Parket bij de Hoge Raad, 21-04-2023, ECLI:NL:PHR:2023:451, 22/00978
Parket bij de Hoge Raad, 21-04-2023, ECLI:NL:PHR:2023:451, 22/00978
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 april 2023
- Datum publicatie
- 30 mei 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:451
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:19
- Zaaknummer
- 22/00978
Inhoudsindicatie
Beëindiging kredietrelatie. Schending zorgplicht bank bij afsluiten renteswapovereenkomsten en nieuwe kredietovereenkomst? Aanvangsmoment verjaringstermijn art. 3:310 lid 1 BW. Toepassing van HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 (Belastingadvies Maltaroute). Komt bank ter afwering van vorderingen uit hoofde van renteswap (voorts) een beroep toe op ‘settlement clause’? Onrechtmatig handelen/wanprestatie bank door verkoop van activa cliënt? Gedeeltelijk inhoudelijke samenhang met zaak 22/00999.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00978
Zitting 21 april 2023
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
1. [eiseres 1] B.V.
2. [eiseres 2] B.V.
3. [eiseres 3] B.V.
4. Variety B.V.
tegen
Deutsche Bank A.G.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseressen] in meervoud (eiseressen tot cassatie gezamenlijk), [eiseres 3] (eiseres tot cassatie onder 3) en Deutsche Bank (verweerster in cassatie).
1 Inleiding
In deze zaak heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat de vorderingen tot schadevergoeding die [eiseressen] tegen Deutsche Bank hebben ingesteld wegens (beweerdelijke) schending van haar zorgplicht bij het afsluiten van twee renteswapovereenkomsten en een kredietovereenkomst, zijn verjaard door het verstrijken van de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. Het middel keert zich allereerst tegen dat oordeel. In cassatie worden verder klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat Deutsche Bank met betrekking tot de vordering uit hoofde van één van de renteswapovereenkomsten (voorts) een beroep kan doen op de ‘settlement clause’ in een latere overeenkomst. Tot slot richt het middel klachten tegen de verwerping door het hof van het beroep van [eiseressen] op een tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank met betrekking tot de verkoop van een aantal activa van [eiseressen] Het cassatieberoep treft m.i. doel voor zover het is gericht tegen het oordeel dat de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard. Met betrekking tot de verjaringskwestie hangt de zaak samen met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/00999, waarin ik vandaag ook concludeer.
2 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan r.o. 3.2 (onder i t/m xi) van het arrest van 21 december 2021 van het gerechtshof Amsterdam.1
[eiseressen] teelden, veredelden en vercommercialiseerden lelies. Ze hadden eigen gronden, een laboratorium, een veredelingskas, een verwerkingsschuur en een broeikas. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw bestaat er een kredietrelatie tussen (de rechtsvoorgangsters2 van) Deutsche Bank en [eiseressen]
Bij overeenkomst van 27 juli 2006 hebben Deutsche Bank en [eiseressen] lopende kredietovereenkomsten geherstructureerd, onder meer in de vorm van een 13-jarige Euriborlening van € 4,25 miljoen op basis van een variabele rente, gecombineerd met een renteswap met een looptijd van acht jaar (hierna: renteswap I). [eiseressen] hebben door ondertekening van de nieuwe kredietovereenkomst verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Derivatentransacties’ hebben ontvangen. In deze brochure worden de risico’s van een renteswap beschreven.
Op 29 oktober 2007 zijn [eiseressen] en Deutsche Bank een 15-jarige lening overeengekomen van € 2,4 miljoen op basis van een variabele rente. Ook deze lening is gecombineerd met een renteswap, die een looptijd had van elf jaar (hierna: renteswap II). [eiseressen] hebben door ondertekening van deze kredietovereenkomst opnieuw verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Derivatentransacties’ hebben ontvangen.
Op 24 december 2009 zijn [eiseressen] en Deutsche Bank een nieuwe kredietovereenkomst aangegaan, waarbij de 13-jarige en 15-jarige leningen (pro resto) werden gehandhaafd en een rekening-courantkrediet werd verstrekt van € 6,5 miljoen, bestaande uit een basiskrediet van € 1,2 miljoen, een seizoenskrediet van € 2,5 miljoen en een extra krediet van € 2,8 miljoen.
De kredietovereenkomst van 24 december 2009 is gewijzigd bij overeenkomst van 28 mei 2010, die weer is gewijzigd bij overeenkomst van 20 juli 2011.
Bij brief van 16 april 2013 heeft Deutsche Bank [eiseressen] meegedeeld dat zij wegens een aangescherpte strategische focus niet langer de geschikte bank is om [eiseressen] de producten en diensten aan te bieden die zij op dat moment afnamen en hen gewezen op de mogelijkheden van Nederlandse banken die wel een breed lokaal aanbod hebben voor de bancaire producten en diensten die [eiseressen] op dat moment afnamen. De individuele overeenkomsten met [eiseressen] zouden vooralsnog worden voortgezet.
Bij e-mail van 3 januari 2014 hebben [eiseressen] aan Deutsche Bank bericht dat zij ongeveer 10 hectare grond hebben verkocht en Deutsche Bank gevraagd hoe zij de opbrengst financieel wilde afwikkelen. Deutsche Bank heeft bij e-mail van 7 januari 2014 geantwoord dat zij de verkoopopbrengst, na makelaarskosten, integraal wil ontvangen en voorgesteld om er de rekening-courantfaciliteit mee af te lossen, wat ook boeterente zou besparen. Na ontvangst van de opbrengst heeft Deutsche Bank aan [eiseressen] bevestigd dat de maximale limiet van het in rekening-courant verstrekte basiskrediet wordt verlaagd van € 1,2 miljoen naar € 500.000,--, zodat de totale maximale limiet in rekening-courant € 4.925.000,-- bedraagt.
Bij (door [eiseressen] voor akkoord getekende) brief van 2 april 2014 heeft Deutsche Bank aan [eiseressen] geschreven dat zij zich naar aanleiding van de negatieve resultaten over de jaren 2012 en 2013 en de daarmee gepaard gaande situatie van liquiditeitskrapte ernstige zorgen maakt over het continuïteitsperspectief van de onderneming. In mei 2014 hebben Deutsche Bank en [eiseressen] de maatregelen besproken die zij in verband daarmee zouden nemen, in het bijzonder het verkopen van 60 hectare bedrijfsgrond en de teeltkraam. Deze verkopen zijn kort daarna tot stand gebracht.
Bij brief van 6 augustus 2014 heeft Deutsche Bank aan [eiseressen] geschreven dat de verkoopopbrengst zal worden aangewend ten behoeve van de algehele aflossing van de 15-jarige lening en de 13-jarige lening, de negatieve waarde van de renteswaps à circa € 170.000,--, en de inlossing van het basiskrediet en het seizoenskrediet, en van het extra krediet tot een maximale limiet van € 1.500.000,--. [eiseressen] hebben deze brief voor akkoord ondertekend, met onder meer de opmerking dat ze moeite hebben met de boetesom voor de renteswap.
De gesprekken die partijen daarna hebben gevoerd hebben op 11 november 20143 geleid tot een overeenkomst, inhoudend dat de verkoopopbrengst van € 6.321.710,18 werd toegerekend aan de 15-jarige lening, de 13-jarige lening, een lening aan [betrokkene 1] , de negatieve waarde van de renteswaps, en de rekening-courantfaciliteit, die is gereduceerd tot € 1.800.000,--. Het extra krediet zou stapsgewijs worden afgebouwd, de zekerheden zouden worden gehandhaafd, de ‘risk fee’ zou komen te vervallen en Deutsche Bank zou voorwaardelijk een rentecorrectie van € 40.000,-- betalen. De overeenkomst bevat een zgn. ‘settlement clause’, waarin partijen verklaren dat zij wederzijds niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het rentederivaatcontract.
De bancaire relatie tussen Deutsche Bank en [eiseressen] is in april 2017 geëindigd, nadat [eiseressen] hun schuld volledig hadden afgelost.
Ik acht het zinvol om in aanvulling op de hiervoor weergegeven feiten de volgende, door de rechtbank opgenomen feiten te vermelden.4
Bij brieven van 17 november en 14 december 2016 heeft Deutsche Bank [eiseressen] geïnformeerd over de uitvoering door Deutsche Bank van het toen nog aanstaande ‘Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB’ (hierna: het UHK5). De rentederivaten in kwestie betroffen de afgesloten renteswaps I en II. Nadien heeft Deutsche Bank [eiseressen] een bedrag van € 117.243,97 betaald als “uitkering voorschot vergoeding rentederivaat”.
Bij brief van 28 juni 2017 heeft Deutsche Bank aan [eiseres 3] bericht dat zij recht heeft op compensatie in de zin van het UHK, en dat deze compensatie neerkomt op het reeds als voorschot betaalde bedrag van € 117.243,97. De brief vermeldt dat [eiseres 3] de aangeboden compensatie ontvangt onder twee voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat [eiseres 3] binnen vier weken akkoord dient te gaan met het door Deutsche Bank gedane voorstel.
Bij brief van 21 september 2017 heeft Deutsche Bank aan [eiseres 3] bericht dat het aanbod tot compensatie ingevolge het UHK niet binnen de gestelde deadline is aanvaard, dat Deutsche Bank nadien meerdere keren heeft gebeld en reminders heeft gestuurd zonder dat [eiseres 3] het aanbod heeft willen aanvaarden, dat het aanbod thans definitief is vervallen en dat dit betekent dat [eiseres 3] geen recht meer heeft op compensatie ingevolge het UHK.
3 Procesverloop
Bij inleidende dagvaarding van 13 juli 2018 hebben [eiseressen]6 Deutsche Bank gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Zij hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseressen] , althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, althans heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, en Deutsche Bank veroordeelt tot terugbetaling van de door [eiseressen] teveel en/of onnodig betaalde (swap)rente, renteopslagen, provisies etc. en/of tot vergoeding van de door hen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiseressen] hebben daarnaast gevorderd dat Deutsche Bank wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseressen] betaalde buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, en dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.
[eiseressen] hebben aan hun vorderingen, sterk samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat Deutsche Bank een bestaande kredietverhouding met hen sinds 2008 steeds verder heeft beperkt, met onvoldoende kennis van en inzicht in het bedrijf van [eiseressen] en de branche waarin zij opereren, en met de wens om zo snel mogelijk van hen af te komen. [eiseressen] stellen dat de opstelling van Deutsche Bank hen heeft genoodzaakt hun onderneming af te bouwen en essentiële bedrijfsonderdelen te verkopen, en dat uiteindelijk de kredietverhouding tussen partijen is beëindigd, maar niet dan met grote schade voor [eiseressen] tot gevolg.7
[eiseressen] hebben meer specifiek aangevoerd dat de door hen geleden schade is veroorzaakt door (i) onjuiste adviezen van de kant van Deutsche Bank en (ii) gebrek aan kennis en dus gebrek aan vertrouwen bij Deutsche Bank, waardoor zij aan [eiseressen] onredelijke eisen heeft opgelegd.8 De stelling dat Deutsche Bank onjuiste adviezen heeft gegeven hebben [eiseressen] toegespitst op renteswap I, renteswap II en het extra krediet van € 2,8 miljoen.9 Hun stelling dat Deutsche Bank onredelijke eisen heeft gesteld heeft betrekking op de kredietovereenkomst van 24 december 2009, de verkoop van 10 hectare grond op 17 december 2013, de verkoop van 60 hectare grond en de verkoop van de teeltkraam vanaf 23 mei 2014, de wijze van aanwending van de verkoopopbrengst en de behandelingsfees.10 De stellingen van [eiseressen] komen, voor zover in cassatie van belang, hierna aan de orde bij de bespreking van het cassatiemiddel.
Deutsche Bank heeft verweer gevoerd.11 Zij heeft onder meer aangevoerd dat de schadevergoedingsvorderingen inzake renteswap I, renteswap II en het extra krediet van € 2,8 miljoen zijn verjaard. Met betrekking tot de vordering inzake renteswap II heeft Deutsche Bank voorts een beroep gedaan op de in de overeenkomst van 14 november 2014 opgenomen settlement clause. Deutsche Bank heeft daarnaast betwist dat zij [eiseressen] heeft gedwongen tot verkoop van de hiervoor in 3.3 genoemde twee stukken grond en de teeltkraam.
Deutsche Bank heeft in reconventie gevorderd dat [eiseressen] (dan wel subsidiair [eiseres 3] ) worden (wordt) veroordeeld tot terugbetaling van het voorschot onder het UHK van € 117.243,97, te vermeerderen met de wettelijke rente. Aan haar vordering heeft Deutsche Bank ten grondslag gelegd dat het voorschot onder het UHK zonder rechtsgrond door haar is voldaan nu [eiseressen] het definitieve aanbod onder het UHK niet hebben aanvaard.
Bij tussenvonnis van 20 februari 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 28 mei 2019.
Bij eindvonnis van 10 juli 201912 heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van [eiseressen] afgewezen, met veroordeling van hen in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen ter zake van renteswap I, renteswap II en tekortkomingen bij het sluiten van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 zijn verjaard (r.o. 4.8 t/m 4.13, 4.19 en 4.23) en dat [eiseressen] (voorts) een beroep toekomt op de settlement clause in de overeenkomst van 14 november 2014, waarmee aan Deutsche Bank finale kwijting is verleend voor vorderingen ter zake van renteswap II (r.o. 4.18 en 4.18.1). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat niet is gebleken van misbruik van omstandigheden bestaande uit het dwingen van [eiseressen] tot verkoop van de gronden en de teeltkraam (r.o. 4.29) en dat de vordering inzake de wijze van aanwending van de verkoopopbrengst niet toewijsbaar is (r.o. 4.32 t/m 4.32.3). De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat behandelingsfees in rekening zijn gebracht overeenkomstig de toepasselijke contractsvoorwaarden (r.o. 4.34 en 4.35) en dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar is (r.o. 4.36).
De rechtbank heeft in reconventie [eiseres 3] veroordeeld tot betaling aan Deutsche Bank van een bedrag van € 117.243,97, te vermeerderen met de wettelijke rente.13 De rechtbank heeft in conventie en reconventie [eiseressen] veroordeeld in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep
[eiseressen] zijn van het eindvonnis van 10 juli 2019 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). Bij memorie van grieven hebben zij hun eis gewijzigd. [eiseressen] hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
(i) de settlement clause in de overeenkomst van 14 november 2014 vernietigt op grond van misbruik van omstandigheden;
(ii) voor recht verklaart dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseressen] en/of onrechtmatig, althans onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid jegens [eiseressen] heeft gehandeld, door (a) [eiseressen] twee renteswaps te adviseren en te verkopen; (b) het aan hen verstrekte krediet te herstructureren onder het verstrekken van een rekening-courantlening van € 2,8 miljoen met zeer hoge opslagen en het bedingen van aanzienlijke extra zekerheden; (c) het krediet continu te verminderen zonder enige kennis van zaken van de sector waarin [eiseressen] opereren; (d) [eiseressen] op grond van de strategische heroriëntatie gedwongen te laten aflossen op een zo kort mogelijke termijn; (e) hen te forceren om de gronden waarop zij hun bloemen teelden te verkopen; (f) de van [eiseressen] ontvangen gelden als eerste ten laste van het rekening-courantbasiskrediet te brengen en de dure leningen aan hen te laten doorlopen; (g) [eiseressen] de volledige negatieve waarde van de renteswap te laten betalen;
(iii) Deutsche Bank veroordeelt tot vergoeding van de door [eiseressen] geleden en te lijden schade, waaronder de buitengerechtelijke kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en vermeerderd met de wettelijke rente;
(iv) Deutsche Bank veroordeelt tot betaling van schade ter grootte van de behandelingsfees op grond van wanprestatie;
(v) Deutsche Bank veroordeelt in de proceskosten in beide instanties, alsmede in de nakosten.
Deutsche Bank heeft in haar memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [eiseressen] in de kosten van het geding in hoger beroep (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 25 juni 2021 doen bepleiten, elk aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de pleidooien is proces-verbaal opgemaakt. In aanvulling op hun stellingen in de memorie van grieven hebben [eiseressen] ter zitting verwezen naar het arrest HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603.14
Bij arrest van 21 december 202115 heeft het hof het vonnis van 10 juli 2019 bekrachtigd, met veroordeling van [eiseressen] in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
Het hof bespreekt in r.o. 4.2 (een deel van) de grieven 2 t/m 5 gezamenlijk. Die grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen tot schadevergoeding van [eiseressen] in verband met het handelen van Deutsche Bank met betrekking tot renteswap I (grief 2), renteswap II (grief 3) en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 en het extra krediet daarin van € 2,8 miljoen (grieven 4 en 5), zijn verjaard. Het hof oordeelt daarover als volgt:
“4.2. Door middel van hun tweede grief klagen [eiseressen] over het oordeel van de rechtbank dat hun schadevergoedingsvordering die erop is gebaseerd dat Deutsche Bank hun in 2006 een renteswap heeft geadviseerd zonder hen daarbij te wijzen op de risico’s daarvan, is verjaard. Door middel van hun derde grief voeren [eiseressen] dezelfde klacht aan met betrekking tot de renteswap die Deutsche Bank hun in 2007 heeft geadviseerd. En door hun vierde en vijfde grief klagen [eiseressen] over het oordeel van de rechtbank dat hun schadevergoedingsvorderingen wegens onzorgvuldig handelen van Deutsche Bank bij het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 en het extra krediet daarin van € 2,8 miljoen zijn verjaard. Deze grieven falen. De grieven zijn steeds gemotiveerd met de stelling dat [eiseressen] pas bekend zijn geworden met het feit dat het handelen van Deutsche Bank aansprakelijkheidvestigend was en dat de gevolgen daarvan als schade moeten worden aangemerkt, toen zij hun advocaat raadpleegden, die de verjaring in november 2016 voor hen heeft gestuit. Aldus behelst het standpunt van [eiseressen] dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen toen zij in november 2016 bekend werden met de juridische beoordeling van de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij rechtvaardigen die stelling door een beroep op (in het bijzonder) HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, maar zij stellen daarbij niet dat het voor hen onvoldoende zeker was dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank ten gevolge van geruststellende mededelingen over de kwaliteit van haar prestaties of het daardoor te verwachten nadeel, dan wel ten gevolge van andere, niet voor hun risico komende oorzaken. Overige relevante feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer van Deutsche Bank behoren, zijn evenmin gesteld of gebleken. Intussen volgt uit de eigen stellingen van [eiseressen] wel dat zij al kort na het aangaan van de renteswaps in 2006 en 2007 – en in elk geval ruim voor november 2011 – bekend waren met feiten en omstandigheden die grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseressen] in twijfel te trekken. Volgens [eiseressen] kwam Deutsche Bank gemaakte afspraken en toezeggingen niet na, bracht ze hun meer rente, hogere opslagen of een risk fee in rekening, ontwikkelden de renteswaps een negatieve waarde, kende Deutsche Bank aan [eiseressen] een ander risicoprofiel toe, en verplichtte ze hen tot het stellen van extra zekerheden en tot verlaging van het krediet en, in meer algemene zin, zette Deutsche Bank [eiseressen] financieel steeds verder klem, maakte ze een overstap naar een andere bank onmogelijk en werkte ze toe naar een beëindiging van de kredietrelatie. Uit niets blijkt dat [eiseressen] Deutsche Bank erop hebben aangesproken dat haar opstelling zich niet verdroeg met de overeenkomsten die partijen in 2006 en 2007 waren aangegaan. De stelling van Deutsche Bank dat [eiseressen] zich juist nooit over het handelen van Deutsche Bank hebben beklaagd – waaruit volgt dat Deutsche Bank ook niet, in reactie op zulke klachten, aan [eiseressen] een verkeerd beeld van de kwaliteit van haar prestatie kan hebben gegeven dat [eiseressen] ervan kan hebben afgehouden een schadevergoedingsvordering tegen Deutsche Bank in te stellen – vindt steun in de stukken die partijen over en weer in het geding hebben gebracht. Aan de blote bewering van [eiseressen] ter zitting dat zij wel mondeling hebben geklaagd, moet, in het licht van deze stukken, als onvoldoende gemotiveerd voorbij worden gegaan.”
[cursivering in origineel, A-G]
Het hof verwerpt vervolgens in r.o. 4.3 ten overvloede het standpunt van [eiseressen] dat Deutsche Bank zich niet kan beroepen op de settlement clause in de overeenkomst van 14 november 2014 ter afwering van de vordering uit hoofde van renteswap II. Het hof overweegt:
“4.3. Uit het voorgaande volgt dat de vragen – die door de derde grief bovendien aan de orde worden gesteld – (i) of de vordering tot vernietiging van de settlement clause in de overeenkomst van 11 november 2014 is verjaard, (ii) wat de strekking van die settlement clause is, en (iii) of het beroep op de settlement clause naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geen beantwoording behoeven. Ten overvloede overweegt het hof dat de vragen in het nadeel van [eiseressen] moeten worden beantwoord. De stelling van [eiseressen] dat de verjaringstermijn ter zake van de vernietigingsvordering pas bij gelegenheid van het uitbrengen van de dagvaarding op 13 juli 2018 is gaan lopen omdat zij de settlement clause toen pas hebben ontdekt, kan niet worden gevolgd. Doordat [eiseressen] de brief van Deutsche Bank op 11 november 2014 voor akkoord hebben ondertekend, hebben zij tevens verklaard met de settlement clause in te stemmen. Doordat toen het gestelde misbruik van omstandigheden is opgehouden te werken, is de verjaringstermijn van drie jaar (art. 3:52 lid 1 onder b BW) gaan lopen. De vernietigingsvordering is dus op 14 november 2017 verjaard. Voorts is het hof van oordeel dat Deutsche Bank ervan heeft mogen uitgaan dat [eiseressen] ermee instemden dat door de overeenkomst en de tegemoetkoming van Deutsche Bank ter hoogte van € 40.000, alle eventuele vorderingen in verband met de renteswap van 2007 (“niets meer te vorderen ... uit hoofde van het rentederivaat contract”) van de baan waren. Ten slotte is het hof van oordeel dat [eiseressen] , mede in het licht van de aard van de overeenkomst van 11 november 2014 (een vaststellingsovereenkomst) en de terughoudendheid die de rechter ter zake van een beroep op art. 6:248 lid 2 BW in acht heeft te nemen, onvoldoende hebben gesteld om te aanvaarden dat het beroep van Deutsche Bank op de settlement clause naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”
In r.o. 4.4 verwerpt het hof het beroep van [eiseressen] op een tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank met betrekking tot de verkoop van 10 hectare grond in 2013 en 60 hectare grond en de teeltkraam in 2014. Het hof overweegt:
“4.4 Voor zover [eiseressen] door middel van hun zesde grief voortbouwen op hun stelling dat Deutsche Bank onzorgvuldig heeft gehandeld door haar advisering in 2006, 2007 en/of 2009 faalt de grief reeds omdat van dat onzorgvuldige handelen, gezien het slagende beroep op verjaring, niet kan worden uitgegaan.
Ook overigens faalt de grief. Het hof begrijpt dat [eiseressen] de rechtbank verwijten dat zij geen tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank heeft aanvaard met betrekking tot de verkoop van 10 ha grond in 2013 en 60 ha grond en de teeltkaam in 2014. Maar evenals de rechtbank heeft het hof uit de stellingen van [eiseressen] niet kunnen herleiden wat nu precies de tekortkoming of onrechtmatige daad is die [eiseressen] Deutsche Bank in dat verband verwijten. Weliswaar stellen [eiseressen] (repeterend) dat Deutsche Bank hun in 2013 te verstaan heeft gegeven dat zij de kredietrelatie op een termijn van een jaar wilde beëindigen en dat zij in 2013 heeft aangedrongen op, of zelfs [eiseressen] heeft gedwongen tot verkoop van relevante bedrijfsbestanddelen en aflossing van krediet maar – daargelaten dat Deutsche Bank deze stellingen steeds gemotiveerd heeft betwist – [eiseressen] preciseren niet (voldoende) waarom daarin, tegen de achtergrond van de penibele financiële positie van [eiseressen] , een tekortkoming of onrechtmatige daad van kredietverstrekker/schuldeiser Deutsche Bank was gelegen. Het beroep van [eiseressen] op art. 2 Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) volstaat niet, niet alleen omdat onvoldoende is gebleken dat de financiële sanering van het bedrijf van [eiseressen] in 2013-2014 niet in het belang van [eiseressen] is geweest, maar ook omdat art. 2 ABV Deutsche Bank wel verplicht om naar vermogen rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [eiseressen] maar niet om daaraan haar eigen belangen op te offeren.”
Het hof oordeelt vervolgens in r.o. 4.5 t/m 4.8 dat de grieven 7 t/m 10 falen. Die richten zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toerekening van de verkoopopbrengst aan de schulden van [eiseressen] (grief 7), de terugbetaling van de behandelingsfees (grief 8) respectievelijk de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten (grief 9). Grief 10 heeft geen zelfstandige betekenis (r.o. 4.8). In r.o. 4.9 overweegt het hof dat het aan het bewijsaanbod van [eiseressen] niet toekomt.
In cassatie
Bij procesinleiding van 18 maart 2022 hebben [eiseressen] – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 21 december 2021 (hierna: het arrest). Deutsche Bank heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseressen] hebben gerepliceerd.