Home

Parket bij de Hoge Raad, 14-04-2023, ECLI:NL:PHR:2023:424, 22/02716

Parket bij de Hoge Raad, 14-04-2023, ECLI:NL:PHR:2023:424, 22/02716

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14 april 2023
Datum publicatie
15 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:424
Formele relaties
Zaaknummer
22/02716

Inhoudsindicatie

Financieel advies. Partij bij overeenkomst? Reflexwerking art. 6:236 BW. Klachtplicht. Verjaring

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/02716

Zitting 14 april 2023

CONCLUSIE

S.D. Lindenbergh

In de zaak

1. [eiser 1] , vanaf 1 oktober 2014 h.o.d.n. [de eenmanszaak]

2. [eiseres 2] , tot 1 oktober 2014 h.o.d.n. [de eenmanszaak]

tegen

1. Hibma B.V.

2. Hibma Zuivel V.O.F.

3. [verweerder 3]

4. [verweerster 4]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] in meervoud (eisers tot cassatie gezamenlijk), [eiser 1] (eiser tot cassatie onder 1), [eiseres 2] (eiseres tot cassatie onder 2), Hibma c.s. in meervoud (verweerders in cassatie gezamenlijk), Hibma (verweerster in cassatie onder 1), Hibma Zuivel V.O.F. (verweerster in cassatie onder 2), [verweerder 3] (verweerder in cassatie onder 3) en [verweerster 4] (verweerster in cassatie onder 4). De eenmanszaak ‘ [de eenmanszaak] ’ wordt hierna verkort aangeduid als [de eenmanszaak].

1 Inleiding

Het onderhavige geschil vindt zijn oorsprong in een financieel advies met betrekking tot flitskrediet dat [eiser 1] (al dan niet: mede) namens [de eenmanszaak] aan Hibma c.s. heeft gegeven tijdens de uitvoering van een subsidieverwervingsovereenkomst. Het hof heeft voor recht verklaard dat [eisers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen tegenover Hibma Zuivel V.O.F., [verweerder 3] en [verweerster 4] door niet de vereiste zorg te betrachten die van een financieel adviseur mag worden verwacht bij het informeren, adviseren en opzetten van deugdelijke zekerheden bij een lening. Het middel keert zich allereerst tegen het oordeel van het hof dat [eiser 1] een hoofdelijk mede verbonden opdrachtnemer is (art. 7:407 lid 2 BW). Het middel richt daarnaast klachten tegen het oordeel dat [eisers] geen beroep toekomt op een bepaling in hun algemene voorwaarden waarin een klachtplicht voor de opdrachtgever is opgenomen, tegen het oordeel dat de klachtplicht van art. 6:89 BW niet is verzaakt en tegen de verwerping door het hof van het door [eisers] gedane beroep op verjaring (art. 3:310 lid 1 BW).

2 Feiten en procesverloop

In het eindarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 april 20221 ontbreekt een apart kopje waarin een opsomming van de vaststaande feiten is opgenomen.2 Na de weergave in paragraaf 1 van het verdere procesverloop in hoger beroep volgt een paragraaf 2 (‘Waar deze zaak over gaat, de beslissing van de rechtbank en de grieven’). De daar opgenomen rechtsoverwegingen geven een aanduiding van de kern van het geschil en bevatten deels een opsomming van vaststaande feiten.3 In paragraaf 3 wordt de beslissing gemotiveerd, waarbij per onderwerp de standpunten van partijen worden besproken en beoordeeld. In dat kader worden soms ook per onderwerp feitelijke vaststellingen opgenomen, verweven met de weergave van de partijstandpunten en de beoordeling van het hof. Een en ander maakt het lastig om aan de hand van het eindarrest thans in cassatie een gestructureerd en chronologisch overzicht te geven van de vaststaande feiten. Een groot aantal van de hieronder weergegeven feiten is (daarom) ontleend aan het eindvonnis van de rechtbank Gelderland van 21 maart 2018, waarin de feiten zijn opgesomd in r.o. 2.1-2.33.4 Ik zal zoveel mogelijk verwijzen naar vindplaatsen in het eindarrest.

2.1

Op 1 oktober 1996 zijn [verweerder 3] en [verweerster 4] een vennootschap onder firma aangegaan waarin zij een kaas- en zuivelbedrijf hebben geëxploiteerd. Op 29 maart 2006 hebben zij Hibma opgericht. Daarin is Hibma Zuivel V.O.F. ingebracht.

2.2

[eiser 1] en [eiseres 2] zijn echtgenoten. Op 11 juni 2002 is [de eenmanszaak] gevestigd, met [eiseres 2] als eigenaar en [eiser 1] als gevolmachtigde. Sinds 1 oktober 2014 is [eiser 1] eigenaar. [de eenmanszaak] houdt zich bezig met advies en bemiddeling op het gebied van financiën. Ook houdt zij zich bezig met het aanvragen van subsidies. Zij werkt daarbij samen met een onderneming van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een Bosnische jurist.5

2.3

In 2005 is [verweerder 3] door [eiser 1] en [betrokkene 1] benaderd met informatie over een subsidieprogramma van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken dat innovatieve investeringsprojecten in ontwikkelingslanden stimuleert. Na een gesprek met [eiser 1] en [betrokkene 1] heeft [verweerder 3] het plan opgevat om met subsidie een melkveehouderij in Bosnië op te zetten.

2.4

Eind april 2005 zijn [eiser 1] , [betrokkene 1] en [verweerder 3] naar Bosnië gegaan om informatie in te winnen. Zij zijn daar ontvangen door [het stel] (hierna in enkelvoud: [het stel]). [het stel] was de Bosnische partner, waarmee Hibma via [de eenmanszaak] (in de persoon van [betrokkene 1] ) in contact was gekomen, die Hibma begeleidde. [het stel] was tevens initiatiefnemer van een gesubsidieerd project voor het opzetten van een krachtvoerfabriek met de naam ‘Tehno-Pek’ (hierna: Tehno-Pek) in Bosnië.6

2.5

Om tijdelijk schuldenvrij te zijn voor de inschrijving op een tender voor het silocomplex ‘Zitoperada’ wilde ( [het stel] van) Tehno-Pek voor drie maanden een bedrag van € 1.000.000,-- lenen van Hibma , die daartegenover een rente verlangde van € 200.000,--.7

2.6

Bij brief van 12 mei 20058 met als onderwerp ‘samenwerking met [de eenmanszaak] inzake Subsidieverwerving’ heeft [de eenmanszaak] [verweerder 3] , [verweerster 4] en/of Hibma Zuivel V.O.F. het volgende bericht:

“Onder verwijzing naar onze diverse besprekingen terzake van uw voorgenomen investering cq realisering van een melkveehouderij in Bosnië i Herzegovina zenden wij u hierbij een plan van aanpak voor een professionele manier van subsidieverwerving. Het opstellen van een Subsidieplan staat hierin centraal.

[...]

Wij zijn graag bereid de beschreven werkzaamheden voor u te verrichten.

Naar wij hopen hebben wij u met deze offerte een passende aanbieding gedaan. [...]”

2.7

Bij deze brief zijn tevens algemene voorwaarden gevoegd. In het eerste lid van artikel 11 (‘Onderzoek, reclames’) staat:9

“1. Klachten over de verrichte werkzaamheden dienen door de opdrachtgever binnen 8 dagen na ontdekking, doch uiterlijk binnen 14 dagen na voltooiing van de betreffende werkzaamheden schriftelijk te worden gemeld aan gebruiker. De ingebrekestelling dient een zo gedetailleerd mogelijke omschrijving van de tekortkoming te bevatten, zodat gebruiker in staat is adequaat te reageren. [...]”

2.8

Bij brief van 23 mei 200510 heeft [de eenmanszaak] aan [verweerder 3] , [verweerster 4] en/of Hibma Zuivel V.O.F. het volgende bericht:

“In ons gesprek van 22 mei j.l. deelde u ons mede nadere informatie te willen omtrent de door ons te hanteren “no cure no pay” formule alsmede de kosten terzake van overige, op uw verzoek uit te voeren, werkzaamheden. Voorts geven [we] u, ter verdere verduidelijking, tevens een gedetailleerder beschrijving van onze werkzaamheden.

No cure no pay (resultaat afhankelijke beloning)

• [de eenmanszaak] [...] is belast met het voorbereiden, opstellen en indienen van subsidie- en fiscale (vrijstellings)aanvragen ten behoeve van [verweerder 3] en/of [verweerster 4] en/of Hibma v.o.f. hierna te noemen: opdrachtgever. De programma’s uit hoofde waarvan aanvragen worden ingediend zullen in overleg met opdrachtgever worden bepaald.

• Het verwervingsproces zal door [de eenmanszaak] [...] worden uitgevoerd op basis van de “no cure no pay” formule. Gedurende de looptijd van de overeenkomst zal per project een percentage van 15% in rekening worden gebracht over de hoogte van de beschikking. [...] (In het kader van de thans in te dienen PSOM aanvraag voor de voorgenomen investering in Bosnië i Herzegovina worden de reis- en verblijfkosten gedeclareerd onder de subsidie, waarvoor wij verwijzen naar de thans in uw bezit zijnde regeling.)

[...]

• De aansprakelijkheid van [de eenmanszaak] voor schade die de opdrachtgever lijdt in de breedste zin des woords, voortvloeiende uit of verband houdende met de onderhavige overeenkomst, wordt beperkt tot het bedrag dat [de eenmanszaak] [...] in het betreffende geval in rekening heeft gebracht.

[...]

Overige kosten (inspanningsverplichting)

Voor haar werkzaamheden, anders dan rechtstreeks verband houdend met het schrijven en indienen van de subsidieaanvraag, zoals het indienen (in de ruimste zin des woords) van de FMO-kredietaanvraag (achtergestelde lening), wordt, ex BTW, en tot nader order, een uurtarief gehanteerd van € 125,= [...]

Wij verwijzen naar onze Algemene Voorwaarden waarvan een exemplaar in uw bezit is. Indien gewenst zullen wij iedere opdracht apart, schriftelijk een gedetailleerd vastleggen en zullen partijen ten blijke van hun akkoord, deze vastlegging rechtsgeldig ondertekenen. Dit schrijven is onlosmakelijk verbonden met onze offerte van 12 mei j.l.”

Deze brief is ondertekend door [verweerder 3] , [verweerster 4] , [betrokkene 1] en [eiser 1] .

2.9

Op 1 augustus 2005 heeft [de eenmanszaak] voor Hibma Zuivel V.O.F. subsidie aangevraagd voor het als volgt omschreven project:

“A complete new dairy farm with full attention to environment and animal welfare and respect for landscape and agriculture: “The living proof that modern agriculture can perfectly be matched with natural circumstances”.”

Als locatie van het project is vermeld ‘City of Bugari, Municipality of Bihac, Una Sana Canton, Bosnia and Herzegovina’. Als budget voor het project is een bedrag van € 1.487.500,- opgenomen, waarin Hibma Zuivel V.O.F. zelf € 744.250,00 bijdraagt.

2.10

Bij e-mail van 6 augustus 200511 heeft [eiser 1] namens [de eenmanszaak] aan [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), verantwoordelijk manager van de UniCredit Zagrebacka Banca (hierna: UniCredit Bank), geschreven dat zij zekerheid wilden in de vorm van een bankgarantie.12 In de e-mail van [eiser 1] op naam van [de eenmanszaak] , die een reactie is op een e-mail van [betrokkene 2] van 4 augustus 2005, staat het volgende:13

“As you know, we were, and are still, in discussion with [het stel] of Tehno-pek regarding a loan enabling him to buy the shares of D.D. Zitoprerada, Bihac after privatisation.

In case a loan will be granted by us, we wish to receive security in the form of a bankguarantee.

In your mail you state being prepared to monitor investments, however, and understandable, in accordance with your credit policy.

In our opinion your mail can not be seen as any form of security, reason for us to send you in annex copy of a guarantee which could be suitable for us, as well as a loan agreement to be made with [het stel] of Tehno-Pek. [...]

Loans to be granted need approval of our board.”

2.11

Daarop heeft UniCredit Bank op 27 september 2005 een ‘confirmation’-brief aan Tehno-Pek en [verweerder 3] geschreven.14 Daarin staat het volgende:

“With this letter the UniCredit [...] confirms that [...] Tehno-pek [...] and [verweerder 3] will after the completed payment of [...] 1.000.000,00 Euro to the account of [...] Tehno-pek [...] in UniCredit [...], whose source is the Contract among [...] Tehno-pek [...] and [verweerder 3] [...], and according to instruction of [...] Tehno-pek [...] will with this in fully liquidate the creditorial duties of [...] Tehno-pek [...] towards UniCredit. [...].

With the act of closing creditorial duties, the Bank will in shortest period commit to issue obliteration of [...] Tehno-pek [...] for the possessions which have served as a collaterals for the approved creditorial means.

In case that [...] Tehno-pek [...] becomes a participant in tender for the privatisation of D.D. Zitoperada [...] and after the acquitation of creditorial obligations, the Bank will issue the confirmation of the liquidation for [...] Tehno-pek [...] which will serve as a confirmation for the bidder.

After the completed public bidding of D.O. Zitoperada [...], in some case [...] Tehno-pek [...] and his Ino-partner be the winner, the Bank will monitor the Investments of [...] Tehno-pek [...] which refer to completion of obligation from the contract of privatisation on the basis of the collateral for the possessions according to the estimation of D.D. ZANE Sarajevo, and according to the procedures of the Bank.

UniCredit [...] confirms to have acquired the open request from [...] Tehno-pek [...] for the approval of creditorial means with which [...] Tehno-pek will use starting beginning of February 2006, and as well as for the propose of [...] Tehno-pek [...] and his partner will be winners of public bidding of the privatisation of D.D. Zitoperada [...] or for the investment in other projects with his partners.

The Bank confirms that [...] Tehno-pek [...] has lodged the Warrant for the return of means and as a Firm Guarantee in total amount of 1.000.000,00 Euro addressed to [verweerder 3] for the return of means according to the Contract which will be presented to the Bank. [...]”

[eiser 1] ( [de eenmanszaak] ) heeft deze brief voorzien van negen vraagtekens en commentaren en dit besproken met ( [verweerder 3] van) Hibma .15

2.12

Nadat er een zgn. ‘Dahrlehn-Kredit’ door Tehno-Pek en Hibma Zuivel V.O.F. en een zgn. ‘Aussage-Bestätigung’ door [het stel] waren ondertekend,16 en Rabobank € 1.000.000,-- aan Hibma had uitgeleend (het bedrag waaruit Hibma vervolgens de lening aan Tehno-Pek heeft verstrekt), heeft [eiser 1] bij e-mail van 21 oktober 200517 aan ( [het stel] van) Tehno-Pek bericht dat hij de betalingsopdracht voor het overmaken van het door Hibma aan Tehno-Pek uit te lenen bedrag had ingevuld en door [verweerder 3] zou laten ondertekenen, en verder gevraagd om voor de inschrijving van de hypotheek ten laste van Tehno-Pek een afspraak te maken met het gerecht.18

2.13

Op 26 oktober 2005 heeft Hibma Zuivel V.O.F. een bedrag van € 1.000.000,-- aan Tehno-Pek overgemaakt.19

2.14

In een brief van diezelfde datum met als onderwerp ‘project Bosnië’ heeft Rabobank [verweerder 3] het volgende bericht:20

“In ons persoonlijk gesprek van 24 augustus jl., heb ik je de visie van Rabobank Nederland meegedeeld omtrent Bosnië.

Rabobank Nederland heeft weinig vertrouwen in Bosnië, zij vinden Bosnië het meest instabiele land in deze omgeving.

Op dit moment vinden zij de markt in dit land niet interessant en kunnen je derhalve ook niet van dienst zijn.

Ze geven overigens wel aan dat bijvoorbeeld aan bankgaranties van banken uit Bosnië internationaal nauwelijks waarde toegekend wordt. Verder laten ze weten dat de betrouwbaarheid van de mensen hier veel te wensen overlaat.

Rabobank Nederland zegt voorbeelden te kennen van bedrijven die hier ervaring hebben met het opstarten van projecten in Bosnië. [...]”

2.15

Op 28 oktober 2005 is een overeenkomst gesloten tussen [verweerder 3] ‘as a creditor’, Tehno-Pek ‘as a borrower’ en [het stel] ‘as a co-borrower’. In deze overeenkomst staat, in de Engelse vertaling van een gerechtsvertaalster:21

Mortgage contract for insurance of money beseech

[...]

Article 2.

For the insurance that the Tehno-Pek as borrower and [...] [het stel] as a co-borrower will pay the loan back, they are obliging to give to [...] [verweerder 3] as a mortgage real estate d.o.o Tehno-Pek, Bihac marked as kc.br.28/1 i.e. commercial object-bakery with the yard surface of 2550 m2 recorded in uzk.ul 1304 k.o. Golubic, but the mortgage right has to be recorded on them. [...]”

2.16

Op 2 december 2005 is de aanvraag voor subsidie voor het opzetten van de melkveehouderij in Bosnië afgewezen. Op 6 juli 2006 is een tweede subsidieaanvraag daarvoor toegewezen tot een bedrag van maximaal € 722.500,--, te ontvangen in vier ongelijke termijnen bij het behalen van bepaalde overeengekomen resultaten.

2.17

Bij factuur van 6 juli 2006 heeft [de eenmanszaak] € 128.966,25 bij Hibma Zuivel V.O.F. in rekening gebracht. Deze factuur is voldaan.

2.18

UniCredit Bank heeft een in het kader van de lening onder haar berusting gekregen ‘bill of exchange’ in maart of april 2006 teruggegeven aan ( [het stel] van) Tehno-Pek.22

2.19

Tehno-Pek heeft in de maanden augustus tot en met november 2006 in totaal € 240.000,-- aan Hibma terugbetaald.23

2.20

In 2006 heeft [eiser 1] aan [verweerder 3] een samenwerkingsovereenkomst overhandigd. In deze overeenkomst tussen enerzijds [betrokkene 1] en [de eenmanszaak] als ‘de adviseur’ en anderzijds Hibma staat onder meer:

“In overweging nemende dat:

[...]

De adviseur voor [verweerder 3] werkzaam is als intermediair/adviseur en partijen hun onderlinge verhoudingen als volgt (opnieuw) willen vastleggen; [...]”

Deze overeenkomst is niet ondertekend.24

2.21

Bij e-mail van 9 februari 2007 heeft [de eenmanszaak] aan onder meer de Economische Voorlichtingsdienst (een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken), Rabobank en Tehno-Pek bericht dat de samenwerking van haar kantoor met Hibma met betrekking tot het project is beëindigd.25

2.22

Op 7 maart 2007 is de door Tehno-Pek verstrekte hypotheek op initiatief van [verweerder 3] en zijn Bosnische advocaat in het kadaster ingeschreven.26

2.23

Bij brief van 10 april 2007 heeft Unicredit aan de Bosnische advocaat van [verweerder 3] op zijn daartoe strekkende vraag geantwoord dat zij niet beschikt over de ‘bill of exchange’ van Tehno-Pek, omdat Tehno-Pek die had ingetrokken.27

2.24

Bij brief van 22 juni 2010 heeft de Economische Voorlichtingsdienst aan Hibma bericht dat het project voortijdig wordt beëindigd en dat de subsidie wordt vastgesteld op € 191.429,--, welk bedrag reeds ter beschikking was gesteld.28

2.25

[verweerder 3] heeft Tehno-Pek in Bosnië in rechte aangesproken tot terugbetaling van het geleende geld. In de uitspraak van het Superior Court in Bihac van 21 maart 2008 staat onder meer:

DECISION

1. Prosecutor [...] [verweerder 3] from Holland is authorized to claim satisfaction for his loan on the basis of contract Vo. no. 25919, that was signed in Bihac on 10.03.2005. between prosecutor as loaner and prosecuted “Tehno pek” Ltd. Bihac as receiver of loan [...]

2. Prosecuted “Tehno pek” Ltd. Bihac, [...] has the obligation of repaying of 1.467.000,00 KM, with interest [...] on the grounds of contract Ov. No. 25919 from 3. November 2005 signed in Bihac between the prosecutor as loaner and the accused as debtor [...]”29

2.26

Hibma heeft nadien in Bosnië een gerechtelijke procedure gevoerd met als inzet de vraag welke vermogensbestanddelen er vallen onder het hypotheekrecht dat is gevestigd op 7 maart 2007. De procedure is in 2013 uitgemond in het oordeel dat dit hypotheekrecht alleen een deel van de grond en de fabriek omvat en niet de machines en een vakantiehuis dat op dezelfde kavel staat.30

2.27

Het verhypothekeerde onroerend goed van Tehno-Pek is te gelde gemaakt met een openbare veiling. Nadat een eerste veiling niet tot verkoop had geleid, heeft [verweerder 3] de fabriek bij gelegenheid van een tweede veiling op 31 mei 2012 zelf gekocht voor een derde van het getaxeerde bedrag van € 386.131,--.31 [verweerder 3] is op 22 februari 2013 eigenaar van het onroerend goed geworden. Nadien heeft hij het niet kunnen verkopen.

2.28

Bij brief van 21 september 2015 heeft de toenmalige advocaat van [verweerder 3] [eisers] aangesproken tot schadevergoeding.32

3 Procesverloop

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 15 maart 2017 hebben Hibma c.s.33 [eisers] gedagvaard voor de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de rechtbank). Zij hebben gevorderd dat de rechtbank: (i) voor recht verklaart dat [eisers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover Hibma c.s. , althans dat zij onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, en dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Hibma c.s. geleden schade; (ii) [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de schade, te vermeerderen met de contractuele dan wel wettelijke rente; (iii) [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de door Hibma c.s. gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente; en (iv) [eisers] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en in de nakosten.

3.2

Hibma c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [de eenmanszaak] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen die uit de overeenkomst van opdracht voortvloeien, althans dat zij onrechtmatig jegens Hibma c.s. heeft gehandeld door niet de zorgplicht van een goed opdrachtnemer in acht te nemen.34 Zij hebben meer specifiek aangevoerd dat [de eenmanszaak] (i) had moeten afraden de lening aan Tehno-Pek te verstrekken althans had moeten onderzoeken of Tehno-Pek wel de financiële draagkracht had om de lening terug te betalen, (ii) Hibma c.s. had moeten waarschuwen voor de risico’s die ondanks de te vestigen zekerheden aan een lening verbonden zijn, (iii) als goed opdrachtnemer en inhoudelijk deskundige nooit had mogen adviseren de leningsovereenkomst te tekenen zo lang niet zeker was of Hibma c.s. wel over dat geld zouden kunnen beschikken, (iv) Hibma c.s. had moeten adviseren het geld pas over te maken nadat de hypotheekovereenkomst was getekend, en (v) ervoor had moeten zorgdragen dat Hibma c.s. voldoende zekerheid zouden verkrijgen tot terugbetaling van de lening en dat de zekerheden op een correcte wijze werden gevestigd.35

3.3

[eisers] hebben verweer gevoerd. Naast een aantal formele verweren met betrekking tot de positie van een aantal procespartijen hebben zij aangevoerd dat (i) de vorderingen van Hibma c.s. zijn verjaard, (ii) Hibma c.s. [de eenmanszaak] geen tweede of aanvullende opdracht hebben verstrekt voor werkzaamheden in het kader van de lening aan Tehno-Pek, (iii) Hibma c.s. niet conform art. 11 lid 1 van de algemene voorwaarden klachten over de verrichte werkzaamheden schriftelijk aan [de eenmanszaak] hebben gemeld binnen acht dagen na ontdekking doch uiterlijk binnen veertien dagen na voltooiing van de desbetreffende werkzaamheden, althans (iv) dat zij niet binnen bekwame tijd hebben geklaagd (art. 6:89 BW).

3.4

Bij tussenvonnis van 14 juni 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 1 december 2017.

3.5

Bij eindvonnis van 21 maart 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van Hibma c.s. afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Hibma c.s. hun recht om [de eenmanszaak] aan te spreken “op het verzaken van zijn zorgplicht in verband met de bankgarantie en de omvang van de hypotheek” hebben verwerkt:

“4.16. [...] Op grond van artikel 6:89 BW dient de schuldeiser die een gebrekkige prestatie ontvangt, daarover binnen bekwame tijd te protesteren. Als hij dat niet doet, dan kan hij na verloop van die bekwame tijd geen beroep meer doen op het gebrek. Deze regel geldt zowel voor vorderingen op grond van onrechtmatige daad als voor vorderingen op grond van een toerekenbare tekortkoming. De termijn gaat lopen op het moment dat de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken. Van de schuldeiser wordt in dat verband verwacht dat hij in de gegeven omstandigheden redelijk onderzoek verricht en dat hij binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de prestatie gebrekkig is, hiervan kennis geeft aan de schuldenaar.

4.17.

Naar het oordeel van de rechtbank wist Hibma reeds begin 2006 dat de bankgarantie dan wel het document dat zij daarvoor hield haar geen zekerheid gaf voor de terugbetaling van de lening, of had zij dat toen in elk geval moeten weten. De rechtbank leidt dat af uit de verklaring die Vucovic op 21 februari 2008 heeft afgelegd ten overstaan van de Municipal Court in Bihac, te weten dat de ‘bill of exchange’ met medeweten van [verweerder 3] halverwege maart 2006 is ingetrokken (withdrawn). Als Hibma het begin 2006 al niet wist, dan wist zij het of had zij het moeten weten in april 2007, toen Unicredit aan de Bosnische advocaat van Hibma op diens daartoe strekkende vraag had geantwoord dat zij niet beschikte over de ‘bill of exchange’ van Tehno-Pek, omdat Tehno-Pek die had ingetrokken. Toen Tehno-Pek de lening niet terugbetaalde, heeft Hibma dan ook niet getracht de bankgarantie (jegens de bank) in te roepen, maar heeft zij geprobeerd het hypotheekrecht uit te winnen waartoe zij eerst in Bosnië heeft geprocedeerd over de omvang daarvan.

4.18.

Wat het hypotheekrecht betreft wist Hibma naar het oordeel van de rechtbank in elk geval in 2013 dat dit alleen een deel van de grond en de fabriek omvatte en niet de machines en ook niet een vakantiehuis dat op hetzelfde kavel achter de fabriek staat. Toen heeft de rechtbank in Bosnië dat immers beslist.

4.19.

Het staat in deze procedure vast dat Hibma [de eenmanszaak] heeft aangesproken bij brief van 21 september 2015, dat is circa 81⁄2 of 91⁄2 jaar nadat zij wist of had moeten weten dat de bankgarantie of hetgeen daarvoor moest doorgaan geen zekerheid bood en circa twee jaar nadat zij wist dat ook de hypotheek niet dan wel onvoldoende zekerheid bood. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Hibma daarmee niet geprotesteerd binnen bekwame tijd nadat zij een tekortkoming in het handelen van [de eenmanszaak] had ontdekt of had kunnen ontdekken. Dit oordeel wordt niet anders op grond van de stelling van Hibma dat het haar pas duidelijk werd dat zij een vordering op [de eenmanszaak] geldend zou kunnen maken nadat zij zich had gewend tot haar advocaat. In de gegeven omstandigheden, waarin Hibma in 2005 € 1 miljoen had uitgeleend aan Tehno-Pek en daarvan minder dan een kwart terugbetaald had gekregen, terwijl zij ( Hibma ) zich in het hele proces van het opzetten van de melkveehouderij in Bosnië in financiële zaken had laten bijstaan door [de eenmanszaak] , had van Hibma mogen worden verwacht dat zij niet pas 81⁄2 of 91⁄2 jaar dan wel twee jaar nadat was gebleken dat zij het restant van de lening niet meer zou terugkrijgen onderzoek zou doen naar de gang van zaken bij het verstrekken van de zekerheden en de rol van [de eenmanszaak] daarin. Dat Hibma in de periode 2006 - 2008 enig onderzoek heeft verricht naar mogelijke aansprakelijkheid van [de eenmanszaak] voor de gang van zaken rond de bankgarantie is echter gesteld noch gebleken. Ook in het geval van de hypotheek is gesteld noch gebleken dat Hibma na de uitspraak in 2013, dan wel in de loop van de procedure waarin de omvang van de hypotheek ter discussie stond, onderzoek heeft verricht naar mogelijke aansprakelijkheid van [de eenmanszaak] . [de eenmanszaak] heeft van het verloop van de tijd nadeel ondervonden, want tussen de jaren 2005-2006, waarin [de eenmanszaak] zich met de lening en de daarvoor te stellen zekerheid heeft bemoeid, en het moment dat Hibma [de eenmanszaak] heeft aangesproken, is circa tien jaar verstreken. Die periode is zo lang, dat het voor [de eenmanszaak] moeilijk wordt om deugdelijk verweer te voeren omdat, naar zij heeft aangevoerd, [eiser 1] zich niet meer in detail kan herinneren hoe bepaalde gesprekken zijn verlopen en wat de inhoud van bepaalde afspraken is geweest, terwijl [de eenmanszaak] ook niet meer beschikt over een dossier hiervan. De conclusie is dat Hibma haar recht om [de eenmanszaak] aan te spreken op het verzaken van zijn zorgplicht in verband met de bankgarantie en de omvang van de hypotheek heeft verwerkt. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.”

In hoger beroep

3.6

Hibma c.s. zijn van het eindvonnis van 21 maart 2018 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het hof). Het petitum in de memorie van grieven is bijna gelijkluidend aan dat in de procedure bij de rechtbank.

3.7

[eisers] hebben in hun memorie van antwoord geconcludeerd tot verwerping van de grieven van Hibma c.s. en zij hebben voorts (grotendeels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. [eisers] hebben gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank onder wijziging en/of aanvulling van gronden bekrachtigt en deels vernietigt voor zover het betreft de afwijzing van de door [de eenmanszaak] gevorderde proceskosten.

3.8

Hibma c.s. hebben in hun memorie van antwoord in incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel hoger beroep.

3.9

Bij tussenarrest van 24 maart 2020 heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 10 januari 2022.

3.10

Bij arrest van 19 april 202236 heeft het hof in het principaal en incidenteel hoger beroep het vonnis van 21 maart 2018 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat [eisers] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen tegenover Hibma Zuivel V.O.F., [verweerder 3] en [verweerster 4] door niet de vereiste zorg te betrachten die van een financieel adviseur mag worden verwacht bij het informeren, adviseren en opzetten van deugdelijke zekerheden bij een lening, zoals in het arrest overwogen. Het hof heeft [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Hibma Zuivel V.O.F., [verweerder 3] en [verweerster 4] als gevolg van de tekortkoming geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het hof heeft verder [eisers] hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en het principaal hoger beroep, te vermeerderen de wettelijke rente, en in de nakosten. Het hof heeft verstaan dat geen kostenveroordeling valt op het incidenteel hoger beroep en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.11

Hoewel in cassatie lang niet alle rechtsoverwegingen worden bestreden, acht ik het voor een goed begrip van de zaak zinvol om een groot deel van de overwegingen van het eindarrest weer te geven. Het hof oordeelt bij de beoordeling onder het kopje ‘de lening en de ontbrekende zekerheden’ onder meer [verwijzingen weggelaten]:

“[...]

3.3

Daarop heeft UniCredit Bank op 27 september 2005 een “confirmation”-brief aan Tehno-Pek en [verweerder 3] geschreven:

“[...]”37

3.4

[verweerder 3] begreep de inhoud van deze brief niet. Hij sprak misschien wel Engels, maar was niet juridisch of financieel geschoold en wist zeker niet of deze Engelstalige juridische tekst nu wel of geen bankgarantie opleverde. [eiser 1] ( [de eenmanszaak] ) heeft op deze brief met de hand negen genummerde punten van vraagtekens en commentaar geschreven en dit besproken met [verweerder 3] . [eiser 1] vond de brief van de bank een vodje papier en beschouwde dit niet als een bankgarantie. [verweerder 3] heeft op de comparitie bevestigd dat hij begreep dat [eiser 1] nog niet tevreden was; volgens [verweerder 3] is er echter na deze brief wel een bankgarantie of een waardepapier (aangeduid als “bill of exchange”) afgegeven en in de kluis bij UniCredit Bank gelegd. Achteraf is echter gebleken dat UniCredit Bank dit stuk na drie maanden heeft teruggegeven aan [het stel] . Volgens de verklaring van [eiser 1] had [verweerder 3] tot zekerheid van terugbetaling van de uitgeleende € 1.000.000 voor zekerheid moeten zorgen in de vorm van een bankgarantie. [eiser 1] erkent dat de bankgarantie er nooit is gekomen, hooguit iets wat er op leek.

Uit deze hele voorgeschiedenis mocht [verweerder 3] redelijkerwijs afleiden dat [eiser 1] , handelend voor [de eenmanszaak] en voor zichzelf, als opdracht aanvaardde om de verplichtingen onder de subsidieverwervingsovereenkomst uit te breiden tot de daarbij voorziene, tegen overige kostenregeling uit te voeren, andere werkzaamheden, zoals hier de advisering rond deze lening.

3.5

Tussen partijen staat niet vast of [eiser 1] , zoals hij bestrijdt, betrokken is geweest bij de totstandkoming en ondertekening van het “Dahrlehn-Kredit” en de “Aussage-Bestätigung”, beide van 3 oktober 2005. Dat is ook niet doorslaggevend. Een feit is namelijk wel dat [eiser 1] bij e-mail van 21 oktober 2005 aan ( [het stel] van) Tehno-Pek, met CC aan Hibma , heeft bericht:

“[...]”38

3.6.

Volgens [eiser 1] verklaring op de comparitie kwam deze e-mail hem bekend voor. Hij had dus niet alleen een, in zijn optiek klein en los, advies gegeven over de brief van UniCredit Bank van 27 september 2005, maar ook geadviseerd dat er zekerheid moest worden gesteld in de vorm van een bankgarantie en hij wist, blijkens zijn e-mail van 21 oktober 2005, dat er (verder ook nog) een hypotheek moest worden gevestigd. Volgens zijn verklaring ter comparitie wist [eiser 1] dat er op het moment van de uitbetaling nog geen hypotheek was gevestigd. Bovendien hebben partijen, gevraagd naar eventuele tijdsdruk waaronder de lening moest worden verstrekt, op de comparitie verklaard dat er wel een termijn aan de tender was verbonden, maar dat de verkrijging van de tender in principe niet nodig was om het subsidieproject voor de melkveehouderij van [verweerder 3] voort te zetten. Toch heeft [eiser 1] in zijn e-mail van 21 oktober 2005 de betaling klaargezet en daarvoor groen licht gegeven, terwijl hij geen (voor hem acceptabele) bankgarantie had gezien en wist dat er nog geen hypotheek was gevestigd. Als redelijk handelend en redelijk bekwaam financieel adviseur had [eiser 1] moeten begrijpen dat [verweerder 3] , die bij Hibma met eigen melkvee een kaas- en zuivelbedrijf dreef, voor de financiële en documentaire kant, en zeker wat betreft de te stellen zekerheden, volledig vertrouwde op zijn adviezen. [eiser 1] presenteerde zich ook als deskundig en ervaren op het terrein van het tot stand brengen van overeenkomsten in het buitenland, ook in verband met financiële producten en diensten. Zo verklaarde hij ter comparitie dat hij degene was met kennis van zaken met betrekking tot bankgaranties of wisseltransacties en niet [betrokkene 1] .

[eiser 1] , die van [verweerder 3] vernam dat deze het korte en omvangrijke krediet vooral in goed vertrouwen wilde verlenen, mocht dan ook niet zomaar op zijn beloop laten of er tijdig en voldoende zekerheden werden gesteld.

3.7

Uit [eiser 1] opdracht als financieel adviseur vloeide voort dat hij degene was die dit nu juist moest bewaken, ook al zou [verweerder 3] hebben gedacht dat er een afdoende zekerheidsdocument bij UniCredit Bank was gedeponeerd. [eiser 1] had het grote risico van een flitskrediet aan een kredietnemer, die tijdelijk voor schuldenvrij wilde doorgaan, aan [verweerder 3] moeten ontraden zolang er niet daadwerkelijk, tevoren door [eiser 1] te controleren, zekerheden in de vorm van een bankgarantie en/of een hypotheek waren gevestigd. Hij had dit ondubbelzinnig op schrift aan [verweerder 3] moeten berichten, daarbij moeten melden dat enkel vertrouwen in de goede afloop onvoldoende was en hem er ook nog op moeten wijzen dat aan hypotheekverstrekking in een vreemd land allerlei onzekerheden verbonden konden zijn. [eiser 1] kon dus niet volstaan met de door hem op de comparitie verdedigde opvatting dat [verweerder 3] zelf maar moest zorgen voor zekerheid en dat het [verweerder 3] is geweest die tegen hem had gezegd dat hij de betaling moest klaarzetten. Subsidiair had [eiser 1] , als [verweerder 3] de lening desondanks wilde doorzetten, hem onder de gegeven omstandigheden op niet mis te verstane wijze moeten waarschuwen voor het hoge risico dat voor [verweerder 3] aan deze lening was verbonden en hem schriftelijk indringend moeten adviseren om dan in ieder geval de uitbetaling onder de lening op te schorten tot er daadwerkelijk een bankgarantie was afgegeven en/of een afdoende dekking gevende hypotheek was gevestigd. En in beide gevallen had [eiser 1] anders dit deel van de opdracht rond het flitskrediet aan [verweerder 3] moeten opzeggen, met name ook omdat de verstrekking van het flitskrediet in strijd was met de leningsvoorwaarden van Rabobank waaruit dit werd gefinancierd, niet echt noodzakelijk was voor de opbouw van het melkveebedrijf en juist – integendeel – daarvoor een bedreiging vormde, namelijk wanneer de lening niet (op tijd) werd terugbetaald. [eiser 1] is dus in de bij zijn opdracht tot financiële begeleiding behorende zorgplicht tekortgeschoten.

3.8

Daarnaast behoorde [eiser 1] in zijn begeleiding van Hibma de hypotheekstukken tijdig en goed te beoordelen op de vestigingseisen en de aan een te vestigen hypotheek verbonden omvang van de verhaalsrechten. [eiser 1] liet zich bijstaan door zijn hulppersoon [betrokkene 1] , een Bosnische juriste. En als zij dit al niet kon beoordelen dan hadden zij in goed overleg een ter zake deskundige in Bosnië moeten raadplegen. Dat [eiser 1] daartoe gehouden was, geldt te meer nu [eiser 1] wist dat er op het moment dat hij de betaling klaar zette geen bankgarantie was, zoals hij op de comparitie heeft bevestigd, en dat het project van Hibma in de problemen zou komen wanneer er niet terugbetaald zou worden door [het stel] en verhaal onmogelijk bleek. [eiser 1] wist derhalve, althans behoorde te weten, dat het voor Hibma van cruciaal belang was om een deugdelijke hypotheek te vestigen. Daarbij wist [eiser 1] ook dat Hibma , zoals [verweerder 3] heeft verklaard ter comparitie, zich genoodzaakt voelde [het stel] dit flitskrediet aan te bieden, omdat hij meende voor de realisatie van zijn melkveebedrijf van hem feitelijk afhankelijk te zijn. [het stel] had in die tijd goede contacten met de overheidsinstanties in Bosnië en wist welke instanties nodig waren om de melkveehouderij voor Hibma mogelijk te maken. Vanwege die, als zodanig ervaren, afhankelijkheidsrelatie had het daarom juist op de weg van [eiser 1] gelegen om Hibma ( [verweerder 3] ) ter zijde te staan, te melden dat hij onvoldoende deskundigheid in huis had om de van [het stel] en diens advocaat ontvangen documentatie rondom de hypotheekvestiging te kunnen beoordelen en ten minste te wijzen op het belang van de aanstelling van een eigen deskundige voor een vanuit het belang van Hibma beredeneerd advies. Dan was Hibma de vestiging, de langdurige procedures in Bosnië en de teleurstelling over de beperkte omvang van het hypotheekrecht, naar moet worden aangenomen, bespaard gebleven. Ook in dit opzicht is [eiser 1] tekortgeschoten.

3.9

Voldoende aannemelijk is dat, in geval van naleving van voornoemde zorgplicht door [eiser 1] , [verweerder 3] ter voorkoming van verlies van het door hem uit te lenen bedrag van € 1.000.000 zijn buitenkans van € 200.000 rente zou hebben prijsgegeven en het geld niet zou hebben uitgeleend, of in ieder geval niet totdat er daadwerkelijk voldoende stevige en omvangrijke zekerheden zouden zijn gesteld. [verweerder 3] dacht echter, ten onrechte, dat er een bankgarantie in de kluis lag bij UniCredit Bank. Pas later – toen hij zich op de bankgarantie wilde beroepen – heeft hij begrepen dat dit stuk geen bankgarantie was, maar een “bill of exchange” en bovendien ook niet meer tot zijn beschikking stond. Zijn hypotheekwens bestond trouwens al eerder, in ieder geval sedert de hypotheekovereenkomst van 28 oktober 2005. Ook daarvan is hem eerst achteraf gebleken dat deze nog niet was gevestigd (dat gebrek is nadien alsnog geheeld) en niet de dekking bood die hem in de documenten was voorgehouden.

3.10

Uit het voorgaande blijkt dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen voldoende aannemelijk is, zodat daaraan een schadestaatprocedure kan worden verbonden.”

3.12

Het hof overweegt vervolgens onder het kopje ‘wie zijn nu eigenlijk de contractspartijen en wie hebben de vorderingsrechten?’ [verwijzingen deels overgenomen]:

“3.11 [de eenmanszaak] (dat wil zeggen [eiseres 2] ) heeft de subsidieverwervingsovereenkomst van mei 2005 gesloten met [verweerder 3] en/of [verweerster 4] en Hibma Zuivel V.O.F. In dat kader hebben zij de financiële begeleidingsopdracht van augustus-oktober 2005 gegeven aan en met het oog op de persoon van [eiser 1] die toen in het kader van de subsidieverwervingsovereenkomst handelde op naam van [de eenmanszaak] van [eiseres 2] . Hieruit vloeit voort dat de vorderingsrechten uit de opdracht berusten bij Hibma Zuivel V.O.F. en haar vennoten en dat de tekortkoming moet worden toegerekend aan [eiseres 2] als eigenaresse van [de eenmanszaak] en tevens aan [eiser 1] als hoofdelijk mede verbonden opdrachtnemer39. [...]”

3.13

Het hof gaat hierna onder het kopje ‘wat er daarna is gebeurd’ als volgt in op de gebeurtenissen na november 2006 [verwijzingen weggelaten]:

“3.12 Toen de terugbetalingen na november 2006 stokten en [de eenmanszaak] , na facturering in juli 2006 van € 128.966,25, de samenwerking begin 2007 had beëindigd, heeft [verweerder 3] met hulp van zijn Bosnische advocaat Mujagic op 7 maart 2007 de hypotheekovereenkomst van 28 oktober 2005 laten inschrijven. Bij brief van 10 april 2007 heeft UniCredit Bank aan die advocaat geantwoord dat zij niet meer beschikte over de “bill of exchange” van Tehno-Pek omdat Tehno-Pek deze had ingetrokken. In december 2007 heeft [verweerder 3] mr. Cohen [...] geraadpleegd, die hem, niet onbegrijpelijk, heeft aangeraden om de hypotheek in Bosnië uit te winnen; daarbij was de scope niet gericht op (de advisering door) [eiser 1] . Toen heeft [verweerder 3] met behulp van de Bosnische advocaat Feric een gerechtelijke procedure in twee instanties in Bosnië aangespannen, waarvan [eiser 1] op de hoogte was. Het was ook logisch dat Hibma eerst ageerde tegen haar schuldenaar uit de geldleningovereenkomst en overging tot uitwinning van het hypotheekrecht. [verweerder 3] had toen nog geen subjectieve bekendheid met aansprakelijkheid van [eiser 1] . [eiser 1] stelde zich tegenover Hibma namelijk op het standpunt dat (krachtens de schriftelijke overeenkomst) alleen de subsidieverwerving onder zijn opdracht viel en dat hij deze opdracht (met succes) had afgerond. De hypotheekprocedure is in 2013 uitgemond in het oordeel dat het hypotheekrecht alleen een deel van de grond en de fabriek omvatte maar niet de machines noch een vakantiehuis op dezelfde kavel, zodat dit onvoldoende verhaal bood. Omdat [verweerder 3] de hypotheekuitspraak van het “Cantonal Court of Bihac” onjuist achtte, heeft hij in 2014 nog, vergeefs, contact gezocht met de Nederlandse ambassade en met prof. dr. Lawson om te bezien of hiervoor een gang naar het EHRM mogelijk was. Eind 2014 heeft [verweerder 3] zich vervolgens gewend tot de advocaat mr. Rammelt, die, na bestudering van het uitvoerige dossier, bij brief van 21 september 2015 [eiser 1] wegens tekortkomingen in zijn financiële dienstverlening aansprakelijk heeft gesteld. [eisers] behoorden overigens destijds redelijkerwijs te begrijpen dat deze aansprakelijk[...]stelling in ieder geval mede namens Hibma Zuivel V.O.F., [verweerder 3] en [verweerster 4] en tevens [eisers] beiden betrof, waar het in 2005 [eiseres 2] was die [de eenmanszaak] dreef.”

3.14

Het hof oordeelt vervolgens onder het kopje ‘de klachtplicht in de algemene voorwaarden’ dat Hibma c.s. art. 11 lid 1 van de algemene voorwaarden terecht op grond van art. 6:233, aanhef en onder a, BW als onredelijk bezwarend hebben vernietigd [verwijzingen weggelaten]:

“[...]

3.14

Het verweer van [eiser 1] op de comparitie dat hij in de gelegenheid moest worden gesteld om een eventuele fout te corrigeren, gaat niet op omdat er op het moment van de uitbetaling onder de geldlening geen enkele zekerheid was gesteld en dat probleem ook later niet of nauwelijks corrigeerbaar is gebleken: UniCredit Bank heeft de “bill of exchange” niet kunnen verstrekken, omdat deze op verzoek van [het stel] in maart of april 2006 was teruggegeven. [eiser 1] heeft onvoldoende toegelicht of, en zo ja, op welke wijze, de gebreken in de hypotheekverstrekking (naar achteraf is vastgesteld omvatte het hypotheekrecht niet de machines – die de meeste waarde vertegenwoordigden – en viel het vakantiehuis buiten de in de hypotheek opgenomen kadastrale aanduiding) door hem hadden kunnen worden geheeld. Dat [het stel] na het in ontvangst nemen van het uitgeleende bedrag nog in staat en bereid zou zijn geweest op verzoek van ( [eiser 1] namens) [verweerder 3] andere, aanvullende, zekerheden te geven, is onvoldoende onderbouwd. De advocaat van [de eenmanszaak] heeft erkend dat de veertiendagentermijn onder spanning staat als men de feiten en omstandigheden in de context van artikel 6:248 BW ziet. Het gaat hier om een subsidieverwervingsovereenkomst met financiële begeleiding. Het beding van artikel 11 lid 1 valt ten opzichte van een consument onder de zwarte lijst van artikel 6:236 onder g. BW. Hibma c.s. waren geen consument, maar hadden met hun kaas- en zuivelbedrijf geen kennis van of ervaring met zo’n ingewikkelde financiële materie, waarvoor zij nu juist [eiser 1] van [de eenmanszaak] hadden ingeschakeld (en waaronder in dit geval ook en passant was begrepen het tijdig afdoende zekerheden stellen in Bosnië, althans het adviseren daarover). Hibma c.s. hebben dit artikel 11 lid 1 dan ook terecht op grond van artikel 6:233 aanhef en onder a. BW als onredelijk bezwarend vernietigd.”

3.15

Het hof oordeelt aansluitend onder het kopje ‘de wettelijke klachtplicht’ dat de klachtplicht van art. 6:89 BW niet is geschonden [verwijzingen weggelaten]:

“3.15 Maar ook volgens artikel 6:89 BW kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

3.16

Ook begin februari 2008 wist ( [eiser 1] van) [de eenmanszaak] dat ( [verweerder 3] van) Hibma , die niet werd terugbetaald, in Bosnië over de hypotheek procedeerde. Dat ging over (de gevolgen van) de financiële transactie waarbij [eiser 1] was betrokken en waarover hij had geadviseerd. Tegen die achtergrond behoorden [eisers] het (financierings-)dossier niet zeven, acht of negen jaar na de beëindiging van de relatie te vernietigen maar juist te bewaren in verband met de onzekere afloop. Daar komt bij dat zij na de aansprakelijkstelling van 21 september 2015 op grond van artikel 843a Rv inzage hadden kunnen verlangen in het dossier van Hibma c.s. en dat Hibma c.s. , zij het tevergeefs, [eisers] hebben aangeboden om kennis te nemen van hun omvangrijke en, onweersproken, complete dossier, zoals zij dit met vele ordners hebben getoond op de comparitie. Ten slotte is op de comparitie gebleken dat [eiser 1] , mede aan de hand van de hem getoonde producties, voldoende geheugen en herinnering had aan een aantal belangrijke gebeurtenissen van rond de uitbetaling van de € 1.000.000 op 26 oktober 2005. In het licht hiervan blijkt [eiser 1] door het tijdsverloop niet, wezenlijk, benadeeld. Bovendien moet worden bedacht dat, zoals hierna in het kader van het beroep op verjaring nader zal worden uiteengezet, het aan [verweerder 3] pas in 2015 subjectief bekend is geworden dat [eiser 1] ook met betrekking tot de advisering omtrent de lening een zorgplicht had en daarin is tekortgeschoten. De klachtplicht van artikel 6:89 BW is niet geschonden.”

3.16

Tot slot verwerpt het hof als volgt het door [eisers] gedane beroep op verjaring [verwijzingen weggelaten]:

“3.17 Bij brief van 21 september 2015 heeft (de advocaat van) Hibma c.s. [eiser 1] wegens een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot schadevergoeding aansprakelijk gesteld en zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehouden. Deze brief had stuitende werking. De vraag is dan of de door [eisers] ingeroepen vijfjarige verjaring is aangevangen vóór 21 september 2010. Daartoe is vereist dat Hibma c.s. voordien daadwerkelijk bekend waren geworden met de voor de verhaalsschade aansprakelijke persoon en daadwerkelijk in staat waren een rechtsvordering tot vergoeding van de door hen geleden schade in te stellen, waarvan sprake zal zijn als de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of fout handelen van de betrokken persoon. In deze zaak staat voldoende vast dat Hibma c.s. die daadwerkelijke bekendheid niet hebben gehad, met name niet de kennis en het inzicht die nodig waren om de omvang en de deugdelijkheid van de geleverde (financiële) adviesprestatie te beoordelen. Hibma c.s. hebben op enig moment in de jaren 2006 - 2008 vernomen dat UniCredit Bank de “bill of exchange” had teruggegeven. Daarmee was hun vermeende zekerheid verdwenen, maar was het voor hen nog niet duidelijk dat het nooit een echte bankgarantie was geweest, laat staan dat zij daarvoor [eiser 1] moesten aanspreken. Daarbij hebben Hibma c.s. toegelicht dat zij zich destijds nog niet de mogelijkheid van schade hebben gerealiseerd, omdat zij vertrouwden op het aan hen verleende hypotheekrecht, dat – na inschrijving – vatbaar was voor uitwinning en waarvan hen pas jaren later – door gebreken in de akte – bekend werd dat deze niet de dekking bood die volgens de akte werd geboden. Hibma c.s. hebben verder [eisers] niet aangesproken omdat zij lange tijd in de veronderstelling zijn geweest dat zij na uitwinning van de gevestigde hypotheek alsnog het project zouden kunnen voorzetten en daarnaast ook nieuwe investeerders hadden aangetrokken die hen wilden bijstaan. [eiser 1] – die zich op het standpunt stelde alleen opdracht te hebben tot het verlenen van bijstand bij de subsidieverwerving – heeft hen daarin tot 2008 ook nog begeleid. Het lag daarom ook niet voor de hand dat Hibma c.s. zich er reeds toen van bewust zijn geworden dat hun (eventuele schade) mede het gevolg was van een fout van hun eigen adviseur. Toen de hypotheekuitwinning in 2013 onvoldoende soelaas bood, zijn zij eind 2014 naar een advocaat (mr. Rammelt) gegaan, die hen voor het eerst heeft gewezen op de aansprakelijkheid van [eisers] Op [eisers] rusten stelplicht en bewijslast van de aanvang van de verjaring en zij hebben onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat die daadwerkelijke bekendheid al bij Hibma c.s. aanwezig zou zijn geweest vóór 21 september 2010. Het beroep op verjaring wordt daarom verworpen.”

In cassatie

3.17

Bij procesinleiding van 19 juli 2022 hebben [eisers] – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 19 april 2022 (hierna: het arrest). Hibma c.s. hebben een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Hibma c.s. hebben daarna hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben gerepliceerd.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie