Parket bij de Hoge Raad, 17-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:315, 22/01866
Parket bij de Hoge Raad, 17-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:315, 22/01866
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 maart 2023
- Datum publicatie
- 20 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:315
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1059, Gevolgd
- Zaaknummer
- 22/01866
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Schade huurauto (supercar). Bewijslastverdeling. Bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01866
Zitting 17 maart 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[eiser] (voorheen h.o.d.n. [A] ),
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland,
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. C.S.G. Janssens.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerder] .
1 Inleiding
[verweerder] heeft voor zijn bruiloft een ‘supercar’ van [eiser] gehuurd, een 13 jaar oude Lamborghini. De rit ging van de plaats in [plaats 1] waar [eiser] zijn bedrijf had, naar het centrum van [plaats 2] waar het huwelijk zou plaatsvinden. Daar haperde de auto en deze kwam uiteindelijk met een oververhitte motor tot stilstand. Door de oververhitting is het motorblok beschadigd. Volgens [eiser] is deze schade ontstaan omdat [verweerder] de auto verkeerd heeft bestuurd. Met name zou hij het waarschuwingslampje op het dashboard dat het olieniveau te laag was, hebben genegeerd en zijn doorgereden. Ook zou de auto oververhit zijn geraakt doordat [verweerder] is gaan ‘revven’ – gas geven terwijl de koppeling in neutrale stand staat. Enkele maanden later heeft [eiser] de supercar van de hand gedaan met naar eigen zeggen een verlies van ruim € 30.000 wegens het defecte motorblok.
Na te hebben geoordeeld dat [eiser] was geslaagd in het bewijs dat [verweerder] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, heeft de kantonrechter [verweerder] veroordeeld om het verlies van € 30.000 als schadevergoeding te vergoeden. In hoger beroep is het hof uitgegaan van dezelfde bewijslastverdeling als de kantonrechter. Het hof kwam echter tot een ander bewijsoordeel: het bewijs dat [eiser] door getuigenverklaringen heeft bijgebracht, is door [verweerder] ontzenuwd met verklaringen van andere getuigen. Het hof heeft de vordering van [eiser] afgewezen. Het hof heeft geen feitelijke vaststellingen gedaan over de staat van de auto bij aanvang van de huur.
[eiser] klaagt in cassatie dat het hof met dat oordeel het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW heeft miskend. Die klacht is mijns inziens terecht voorgesteld.
2 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1
Op 9 april 2017 hebben [eiser] en [verweerder] voor die dag een huurovereenkomst gesloten. Op grond daarvan heeft [verweerder] , tegen betaling, een auto van het merk Lamborghini, type Gallardo (hierna: de auto), gehuurd van [eiser] . [verweerder] heeft daarvoor ook een waarborgsom van € 1.000,- gestort bij [eiser] . De auto was bestemd als ‘trouwauto’ voor het huwelijk van [verweerder] dat diezelfde dag plaats zou vinden.
In de huurovereenkomst is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“Staat van het voertuig
De verhuurder staat garant voor een deugdelijke staat van het voertuig op het moment van aanvang van de huurperiode.
Bedrijfsschade
De huurder is aansprakelijk voor de door de verhuurder te lijden bedrijfsschade voor zover deze geleden wordt deze opzet of schuld van de bestuurder of huurder. Deze wordt op voorhand voor beide partijen bindend bepaald op het objectief vast te stellen aantal reparatiedagen vermenigvuldigd met de daghuurprijs.
(...)
Staat van het voertuig (2/2)
(...)
Opmerkingen:
In onderstaande afbeelding dienen eventuele bestaande schades e.d. voor aanvang van de verhuur ingevuld te worden. Dit dient gezamenlijk door de verhuurder en huurder gedaan te worden.”
Op de huurovereenkomst zijn ook algemene voorwaarden van toepassing. In die algemene voorwaarden is, voor zover hier relevant, het volgende bepaald:
“Artikel 5 - Betaling:
(...)
Restitutie van de waarborgsom, onder aftrek van o.a. kilometervergoeding, brandstofkosten, boetes en andere voorkomende en aantoonbare kosten, vindt plaats binnen 7 dagen na beëindiging van de reservering.
(...)
Artikel 7- Verzekering, eisen risico en aansprakelijkheid:
(...)
Huurder is aansprakelijk voor alle schade aan de supercar ontstaan in de periode gelegen tussen aanvang en einde reservering.
(...)
Huurder is aansprakelijk voor alle (gevolg) schade ontstaan aan de supercar of aantoonbare bedrijfsschade van verhuurder indien dit het gevolg is van aan huurder toe te rekenen kwade opzet of schuld zoals o.a. vermeld in artikel 8.1.
Het eigen risico voor huurder m.b.t. alle tijdens de reservering aan de supercar ontstane schade is beperkt tot € 2.500,— tenzij de schade is ontstaan door het niet naleven van de bepalingen gesteld in artikel 8.1 en artikel 8.3 t/m 8.8.
Bij schade veroorzaakt door het niet naleven van de in artikel 7.8 genoemde artikelen bedraagt het eigen risico van huurder het werkelijke schadebedrag tot maximaal de door verhuurder aangetoonde taxatiewaarde van de supercar.
(...)
Artikel 8 - Verplichtingen van huurder:
Huurder dient zich als een goed huurder te gedragen en er zorg voor te dragen dat de supercar overeenkomstig zijn bestemming wordt gebruikt.
(...)
Indien huurder een schade of defect aan de supercar constateert is hij verplicht verhuurder hier onverwijld van in kennis te stellen en zich te houden aan de alsdan ontvangen instructies.
(...)”
Bij e-mail van 7 augustus 2017 heeft een service advisor bij Lamborghini-dealer Pon Luxury Cars B.V. aan [eiser] geschreven dat het motorblok van de auto beschadigd was en dat de kosten voor een nieuw motorblok € 31.500,- ex BTW en montage bedroegen.
Op 8 augustus 2017 heeft [eiser] de auto voor een bedrag van € 33.250,- verkocht.
3 Procesverloop
[verweerder] heeft [eiser] op 18 juni 2018 gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Den Haag. [verweerder] heeft, samengevat, veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van de waarborgsom van € 1.000,- gevorderd.
[eiser] heeft geconcludeerd voor antwoord en in reconventie veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 30.750,-2 aan schadevergoeding gevorderd. Hieraan legde [eiser] ten grondslag dat [verweerder] tekort was geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
Bij tussenvonnis van 2 oktober 20183 heeft de kantonrechter geoordeeld dat aangezien [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van art. 6:74 BW, het aan [eiser] is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [verweerder] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst (rov. 4.7).
De kantonrechter heeft [eiser] toegelaten “tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt (1) dat [verweerder] op 9 april [2017]4 is doorgereden met de auto, terwijl [verweerder] als gevolg van een melding op het dashboard heeft geconstateerd dat de auto defect was, althans dat de auto zonder olie zat, de auto vervolgens te heet is geworden en dat de schade als gevolg daarvan is ontstaan, en (2) dat de schade aan de auto op 9 april [2017] is ontstaan doordat [verweerder] opzettelijk veelvuldig gas heeft gegeven terwijl de koppeling van de auto zich in een neutrale stand bevond en de auto daardoor te heet is geworden.”
Na het tussenvonnis zijn diverse getuigen gehoord en zijn schriftelijke getuigenverklaringen en nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben over en weer diverse aktes genomen.
Bij eindvonnis van 4 maart 20205 heeft de kantonrechter, samengevat, geoordeeld dat [eiser] is geslaagd in de hem opgedragen bewijsopdracht ter zake van de onder (1) in de bewijsopdracht bedoelde feiten en omstandigheden (doorrijden ondanks brandend olielampje), zodat niet meer van belang is of sprake is geweest van ‘revven’ (bewijsopdracht onder (2)). De kantonrechter heeft de vordering van [verweerder] in conventie afgewezen, en in reconventie de vordering van [eiser] tot betaling van € 30.750,- toegewezen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.
[verweerder] is op 16 maart 2020 van de vonnissen van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag (hierna: het hof). [verweerder] heeft geconcludeerd tot vernietiging van die vonnissen, toewijzing van zijn vordering in conventie en afwijzing van de vordering van [eiser] in reconventie. [eiser] heeft verweer gevoerd.
Het hof heeft op 22 februari 20226 arrest gewezen (hierna: het arrest). Ik vat samen de rechtsoverwegingen die in cassatie nog van belang zijn.
Het hof kan zich verenigen met het oordeel van de kantonrechter over de bewijslastverdeling tussen partijen (zie 3.3) en maakt dit oordeel tot het zijne (rov. 13).
Het hof beoordeelt het in het kader van de bewijsopdracht bijgebrachte bewijs (rov. 14-23).
Het hof is er, gelet op de afgegeven getuigenverklaringen, niet van overtuigd dat [verweerder] op 9 april 2017 is doorgereden met de auto, terwijl hij als gevolg van een melding op het dashboard heeft geconstateerd dat de auto defect was, althans dat de auto zonder olie zat (rov. 15-21). Het hof baseert zijn bewijsoordeel enerzijds op een waardering van de verklaringen van de (drie), door [eiser] aangedragen, in enquête gehoorde getuigen. Geen van hen heeft op 9 april 2017 bij [verweerder] in de auto gezeten en hun verklaringen zijn gebaseerd op van horen zeggen of op andere omstandigheden (rov. 18). De door [verweerder] aangedragen en in contra-enquête gehoorde getuigen hebben daarentegen wél in de auto gezeten (rov. 20). Door hun verklaringen, die het hof als “voldoende gedetailleerd, consistent en duidelijk” aanmerkt, heeft [verweerder] het door [eiser] bijgebrachte bewijs voldoende ontzenuwd (rov. 21).
Naar het oordeel van het hof is ook voldoende ontzenuwd het door [eiser] te bewijzen feit dat de schade aan de auto op 9 april 2017 is ontstaan doordat [verweerder] opzettelijk veelvuldig gas heeft gegeven terwijl de koppeling van de auto zich in een neutrale stand bevond (het ‘revven’) en de auto daardoor te heet is geworden (rov. 22-23).
Het hof concludeert dat [eiser] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Daarmee moet het er voor worden gehouden dat [verweerder] zorgvuldig gebruik heeft gemaakt van de auto, althans van het bestaan van een defect aan de auto niet heeft kunnen weten (rov. 24).
In het dictum vernietigt het hof het eindvonnis van de kantonrechter en, opnieuw rechtdoende, veroordeelt het [eiser] tot (terug)betaling van de waarborgsom van € 1.000,-, en wijst het de vordering van [eiser] in reconventie af.
Bij procesinleiding van 20 mei 2022 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping. [verweerder] heeft zijn standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiser] heeft afgezien van het geven van een schriftelijke toelichting en partijen hebben afgezien van re- en dupliek.