant would need to show that there is a "computational or clerical error", which is obviously not the case.
35. There is no legal basis whatsoever for Claimant’s request for correction, and it must therefore be rejected.”
Bij beslissing van 31 oktober 2017, genaamd Decision, heeft het scheidsgerecht in overwegingen 64 tot en met 66 – samengevat en zakelijk weergegeven – geoordeeld dat het oorspronkelijke vonnis in die zin wordt gewijzigd dat (in plaats van 5% rente per jaar) 10,5% rente per jaar wordt toegewezen (hierna: het herstelvonnis). Daartoe is het volgende overwogen:
“52. With respect to the "other evident errors," the Claimant applies for a correction to refer to the correct rate of interest claimed (..). The Tribunal notes two issues at the outset: (1) the Respondent has not made any contrary submissions as to the applicable rate of interest or the award of interest in general during the arbitration, (..) (2) the basis for the Tribunal's award is the Claimant's submission that it is entitled to interest. (..)
53. The Claimant's requested correction concerns the reference to the correct applicable interest on which the Claimant's position is based. A clerical error is an error resulting from a minor mistake or inadvertence and not from judicial reasoning or determination. The error in question is the reference to the incorrect submission. There is no judicial reasoning or determination involved in the Tribunal's award of interest. It was simply for a claim that was not answered, and thus admitted. The Claimant's position is that it is entitled to the "interest rate to be that applicable as at the date of judgment." (..)
54. Contrary to the Respondent’s submission, it is not "evidently unfounded" (..) nor does it "speak for itself” (...) as to why the error is not clerical. The fact that the error "relates to the substance of the matter” does not mean it is not a clerical error. (..)
55. The Respondent's submission that the requested correction “do[es] not provide a legal basis for Claimant's requested retroactive amendment of para. 1026(j) of the Award to the detriment of Respondent” is equally rejected. (..) Taking the Respondent’s submission to its logical conclusion, no tribunal has any authority to correct any computational or clerical error for quantum of damages. Computational error inherently concerns the calculation of damages, the correction of which will necessarily be beneficial or detrimental to one party or the other. The fact that a correction is detrimental to one party is not a ground to reject the correction requested. The same must hold true for clerical errors.
56. Granting the Claimant's requested corrections at paragraphs 9-11 of the Claimant’s Request for Corrections, and in exercise of the Tribunal's discretion under NAI Rules Articles 23(5) and 52(4), the Tribunal therefore corrects the Award as follows:
52. a. Amend paragraph 1001 to “The Claimant submitted that a 10.5% per annum interest rate is applicable to payments under the SPA, as the applicable interest rate at the date of judgment. The Respondent has not made any contrary submissions. The Tribunal accepts that a 10.5% per annum interest rate is the applicable rate to outstanding payments due under the SPA." (...).”
Het oorspronkelijke vonnis is op 18 augustus 2017 ter griffie van de rechtbank Amsterdam gedeponeerd en het herstelvonnis is op 8 november 2017 aan het oorspronkelijke vonnis gehecht (hierna gezamenlijk: het arbitrale vonnis). Op 18 december 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verlof verleend voor de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke vonnis en het verlof is op 21 december 2017 aan HCC betekend.
3 Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 17 november 2017 heeft HCCEEH Alpha gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam.2 Kort samengevat heeft HCCEEH (primair) een gedeeltelijke vernietiging van het arbitrale vonnis gevorderd (voor zover daarin een rentevoet hoger dan 5% is toegewezen) dan wel (subsidiair) vernietiging van het gehele arbitrale vonnis, met veroordeling van Alpha in de kosten.
HCCEEH heeft aan haar vorderingen tot (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitrale vonnis ten grondslag gelegd dat (i) het scheidsgerecht haar opdracht heeft geschonden (art. 1065 lid 1 sub c Rv (oud)), (ii) het arbitrale vonnis niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1 sub d Rv (oud)) en (iii) het arbitrale vonnis dan wel de wijze van totstandkoming daarvan in strijd is met de openbare orde of de goede zeden (art. 1065 lid 1 sub e Rv (oud)). Daartoe betoogt HCCEEH dat het scheidsgerecht het verzoek van Alpha om de rentevoet van 5% naar 10,5% te wijzigen ten onrechte heeft toegewezen, waardoor HCCEEH in haar belangen is geschaad omdat zij als gevolg daarvan een aanvullende betalingsverplichting van ruim € 2 miljoen opgelegd heeft gekregen.3
Alpha heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van HCCEEH en daarnaast een vordering in reconventie ingesteld tot afgifte van bewijsstukken, op straffe van een dwangsom. Deze reconventionele vordering speelt in cassatie geen rol meer en zal daarom buiten beschouwing blijven.
Bij vonnis van 19 december 2018 heeft de rechtbank, oordelend in conventie, het tussen Alpha en HCCEEH onder nummer NAI 4145 gewezen arbitrale vonnis gedeeltelijk vernietigd, met veroordeling van Alpha in de proceskosten. De rechtbank heeft in het dictum onder 5.1 opgenomen dat het arbitrale vonnis wordt vernietigd “voor zover daarin een rentevoet hoger dan 5% per jaar is toegewezen (waardoor de wijziging van het oorspronkelijke vonnis zoals genoemd in paragrafen 64 tot en met 66 van het herstelvonnis ongedaan wordt gemaakt)”.
Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat het arbitrale vonnis in strijd met de openbare orde tot stand is gekomen omdat het scheidsgerecht, door uitspraak te doen op basis van de eiswijziging zonder HCCEEH in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren of HCCEEH in te lichten dat zij de eiswijziging procedureel toelaatbaar achtte, in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor (rov. 4.7-4.9). Ten aanzien van de reikwijdte van de vernietiging overweegt de rechtbank dat het geslaagde beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1065 lid 5 Rv (oud) uitsluitend ziet op de door het scheidsgerecht toegewezen hogere rente dan was gevorderd zonder de eiswijziging en dat niet in geschil is dat de veroordeling tot betaling van de rente op zichzelf staat en niet in onverbrekelijk verband samenhangt met de overige onderdelen van het arbitrale vonnis. De primaire vordering tot gedeeltelijke vernietiging kan dan ook op grond van artikel 1065 lid 5 Rv (oud) en vaste jurisprudentie worden toegewezen, aldus de rechtbank (rov. 4.10).
Alpha heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis bij het gerechtshof Amsterdam. Zij betoogt, onder aanvoering van zes grieven, dat het arbitrale vonnis in stand dient te blijven dan wel dat de gehele bepaling over de rente dient te worden vernietigd.4 HCCEEH heeft de grieven bestreden.
Het hof heeft bij arrest van 26 oktober 20215 het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor wat betreft de in het dictum onder 5.1 opgenomen gedeeltelijke vernietiging van het arbitrale vonnis. Opnieuw rechtdoende heeft het hof het tussen Alpha en HCCEEH het arbitrale vonnis vernietigd “voor zover daarin in paragraaf 1026 (j) aan Alpha rente is toegekend over de in paragraaf 1026 (c) en (g) van dat arbitraal vonnis toegekende bedragen”. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd, met veroordeling van Alpha in de kosten van het geding. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Het arrest van het hof laat zich, voor zover in cassatie van belang, als volgt samenvatten:
(i) Partijen zijn het erover eens dat de Decision van de arbiters van 31 oktober 2017 een aanpassing betekent van het oorspronkelijke arbitraal vonnis van 15 augustus 2017, in die zin dat er slechts één arbitraal vonnis is met een toegewezen hoofdsom van USD 24,75 miljoen te vermeerderen met 10,5% rente per jaar daarover (rov. 3.1.2).
(ii) Het op 21 april 2017 door Alpha gevorderde rentepercentage van 11% moet als een vermeerdering van eis worden aangemerkt. Een dergelijke vermeerdering van eis was op grond van art. 34 lid 1 NAI-reglement op dat moment niet meer toegestaan. Alpha heeft zich er niet op beroepen dat zich een bijzonder geval, in de zin van art. 34 lid 1 NAI-reglement, heeft voorgedaan om deze eisvermeerdering pas op dat moment in te dienen en de arbiters hebben er (daarom) geen aandacht aan besteed dat zich een dergelijk bijzonder geval zou voordoen. Het honoreren van de eiswijziging is alleen al om die reden in strijd met (art. 34 lid 1 van) het NAI-reglement. Daarmee zijn de arbiters buiten hun opdracht getreden, hetgeen op grond van art. 1065 lid 1 sub c Rv grond vormt voor vernietiging van het arbitraal vonnis (rov. 3.4.1).
(iii) Het hof volgt Alpha niet in haar betoog dat HCCEEH de arbiters erop had moeten wijzen dat Alpha met haar final submission in strijd handelde met artikel 34 lid 1 NAI-reglement: HCCEEH mocht erop vertrouwen dat de arbiters het reglement correct zouden toepassen. Niet juist is dat HCCEEH daarmee afstand zou hebben gedaan om vernietiging van het arbitraal vonnis te vorderen of het recht daartoe zou hebben verwerkt (rov. 3.4.1).
(iv) De arbiters hebben het verzoek om wijziging van het arbitraal vonnis opgevat als het verzoek terug te komen van een zich voor eenvoudig herstel lenende foutieve beslissing. Dit betekent logischerwijze dat de arbiters van oordeel zijn dat het te hoge rentepercentage reeds in het aanvankelijke arbitraal vonnis van 15 augustus 2017 had moeten worden toegekend. Indien bij het arbitraal vonnis van 15 augustus 2017 het verhoogde rentepercentage van 11% of 10,5% zou zijn toegekend, dan was dat met evidente schending van het beginsel van hoor en wederhoor gebeurd. Een dergelijke schending kan niet worden goedgemaakt doordat er na het wijzen van het oorspronkelijke arbitraal vonnis mag worden gereageerd op de vordering tot herstel op grond van een zich voor eenvoudig herstel lenende fout. Ook vanwege deze schending van hoor en wederhoor is het (gewijzigde) arbitraal vonnis vatbaar voor vernietiging (art. 1065 lid 1 sub e Rv) (rov. 3.4.2).
(v) Een aanpassing van het toegekende rentepercentage omdat geen acht zou zijn geslagen op een (nader) processtuk, is niet aan te merken als een verzoek om een reken- of schrijffout in een vonnis te herstellen in de zin van art. 1060 Rv dan wel art. 52 lid 1 NAI-reglement (rov. 3.4.3).
(vi) De tussenconclusie is dat de arbiters aan Alpha niet een hoger rentepercentage over de toegekende hoofdsom hadden mogen toekennen dan de op 15 augustus 2017 al toegekende 5%. Zulks vormt grond voor vernietiging van het arbitraal vonnis (rov. 3.4.4).
(vii) Het hof is van oordeel dat een toegekend rentepercentage niet gedeeltelijk kan worden vernietigd, op de wijze zoals door de rechtbank is geschied. Door in plaats van de door de arbiters toegekende 10,5% rente een rentepercentage van 5% in stand te laten, neemt de vernietigingsrechter een inhoudelijke beslissing over de aan de arbiters voorgelegde vordering omtrent de verschuldigde rente, hetgeen niet de rol van de vernietigingsrechter is (rov. 3.5.2).
(viii) Dat het arbitraal vonnis niet wordt vernietigd waar het betreft de toegekende hoofdsom, maar wel waar het betreft de toegekende rente is echter niet onverenigbaar met de rol van de vernietigingsrechter. Hoofdsom en rente zijn immers niet onverbrekelijk met elkaar verbonden (rov. 3.5.2).
(ix) Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat door HCC (in ieder geval) 5% rente dient te worden betaald over de toegewezen hoofdsom, zal het bestreden vonnis worden vernietigd daar waar over de hoofdsom rente is toegekend. Grief 6 slaagt derhalve. De overige grieven falen (rov. 3.5.3).
HCCEEH heeft tijdig cassatieberoep ingesteld.6 Alpha heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tevens incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. HCCEEH heeft verweer gevoerd in het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, aan de kant van Alpha mede door prof. mr. G.J. Meijer. HCCEEH heeft afgezien van repliek. Alpha heeft gedupliceerd.