Home

Parket bij de Hoge Raad, 15-12-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1163, 22/03578

Parket bij de Hoge Raad, 15-12-2023, ECLI:NL:PHR:2023:1163, 22/03578

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 december 2023
Datum publicatie
18 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:1163
Formele relaties
Zaaknummer
22/03578

Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Opzegging financieringsovereenkomst door bank. Vorderingen toegewezen die betrekking hebben op (gestelde) rechtsverhouding(en) tussen aangesproken bank en aan eiseres gelieerde vennootschappen. Onbegrijpelijk oordeel in zoverre? Heeft eiseres een eigen belang bij dit deel van haar vorderingen?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03578

Zitting 15 december 2023

CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: ‘Rabobank’)

tegen

HOBO HI-FI Holding B.V. (hierna: ‘Hobo Holding’)

In deze zaak heeft Rabobank een financieringsovereenkomst opgezegd die zij heeft gesloten met Hobo Hi-Fi B.V., Hobo Holding en Retail Team B.V. Hobo Holding heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd en Rabobank, onder meer, verweten dat zij ten onrechte de financieringsovereenkomst heeft opgezegd. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Hobo Holding heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het hof heeft onder andere geoordeeld dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen tegenover rechtsvoorgangsters van Hobo Holding – vennootschappen die aan Hobo Holding gelieerd zijn – en heeft daarom schadevergoeding (nader op te maken bij staat) toegewezen. In cassatie valt Rabobank dit oordeel aan.

1 Feiten

1.1

Ik geef hierna de feiten slechts in beperkte mate weer. Voor de bespreking van het cassatiemiddel is een uitgebreide weergave van de feiten zoals het hof die heeft vastgesteld namelijk niet nodig, omdat het cassatieberoep een beperkte strekking heeft (zie randnummers 3.1-3.2 hierna). In de onderhavige cassatieprocedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.2

Hobo Hi-Fi B.V. (hierna: ‘Hobo’) en Hobo Holding maakten deel uit van de Hobo-groep. De Hobo-groep hield zich bezig met de in- en verkoop van high-end hi-fi apparatuur. Een organogram van de Hobo-groep ziet er als volgt uit:2

1.3

Hobo Holding, Retail Team B.V. (hierna: ‘Retail Team’) en Hifi Nederhold B.V. (hierna: ‘Hifi Nederhold’) fungeerden binnen de Hobo-groep als houdstermaatschappijen en hielden (al dan niet indirect) alle aandelen in het kapitaal van Hobo respectievelijk Penhold B.V. (hierna: ‘Penhold’), die als werkmaatschappijen functioneerden. Crea B.V. (hierna: ‘Crea’) hield (al dan niet indirect) alle aandelen in het kapitaal van Hobo Holding en Hifi Nederhold. De activiteiten van de Hobo-groep vonden plaats binnen Hobo en Penhold, waarbij Hobo diverse winkels exploiteerde en Penhold als groothandel high-end hi-fi apparatuur importeerde en distribueerde. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (broers) waren bestuurders van Hobo, Hobo Holding en Retail Team (deze drie vennootschappen hierna gezamenlijk: ‘Hobo c.s.’). Enig bestuurder van Crea, Hifi Nederhold en Penhold was (vader) [betrokkene 3] .

1.4

Rabobank sloot op 13 juli 2007 een overeenkomst met Hobo c.s. op grond waarvan zij aan Hobo c.s. financieringen verstrekte van in totaal € 4.073.010. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van Hobo c.s. uit hoofde van de financieringen vestigden Hobo en Hobo Holding ten gunste van Rabobank een pandrecht op hun huidige en toekomstige inventaris, vorderingen en voorraden.

1.5

Vanaf 2012 was de onderneming van Hobo verlieslatend en daalde haar omzet met 10-20% per jaar.

1.6

Hobo c.s. kwamen alle jaren hun verplichtingen jegens schuldeisers na. Zij voldeden steeds aan hun rente- en aflossingsverplichtingen jegens Rabobank. Vanaf eind 2012 voldeden de cijfers van Hobo c.s. niet aan een afspraak daarover tussen partijen. Het dossier van Hobo c.s. is daarop overgedragen aan de afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank.

1.7

Op 16 oktober 2014 vond een bespreking tussen partijen plaats. De schuld van Hobo c.s. bij Rabobank bedroeg toen ruim € 1.600.000. Rabobank heeft in die bespreking aan Hobo c.s. meegedeeld dat zij de financieringen met onmiddellijke ingang zou beëindigen. Hobo c.s. hebben Rabobank, na een onderbreking van de bespreking en intern overleg, meegedeeld dat zij zouden meewerken aan afgifte van de voorraden aan Rabobank.

1.8

Rabobank heeft bij brief van 16 oktober 2014 aan Hobo c.s. de financieringen opgezegd en de uitgeleende gelden onmiddellijk opgeëist.

1.9

Hobo heeft op 17 oktober 2014 haar eigen faillissement aangevraagd. Dit faillissement is op die dag door de rechtbank Gelderland uitgesproken.

1.10

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben bij brief van 27 oktober 2014 aan Rabobank bezwaar aangetekend tegen de inhoud van de opzeggingsbrief. Rabobank heeft niet op de brief gereageerd.

1.11

Hobo Holding heeft de vorderingen van Hobo op Rabobank en van groepsvennootschappen3 op Hobo door middel van cessie verkregen.4

2 Procesverloop

2.1

Hobo Holding heeft Rabobank op 10 augustus 2018 voor de rechtbank Amsterdam gedagvaard. Hobo Holding heeft gevorderd:5

- een verklaring voor recht dat (i) Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen en aansprakelijk is voor de schade die Hobo Holding dientengevolge heeft geleden, (ii) de opzegging van de financiering van Hobo door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was en (iii) Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Hobo Holding en aansprakelijk is voor de schade die Hobo Holding dientengevolge heeft geleden;

- een veroordeling van Rabobank tot betaling van € 7.997.697,60, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag of een bedrag op te maken bij staat.

2.2

Hobo Holding heeft volgens de rechtbank op basis van onrechtmatige daad vorderingen ingesteld (i) in de hoedanigheid van cessionaris van de vordering van de curator van Hobo op Rabobank, (ii) als individuele schuldeiser van Hobo en (iii) als aandeelhouder van Hobo.6

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van Hobo Holding bij vonnis van 30 september 2020 afgewezen, omdat deze een deugdelijke grondslag missen.7 De rechtbank heeft daartoe in de kern overwogen dat:8

- Rabobank op 16 oktober 2014 bevoegd was tot (onmiddellijke) beëindiging van de financieringsovereenkomst met Hobo c.s. op de grond dat Hobo niet binnen de afgesproken bandbreedtes voor de EBITDA – Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization – is gebleven en dat een redelijke verwachting ook toen was dat de EBITDA op 1 februari 2015 niet positief zouden zijn (rov. 4.1.-4.2.);

- niet kan worden gezegd dat de beëindiging van de kredietrelatie door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 4.3.-4.17.);

- Rabobank bij de uitwinning van de zekerheden niet onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.18.).

Hoger beroep

2.4

Hobo Holding heeft op 15 december 2020 bij het hof Amsterdam hoger beroep ingesteld. Het hof heeft in zijn arrest van 28 juni 2022 (hierna: ‘het bestreden arrest’) het vonnis van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat Rabobank aansprakelijk is. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld.

2.5

Het hof heeft eerst de inhoud van de vorderingen van Hobo Holding – na wijziging van eis in hoger beroep – beschreven. De vorderingen van Hobo Holding in hoger beroep stellen de rechtsverhouding tussen Rabobank en Hobo Holding en de rechtsverhouding tussen Rabobank en rechtsvoorgangsters9 van Hobo Holding aan de orde. De vorderingen van Hobo Holding in hoger beroep zijn: (i) een verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van Rabobanks verbintenissen en toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters, en (ii) een veroordeling van Rabobank tot betaling aan Hobo Holding van de daardoor door Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet:

2. Het geding in hoger beroep

(...)

Hobo Holding heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – na wijziging van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – voor recht zal verklaren dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters, Rabobank zal veroordelen tot betaling aan Hobo Holding van de daardoor door Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters geleden schade, te vermeerderen met rente en kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in beide instanties. (...)”

2.6

Na zijn weergave van de feiten in paragraaf 3 heeft het hof beoordeeld of Rabobank een onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid had (grief I). Het hof heeft daarbij de volgende door Rabobank in haar opzeggingsbrief aangevoerde opzeggingsgronden beoordeeld (rov. 4.2.-4.3. en 4.8.):

(i) Hobo c.s. hebben in de bespreking van 16 oktober 2014 aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten zullen worden beëindigd;

(ii) de positie van Rabobank is slechter geworden door financiële problemen en een negatieve EBITDA.

2.7

Wat betreft de eerste opzeggingsgrond heeft het hof geoordeeld dat Hobo c.s. niet zelf de handdoek in de ring hebben gegooid tijdens de bespreking tussen partijen op 16 oktober 2014; daarom was Rabobank niet om deze reden opzeggingsbevoegd (tussenkopje “Hobo c.s. hebben niet zelf de handdoek in de ring gegooid” boven rov. 4.3., en rov. 4.3.-4.7.).

2.8

Wat betreft de tweede opzeggingsgrond heeft het hof geoordeeld dat Rabobank op 16 oktober 2014 geen goede grond had te vrezen dat Hobo c.s. in hun verplichtingen jegens de bank zouden tekortschieten en dat Rabobank Hobo Holding niet kan tegenwerpen dat Hobo Holding en Hobo tijdens het gesprek op 16 oktober 2014 een akte afgifte in vuistpand en overeenkomst tot onderhandse verkoop hebben getekend (tussenkopje “Geen goede grond te vrezen dat Hobo c.s. in hun verplichtingen zullen tekortschieten” boven rov. 4.8., rov. 4.8., 4.9., met name de laatste alinea, en rov. 4.10.) Zie over de gevestigde pandrechten en dit gesprek randnummers 1.4 en 1.7 hiervoor. Al met al bestond voor Rabobank geen contractuele grondslag die haar opzeggingsbevoegd maakte (rov. 4.9., laatste zin).

2.9

Verder heeft het hof beslist dat indien en voor zover de betogen van Rabobank in eerste aanleg en in hoger beroep moeten worden opgevat als een beroep op meer of andere opzeggingsgronden, deze betogen falen (rov. 4.11.).

2.10

Daarna heeft het hof nog een aantal andere verweren van Rabobank beoordeeld die in cassatie niet relevant zijn. Deze verweren heeft het hof verworpen (tussenkopje “Overige weren van Rabobank falen” boven rov. 4.12., en rov. 4.12.-4.15.).

2.11

Uiteindelijk is het hof tot de slotsom gekomen dat (zie rov. 4.3. en 4.15.):

- Rabobank geen onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid had en dat grief I daarom slaagt;

- het de vorderingen van Hobo Holding toewijst (“De vorderingen zullen worden toegewezen (...).”);

- het niet nodig is om de overige grieven te bespreken, zoals grief III die betrekking had op de vraag of de uitwinning van de zekerheden door Rabobank onrechtmatig was;

- de zaak naar de schadestaatprocedure wordt verwezen.

2.12

Het hof heeft ten slotte de vorderingen van Hobo Holding in het dictum als volgt toegewezen:

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van

haar verbintenissen jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters;

veroordeelt Rabobank tot betaling aan Hobo Holding van de daardoor door Hobo

Holding en haar rechtsvoorgangsters geleden schade, te vermeerderen met rente en

kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(...)”

2.13

Na de uitspraak heeft Rabobank het hof in een e-mail verzocht om toepassing te geven aan art. 31 Rv – herstel van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent – en het bestreden arrest in die zin te wijzigen dat daarin wordt beslist dat Rabobank (enkel) toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Hobo Holding en Hobo.10 Rabobank heeft hiertoe in haar verzoek aangevoerd dat Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team B.V. (hierna: ‘Hifi Team’) en Crea géén partij bij de financieringsovereenkomst zijn. Hobo Holding heeft daarop in een e-mail gereageerd en aangestuurd op afwijzing van het verzoek van Rabobank, en heeft in haar e-mail zelf verzocht om (de vierde alinea van) het dictum te wijzigen in: “verklaart voor recht dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten en toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters.11 Het hof heeft uiteindelijk in een e-mail aan partijen laten weten dat het verzoek van Rabobank niet wordt gehonoreerd, omdat geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.12

Cassatieberoep

2.14

Bij procesinleiding van 27 september 2022 heeft Rabobank, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Hobo Holding heeft zich daartegen verweerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht.

3 Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.15. van het bestreden arrest dat de vorderingen van Hobo Holding zullen worden toegewezen en tegen de in het dictum toegewezen verklaring voor recht en de veroordeling van Rabobank tot schadevergoeding, enkel voor zover13 deze oordelen betrekking hebben op Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en/of Crea (randnummers 3.1-3.5 van de procesinleiding). De strekking van het cassatieberoep is dus beperkt.

3.2

Het cassatiemiddel voert het volgende aan tegen de toewijzing van vorderingen ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea. Deze partijen zijn volgens het cassatiemiddel geen partij bij de financieringsovereenkomst, zodat Rabobank tegenover hen niet tekort kan zijn geschoten in de nakoming van verbintenissen (randnummer 3.2 van de procesinleiding). Voor zover het hof in het dictum heeft bedoeld voor recht te verklaren dat Rabobank ‘tekort is geschoten’ in verbintenissen uit onrechtmatige daad tegenover Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea, acht het cassatiemiddel het niet inzichtelijk waarop het hof dit oordeel heeft gebaseerd, omdat een motivering daarvan ontbreekt (randnummer 3.3 van de procesinleiding).14 Voor zover deze motivering moet worden gevonden in de overwegingen van het hof waaruit volgt dat Rabobank geen rechtsgeldige opzeggingsbevoegdheid had en dat Rabobank daarom is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen tegenover Hobo c.s., geldt volgens het cassatiemiddel dat deze overwegingen niet de gevolgtrekking kunnen dragen dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld tegenover andere groepsvennootschappen dan Hobo c.s., althans is het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk (randnummer 3.4 van de procesinleiding).15 Bovendien stelt het cassatiemiddel dat het hof is voorbijgegaan aan het verweer van Rabobank dat Penhold, Hifi Nederland, Hifi Team en Crea niet hun (pretense) vorderingen op Rabobank aan Hobo Holding hebben gecedeerd, maar enkel hun vorderingen op Hobo. Gelet daarop had het hof de vorderingen die Hobo Holding heeft ingesteld als rechtsopvolgster – cessionaris – van deze partijen dienen af te wijzen (randnummer 3.5 van de procesinleiding).16

3.3

Voordat ik in randnummers 3.9 e.v. aan de bespreking van het cassatiemiddel toekom, ga ik eerst in op de vraag hoe rov. 4.15. en het dictum van het bestreden arrest moet worden uitgelegd. Kern van deze zaak is immers dat het volgens Rabobank onbegrijpelijk is dat het hof ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en/of Crea vorderingen heeft toegewezen. De beoordeling van de vorderingen van Hobo Holding door het hof is – voor zover relevant voor de bespreking van het cassatiemiddel – als volgt opgebouwd:

- in rov. 2. heeft het hof vastgesteld dat Hobo Holding heeft gevorderd dat het hof (i) voor recht verklaart dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters en (ii) Rabobank zal veroordelen tot betaling aan Hobo Holding van de daardoor door Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters geleden schade.17 Onder rechtsvoorgangsters van Hobo Holding moet worden verstaan de partijen die vorderingen op Hobo of op Rabobank aan Hobo Holding hebben gecedeerd (het hof heeft “rechtsvoorgangsters” niet zelf gedefinieerd, maar dit is de enige begrijpelijke uitleg van dit begrip):18 Hobo, Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea;

- in rov. 3.4. heeft het hof vastgesteld dat Rabobank met Hobo c.s. een financieringsovereenkomst heeft gesloten;

- in rov. 3.27. heeft het hof vastgesteld dat Hobo Holding de vorderingen van Hobo op Rabobank en van groepsvennootschappen – te weten (het hof heeft “groepsvennootschappen” niet zelf gedefinieerd, maar dit is de enige begrijpelijke uitleg van dit begrip in rov. 3.27. van het bestreden arrest):19 Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea – op Hobo door middel van cessie heeft verkregen;

- in rov. 4.15. heeft het hof beslist dat grief I – géén onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid voor Rabobank – slaagt, dat “[d]e vorderingen” zullen worden toegewezen, dat het niet nodig is om andere grieven te bespreken en dat de zaak naar de schadestaatprocedure wordt verwezen;

- in het dictum heeft het hof voor recht verklaard dat Rabobank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters en heeft het hof Rabobank veroordeeld tot betaling aan Hobo Holding van de daardoor door Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters geleden schade.

3.4

Ik stel voorop dat het voor mij, op basis van het bestreden arrest, onvoldoende duidelijk is welke vorderingen het hof precies heeft toegewezen. Het dictum van het bestreden arrest dient te worden uitgelegd in het licht van de overwegingen waarop het berust, waarbij ook de gedingstukken en redelijkheid en billijkheid een rol kunnen spelen.20 Maar ook dan is niet helder of het hof in rov. 4.15. en/of het dictum ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea heeft toegewezen (i) de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering en/of (ii) de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank tekort is geschoten in de nakoming van verbintenissen en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering.21 Ik leg dat uit.

3.5

Allereerst sluit het dictum niet woordelijk aan op hoe het hof de vorderingen van Hobo Holding heeft uitgelegd in rov. 2., terwijl het hof in rov. 4.15. wél zonder enige beperking heeft beslist dat “[d]e vorderingen” zullen worden toegewezen. Dat het hof in rov. 4.15. zonder beperking heeft beslist dat “[d]e vorderingen” zullen worden toegewezen, suggereert dat het hof in rov. 4.15. alle vorderingen op het oog heeft gehad. Maar deze uitleg van rov. 4.15. schuurt met de bewoordingen van het dictum waarin het hof in ieder geval niet expliciet heeft beslist op het tweede gedeelte van de door Hobo Holding verwoorde en gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Hobo Holding en haar rechtsvoorgangsters (zie rov. 2. van het bestreden arrest). Uit randnummers 16.-17. en 165. van de memorie van grieven van Hobo Holding lijkt te volgen dat Hobo Holding dit tweede gedeelte van haar vorderingen voor haarzelf én al haar rechtsvoorgangsters als bedoeld in randnummer 3.3 hiervoor, eerste gedachtestreepje, heeft ingesteld, en het eerste gedeelte slechts voor haarzelf en Hobo (zie hierover de in voetnoot 18 hiervoor genoemde vindplaatsen). Het hof heeft in het dictum in ieder geval niet expliciet beslist op dit tweede gedeelte van de vorderingen van Hobo Holding.

3.6

Aan de onduidelijkheid draagt ook bij dat het hof in het dictum voor recht heeft verklaard dat Rabobank “toerekenbaar” tekort is geschoten in de nakoming van verbintenissen, terwijl Hobo Holding volgens rov. 2. van het bestreden arrest en het petitum in haar memorie van grieven ten aanzien van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis géén verklaring voor recht over toerekenbaarheid heeft gevorderd. Moet uit rov. 4.15. (“De vorderingen zullen worden toegewezen (...)”) en het woord “toerekenbaar” in het dictum worden afgeleid dat het hof (ook) de gevorderde verklaring voor recht over toerekenbaar onrechtmatig handelen en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering heeft toegewezen? Of heeft het hof gelet op de bewoordingen van het dictum niet op déze vorderingen beslist, maar enkel op de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen en de dáárom toegewezen schadevergoeding?

3.7

En verder: heeft het hof – in strijd met randnummers 16.-17. en 165. van de memorie van grieven van Hobo Holding waaruit lijkt te volgen dat Hobo Holding slechts voor haarzelf en Hobo contractuele vorderingsrechten pretendeert in te stellen – hoe dan ook wél beslist dat Rabobank ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis in de zin van art. 6:74 lid 1 BW en daarom schadevergoeding verschuldigd is?22

3.8

Door de hiervoor in randnummers 3.5-3.7 genoemde onduidelijkheid over rov. 4.15. en het dictum van het bestreden arrest kan ik niet met voldoende zekerheid aangeven hoe het bestreden arrest precies moet worden gelezen. Wel meen ik dat géén mogelijke lezing van het bestreden arrest is dat het hof ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea geen enkele vordering heeft toegewezen, nu het hof spreekt over “rechtsvoorgangsters” (meervoud) van Hobo Holding, zowel in het dictum als in rov. 2. van het bestreden arrest. Zie over het begrip “rechtsvoorgangsters” nader randnummer 3.3 en voetnoot 18 hiervoor. Een drietal lezingen van het bestreden arrest blijft – voor zover relevant voor het cassatieberoep – dan over:

- lezing 1: het hof heeft (i) ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea niet beslist op de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en op de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering en heeft (ii) dus ten aanzien van deze partijen enkel de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering toegewezen;

- lezing 2: het hof heeft (i) ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering toegewezen en heeft (ii) ten aanzien van deze partijen geen beslissing genomen op de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis en op de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering;

- lezing 3: het hof heeft (i) ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering toegewezen en heeft (ii) ten aanzien van deze partijen ook de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis en de dáármee verbonden schadevergoedingsvordering toegewezen.

3.9

Ik kom dan nu toe aan de bespreking van het cassatiemiddel. Bij elk van de hiervoor in randnummer 3.8 genoemde lezingen slaagt het cassatiemiddel, omdat het onbegrijpelijk is dat het hof ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea een vordering heeft toegewezen nu Rabobank heeft aangevoerd dat Hobo Holding géén vorderingen op Rabobank van deze partijen heeft verkregen (zie uitgebreid randnummer 4.4 hierna). Ook om andere redenen meen ik dat de oordelen in het bestreden arrest ten aanzien van deze partijen onbegrijpelijk zijn. Ik licht dat toe.

3.10

Voor zover het hof in het dictum en/of rov. 4.15. heeft geoordeeld dat Rabobank (toerekenbaar) is tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen tegenover Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea in de zin van art. 6:74 lid 1 BW, en dáárom schadevergoeding verschuldigd is (lezing 1 en lezing 3 in randnummer 3.8 hiervoor), is dat onbegrijpelijk omdat het bestreden arrest geen toereikende motivering bevat waaruit dit blijkt. Het bestreden arrest bevat geen gemotiveerde beoordeling van een gestelde tekortkoming in de nakoming van een verbintenis in de zin van art. 6:74 lid 1 BW ten opzichte van deze partijen. Het bestreden arrest bevat ook niet een gemotiveerde beoordeling van toerekenbaarheid in de zin van de tenzij-bepaling van art. 6:74 lid 1 BW. De hier bedoelde onbegrijpelijkheid vloeit ook uit het volgende voort. Rabobank heeft aangevoerd in feitelijke instanties dat Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea geen partij zijn bij de financieringsovereenkomst.23 En volgens het hof waren Hobo c.s. – dus: Hobo, Hobo Holding en Retail Team – partij bij de financieringsovereenkomst (rov. 3.4.).

3.11

Voor zover het hof in het dictum en/of rov. 4.15. heeft geoordeeld dat Rabobank (toerekenbaar) onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea in de zin van art. 6:162 BW, en dáárom schadevergoeding verschuldigd is (lezing 2 en lezing 3 in randnummer 3.8 hiervoor),24 is dat ook onbegrijpelijk omdat het bestreden arrest geen toereikende motivering bevat waaruit dit blijkt.25 Daarvoor is het volgende redengevend.

3.12

Het hof heeft in het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd dat Rabobank (toerekenbaar) een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden ten opzichte van deze partijen en dat Rabobank daarom tegenover hen (toerekenbaar) onrechtmatig heeft gehandeld. Hobo Holding heeft in haar memorie van grieven aangevoerd dat óók een niet-contractuele normschending aan de orde is als de feiten en omstandigheden zoals die op het moment van opzegging bekend waren de inroeping van de opzeggingsgrondslag niet rechtvaardigden.26 Maar Rabobank heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd (i) dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen en (ii) dat Hobo Holding geen vorderingen van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea op Rabobank heeft verkregen.27 Met Rabobank meen ik dat met het oordeel dat Rabobank geen onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid had nog niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd dat Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea en dáárom tot schadevergoeding verplicht is (randnummers 3.3-3.5 van de procesinleiding).28 Het bestreden arrest bevat verder ook geen gemotiveerde toerekenbaarheidsbeoordeling in de zin van art. 6:162 lid 1 in samenhang met lid 3 BW.

3.13

Anders dan Hobo Holding in cassatie heeft betoogd,29 meen ik daarom dat het hof (i) met het oordeel in rov. 4.9. dat er voor Rabobank geen contractuele grondslag was die haar opzeggingsbevoegd maakte en (ii) met het oordeel in rov. 4.10. dat Rabobank wat de opzegging betreft Hobo Holding niet kan tegenwerpen dat Hobo Holding en Hobo tijdens het gesprek op 16 oktober 2014 een akte afgifte in vuistpand en overeenkomst tot onderhandse verkoop hebben getekend, onvoldoende en (dus) onbegrijpelijk heeft gemotiveerd dat Rabobank ten aanzien van Penhold, Hifi Nederhold, Hifi Team en Crea (toerekenbaar) een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en dus (toerekenbaar) onrechtmatig heeft gehandeld. Ik merk hier nog op dat het hof in rov. 4.15. heeft overwogen dat het niet nodig is om grief III30 van Hobo Holding – deze grief betrof de vraag of de uitwinning van de zekerheden door Rabobank onrechtmatig was – te bespreken. Aan déze onrechtmatigheidsbeoordeling is het hof dus voorbijgegaan: een toereikende motivering van een door het hof beweerdelijk aangenomen onrechtmatigheid kan daarom in ieder geval niet worden gevonden in een oordeel over de uitwinning van de zekerheden.31

4 Slotsom en afdoeningswijze

5 Conclusie