Parket bij de Hoge Raad, 31-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:109, 21/02951
Parket bij de Hoge Raad, 31-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:109, 21/02951
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 31 januari 2023
- Datum publicatie
- 1 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:109
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:486
- Zaaknummer
- 21/02951
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Zedenzaak. Middel 1 klaagt over het ontbreken van een proces-verbaal waaruit blijkt dat het arrest in het openbaar is uitgesproken. Middel 2 richt zich tegen de bewezenverklaring van de (strafverzwarende) omstandigheid dat de verdachte het feit heeft begaan “tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt” zoals bedoeld in art. 248 lid 3 Sr. Middel 3 en 4 klagen over de motivering van de strafoplegging en de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade. Het vijfde en laatste middel heeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. De AG adviseert de HR het cassatieberoep te verwerpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02951
Zitting 31 januari 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
Inleiding
-
De verdachte is bij arrest van 9 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een tweetal bijzondere voorwaarden opgelegd en de reclassering de opdracht gegeven tot het houden van toezicht op de naleving daarvan. Tot slot heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het bestreden arrest omschreven.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.W.M. Stevens en L.E.G. van der Hut, beiden advocaat te 's‐Gravenhage, hebben bij schriftuur en twee aanvullende schrifturen vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel, alsmede de toelichting hierop en de aanvulling bij aanvullende schriftuur, behelst de klacht dat zich bij de stukken van het geding geen (separaat) proces-verbaal bevindt van de terechtzitting waarop het arrest in de strafzaak tegen de verdachte is uitgesproken en/of uit de stukken van het geding niet kan blijken dat het arrest in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het arrest in strijd met art. 362 lid 1 jo. 415 Sv niet in het openbaar is uitgesproken.
De raadsvrouw van de verdachte heeft overeenkomstig het Procesreglement van de Hoge Raad tijdig een verzoek ingediend om het desbetreffende proces-verbaal op te vragen. Uit het in het digitaal portaal geplaatste bericht van de strafgriffie van de Hoge Raad van 21 oktober 2021 volgt dat dit door de verdediging opgevraagd proces-verbaal niet is aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Op 21 oktober 2021 is namens de strafgriffie van de Hoge Raad aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om dit stuk verzocht. De gerechtssecretaris bij het hof heeft in antwoord op dit verzoek medegedeeld dat dit proces-verbaal in het dossier ontbreekt. Dit brengt mee, zoals terecht door de stellers van het middel wordt aangevoerd, dat moet worden aangenomen dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt.
Volgens de stellers van het middel moet het ervoor worden gehouden dat het arrest niet in het openbaar is uitgesproken. Het arrest zelf houdt echter in dat het “op 9 juli 2021 ter openbare terechtzitting [is] uitgesproken”. Op basis daarvan meen ik dat het ontbreken van het proces-verbaal er in het onderhavige geval niet toe behoeft te leiden dat het ervoor moet worden gehouden dat het arrest niet op een openbare terechtzitting is uitgesproken.1 Was dat het niet geval geweest, dan had het middel niet tot cassatie kunnen leiden, aangezien de Hoge Raad dan – door te doen wat het hof had behoren te doen – zelf het arrest ter openbare terechtzitting zou kunnen uitspreken.2
Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.