Parket bij de Hoge Raad, 24-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:358, 22/02278
Parket bij de Hoge Raad, 24-03-2023, ECLI:NL:PHR:2023:358, 22/02278
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 maart 2023
- Datum publicatie
- 20 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:358
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1426, Gevolgd
- Zaaknummer
- 22/02278
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Betekenen eiswijziging aan niet-verschenen verweerder (art. 130 lid 3 Rv). Moet de rechter gelegenheid bieden om eiswijziging alsnog te laten betekenen? Beoordeling proceskostenveroordeling eerste aanleg door appelrechter.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02278
Zitting 24 maart 2023
CONCLUSIE
E.M. Wesseling-van Gent
In de zaak
Crownvest AG
tegen
Stichting Radboud Universiteit
1 Aanduiding procespartijen, korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
Eiseres tot cassatie wordt hierna aangeduid als Crownvest. Verweerster in cassatie, voorheen Stichting Katholieke Universiteit (SKU), thans Stichting Radboud Universiteit, wordt hierna aangeduid als SRU.
Deze zaak betreft een geschil over de vraag wie recht heeft op bepaalde materialen die horen bij het Heal-X project. Dit project had betrekking op de verdere ontwikkeling van een polymeer op basis waarvan een gel kan worden gemaakt voor de behandeling van brandwonden. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vorderingen van Wound-ex B.V. (hierna: Wound-ex) – waaronder verklaringen voor recht dat zij eigenaar is van de materialen en dat SRU gehouden is de materialen aan Wound-ex af te geven – afgewezen. In hoger beroep heeft na de appeldagvaarding een partijwisseling plaatsgevonden, omdat Wound-ex haar vordering op SRU heeft gecedeerd aan Crownvest. Crownvest heeft het geding als appellante hervat en heeft vervolgens haar eis in de memorie van grieven gewijzigd. SRU is in appel niet verschenen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
In cassatie komt Crownvest op tegen de weigering van het hof om de gewijzigde eis in zijn oordeel te betrekken op de grond dat Crownvest deze eiswijziging niet tijdig aan SRU heeft betekend, zoals is vereist op grond van art. 130 lid 3 Rv, alsmede tegen de weigering om betekening alsnog toe te staan. Voorts worden klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Wound-ex terecht in de kosten van de procedure in eerste aanleg heeft veroordeeld.
2 Feiten en procesverloop
Feiten 1
In 2015 is een project gestart onder de naam Heal-X project. Dat project zag op de verdere ontwikkeling en exploitatie van zogenaamde PIC-technologie, een uitvinding van [uitvinder] , die voorheen verbonden was aan de Radboud Universiteit (onderdeel van SRU). PIC staat voor polyisocyanopeptide, een polymeer die bepaalde eigenschappen heeft die hem bijzonder geschikt maken om te worden toegepast bij de behandeling van brandwonden. Met deze PIC-polymeer kan namelijk een gel worden gemaakt die op een brandwond kan worden gegoten en dan een soort pleister vormt. Die gel kan vervolgens worden afgespoeld met water op kamertemperatuur. Een belangrijk voordeel voor een brandwondenpatiënt is dat dat proces een stuk minder pijnlijk is dan het vervangen van verbanden, zoals dat nu wordt gedaan.
Om de verdere ontwikkeling en commercialisering te realiseren, is een consortium opgericht. In dat consortium zaten de volgende partijen:
a. de Radboud Universiteit;
b. het Radboud Universitair Medisch Centrum (hierna: RUMC), eveneens onderdeel van SRU;
c. de Vereniging Samenwerkende Brandwondencentra Nederland (hierna: VSBN);
d. de Nederlandse Brandwonden Stichting (hierna: NBS);
e. Secmatix B.V. (hierna: Secmatix), de moedervennootschap van Wound-ex; en
f. Chiralix B.V. (hierna: Chiralix).
De taakverdeling binnen het consortium zag er in grote lijnen als volgt uit. De universiteit was verantwoordelijk voor de projectleiding en de verdere ontwikkeling van de PIC-technologie. Het RUMC, de VSBN en de NBS waren verantwoordelijk voor de verdere ontwikkeling van de klinische toepassing van de technologie. Chiralix leverde de monomeren die nodig waren om de PIC-polymeren te maken. Secmatix (toen ook exclusief licentienemer ten aanzien van de op de PIC-technologie rustende octrooien) zou zorgdragen voor het op de markt brengen van de technologie.
Om het project te financieren is een subsidie aangevraagd bij – en toegekend door – de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (hierna: ZonMw). De afspraken tussen de partijen van het consortium zijn vastgelegd in de Heal-X Consortium Agreement (versie van 19 juni 2015).
In juli 2017 hebben partijen de Consortium Agreement gewijzigd. Deze wijziging hield in dat de betrokkenheid van de universiteit bij het Heal-X project zou eindigen. Dit is als volgt verwoord in artikel 1 van het “Amendment no. 1 to Heal-X Consortium Agreement”:
“Stichting Katholieke Universiteit (thans: SRU, toev. A-G), doing business as Radboud University (RU), will withdraw as a party from the Heal-X Consortium, the Heal-X Project (Project) and the Consortium Agreement as of December 31, 2016. The withdrawal from the consortium as a Non-Defaulting party, requested by RU in a letter to [betrokkene 1] d.d. June 6, 2017 will take place according to the provisions of the Consortium Agreement, which will be monitored by the General Assembly and the Coordinator. The Coordinator will take care of a smooth transition and will align with ZonMw on this matter. Parties will sign the document (Annex A) which is attached to this amendment.
An overview of Activities, all results, all materials and any other information related to the Heal-X project will be transferred by RU to the Coordinator no later than July 31, 2017.”
Onder “the Coordinator” werd onder de oorspronkelijke Consortium Agreement de universiteit verstaan. Vanaf het Amendment no. 1 wordt daarmee gedoeld op het RUMC. Feitelijk werd de rol van de Coordinator vervuld door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en vanaf maart 2018 door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ).
Annex A bij het Amendment no. 1 bepaalt het volgende:
“All the remaining parties to the HEAL-X consortium, as formalized in the Heal-X Consortium Agreement, final version, 19-06-2015, hereby accept and aprove the withdrawal of Stichting Katholieke Universiteit (thans: SRU, toev. A-G), doing business as Radboud University (RU), from the Heal-X Consortium and the Heal-X Project (Project) as a Non-Defaulting party, requested by RU in a letter to [betrokkene 1] d.d. June 6, 2017.
The following conditions will apply to the withdrawal:
1. RU will cease its activities regarding to the Project from January 1, 2017;
2. RU will be compensated for its contribution to the Project according to the Consortium Agreement, Project Budget and Project Proposal;
3. Parties hereby indemnify RU for all consequenses of its withdrawal form the Heal-X Consortium.”
Daarnaast zijn partijen in juli 2017 een tweede wijziging overeengekomen, die is vastgelegd in de “Amendment no. 2 to Heal-X Consortium Agreement”. Deze wijziging hield (onder meer) in dat Secmatix zich uit het consortium zou terugtrekken en dat Wound-ex in haar plaats tot het consortium zou toetreden.
Partijen hebben gecorrespondeerd over wat er feitelijk met de monomeren, polymeren en documentatie horend bij het Heal-X project (hierna gezamenlijk: de materialen) zou moeten gebeuren. Op 26 juni 2017 heeft [betrokkene 3] , directeur van Wound-ex, het volgende aan [betrokkene 1] gemaild:
“In de laatste tekst suggesties voor het Amendement Consortium Agreement (zie mijn e-mail van 18:09 vandaag) is geschreven dat RU een overzicht van haar activiteiten, alle resultaten, alle materialen en alle overige zaken gerelateerd aan het Heal-X project aan jou (in je rol als Coordinator) zal overdragen.
Graag je bevestiging dat jij alle bovengenoemde zaken en verder alle materialen gerelateerd aan het project (aanwezig bij Chiralix, RU, RUMC en/of andere Partijen) onverwijld aan Wound-ex zal overdragen. Dat betreft dus onder andere PIC intermediates, monomeren (in verschillende varianten), polymeren, etc. M.b.t. polymeren die je zelf nodig hebt voor je onderzoek kunnen we bij voorkeur middels een MTA (conform het consortium agreement) de formele levering door Wound-ex en de daarbij behorende condities en de acceptatie daarvan door jouw groep regelen. Dat is voor ons beiden makkelijker en voorkomt onnodig gesleep met materiaal tussen partijen. Mocht dat om wat voor reden dat niet mogelijk zijn, gaat het ook dit materiaal in de algemene overdracht naar Wound-ex mee, zoals beschreven in de eerste zin van deze paragraaf. Wij streven ernaar om deze overdracht uiterlijk eind Juli plaats te laten vinden.”
Diezelfde dag heeft [betrokkene 1] als volgt gereageerd:
“Ik ben hiermee accoord en zal alles overdragen, zodra dit in mijn bezit is. Ik zal ook zorgen dat tzt de monomeer aan jou wordt overgedragen zodra [betrokkene 4] deze aan mij heeft geleverd.”
Op 22 september 2017 heeft ZonMw het volgende geschreven aan [betrokkene 1] :
“Een essentieel onderdeel van de afspraken die tussen partijen en met ZonMw zijn gemaakt is de uittreding van de RU en de daaraan verbonden overdracht van alle materialen en informatie van RU naar Wound-ex via de de coordinator RUMC/ [betrokkene 1] . Wound-ex heeft activiteiten van de RU overgenomen. Binnen het consortium is afgesproken dat de materialen die RU heeft verkregen van Chiralix nu via de coordinator overgaan naar Wound-ex. Daarmee is de RU geen eigenaar meer van deze materialen en gaat het eigenaarschap over van de RU naar Wound-ex. Alle overige resultaten en kennis die de RU heeft opgedaan in het Heal-X project gaan over naar de RUMC zodat deze ten goede kunnen komen van het consortium. [...] Het is dus van groot belang dat de overdracht van RU naar RUMC (financieel EN inhoudelijk) die uiterlijk 31 juli 2017 klaar had moeten zijn alsnog zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden.”
De levering van de materialen heeft echter nooit, althans niet volledig, plaatsgevonden, ondanks sommatie daartoe door Wound-ex. Op 27 september 2017 heeft Wound-ex conservatoir beslag tot afgifte laten leggen op de bij de SRU aanwezige materialen.
In april 2018 heeft ZonMw aan partijen laten weten dat de verdere subsidieverlening afhankelijk wordt gemaakt van het oplossen van de problemen omtrent de materialen. ZonMw heeft op 5 april 2018 aan [betrokkene 2] onder meer het volgende geschreven:
“(...) the remaining issues related to the transfer of materials and the subsequent exit of Radboud University remain a concern to the committee. In particular, a potential defaulting exit of Radboud University from the consortium together with the ongoing legal seizure procedure of the monomers by Wound-ex are unacceptable risks that will endanger the continuation of the project. Consequently, the committee advices ZonMw to conditionally approve the progress in 2017 and to make the 2018 advance payment when the remaining issues related to the transfer of materials and exit of Radboud University have been resolved.
Condition to final approval will be (1) the non-defaulting withdrawal of Radboud University from the consortium and (2) the abrogation of the legal seizure procedure related to the monomers that were transferred from Chiralix to Radboud University and Radboud UMC for the purpose of the Heal-X project.
ZonMw requires you to substantiate the solution of the above described legal issues with a copy of the relevant legal documents before May 1st 2018. Upon approval by ZonMw of these documents, ZonMw will make the 2018 advance payment.”
Toen de door ZonMw gestelde deadline niet werd gehaald, heeft ZonMw bij brief van 3 mei 2018 aan RUMC laten weten voornemens te zijn de subsidie voor het Heal-X project voortijdig te beëindigen. Bij brief van 8 oktober 2018 heeft ZonMw bericht het project per 1 november 2018 definitief te willen beëindigen.
In de periode oktober/november 2018 heeft een mediation tussen partijen plaatsgevonden. Dit heeft echter niet geresulteerd in de beëindiging van het geschil.
Op 18 december 2018 heeft een telefonische vergadering plaatsgevonden tussen de leden van het consortium. In het verslag van die vergadering staat onder meer het volgende opgenomen:
“ [betrokkene 2] heet iedereen welkom en geeft aan dat op verzoek van de board dit een buitengewone vergadering zal zijn en er rechtsgeldige besluiten genomen kunnen worden.
[betrokkene 3] : wil graag nog een korte vooropmerking maken. [betrokkene 3] geeft aan dat er een lopend mediation-proces is en hangende dat proces zal hij geen positie bepalen m.b.t. het Heal-X project of de punten die vandaag besproken worden.
[betrokkene 3] geeft aan dat hij daarom niet voor of tegen punten te stemmen maar dat hij ten aanzien van deze bijeenkomst en punten die besproken worden formeel alle rechten moet voorbehouden. (...)
(…)
[betrokkene 2] : vandaag moet het besluit worden genomen om als consortium onszelf en het project op te heffen. Geen andere optie omdat ZonMW besloten heeft om e.e.a. niet meer te financieren. Als daar geen bezwaren tegen zijn. Iedereen is het hiermee eens. (...)
ZonMW geeft aan dat de materialen van de partners terug dienen te gaan naar [betrokkene 4] [ [betrokkene 4] , Chiralix, toevoeging rechtbank]. [betrokkene 4] gaat hiermee akkoord.”
Procesverloop 2
Bij procesinleiding van 11 oktober 2017 heeft Wound-ex SRU gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem. Daarbij heeft Wound-ex gevorderd: (i) een verklaring voor recht dat Wound-ex eigenaar is van de materialen, (ii) een verklaring voor recht dat SRU gehouden is de materialen aan Wound-ex af te geven, (iii) een veroordeling van SRU tot het overdragen van de materialen aan Wound-ex en (iv) veroordeling van SRU in de beslag- en proceskosten.3
Na verdere conclusie- en aktewisseling heeft de rechtbank op 19 september 2018 de zaak mondeling behandeld. Daarvan is proces-verbaal is opgemaakt.
Op 18 september 2019 heeft, opnieuw na verdere aktewisseling, een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan eveneens proces-verbaal is opgemaakt.
De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2019 de vorderingen van Wound-ex afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
Wound-ex heeft, bij exploot van 17 maart 2020, aan SRU aangezegd dat zij van dit vonnis in hoger beroep komt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, en heeft SRU gedagvaard om op 16 juni 2020 te verschijnen.
Op 16 juni 2020 heeft Wound-ex een “akte inzake partijwisseling” genomen. Zij heeft daarin vermeld dat zij haar vordering op SRU op 6 april 2020 heeft gecedeerd aan Crownvest en heeft het hof verzocht de zaak op de voet van art. 225 lid 1 onder c Rv te schorsen.
Crownvest heeft bij exploot van 2 juli 2020 (hersteld bij exploot van 17 juli 2020) SRU aangezegd dat het geding conform art. 227 Rv zal worden hervat met Crownvest als appellante en tevens SRU opgeroepen om op 14 juli 2020 bij het hof te verschijnen.
SRU is niet op de aangezegde roldatum verschenen en tegen haar is verstek verleend.4
Crownvest heeft op de roldatum van 10 november 2020 een memorie van grieven genomen. Zij heeft daarin haar eis gewijzigd5 en geconcludeerd dat het hof:
(i) het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2019 vernietigt;
(ii) voor recht verklaart dat SRU, door het (doen) beëindigen van het Heal-X project, door het (doen) opheffen van het Heal-X consortium, door het (doen) financieel afwikkelen van het Heal-X project, door het niet afgeven van de materialen en de onderzoeksresultaten, door het niet maximaal ondersteunen van Wound-ex en/of door het weigeren te verklaren dat de materialen (waar het conservatoire beslag op was gelegd) beschikbaar blijven voor Wound-ex, toerekenbaar tekort is geschoten jegens Wound-ex, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens Wound-ex, althans heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid, en daardoor aansprakelijk is voor de schade die Wound-ex als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden;
(iii) deze procedure naar de schadestaat procedure verwijst voor het vaststellen van de door Wound-ex geleden schade; en
(iv) SRU veroordeelt in de volledige proceskosten van Crownvest/Wound-ex in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.6
Het hof heeft bij tussenarrest van 15 juni 2021 een mondelinge behandeling bepaald op 29 juli 2021. Deze mondelinge behandeling heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 9 februari 2022, in aanwezigheid (via een skype-verbinding) van een vertegenwoordiger en van de advocaat van Crownvest. De advocaat van Crownvest heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Vervolgens heeft het hof bij eindarrest van 22 maart 2022 het vonnis van de rechtbank waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Crownvest heeft van dit eindarrest (hierna: het bestreden arrest) tijdig7 cassatieberoep ingesteld.
Tegen SRU is verstek verleend.
Crownvest heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.
3 Ontvankelijkheid
Ik behandel eerst onderdeel 2 waarin de ontvankelijkheid in cassatie aan de orde wordt gesteld.
Volgens het onderdeel is in rov. 4.1 van het bestreden arrest sprake van een beslissing over de toepassing van art. 130 lid 3 Rv, waarvoor – anders dan voor het eerste lid van art. 130 Rv – het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv niet geldt. Voor zover art. 130 lid 2 Rv wel van toepassing zou zijn, beroept Crownvest zich op de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad.8
Genoemde rov. 4.1 luidt als volgt:
“Verzuim betekening eiswijziging
Crownvest heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd. De advocaat van Crownvest heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat de eiswijziging niet aan SKU is betekend zoals bedoeld in artikel 130 lid 3 Rv. Aan de in dat artikel neergelegde eis van tijdige betekening ligt de gedachte ten grondslag dat moet worden vermeden dat een gedaagde of geïntimeerde tot iets veroordeeld kan worden waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het gevorderd is. Crownvest heeft op de zitting een aanhouding gevraagd om de memorie van grieven met gewijzigde eis na afloop van de mondelinge behandeling alsnog aan SKU te laten betekenen. Dat is naar het oordeel van het hof in deze fase van de procedure (tussen mondelinge behandeling en arrest en ruim een jaar na de eiswijziging) ontijdig en in strijd met de goede procesorde. Op grond van artikel 130 lid 3 Rv is de wijziging van eis bij gebreke van een tijdige betekening dus uitgesloten. Het hof zal uitgaan van de vorderingen zoals door de rechtbank beoordeeld in het vonnis van 18 december 2019 (curs. A-G).”
Uit het door mij gecursiveerde gedeelte van de geciteerde rechtsoverweging volgt dat het uitgangspunt van onderdeel 2 juist is: de beslissing dat de eiswijziging van Crownvest is uitgesloten is door het hof gebaseerd op art. 130 lid 3 Rv.
Verandering of vermeerdering van eis (art. 130 lid 1 Rv)
Art. 130 Rv bepaalt in het eerste lid, voor zover thans van belang, dat de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog niet heeft medegedeeld binnen welke termijn hij eindvonnis zal wijzen. De verweerder is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van de goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde gronden ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.
Met betrekking tot deze ambtshalve bevoegdheid is in de memorie van toelichting een verband gelegd met de verplichting van de rechter om te waken tegen onredelijke vertraging van het geding (art. 20 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en met de omstandigheid dat naar huidig recht over de hele linie geen rechterlijke toestemming is vereist voor een verandering of vermeerdering van eis.9
Art. 130 Rv is op grond van art. 353 lid 1 Rv ook van toepassing in hoger beroep, met dien verstande dat alleen de oorspronkelijk eiser bevoegd is zijn eis in appel te wijzigen, ongeacht of hij als appellant of als verweerder optreedt.10
In hoger beroep wordt de bevoegdheid tot wijziging van de eis, naast de eisen van de goede procesorde, ook beperkt door de tweeconclusieregel, zodat een eiswijziging in beginsel niet later kan worden aangevoerd dan in de memorie van grieven of memorie van antwoord.11
Geen hogere voorziening (art. 130 lid 2 Rv)
Art. 130 lid 2 Rv bepaalt dat tegen de beslissingen van de rechter, bedoeld in het eerste lid, geen hogere voorziening open staat. Dit betreft zowel de beslissing op het bezwaar van gedaagde, als de beslissing tot het ambtshalve buiten beschouwing laten van een eiswijziging.12 Als belangrijkste argument hiervoor is in de wetsgeschiedenis (bij art. 134 (oud) Rv) aangevoerd dat een ander stelsel zou kunnen leiden tot grote vertragingen en dat het de mogelijkheid van misbruik in zich zou bergen.13
De wet schrijft niet alleen in art. 130 lid 2 Rv een rechtsmiddelenverbod (hoger beroep en cassatie) voor, maar dit rechtsmiddelenverbod kan op grond van vaste rechtspraak ook niet worden doorbroken. De Hoge Raad heeft in het arrest […] / […] daartoe de volgende typering van de beslissing op grond van het tweede lid van art. 130 Rv gegeven: het gaat om een marginale toetsing omdat de rolrechter — desgevraagd — enkel toetst of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt, en verder is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten.14
De ratio van het derde lid van art. 130 Rv is evenwel van een andere orde.
De niet verschenen gedaagde (art. 130 lid 3 Rv)
Vóór 2002 kon een gedaagde voorkomen dat de eis tegen hem zou worden veranderd of vermeerderd door verstek te laten gaan. Art. 134 lid 4 (oud) Rv bepaalde namelijk dat de bevoegdheid van de eiser om zijn eis te veranderen of te vermeerderen – categorisch – is uitgesloten, indien een of meer gedaagden niet in het geding zijn opgekomen.15 Dit voorschrift is bij de herziening van het burgerlijk procesrecht per 1 januari 2002 zodanig aangepast dat een wijziging van eis in genoemd geval nog steeds is uitgesloten, maar dat een uitweg is gecreëerd. Art. 130 lid 3 Rv luidt nu als volgt:
“Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. In laatstgenoemd geval is artikel 120, derde lid, van overeenkomstige toepassing.”
De achtergrond van art. 130 lid 3 Rv is het beginsel van hoor en wederhoor en het verdedigingsbeginsel.16 Door de Hoge Raad is dit (met betrekking tot art. 134 lid 4 (oud) Rv) zo verwoord dat moet worden vermeden dat een partij tot iets veroordeeld kan worden waarvan zij niet weet en niet kan weten dat en waarom het gevorderd is.17 Ook het hof is in rov. 4.1 van het bestreden arrest van deze achterliggende gedachte uitgegaan.
Het wettelijk voorschrift van de eerste volzin van art. 130 lid 3 Rv heeft dus een wezenlijk andere ratio dan die van art. 130 lid 2 Rv. Dat brengt mee dat het rechtsmiddelenverbod van het tweede lid alleen betrekking kan hebben op de beslissingen bedoeld in het eerste lid van art. 130 Rv, hetgeen overigens ook in het tweede lid met zoveel woorden is bepaald. Daarnaast moeten rechtsmiddelenverboden in het algemeen beperkt worden opgevat.18
Crownvest gaat er mitsdien terecht van uit dat zij ontvankelijk is in haar cassatieberoep.