Parket bij de Hoge Raad, 07-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:253, 21/03470
Parket bij de Hoge Raad, 07-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:253, 21/03470
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 7 maart 2023
- Datum publicatie
- 10 maart 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:253
- Formele relaties
- Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARL:2021:7620
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:688
- Zaaknummer
- 21/03470
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Wapenhandel. Terechte motiveringsklacht over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ten gevolge van de landelijke maatregelen die zijn genomen in het kader van de bestrijding van het Covid-19 virus. De conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de oplegging van de straf, en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf. Samenhang met 21/03523 en 21/03525.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03470
Zitting 7 maart 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
De procedure in cassatie
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 10 augustus 2021 wegens – kort gezegd – “wapenhandel in vuurwapens (categorie III), meermalen gepleegd” veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden, onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in beslag genomen voorwerpen, te weten schoonmaakattributen voor wapens.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 21/03523, 21/03525 en 21/03455. In de zaken 21/03523 en 21/03525 zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep in de zaak 21/03455 is ingetrokken.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof om een aantal redenen onbegrijpelijk is (gemotiveerd). Ten eerste is het hof volgens de steller van het middel te veel in algemeenheden blijven steken en heeft het niet toegelicht welke coronamaatregelen er golden ten tijde van de planning van de getuigenverhoren en in welke mate daardoor in deze specifieke zaak vertraging is ontstaan. Bovendien heeft het hof niet uitgelegd waarom de procedure in hoger beroep in de pre-Covid-periode al bijna een jaar onderweg was toen er voor het eerst een regiezitting is gehouden, waarna het verzoek om aansluiting bij de getuigenverhoren in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] (bij tussenarrest van 22 januari 2020) is toegewezen. Tot slot valt volgens de steller van het middel niet goed in te zien waarom het na de toewijzing van dit verzoek nog ruim anderhalf jaar heeft moeten duren voordat de zaak inhoudelijk kon worden afgedaan, mede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om gebruik te maken van een videoverbinding om de getuigen te horen.1