Parket bij de Hoge Raad, 17-11-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1030, 22/03243
Parket bij de Hoge Raad, 17-11-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1030, 22/03243
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 november 2023
- Datum publicatie
- 19 januari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:1030
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:57
- Zaaknummer
- 22/03243
Inhoudsindicatie
Procesrecht; octrooirecht. Doorbrekingsgronden rechtsmiddelenverbod tussenuitspraak, ontvankelijkheid in cassatie, HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9614; toepassing VRO-regime door relatief bevoegde rechter na verwijzing, art. 80 ROW
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03243
Zitting 17 november 2023
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. Sonos Europe B.V.
2. Sonos Inc.
eiseressen tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
tevens verweersters in cassatie in het incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. R.L.M.M. Tan
tegen
Google LLC.
verweerster in cassatie in het principaal cassatieberoep,
tevens eiseres tot cassatie in het incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. H.J. Pot
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Sonos respectievelijk Google.
1 Inleiding en samenvatting
Deze octrooizaak gaat in de nu voorliggende cassatieberoepen alleen over processuele kwesties1. Google heeft, na daartoe verlof te hebben verkregen bij beschikking van 22 september 2020 (de VRO-beschikking), een zaak over octrooi-inbreuk aangebracht bij de rechtbank Den Haag conform het Versneld Regime in Octrooizaken (VRO-regime)2. Sonos heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen en de rechtbank Den Haag heeft zich relatief onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank Midden-Nederland (het Onbevoegdheidsvonnis). Daarbij heeft de rechtbank in rov. 2.6 aangegeven dat zij de zaak verwijst in de staat3 waarin deze zich bevindt, daaronder begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking. Tegen deze beslissing heeft Sonos met een beroep op de aanwezigheid van doorbrekingsgronden voor het rechtsmiddelenverbod appel ingesteld bij het hof Den Haag en zij heeft tevens twee incidentele vorderingen ingesteld. Bij arrest van 27 juli 2021 heeft het hof Den Haag eerst deze incidentele vorderingen afgewezen. Daarna heef het hof bij arrest van 31 mei 2022 Sonos niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens gebrek aan belang gelet op het voor haar positieve resultaat in de octrooi-inhoudelijke hoofdzaak vanwege het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland (waar Google ongelijk heeft gekregen). Het hof is in dit arrest desondanks ingegaan op de door Sonos aan de orde gestelde kwestie of de rechtbank Den Haag bevoegd was om de rechtbank Midden-Nederland te wijzen op de processuele beslissingen in de VRO-beschikking. Dat is volgens het hof onjuist en dit is meegewogen in het kader van het kostenoordeel met de negatief beoordeelde vraag of sprake was van misbruik van procesrecht door Sonos, aanleiding voor het hof om de proceskosten zelfs te compenseren. Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het Haagse hof en Google heeft in cassatie andermaal een integrale proceskostenveroordeling gevorderd wegens misbruik van procesrecht door Sonos. Ik meen dat gelet op Giskus/BMG4niet wordt toegekomen aan inhoudelijke behandeling van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, omdat een rechtsmiddelenverbod geldt en de beiderzijds gestelde doorbrekingsgronden niet opgaan, zodat deze zaak in cassatie niet voorbij de voorvraag komt of sprake is van een slagend beroep op doorbrekingsgronden. Beide cassatieberoepen dienen dan, hoewel ontvankelijk, vervolgens om die reden te worden verworpen. Voor het halen van de hoge drempel van misbruik van procesrecht (in cassatie) is in mijn ogen onvoldoende aangevoerd door Google. Uit de inhoudelijke bespreking ten overvloede van de cassatiemiddelen komt naar voren dat alleen de klacht in het onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van Google over de kostenveroordeling in het arrest van het Haagse hof van 31 mei 2022 zou slagen. Tot cassatie kan dit in mijn ogen om de aangegeven redenen niet leiden.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:5
Bij dagvaarding van 1 oktober 2020 heeft Google Sonos gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en daarbij gevorderd een verbod aan Sonos om inbreuk te maken op buitenlandse delen van Europees octrooi 1 579 621 (hierna: het octrooi of EP 621) dan wel onrechtmatig te handelen door de inbreuken in het buitenland te faciliteren (hierna ook: octrooi-inbreukverbod c.a.).
Bij beschikking van de voorzieningenrechter van die rechtbank van 22 september 2020 is Google toegestaan om te procederen volgens het Versneld Regime in octrooizaken (VRO) (hierna: de VRO-beschikking).
Sonos heeft (tijdig) een onbevoegdheidsverweer gevoerd, stellende dat, nu Google zich niet (ook) beroept op een Nederlands deel van EP 621, de rechtbank Den Haag, ook gelet op art. 80 lid 2 sub a ROW, niet relatief bevoegd is.
In het vonnis in het bevoegdheidsincident van 17 maart 2021 (hierna: het Onbevoegdheidsvonnis) is de rechtbank Sonos hierin gevolgd, en heeft zij zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Van belang is:
- punt 2.6 van het vonnis, luidende:
“De rechtbank zal de zaak in de staat waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, daaronder begrepen de processuele beslissingen zoals neergelegd in de VRO-beschikking van 22 september 2020 (...)”;
- het volgende punt van het dictum:
“3.3. verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Midden-Nederland”.
De beslissing over de proceskosten is in het Onbevoegdheidsvonnis aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
Hoewel zij in het Onbevoegdheidsvonnis van 17 maart 2021 in het gelijk was gesteld, heeft Sonos de rechtbank Den Haag verzocht om hoger beroep daartegen open te stellen. De achtergrond daarvan is dat zij wenst dat de procedure bij de rechtbank Midden-Nederland niet wordt voortgezet op grond van het VRO-regime maar op grond van het reguliere procesreglement van die rechtbank.
Op 23 maart 2021 heeft de rechtbank Den Haag het volgende aan partijen bericht:
“De rechtbank ziet geen aanleiding tussentijds appel toe te staan tegen het incidentele vonnis van 17 maart 2021, zo een appel tegen dat vonnis waarbij de zaak is verwezen naar de relatief bevoegde rechter, al mogelijk zou zijn”.
In art. 110 lid 3 Rv is bepaald dat tegen een vonnis waarbij, wegens relatieve onbevoegdheid, de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, geen hogere voorziening is toegelaten en dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, aan die verwijzing is gebonden.
Bij exploot van 23 maart 2021 heeft Google Sonos opgeroepen om na de in het Onbevoegdheidsvonnis uitgesproken verwijzing verder te procederen bij de rechtbank Midden-Nederland.
Bij appeldagvaarding van 29 maart 2021 heeft Sonos drie grieven tegen het Onbevoegdheidsvonnis aangevoerd. Daarbij heeft zij gevorderd (p. 21) dat het hof het Onbevoegdheidsvonnis wat de punten 2.6 en 3.3 betreft vernietigt, en opnieuw rechtdoende, de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 vernietigt althans voor recht verklaart dat deze beschikking de rechter naar wie de zaak is verwezen, niet kan binden, althans niet bindt. Dit laatstgenoemde standpunt is door Sonos ook in het kader van grief 3 (in punt 33 van de appeldagvaarding) naar voren gebracht. Tevens heeft Sonos twee incidenten opgeworpen waarin zij heeft gevorderd:
I dat het hof op de voet van artikel 223 Rv de voorlopige voorziening treft dat de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 de rechtbank Midden-Nederland niet kan binden althans niet bindt;
II voor het geval aan het onderhavige hoger beroep niet van rechtswege schorsende werking toekomt: dat het hof beveelt dat aan het hoger beroep schorsende werking toekomt.
Bij arrest van 27 juli 2021 heeft het hof Den Haag de incidentele vorderingen van Sonos afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“6. Incidentele vordering I heeft uitsluitend betrekking op een processuele kwestie - is de rechtbank Midden-Nederland gebonden aan de Haagse VRO-beslissing? - en hangt niet samen met de hoofdvordering als bedoeld in artikel 223 lid 2 Rv, die immers op octrooi-inbreuk is gebaseerd. Voor die incidentele vordering kan geen grondslag worden gevonden in artikel 223 Rv, en ook niet in enige andere wetsbepaling of rechtsregel. Incidentele vordering I is daarom niet toewijsbaar.
7. Uit de toepasselijke rechtsregels volgt of het onderhavige hoger beroep al dan niet schorsende werking heeft. Als het hoger beroep van rechtswege geen schorsende werking heeft - de voorwaarde waaronder incidentele vordering II is ingesteld - dan is voor een bevel dat daaraan schorsende werking toekomt, geen plaats. Ook incidentele vordering II is dus niet toewijsbaar.
8. De incidentele vorderingen van Sonos zullen worden afgewezen. De kosten van de incidenten zullen op de voet van artikel 237 lid 2 Rv worden aangehouden tot het eindarrest.”
In de tussentijd is de procedure voortgezet bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij rolbeslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2021 is bepaald dat, kort gezegd, wordt voortgeprocedeerd op basis van de VRO-beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020. Bij eindvonnis van 26 januari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland (i) de vorderingen van Google zowel in de hoofdzaak als bij wijze van voorlopige voorziening afgewezen en (ii) Google veroordeeld in de kosten in de hoofdzaak en het bevoegdheidsincident, begroot op het door partijen voor alle kosten gemaakt tot aan een beslissing op de voorlopige voorziening (exclusief de kosten van het appel in het bevoegdheidsincident) overeengekomen bedrag van € 200.000,-6. Tegen dit eindvonnis heeft Google bij exploot van 4 februari 2022 hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Dat hof heeft bij arrest van 28 februari 2023 de verzoeken van Sonos om het hoger beroep aan te houden, te schorsen of door te halen, afgewezen7.
Bij arrest van 31 mei 2022 heeft het hof Den Haag vervolgens het volgende geoordeeld:
“8. In het licht van het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland valt niet in te zien welk belang Sonos nu nog heeft bij haar hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis. Dat zij bij de rechtbank Midden-Nederland heeft moeten voortprocederen op basis van het VRO, hetgeen de kern van haar bezwaren tegen het Onbevoegdheidsvonnis vormt, heeft voor haar niet tot nadelige gevolgen geleid - de vorderingen van Google zijn immers afgewezen - en kan ook niet meer ongedaan gemaakt worden nu het hof dat over dat eindvonnis zal oordelen (het hof Arnhem-Leeuwarden) vanwege de devolutieve werking niet zal kunnen terugverwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland om de zaak alsnog buiten het VRO om te behandelen. In de punten 24, 39 en 46 AD heeft Sonos ook zelf te kennen gegeven dat door hoger beroep tegen het eindvonnis het procederen onder het VRO-regime niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Omdat de in het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken proceskostenveroordeling blijkens het onder 7 bij c) weergegeven citaat ook de proceskosten van de behandeling van het bevoegdheidsincident bij de rechtbank Den-Haag omvat, bestaat ook in verband met de proceskosten voor Sonos geen belang meer bij het hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis. Sonos zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
9. Dit neemt overigens niet weg dat het standpunt van Sonos (zie de rovv. 2 en 6), dat de verwijzende rechtbank Den Haag niet de bevoegdheid had om de bevoegde rechtbank Midden-Nederland een procesrechtelijk regime op te leggen (het VRO) dat die rechtbank niet kent, juist is. De bevoegde rechtbank dient de zaak op basis van het voor haar geldende procesreglement te beslissen, en het is aan die rechtbank om te bezien of binnen dat reglement ruimte bestaat voor toepassing van een specifieke regeling als het VRO. Vanuit dit oogpunt bestond er voor Sonos dus wel aanleiding om in hoger beroep te komen van het Onbevoegdheidsvonnis waarin de verwijzende rechtbank de bevoegde rechtbank voorschreef althans aanspoorde om het VRO toe te passen.
10. Gelet hierop kan - anders dan Google betoogt - niet worden gezegd dat Sonos misbruik van recht heeft gemaakt door hoger beroep tegen het Onbevoegdheidsvonnis aan te tekenen. Voor de door Google op basis van (uitsluitend) die rechtsgrond gevorderde volledige proceskostenveroordeling is dan ook geen plaats. Sterker nog: in het onder 9 overwogene ziet het hof aanleiding om de proceskosten te compenseren.
11. Aan de behandeling van het voorwaardelijk incidenteel appel van Google komt het hof niet toe aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder dat is ingesteld, te weten dat Sonos in haar hoger beroep kan worden ontvangen (punt 61 MvA/MvG-inc).”
Tegen de arresten van 27 juli 2021 en van 31 mei 2022 heeft Sonos tijdig cassatieberoep ingesteld. Google heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten mondeling en schriftelijk doen toelichten. In het principaal cassatieberoep heeft Sonos gerepliceerd en Google gedupliceerd. In het principaal cassatieberoep heeft Google gerepliceerd en heeft Sonos afgezien van dupliek.
3 Juridisch kader
Naar huidig recht is ingevolge art. 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep van tussenvonnissen in beginsel uitgesloten. Hoger beroep is wel mogelijk van vonnissen waarbij een voorlopige (provisionele) voorziening is getroffen (art. 337 lid 1 Rv). Daarnaast kan hoger beroep worden ingesteld tegen tussenvonnissen ingeval de rechter dit in zijn tussenvonnis heeft bepaald. Tot 1 januari 2002 gold de omgekeerde regel: als hoofdregel kon onmiddellijk hoger beroep van een tussenvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter dit in zijn vonnis had uitgesloten8. Verder zijn in de rechtspraak twee andere mogelijkheden gecreëerd. Zo is tussentijds hoger beroep van het tussenvonnisgedeelte in een deelvonnis mogelijk en kan die mogelijkheid ook opengesteld worden in een later tussenvonnis9. In andere gevallen is tussentijds hoger beroep niet mogelijk. Het doel hiervan is om fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties tegen te gaan en op die manier de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen10. De continuïteit van de instantie wordt gewaarborgd en tegelijkertijd is een soepele afwijking mogelijk11.
Voor cassatieberoep tegen tussenuitspraken geeft art. 401a lid 2 Rv een regeling die vrijwel gelijk is aan art. 337 lid 2 Rv. Behalve wanneer tussentijds cassatieberoep is opengesteld, kan cassatieberoep van andere tussenuitspraken dan provisionele uitspraken pas tegelijk met cassatie tegen de einduitspraak worden ingesteld.
Doorbreking rechtsmiddelenverbod
Sommige rechtsmiddelenverboden kunnen worden doorbroken. In 2012 is uitgemaakt dat de ‘doorbrekingsjurisprudentie’ (waarmee wordt bedoeld dat de appellant ondanks een wettelijk appelverbod toch ontvankelijk is in hoger beroep, indien hij stelt dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken) niet van toepassing is bij art. 337 lid 2 Rv dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend12. Ik zie geen reden waarom dit niet ook zou gelden voor art. 401a lid 2 Rv13.
Schorsende werking
Indien hoger beroep is ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen op grond van art. 337 lid 2 Rv geen hoger beroep openstaat, heeft zo’n appel volgens art. 350 lid 2 Rv geen schorsende werking. Dit is een uitzondering op de regel in art. 350 lid 1 Rv dat het instellen van hoger beroep wel schorsende werking heeft. Door schorsende werking te onthouden aan een hoger beroep dat in strijd met art. 337 lid 2 Rv is ingesteld, heeft de wetgever willen voorkomen dat de procedure toch onnodig zou worden vertraagd14.
Tussenuitspraak of einduitspraak?
De vraag rijst wat moet worden verstaan onder een tussenvonnis of tussenarrest. Art. 232 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter, voordat hij definitief over de zaak beslist, een tussenvonnis kan wijzen. Hieruit blijkt dat een tussenvonnis of tussenarrest een uitspraak is waarin de rechter nog niet definitief over het gevorderde beslist. Het gaat dan om de vordering die de inzet is van het geding. In 2010 is de rechtspraaklijn in deze aangescherpt door uitspraken op vorderingen die gericht zijn op de voortgang of instructie van een zaak, zoals een vordering tot het bevelen van een deskundigenonderzoek, niet als deeluitspraken, maar als tussenuitspraken aan te merken, omdat daarin geen einde wordt gemaakt aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde15.
Een eindvonnis of eindarrest geeft daarentegen een beslissing in het dictum over (een onderdeel van) hetgeen is gevorderd en maakt (in zoverre) een einde aan de instantie. Dit is het geval als een vordering in het dictum (gedeeltelijk) wordt toegewezen of afgewezen16. Bepalend is dus of het dictum van een vonnis of arrest een beslissing inhoudt waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een eind wordt gemaakt.
Onder de term 'het gevorderde' worden hier de materiële vordering(en) van partij(en) verstaan zoals deze onder meer voorkomen in het petitum van de inleidende dagvaarding en de conclusie van eis in reconventie, aangevuld met eventuele wijzigingen van eis. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de vordering tot betaling van een geldsom of een verklaring voor recht. Indien in het dictum een beslissing wordt gegeven over (enig deel van) een dergelijke vordering, en dus in zoverre een einde wordt gemaakt aan het geding omtrent een deel van 'het gevorderde', is sprake van een (gedeeltelijk) eindvonnis. Vorderingen van processuele aard, zoals incidentele vorderingen, maken geen deel uit van 'het gevorderde'17. Het is vaste rechtspraak dat als in de hoofdzaak een incident wordt opgeworpen en de rechter een einduitspraak doet in het incident, dit vonnis is te beschouwen als een tussenuitspraak. De beslissing in het incident leidt dan immers niet tot een definitieve beslissing over het in de hoofdprocedure gevorderde18.
Rolbeslissing
Een rolbeslissing is in de regel louter een maatregel ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter stroomlijning van de procesgang. Een dergelijke maatregel grijpt doorgaans niet in op de rechten en belangen van partijen. Tegen een beslissing met een dergelijk karakter kan dan ook geen rechtsmiddel worden aangewend, tenzij sprake is van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel19. Als een rolbeslissing daarentegen wel ingrijpt op de rechten en belangen van partijen, moet deze als een uitspraak worden aangemerkt. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het verlenen van een akte niet-dienen, waarbij het recht vervalt om bepaalde proceshandelingen te verrichten20. Ik kom hier nog op terug in 4.9-4.10.
Uitspraak in bevoegdheidsincident
Wat betreft een uitspraak in een bevoegdheidsincident moet een onderscheid worden gemaakt tussen een uitspraak waarin de rechter het beroep op zijn absolute onbevoegdheid verwerpt en die waarin dat juist wordt gehonoreerd. Een vonnis waarin de rechter zich bevoegd verklaart, kan worden aangemerkt als een tussenvonnis. Op grond van art. 337 lid 2 Rv is tussentijds hoger beroep daarvan uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Indien tussentijds hoger beroep wordt ingesteld van dat vonnis en de appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard, is het desbetreffende arrest aan te merken als een tussenarrest. Van dat arrest is ingevolge art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald21. Daartegenover staat een vonnis waarin de rechter zich onbevoegd verklaart. De reden van onbevoegdheid kan zijn dat een rechter van een ander land internationaal bevoegd is of de overheidsrechter onbevoegd is vanwege een arbitraal beding en de rechtbank zich ingevolge art. 1022 lid 1 Rv onbevoegd verklaart. Met een onbevoegdverklaring wordt een einde gemaakt aan de instantie en aan de tussen partijen aanhangige procedure voor de Nederlandse overheidsrechter. Deze uitspraak wordt aangemerkt als een eindvonnis of eindarrest en daartegen staat (cassatie)beroep open.
De relatieve bevoegdheid van de rechter vergt een andere benadering. De relatief bevoegde rechter is de rechter die geografisch gezien bevoegd is om kennis te nemen van een zaak. Ingevolge art. 110 lid 3 Rv is zowel tegen een vonnis waarbij het beroep op relatieve onbevoegdheid is verworpen, als tegen een vonnis waarin het beroep is gehonoreerd met verwijzing van de zaak naar de wel relatief bevoegde rechter, geen hogere voorziening toegelaten22. De reden hiervoor is dat geschillen rond relatieve bevoegdheid bij voorkeur op korte termijn beslecht moeten worden en niet ook nog door moeten werken in hogere instantie. Vertraging van de procedure moet worden voorkomen23. Verder geldt dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, ook aan die verwijzing is gebonden. Het is niet de bedoeling dat na verwijzing een nieuwe discussie ontstaat over de vraag of de rechter naar wie is verwezen wel relatief bevoegd is. Er is sprake van een tussenvonnis24.