Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, 22/00308
Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, 22/00308
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 juni 2023
- Datum publicatie
- 6 juni 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:555
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1303
- Zaaknummer
- 22/00308
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. De zaak tegen [verdachte]. Vijf middelen die met voornamelijk motiveringsklachten opkomen tegen het bewijs van 1 subsidiair, doodslag, 2 subsidiair, ontucht, en 3 primair, wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Hoewel het oordeel dat [slachtoffer] is overleden door de toepassing van smorend geweld ontoereikend is onderbouwd hoeft dit niet tot cassatie te leiden omdat het hof geen keuze hoefde te maken uit de mogelijke, ten laste gelegde manieren waarop de verdachte [slachtoffer] heeft verstikt. Klacht over afwijzing verzoek tot het doen verrichten van deskundigenonderzoek op 'activiteitenniveau' faalt, en dat geldt ook voor de klacht over het oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vervolging van kinderporno (feit 4), ondanks dat dit feit niet stond vermeld in het EAB. Ook de klachten van de benadeelde partijen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot vergoeding van reiskosten falen. De conclusie strekt wegens redelijke termijn in cassatie tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00308
Zitting 6 juni 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte
Inleiding
De procedure in cassatie
1. De verdachte is bij arrest van 28 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens kort gezegd1 (1) doodslag, (2) ontucht, (3) vrijheidsberoving en (4) bezit van kinderporno veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr.2 Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over het beslag en over de vorderingen van de benadeelde partijen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Blijkens de daarvan opgemaakte akte partiële intrekking cassatieberoep, is het beroep niet gericht tegen de daarin gespecificeerde (deel)vrijspraken. Op de geldigheid van de aangebrachte beperkingen in de omvang van het beroep, kom ik terug onder randnummer 389-390.
3. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur van 287 pagina’s vijf middelen van cassatie voorgesteld. Tevens heeft zij een aanvullende schriftuur ingediend, alsook een schriftelijke nadere toelichting die beide betrekking hebben op het vijfde middel.
4. Namens de benadeelde partijen heeft W. van Egmond, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie ingediend. Bij verweerschrift heeft J. Kuijper de cassatieschriftuur van de benadeelde partijen weersproken.
De zaak
5. Vanaf zaterdag 8 augustus 1998 verbleef de elfjarige [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) met een jeugdgroep in een tentenkamp op het kampeerterrein van buitencentrum ‘ [A] ’, gelegen aan de rand van de Brunssummerheide in de provincie Limburg. Sinds maandag 10 augustus 1998, in de ochtend, werd [slachtoffer] vermist. Dinsdagavond, 11 augustus 1998, kort voor 21.00 uur werd bij een zoekactie het levenloze lichaam van [slachtoffer] gevonden in een sparrenperceel op de Brunssummerheide, hemelsbreed ongeveer een kilometer verwijderd van [A] .
6. Op 26 augustus 2018 is de verdachte op verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] op verzoek van de Nederlandse autoriteiten aangehouden in Spanje. Op 6 september 2018 is hij vanuit Spanje overgeleverd aan Nederland.
De middelen van cassatie
7. Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel komt op tegen de afwijzing van het verzoek tot het doen verrichten van DNA-onderzoek op ‘activiteitenniveau’. Het tweede, derde en vierde middel komen met voornamelijk motiveringsklachten en een enkele rechtsklacht op tegen de bewezenverklaring van respectievelijk de ontucht, de doodslag en de vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Het vijfde namens de verdachte voorgestelde middel klaagt over het oordeel dat het Openbaar Ministerie (OM) voor de vervolging van feit 4 (bezit van kinderporno) ontvankelijk is.
8. De middelen van de benadeelde partijen hebben beide betrekking op de door hen gevorderde reiskosten. Het hof heeft deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Deze middelen komen aan het eind aan de orde.
9. Ik houd bij de bespreking van de namens de verdachte ingediende middelen een volgorde aan die (op één uitzondering na) overeenkomt met de volgorde waarin in het bestreden arrest de onderwerpen aan bod komen die door de middelen aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Dit brengt mee dat ik aanvang met de bespreking van het tweede middel (het bewijs van de ontucht), en vervolg met de bespreking van het eerste middel (de afwijzing van het verzoek tot onderzoek op activiteitenniveau). Daarna volgt de bespreking van het vierde middel (het bewijs van de wederrechtelijke vrijheidsberoving) en het derde middel (het bewijs van de doodslag). Ik sluit af met de bespreking van het vijfde middel (de ontvankelijkheid van de vervolging voor het bezit van kinderporno).
De motivering van de bewezenverklaring onder 1, 2 en 3 en de verwerping van bewijsverweren
10. Voor een beter begrip van de klachten die in het eerste tot en met het vierde namens de verdachte voorgestelde middel zijn geformuleerd, zal ik eerst de bewezenverklaring weergeven. De bewijsmotivering in het arrest beslaat 116 pagina’s en het is aangevuld met 77 pagina’s aan bewijsmiddelen.3 Vanwege deze omvang zal ik de bewijsmotivering niet volledig, maar alleen samengevat weergeven.
De bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde
11. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“1. subsidiair
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door smorend geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2. subsidiair
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1987, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, door met zijn, verdachtes, hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans schaamstreek en/of de billen, van die [slachtoffer] te betasten;
3. primair
hij in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en die [slachtoffer] gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.”
Een samenvatting van de bewijsmotivering in het bestreden arrest
12. Het gerechtshof heeft in de bewijsmotivering uiteengezet op welke gronden het bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (in de door het hof besproken volgorde): (feit 2 subsidiair) ontucht met, (feit 3 primair) wederrechtelijke vrijheidsberoving en (feit 1 subsidiair) doodslag van [slachtoffer] . Het hof heeft daarbij onder meer het volgende in aanmerking genomen.4 De tussenkopjes zijn van mijn hand en dienen enkel het leesgemak.
De vermissing, het aantreffen van het lichaam en de doodsoorzaak
13. De elfjarige [slachtoffer] is in de avond van 11 augustus 1998 levenloos aangetroffen in een omheind sparrenperceel op de Brunssummerheide.5 Het slachtoffer lag op zijn rug. Zijn beide benen waren vrijwel geheel gestrekt en zijn beide voeten lagen op hun linkerkant dicht naast elkaar. [slachtoffer] droeg slechts een rode stoffen pyjamabroek en daaronder een donkerblauwe onderbroek. Beide broeken waren binnenstebuiten en achterstevoren aangetrokken. [slachtoffer] ’s bovenlichaam en voeten waren bloot.6
14. Bij een door [betrokkene 1] verrichte uitgebreide uitwendige schouw op 12 augustus 1998 bleek de doodsoorzaak van [slachtoffer] vooralsnog onduidelijk.7 Het hof heeft op basis van deze schouw niettemin vastgesteld dat asfyxie (verstikking, wurging) een mogelijke doodsoorzaak is geweest.8
15. Op 13 augustus 1998 hebben de forensisch pathologen Van Ingen en Maes (NFI) een uit- en inwendige schouw (sectie) verricht en daarvan een sectieverslag d.d. 21 december 1998 opgesteld. Hierbij bleek geen doodsoorzaak aanwijsbaar.9
16. Het hof heeft vervolgens aan de hand van onder meer rapportages, verslagen, brieven en verhoren van verscheidene deskundigen stilgestaan bij de mogelijke oorzaken van [slachtoffer] ’s dood.10 Het hof sluit (beargumenteerd) een toxicologische doodsoorzaak uit,11 evenals uitdroging,12 onderkoeling,13 ziekelijke afwijkingen (zoals epilepsie en astma)14 en fatale hartritmestoornissen.15 Hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, sluit het hof het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis niet uit.16 Vervolgens staat het hof omstandig stil bij de mogelijkheid dat het intreden van de dood het gevolg is van verstikking door smoren (belemmering van de ademhaling door de mond of neus), door het samendrukken van de borstkas (mechanische c.q. traumatische asfyxie) of door geweld op de hals (zoals bij verwurging). Het hof concludeert dat deze mogelijke oorzaken, alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress leidend tot een lichamelijke reactie, niet kunnen worden uitgesloten als mogelijke oorzaken van het overlijden.17 Ten slotte sluit het hof uit dat de vechtpartij in de tent (met zijn vriendjes de avond voor zijn vermissing) het overlijden van [slachtoffer] heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen.18
17. Daarna formuleert het hof als zijn tussenconclusie:
“Gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, zijn plotselinge verdwijning en de vindplaats van zijn lichaam zoals onder 2.3.1. beschreven, alsook de afwezigheid van een aanwijzing van natuurlijk overlijden zoals overwogen onder 2.3.4.4. en 2.3.4.5., stelt het hof vast dat [slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven. Het hof kent daarbij geen betekenis toe aan de houding waarin het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen en zal dan ook geen gebruikmaken van het rapport van J. Bloem.
Het hof is – zoals onder 2.3.4.6. is overwogen – van oordeel dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval na zijn verdwijning niet uitgesloten kan worden geacht. Voorts heeft het hof onder 2.3.4.7. vastgesteld dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress leidend tot een lichamelijke reactie, en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaken van het overlijden van [slachtoffer] niet kunnen worden uitgesloten.
Gelet op de doodsoorzaken die niet kunnen worden uitgesloten, is het hof van oordeel dat sprake is van een niet-natuurlijke dood ten gevolge van een misdrijf.”19
De ontucht (feit 2)
18. Onderdeel 3 van het bestreden arrest, de bewijsoverwegingen met betrekking tot de ontucht (feit 2), vangt aan met een bespreking van een juridisch verweer van de verdediging, inhoudende dat het celmateriaal van de verdachte aan de hand waarvan het DNA-profiel van de verdachte is bepaald, onrechtmatig is verkregen.20 Het verweer strekt tot bewijsuitsluiting van de resultaten van de vergelijkingen van de DNA-profielen van de biologische sporen met het DNA-profiel van de verdachte. Het hof concludeert dat inderdaad sprake is geweest van een of meer onherstelbare vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte waarbij belangrijke strafvorderlijke voorschriften zijn geschonden. Het hof acht de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt echter gering van aard. De verdachte is door het verzuim niet daadwerkelijk in zijn verdediging geschaad, zodat het recht op een behoorlijk proces niet is geschonden. Het hof verwerpt het verweer en volstaat met de constatering dat vormverzuimen hebben plaatsgevonden.21
19. Vervolgens zet het hof uiteen waarom het niet bewezen acht dat het lichaam van [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen en waarom de verdachte van de onder 2 primair ten laste gelegde (kort gezegd) ‘anale penetratie’ moet worden vrijgesproken.22 Doordat histologisch onderzoek achterwege is gebleven, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld hoe de sectiebevindingen van Van Ingen en Maes moeten worden geduid. Het hof komt daardoor niet toe aan de beantwoording van de vraag of de bij de sectie waargenomen slijmvliesbeschadigingen en bloedingen in de anaalring als letsel moeten worden beschouwd en, zo ja, wat daarvan de oorzaak is geweest.
De resultaten van het onderzoek naar biologische sporen (bronniveau) – onderdeel 3.3
20. Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde ‘plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] ’. Daartoe vat het hof allereerst de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en de resultaten van de DNA-onderzoeken samen, en geeft het de vaststellingen weer die het op basis daarvan doet.23
21. Het hof bespreekt eerst de forensische onderzoeken die in 2006 en 2008 zijn verricht aan de pyjamabroek.24 In 2006 is op zeventien locaties van die pyjamabroek een aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van speeksel. Spoor #93 is in 2008 met een meer specifieke test opnieuw onderzocht op speeksel, maar daarbij kon de aanwezigheid van speeksel niet worden bevestigd. Wel is uit dat biologisch spoor (#93) een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen waarvan [slachtoffer] en een onbekende mannelijke celdonor die NN2 wordt genoemd, niet konden worden uitgesloten.
22. Daarnaast zijn in 2006 en 2008 onderzoeken verricht aan de onderbroek van [slachtoffer] .25 In 2006 zijn daarop drie bloedsporen aangetroffen, die zijn bemonsterd (spoornummers #1, #2 en #3). Ten behoeve van onderzoek naar biologische contactsporen zijn de binnen- en de buitenzijde van de onderbroek verdeeld in dertig zones die vrijwel de gehele oppervlakte van de onderbroek beslaan. Daarbij zijn het gebied rondom bloedspoor #1, de tailleband, de randen en het kruis van de onderbroek als afzonderlijke zones beschouwd. Daarna is voor iedere zone van de onderbroek getracht de op de stof aanwezige contactsporen af te nemen met behulp van een ‘stub’ (klevende tape) die vervolgens is veiliggesteld (dat betreft de dertig sporen met spoornummers #5 tot en met #19 en #21 tot en met #35). Het label in de tailleband is niet gestubd, maar in z’n geheel uitgeknipt (spoor #20).
23. Vervolgens is de onderbroek in 2006 tevens onderzocht op de aanwezigheid van speeksel. Op achttien locaties zijn daarvoor aanwijzingen gevonden. Deze locaties zijn bemonsterd door de onderliggende stof uit de onderbroek te verwijderen (sporen met de spoornummers #36 tot en met #53).
24. Alle 52 sporen in de onderbroek zijn in 2006 onderworpen aan een standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. De sporen waarvan geen DNA-profiel kon worden bepaald, maar waarbij wel een indicatie voor de aanwezigheid van DNA werd verkregen – het betreft hier acht (#2, #8, #11, #20, #23, #36, #38 en #45) van de 52 sporen – zijn onderworpen aan aanvullend DNA-onderzoek met toepassing van een (meer sensitieve) low copy number (LCN)-methode.
25. In 2008 zijn elf bemonsteringen (#36, #38, #39, #41, #44 tot en met #50) van de onderbroek opnieuw onderzocht met een meer specifieke speekseltest dan die in 2006 is gebruikt. Behalve in spoor #50, kon de aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel in tien resterende bemonsteringen worden bevestigd.
26. In 2008 zijn de sporen in of aan de onderbroek opnieuw onderworpen aan een standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Daarbij is gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering. Voor twaalf sporen zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings- c.q. concentreringsprocedure.26 Ook de resterende delen van elf sporen die bij het onderzoek in 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.27 Van het celmateriaal in de bemonstering van spoor #11 van de onderbroek is een SGM-Plus DNA-hoofdprofiel verkregen van de onbekende mannelijke celdonor NN2. De berekende frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Bij vergelijking van alle onderzochte biologische sporen bleek dat nog zeventien sporen in de onderbroek en één spoor in de pyjamabroek celmateriaal van NN2 kunnen bevatten.28 Deze sporen zijn met name aangetroffen op de tailleband en het voorpand aan de binnenzijde van de onderbroek.
27. In 2015 is spoor #45, een bemonstering van de buitenkant van de voorzijde van de tailleband van de onderbroek, aanvullend onderzocht met een LCN-methode. Daarbij is een onvolledig DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-hoofdprofiel uit spoor #11 van de onderbroek (gekoppeld aan NN2).29
28. In 2016 zijn de pyjamabroek en de onderbroek opnieuw onderzocht op biologische sporen. Daarbij is het textiel van de eerder bemonsterde locaties opgerekt om eventueel celmateriaal tussen het garen te bemonsteren. Hierbij zijn op vier locaties mengprofielen verkregen waarbij celmateriaal afkomstig kan zijn van NN2.30
29. Op 7 september 2018 is het DNA-profiel van de verdachte opgenomen in de DNA-databank. Hierbij werd een match gevonden met de DNA-profielen uit de sporen van de onderbroek, nummers #11 en #45 (gekoppeld aan NN2), met een berekende frequentie van minder dan één op één miljard.31 Daarop overweegt het hof:
“Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, stelt het hof vast dat het DNA in de bemonsteringen #45 en #11, gekoppeld aan onbekende man 2, afkomstig is van de verdachte.”32
30. In 2019 zijn door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO) een bemonstering van de pyjamabroek @17 en meerdere bemonsteringen van de onderbroek onderworpen aan een massive parallel sequencing (MPS)-DNA-onderzoek.33 Bij een vergelijking van de uit deze sporen verkregen MPS-DNA-mengprofielen met de MPS-DNA-profielen van de verdachte en het slachtoffer bleken de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek te wijzen in de richting van de verdachte als één van de donoren van het celmateriaal in de mengsporen.34
31. Vanaf de pyjamabroek zijn een humane haar (#02), met een lengte van 0,9 centimeter, en een humaan haardeel (#03), met een lengte van 0,8 centimeter, veiliggesteld. Verder is vanaf de onderbroek een humane haar met een lengte van 0,8 centimeter veiliggesteld (#55).35 Deze drie haarsporen én de bemonstering van de buitenkant voorzijde van de tailleband van de onderbroek (#45) zijn onderworpen aan mitochondriaal (mt)DNA-onderzoek. Daarbij bleek dat de mtDNA-profielen onderling matchen en niet overeenkomen met het mtDNA-profiel van [slachtoffer] , maar wél overeenkomen met het mtDNA-profiel van een onbekende persoon, ‘mito-A’ genoemd.36
32. Eind 2018 bleek dit mitochondriaal profiel te matchen met dat van de verdachte.37 Dat betekent dat de haarsporen en het celmateriaal in de bemonstering #45 afkomstig kunnen zijn van de verdachte of van een persoon die in de moederlijke lijn verwant is aan de verdachte. De verkregen mtDNA-profielen van de haarsporen zijn veel waarschijnlijker (met een orde van grootte van 100 tot 10.000) wanneer de genoemde haarsporen afkomstig zijn van de verdachte of van een in moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon dan wanneer de haarsporen niet afkomstig zijn van de verdachte, maar van een onbekende persoon die niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant is.38 Mede op basis hiervan stelt het hof vast dat de haarsporen en het celmateriaal in de bemonstering van de buitenkant van de voorzijde van de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer] , van de verdachte afkomstig zijn.39
33. Folies van de borst van [slachtoffer] en van de pyjamabroek zijn microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van huidschilfers. Vanaf deze folies zijn in totaal 104 (mogelijke) huidschilfers veiliggesteld, waarop DNA-onderzoek is verricht. De resultaten hiervan houden in dat het celmateriaal in twee van de bemonsteringen van de borst van het slachtoffer en in één van de bemonsteringen van de pyjamabroek afkomstig kunnen zijn van de verdachte.40 Mede op basis hiervan stelt het hof vast dat ook het DNA afkomstig van de huidschilfers op de folies van de borst en de pyjamabroek, het DNA van de verdachte betreft.41
Het bewijs van de ontucht
34. In onderdeel 3.4 bespreekt het hof het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] .42 Hierbij slaat het hof acht op het volgende.
35. [slachtoffer] werd op maandagochtend 10 augustus 1998 om 5.30 uur voor het laatst gezien door een tentgenoot.43 Het slachtoffer werd op dinsdagavond 11 augustus 1998, omstreeks 21.00 uur, levenloos aangetroffen, gekleed in een rode pyjamabroek en een donkerblauwe onderbroek, die binnenstebuiten en achterstevoren waren gekeerd. Het hof gaat ervan uit dat het slachtoffer zijn pyjamabroek en onderbroek voorafgaand aan zijn vermissing op de normale wijze droeg.44 Hieruit kan worden afgeleid dat [slachtoffer] tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen van zijn lichaam geheel ontkleed is geweest. Die omstandigheid en de hierna te bespreken biologische sporen duiden erop dat de persoon die [slachtoffer] heeft ontkleed of zich heeft laten ontkleden, een seksueel motief had.45
36. Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag wie die persoon is geweest. Daartoe overweegt het hof:
“Het hof heeft onder 3.3. vastgesteld dat op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer biologische contactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn aangetroffen. Het celmateriaal van de verdachte is met name op de tailleband en op het voorpand aan de binnenzijde van de onderbroek aangetroffen.”46
Daarnaast zijn biologische sporen van de verdachte aangetroffen aan de binnenzijde van het achterpand van de onderbroek en aan de buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek. In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig oppervlakkig contact.47 Voorts is vanaf de onderbroek een humane haar van de verdachte veiliggesteld. Volgens het hof duidt die omstandigheid erop dat de verdachte, in ieder geval toen [slachtoffer] van zijn pyjamabroek was ontdaan, in zijn nabijheid is geweest. Daarop overweegt het hof:
“Het hof is van oordeel dat het hiervoor beschreven sporenbeeld duidt op (gerichte) handelingen met een seksueel motief en stelt vast dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] heeft betast.”48
37. Het hof ziet geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat een ander dan de verdachte de ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd. Hiertoe bespreekt het hof spoor #21, afkomstig van het bovendeel van de binnenzijde van het achterpand van de onderbroek, waaruit een DNA-profiel is verkregen van een onbekende man 3 (NN3), met een berekende frequentie van minder dan één op één miljard. Bij vergelijking van het DNA-profiel van NN3 met alle overige DNA-profielen van de onderzochte biologische sporen zijn geen aanwijzingen verkregen op de aanwezigheid van meer celmateriaal van NN3. Er zijn noch technische, noch tactische bevindingen die erop wijzen dat NN3 betrokken is geweest bij de ontucht. Het enkele spoor dat van NN3 is aangetroffen staat niet in verhouding tot de (grote) hoeveelheid en diversiteit aan biologische sporen (contactsporen, aanwijzingen voor speeksel, huidschilfers en haarsporen) die van de verdachte in en op de onderbroek, de borst en de pyjamabroek van het slachtoffer zijn veiliggesteld.49 Het hof weegt hierbij mee dat de verdachte – blijkens zijn vlucht naar Frankrijk en Spanje – niet in verband wenste te worden gebracht met deze biologische sporen.50
38. De houding waarin en de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, acht het hof niet redengevend voor het bewijs van ontucht, met dien verstande dat het hof geen reden heeft om te veronderstellen dat het lichaam van [slachtoffer] tussen het moment van zijn vermissing en het aantreffen ervan de Brunssummerheide heeft verlaten.51
39. Daarna formuleert het hof als tussenconclusie:
“Bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat de verdachte zich in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met [slachtoffer] .”52
De verklaring van de verdachte
40. Het hof bespreekt in onderdeel 3.5 de vraag of de verklaring van de verdachte in deze conclusie verandering brengt en wijst daarbij op het volgende.53 Voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte ontkend [slachtoffer] te hebben ontvoerd, misbruikt en gedood, maar méér dan dit heeft hij niet verklaard. Op de inhoudelijke terechtzitting van 28 september 2020, meer dan twee jaar na zijn aanhouding en nadat uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte een verklaring afgelegd, waarbij hij een eerder op video opgenomen verklaring heeft laten afspelen (de ‘videoverklaring’), die hij vervolgens naar aanleiding van vragen nader heeft toegelicht.54 Het komt erop neer (parafrasering van mijn hand, D.A.) dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij een fietstocht in de ochtend van hetzij 10 augustus, hetzij 11 augustus 1998 het lichaam van [slachtoffer] bij toeval in een sparrenperceel heeft gevonden. [slachtoffer] lag deels op zijn buik. De verdachte heeft [slachtoffer] bij de kleding aangeraakt, hem op zijn rug gedraaid en één been gestrekt. Hij heeft gecheckt of [slachtoffer] nog leefde door zijn vitale lichaamsfuncties te controleren, namelijk door te kijken naar eventueel aanwezige ademhaling en door zijn wang bij de mond van [slachtoffer] te houden, en door minstens een minuut zijn oor op de borst van [slachtoffer] te luisteren te leggen. Hij constateerde dat [slachtoffer] was overleden. Hij heeft enige tijd naast [slachtoffer] gezeten en (waarschijnlijk) de kleren van [slachtoffer] gefatsoeneerd en rechtgetrokken, waarbij hij blaadjes van de pyjamabroek heeft weggeveegd. Daarna is hij vertrokken, zonder dat hij vervolgens de politie heeft gewaarschuwd.
41. Op de terechtzitting in hoger beroep is een tweede versie van de videoverklaring afgespeeld, die in de kern overeenkomt met de eerste versie. Desgevraagd heeft de verdachte nog enkele mededelingen aan zijn eerdere verklaring toegevoegd, namelijk dat hij links naast [slachtoffer] heeft plaatsgenomen, dat hij [slachtoffer] (die deels op zijn buik lag) bij de heup heeft aangeraakt om hem naar zich toe te draaien, dat hij de kleding een beetje heeft gecorrigeerd, aangeraakt, rechtgetrokken en een blaadje heeft weggehaald, dat hij de pyjamabroek niet omhoog of omlaag heeft gedaan, maar wél heeft aangeraakt, en dat hij geen verklaring heeft voor de aangetroffen sporen in de onderbroek van [slachtoffer] .55
42. Bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring weegt het hof de omstandigheden waaronder, en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mee. Dit dwingt volgens het hof tot extra behoedzaamheid.56 Hiertoe wijst het hof op het volgende. In de eerste plaats acht het hof het niet begrijpelijk dat de verdachte de vondst van het lichaam niet direct heeft gemeld bij de politie. De verdachte wist naar eigen zeggen alleen dat [slachtoffer] dood was, maar niet wat er met [slachtoffer] was gebeurd. Er was voor hem dus geen reden om te veronderstellen dat hij door de melding in de problemen zou komen. Ten tweede weegt het hof mee dat de verdachte niet eerder dan bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg op 28 september 2020, door middel van een videoboodschap een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen: ruim twee jaren na zijn aanhouding en nadat uitvoerig onderzoek is gedaan, terwijl de verdachte zowel tijdens de verhoren door de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn verhaal te doen. De redenen die de verdachte daarvoor heeft opgegeven, acht het hof niet afdoende. Ten derde heeft de verdachte – door het in dit stadium afleggen van een verklaring – de gelegenheid gehad die verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het uitgebreide onderzoek. Hoewel dit de geloofwaardigheid van zijn afgelegde verklaring niet ten goede komt, stelt het hof tegelijkertijd dat dit niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring niet juist kan zijn.
De verklaring van de verdachte in het licht van de biologische sporen (activiteitenniveau)
43. Vervolgens komt het hof te spreken over de biologische sporen.57 Hoewel het biologische spoor dat vanaf de pyjamabroek is veiliggesteld, de haarsporen op de pyjamabroek en de huidschilfers op de borst en de pyjamabroek, telkens afkomstig van de verdachte, wellicht kunnen worden verklaard in de lezing van de verdachte (over het draaien van [slachtoffer] van buikligging in rugligging, het controleren op ademhaling en hartslag en het nadien fatsoeneren van de kleding), stelt het hof vast dat de biologische sporen van de verdachte in en op de onderbroek en de humane haar van de verdachte die vanaf de onderbroek is veiliggesteld daardoor niet zonder meer kunnen worden verklaard. Het gaat om een grote hoeveelheid contactsporen en aanwijzingen voor de aanwezigheid van speeksel. Deze biologische sporen zijn zowel aangetroffen aan de binnenzijde van het voor- en achterpand als aan de buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek.
44. Het hof is van oordeel dat de verdachte voor die omstandigheden, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van de ontucht, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.58 Daarbij wijst het hof erop dat de verdachte in zijn lezing de onderbroek niet kan hebben aangeraakt, omdat de onderbroek, die zich onder de pyjamabroek bevond, op de foto’s niet zichtbaar is en de band van de pyjamabroek zich relatief hoog en dicht onder de navel van het slachtoffer bevindt. Deze biologische sporen worden ook niet verklaard door een eventueel andere handeling van de verdachte, nu hij heeft gezegd dat hij niet met zijn hand in de onderbroek is geweest.59 Zelfs als de verdachte in zijn lezing de tailleband van de onderbroek bij het omdraaien van [slachtoffer] bij een kort contactmoment heeft aangeraakt, verklaart dat niet dat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het voorpand van de onderbroek biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen. Bovendien kan in de lezing van de verdachte op geen enkele wijze worden verklaard dat vanaf de onderbroek van het slachtoffer een humane haar van de verdachte is veiliggesteld.60
45. Het hof constateert aan de hand van de eigen waarneming van foto’s van de technische recherche een tegenstrijdigheid tussen enerzijds de lezing van de verdachte en anderzijds de sporen en begroeiing op de plaats waar [slachtoffer] in het sparrenperceel is aangetroffen. De aarde bij de voeten van [slachtoffer] is volgens de technische recherche verstoord (“begroeiing verschoven en de aarde onder zijn hakken iets verschoven”). Verder is de begroeiing die zichtbaar is op de foto’s van het lichaam ter plekke noch links, noch rechts van het lichaam verstoord, hetgeen in de lezing van de verdachte (dat hij links van [slachtoffer] is gaan zitten en hem naar zich toe heeft gedraaid etc.) wel zou worden verwacht. Ook een boomstam naast het hoofd van [slachtoffer] en takken die over het gezicht van [slachtoffer] hingen, zouden hem (enigszins) moeten hebben belemmerd om de ademhaling van [slachtoffer] te controleren, maar daarvan heeft de verdachte geen melding gemaakt.61
46. Ten slotte wijst het hof erop dat het uitgebreide forensische onderzoek geen technisch bewijs tegen een ander dan de verdachte heeft opgeleverd, en dat er evenmin tactische bevindingen zijn die duiden op de betrokkenheid van een ander dan de verdachte.62
Bewijsverweren met betrekking tot het sporenbeeld
47. In onderdeel 3.6 van het arrest63 bespreekt het hof de volgende bewijsverweren met betrekking tot het sporenbeeld:
(1) het DNA-bewijs is niet belastend omdat de verdachte toen hij [slachtoffer] vond zweette (vanwege het warme weer en de inspanning van het fietsen), schrok en emotioneel werd (hij snotterde en huilde) en zijn handen naar zijn gezicht heeft gebracht, zodat hij – volgens de verdediging – als een ‘DNA-bom’ naast [slachtoffer] zat;
(2) het is voor de beoordeling van de DNA-sporen van belang om te weten wat er met de onderbroek is gebeurd nadat de verdachte de vindplaats verliet. Door de zeer ondeugdelijke vastlegging van de chain of custody is een groot aantal factoren echter onbekend, zijn de plaatsen waarop en waarin het DNA van de verdachte vanaf 2006 werd aangetroffen van generlei waarde, en kan contaminatie hebben plaatsgehad;
(3) uitgaande van de beschuldiging van het OM is het onbestaanbaar dat op het lichaam van [slachtoffer] geen DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen.
48. Het hof staat allereerst omstandig stil bij hetgeen het strafdossier laat zien over de chain of custody van het lichaam en de kleding van [slachtoffer] , als dragers van sporen.64 Het hof stelt vast dat de chain of custody in het dossier staat beschreven. Het hof gaat vervolgens in op de verhoren van de technische rechercheurs over de manier waarop met het lichaam en de kleding van [slachtoffer] is omgegaan. Het hof stelt vast dat de hiervoor beschreven chain of custody, zoals is af te leiden uit het dossier, steun vindt in de verklaringen van technische rechercheurs over de gangbare manier van werken in de periode rond 1998. Voor zover in het dossier niet is gerelateerd over (bewuste) handelingen met de stukken van overtuiging, gaat het hof uit van de verklaringen van de technische rechercheurs over de gangbare manier van werken. Hoewel het hof zich realiseert dat in 1998 ten aanzien van het ‘DNA-veilig werken’ minder stringente richtlijnen voor het veiligstellen en borgen van het slachtoffer en onderzoeksmateriaal golden dan nu en ook de verslaglegging van de handelingen aangaande de stukken van overtuiging tegenwoordig meer aandacht heeft, is het hof van oordeel dat de chain of custody voldoende vaststaat. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een zodanig ondeugdelijke verslaglegging dat daaraan een gevolg zou moeten worden verbonden.
49. Omtrent de stelling van de verdediging dat de verdachte – vanwege het uiten van emoties – als een ‘DNA-bom’ naast [slachtoffer] heeft gezeten, overweegt het hof dat die stelling geen steun vindt in de verklaringen van de verdachte, omdat de verdachte van de uiting van emoties geen melding heeft gemaakt, ook niet toen hem specifiek daarnaar werd gevraagd.65
50. Mede op basis van mededelingen van de deskundige Kloosterman merkt het hof in dit verband op dat het DNA-profiel van de verdachte achttien keer is waargenomen bij het onderzoek van de sporen aan de pyjamabroek en de onderbroek. De in 2008 geanalyseerde DNA-sporen bevatten in geen van de gevallen een hoge concentratie DNA met het DNA-profiel van NN2. Het betroffen zogenaamde minimale sporen, hetgeen betekent dat de sporen heel weinig DNA bevatten. Dit verklaart dat voor de DNA-analyse van meerdere sporen gebruik is gemaakt van LCN-DNA-analyse, aldus Kloosterman. Anders dan de verdediging suggereert, is er geen enkele reden om aan te nemen dat sprake is geweest van één goed spoor op één locatie dat vele complete cellen bevat, niet zijnde een minimaal contactspoor, dat zich vervolgens heeft verspreid. Sperma en snot kunnen veel DNA bevatten, maar die plekken zijn ook niet aangetroffen ondanks het feit dat er heel veel sporen zijn onderzocht, aldus Kloosterman. Het hof concludeert dat op en in de onderbroek van het slachtoffer slechts minimale contactsporen van de verdachte zijn aangetroffen.66
51. Het hof acht het om drie redenen al niet aannemelijk dat het sporenbeeld op de (pyjamabroek en de) onderbroek van het slachtoffer door contaminatie is ontstaan:67
(1) ongerijmd is dat het ene DNA-spoor dat de verdachte in de lezing van de verdediging op één locatie van de onderbroek zou hebben achtergelaten, en waarvan het hof concludeert dat het een minimaal contactspoor betreft, zich zou hebben verspreid tot de grote hoeveelheid en diversiteit aan sporen die van de verdachte in en op de onderbroek zijn aangetroffen, terwijl het enkele spoor van NN3 zich in het geheel niet heeft verspreid;
(2) ongerijmd is dat het (door de verdediging veronderstelde) enkele spoor van de verdachte op de onderbroek zich – in het door de verdediging geschetste scenario – heeft verspreid waardoor een groot aantal sporen op de onderbroek is ontstaan, terwijl het enkele spoor van de verdachte op de pyjamabroek (#93) niet een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek heeft doen ontstaan;
(3) uitgaande van de lezing van de verdediging kan “op geen enkele wijze” worden verklaard dat vanaf de onderbroek een haar van de verdachte is veiliggesteld. De stelling van de verdediging dat de onderbroek en de pyjamabroek in één zak samen zijn verpakt, is niet juist.68
52. Vervolgens bespreekt het hof de mogelijke mechanismen voor contaminatie die door de verdediging zijn opgeworpen afzonderlijk en beargumenteert het hof dat deze mogelijkheden in het geheel niet aannemelijk zijn geworden.69 De mogelijkheid van contaminatie door vocht (lijkvocht of urine) wordt door het hof verworpen op basis van de mededeling van Kloosterman dat wanneer de sporen met vocht in contact zijn geweest het oorspronkelijke spoor kan zijn verdund met de waterige vloeistof, maar dat de kans klein is dat door de intrekkende vloeistof voldoende DNA wordt verplaatst (‘gestempeld’) voor een DNA-analyse. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiervoor te gering.70 Datzelfde geldt voor de mogelijkheid van contaminatie door ‘stempelen’, namelijk doordat stukjes textiel tijdens het vervoer of het bewaren met elkaar in contact zijn gekomen.71 Hetzelfde geldt ook voor de mogelijkheid van contaminatie door het gebruik van steeds dezelfde handschoen bij onderzoek aan een sporendrager (waarvoor trouwens geen bewijs is)72 dan wel door het gebruik van een binoculaire loep.73 Vanwege de gebruikte methode van bemonstering acht het hof ook contaminatie door gebruik van een wattenstaafje74 of door het gebruik van (steeds dezelfde) schaar75 niet aan de orde.
53. Tot slot verwerpt het hof het verweer dat het – uitgaande van de lezing van het OM – onbestaanbaar is dat van de verdachte geen sporen zijn aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer] . In 1998 kon immers slechts worden onderzocht op bloed, speeksel en sperma. In 1998 was het nog niet mogelijk contactsporen vast te stellen. De opmerking van de verdediging dat in 1998 geen DNA van de verdachte werd ontdekt, geeft juist aan dat zijn sporen minimaal waren, hetgeen op gespannen voet lijkt te staan met de eveneens door de verdediging opgeworpen stelling dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van één goed spoor met veel cellen van de verdachte, aldus het hof.76
54. Nadat het hof onder 3.7 het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het doen verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau gemotiveerd heeft afgewezen,77 komt het hof in onderdeel 3.8 tot de volgende tussenconclusie.78 Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde (seksueel binnendringen van het lichaam van een kind jonger dan twaalf jaren), maar acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde ontucht.
De wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] (feit 3) – onderdeel 4
55. Met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving bouwt het hof voort op de hiervoor gemotiveerde vaststelling dat [slachtoffer] in het bijzijn van de verdachte – een voor hem onbekende vierentwintig jaar oudere volwassen man – ontkleed is geweest terwijl de verdachte bovendien een of meer ontuchtige handelingen met hem heeft gepleegd.79 Dat rechtvaardigt het vermoeden dat de verdachte [slachtoffer] in ieder geval ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen wederrechtelijk van diens vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door hem tegen diens vrije wil in zijn macht en onder zijn fysieke controle te houden. Bovendien wijst het hof erop dat [slachtoffer] in de ochtend van 10 augustus 1998 vanaf [A] is verdwenen en dat zijn lichaam de avond van 11 augustus 1998 op een afstand van hemelsbreed ongeveer 1200 meter vanaf [A] is aangetroffen,80 en dat de verdachte in de tussenliggende periode ontuchtige handelingen met hem heeft gepleegd. [slachtoffer] zou (volgens zijn vader en volgens zijn onderwijzer) nooit vreemde mensen aanspreken en was bang voor vreemden.81 Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil heeft meegenomen.82 Het verweer dat de verdachte geen mogelijkheden had om ongezien een jongetje te vervoeren en geen plek had om een kind onder te brengen, doet daaraan volgens het hof niet af.
56. Het hof sluit uit dat [slachtoffer] uit vrije wil is weggelopen. Daarvoor was hij veel te bang en [slachtoffer] was er (blootsvoets en zonder bovenkleding) ook niet op gekleed.83
57. Het hof sluit ook kampoudste [betrokkene 2] uit van betrokkenheid bij de jegens [slachtoffer] begane misdrijven. Zijn DNA-profiel is vergeleken met dat van de sporen #11 (NN2) en #21 (NN3) aan de onderbroek van het slachtoffer, en er was geen match. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen #11 en #21 niet afkomstig is van [betrokkene 2] . Bovendien zijn er ook overigens geen technische of tactische bevindingen die duiden op zijn betrokkenheid.84
58. Een en ander brengt het hof tot de tussenconclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte als degene die [slachtoffer] ontuchtig heeft betast, ook degene is die hem wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.85
Schakelbewijs: de zaken uit 1984 en 1985 vergeleken met de zaak uit 1998 ( [slachtoffer] )
59. In onderdeel 5 bespreekt het hof de zaken uit 1984 en 1985 en de overeenkomsten met (de sporen in) de zaak van [slachtoffer] .86 Daartoe zet het hof eerst de feiten en omstandigheden van de zaak uit 1985 uiteen,87 en doet het hof vervolgens hetzelfde voor de zaak uit 1984.88 Hieruit leidt het hof de betrokkenheid van de verdachte bij de in 1984 en 1985 gepleegde feiten af. Het hof stelt vast dat de verdachte telkens in de zomerperiode in een buitengebied/bosgebied jongens in de leeftijd van tien tot twaalf jaar heeft benaderd. Het ging telkens om jongens die hij niet kende en die hem ook niet kenden. De verdachte kende het betreffende gebied wel en was telkens woonachtig in de nabije omgeving. De verdachte heeft bij de jongens de hand voor de mond gehouden en ontuchtige handelingen gepleegd door met zijn hand in de onderbroek te gaan en het geslachtsdeel te betasten. Bovendien heeft de verdachte hen gedurende het plegen van die handelingen wederrechtelijk van de vrijheid beroofd en beroofd gehouden.89
60. Vervolgens bespreekt het hof de overeenkomsten met de zaak van [slachtoffer] .90 Ook [slachtoffer] is seksueel misbruikt, waarbij is gebleken dat de verdachte biologische sporen heeft achtergelaten in het kruis van de onderbroek, zijnde in de directe omgeving van het geslachtsdeel van het slachtoffer. Het hof stelt derhalve ten eerste vast dat bij de verschillende incidenten een seksueel motief bij de verdachte aanwezig was en dat door hem specifieke ontuchtige handelingen bij willekeurige en hem onbekende jongens werden verricht, namelijk het betasten van het geslachtsdeel. Dit sluit aan bij de tweede overeenkomst tussen de te vergelijken zaken, te weten dat de verdachte zich seksueel aangetrokken voelt tot kleine jongens. In de derde plaats was de verdachte in de te vergelijken zaken bekend met de omgeving waarin hij de feiten heeft gepleegd en was hij woonachtig in de nabije omgeving.91 In de vierde plaats betroffen het in de te vergelijken zaken steeds jonge jongens die de verdachte niet kenden. Dat gold ook voor [slachtoffer] .92 Ten slotte komt ook de wijze waarop de verschillende feiten zijn gepleegd door de verdachte, de modus operandi, sterk overeen. Voorafgaand aan het misbruik heeft de verdachte de jongens in de te vergelijken zaken in stilte benaderd en vervolgens vastgegrepen en daarbij een hand voor de mond gehouden.
61. Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de feiten gepleegd in 1984, 1985 en 1998 zodanig op essentiële punten overeenkomen of kenmerkende gelijkenissen vertonen, dat hieruit een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt. De bewezenverklaring van de ontucht en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] steunt daarom mede op de bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van de andere, soortgelijke strafbare feiten die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan.93
62. Voorts concludeert het hof uit de strafbare feiten die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan dat de werkwijze van de verdachte wordt gekenmerkt door het onverhoeds vastpakken van jongens en het drukken van de hand van de verdachte op de mond van die jongens.94
De vlucht van de verdachte
63. In onderdeel 6 bespreekt het hof de ‘vlucht’ van de verdachte en het hof zet daartoe de feiten en omstandigheden uiteen.95 Hieruit leidt het hof af dat de verdachte aan bekenden had verteld dat hij in maart 2018 naar Nederland zou gaan om onder andere zijn DNA af te staan in de zaak van [slachtoffer] en dat het niet anders kan zijn dan dat hij in februari 2018 een dwaalspoor heeft gecreëerd en vervolgens vanuit Frankrijk naar Spanje is gevlucht. Met de verdediging is het hof van oordeel dat het voorgaande op zichzelf beschouwd niet redengevend is voor de vaststelling dat de verdachte zich in 1998 schuldig heeft gemaakt aan een van de feiten gepleegd jegens [slachtoffer] . Het hof acht de vlucht van de verdachte, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, echter wel redengevend voor de omstandigheid dat de verdachte niet in verband wenste te worden gebracht met de biologische sporen van NN2 die op het lichaam en op en in de kleding van het slachtoffer waren aangetroffen.
De verklaring van de getuige [betrokkene 3]
64. In onderdeel 7 van het arrest komen de verklaringen van de getuige [betrokkene 3] (een medegedetineerde) aan de orde.96 Die spelen in cassatie verder geen rol omdat het hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van deze getuige, hoewel op onderdelen niet onbetrouwbaar, in hun totaliteit onvoldoende betrouwbaar zijn, zodat het hof deze verklaring(en) niet bezigt tot het bewijs.97
Het bewijs van de doodslag
65. In onderdeel 8 komt het hof te spreken over het bewijs van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.98 Allereerst vat het hof zijn oordelen over het onder 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde samen.99 Daaraan voegt het hof het volgende toe. Het hof gaat er in de eerste plaats van uit dat tussen zowel feit 1 en 2 als feit 3 onderlinge feitelijke samenhang bestaat. De ten laste gelegde feiten hebben immers plaatsgevonden op dezelfde plaats in de dezelfde periode. Daarnaast acht het hof, nu er uit het dossier geen aanwijzing naar voren komt voor betrokkenheid van een ander dan de verdachte, bewezen dat de verdachte betrokken is bij deze feiten. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de omstandigheid dat de wijze waarop de feiten van de zaken in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont met de wijze waarop de feiten jegens [slachtoffer] zijn begaan. Tevens heeft het hof meegewogen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte in februari 2018 een dwaalspoor heeft gecreëerd en vervolgens vanuit Frankrijk naar Spanje is gevlucht om niet in verband te kunnen worden gebracht met de biologische sporen die hij mogelijk op het lichaam en op en in de kleding van het slachtoffer had achtergelaten.
66. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict en aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en – gelet op de samenhang tussen de feiten 1, 2 en 3 – op enigerlei wijze betrokken is bij de dood van [slachtoffer] . Niettemin spreekt het hof de verdachte vrij van de onder 1 primair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag, op de grond dat aan het voorliggende dossier en het onderzoek ter terechtzitting voor het bewijs van de strafverzwarende omstandigheid, te weten het bijkomend oogmerk van de verdachte, geen redengevende feiten en omstandigheden kunnen worden ontleend.100
67. Het hof gaat uit van de volgende feitelijke vaststellingen en heeft daarbij met nadruk betekenis toegekend aan de werkwijze van de verdachte in de zaken uit 1984 en 1985.101 Het kan niet anders zijn dan dat [slachtoffer] is overleden door smoren, al dan niet in combinatie met stress. Het hof ontleent aan de modus operandi in de zaken uit 1984 en 1985 de vaststelling dat de handeling die tot de dood heeft geleid, bestaat uit het drukken/houden van de hand van de verdachte op de mond/neus van [slachtoffer] . Hierbij neemt het hof niet in aanmerking: (1) de bruine verkleuringen naast het linker neusgat en aan de linker mondhoek van het lichaam van [slachtoffer] , aangezien niet zeker is dat deze bij leven waren opgelopen en deze op basis van de foto’s van de (schouw en) sectie zijn aangemerkt als postmortale veranderingen, en (2) de felrode verkleuring op de rechterarm en de streep over de adamsappel, omdat de duiding daarvan te onzeker is ten gevolge van postmortale veranderingen en het voortschrijdende proces van ontbinding.
68. Het hof leidt uit een en ander het volgende af, en ik citeer deze slotoverweging volledig (met weglating van één voetnoot):
“Het kan niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] , een jongen die behoorde tot een groep waarin de verdachte seksueel geïnteresseerd is/was, in de periode van 10 augustus tot en met 11 augustus 1998 onverhoeds van zijn vrijheid heeft beroofd. Voorts heeft de verdachte [slachtoffer] in ieder geval ten tijde van het plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met het slachtoffer van diens vrijheid beroofd gehouden. Het hof leidt uit het voorgaande af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] heeft vastgegrepen en vastgehouden en een hand voor zijn mond heeft gedaan en hem door middel van fysieke kracht heeft gedwongen om mee te gaan om vervolgens met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] te betasten. [slachtoffer] heeft daarbij op enig moment het leven gelaten, waarbij het smorend geweld op en/of tegen het hoofd, al dan niet in combinatie met stress, uiteindelijk heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.
De verdachte heeft naar het oordeel van het hof onder de beschreven omstandigheden gehandeld met het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . De verdachte heeft immers gezien de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht zoals beschreven, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] daarbij zou kunnen komen te overlijden.
Dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] leidt het hof af uit de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer onverhoeds van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, waarbij hij een hand voor de mond van [slachtoffer] heeft gehouden en hem door middel van fysieke kracht gedwongen heeft meegenomen. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte ten tijde van het feit als vijfendertigjarige man veel krachtiger moet zijn geweest dan de slechts elf jaar oude [slachtoffer] . Door op deze wijze te handelen – waarbij eenieder begrijpt dat het smoren van iemand terwijl je hem onverhoeds onder dwang meeneemt zeer gevaarzettend is en het derhalve niet anders kan zijn dan dat de verdachte op het moment van handelen aan die mogelijkheid moet hebben gedacht – heeft de verdachte in de gegeven omstandigheden de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid gecreëerd dat [slachtoffer] daarbij zou komen te overlijden. Met andere woorden: de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] vormde gezien de concrete omstandigheden waaronder deze plaatsvond en door de manier waarop deze is uitgevoerd – zijnde het onverhoeds vastpakken van [slachtoffer] en deze vasthouden en met de hand voor zijn mond tegen diens vrije wil meenemen – naar haar aard een geëigende of geschikte wijze van handelen om uiteindelijk het gevolg, de dood van [slachtoffer] , in het leven te roepen. De wijze waarop het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven door de verdachte van [slachtoffer] plaatsvond, vormde daarmee in de gegeven omstandigheden een onmisbare schakel voor zijn latere dood, in die zin dat ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door op deze wijze te handelen. Het hof betrekt daarbij dat op grond van het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken, tot dat gevolg hebben geleid.
Uit de geschetste gang van zaken kan worden afgeleid dat de verdachte, in weerwil van het besef van de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] , heeft gekozen om [slachtoffer] op die wijze van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden teneinde een bepaald doel te bereiken, zijnde seksuele bevrediging, dat voor hem belangrijker was dan het leven van de jonge [slachtoffer] . Met andere woorden: weliswaar wilde de verdachte het gevolg mogelijk niet, maar hij wilde de als reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid van het te voorziene gevolg ook niet vermijden. De verdachte heeft zich blijkens de gang van zaken niet gevoelig getoond voor het besef van de aanmerkelijke kans op het gevolg en heeft het gevolg met zijn handelen op de koop toe genomen.
De verdachte heeft betrokkenheid bij de dood ontkend en een alternatief scenario gepresenteerd. Dit alternatieve scenario is door het hof als niet aannemelijk terzijde gelegd. Het hof heeft onder 3.5.4.5. geconcludeerd dat de verdachte voor de eerder onder 3.4. beschreven omstandigheden, die op zichzelf en/of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het onder 2 subsidiair aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het hof gaat tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden en onder verwijzing naar 1.2.5. dus uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.
Het hof acht op grond van het voorgaande de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.
Het hof komt aldus tot de slotsom dat de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 primair wettig en overtuigend bewezen zijn.”102
Inleiding op de bespreking van de eerste twee middelen: DNA-onderzoek op activiteitenniveau
69. Zoals gezegd, kies ik voor een andere volgorde bij de bespreking van de middelen. Ik zal hieronder eerst het tweede middel bespreken. Dat middel komt met motiveringsklachten op tegen het bewijs van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde ontucht en tegen de verwerping van bewijsverweren die hiermee verband houden. Pas daarna volgt een bespreking van het eerste middel. Op de terechtzitting van 17 november 2021 heeft de verdediging bij gelegenheid van het pleidooi het hof voorwaardelijk verzocht om een deskundige te benoemen met de opdracht tot het verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau en het uitbrengen van verslag daarvan. Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de gronden dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende geïnformeerd acht en dat de noodzakelijkheid van het onderzoek niet is gebleken. Het eerste middel bevat de klacht dat deze beslissing onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd.
70. Alvorens ik toekom aan de bespreking van deze twee middelen, sta ik eerst – in algemene zin – stil bij onderzoek op ‘activiteitenniveau’. Reden daarvoor is dat daaraan veelvuldig wordt gerefereerd in de toelichtingen op beide middelen.
Beschouwing: DNA-onderzoek op activiteitenniveau
71. Het onder middel 1 besproken verzoek van de verdediging strekt tot het verrichten van DNA-onderzoek op ‘activiteitenniveau’.103 Op dit niveau wordt de vraag geadresseerd wat voor de vaststelling van de toedracht van het delict de betekenis is van het aantreffen van DNA-materiaal dat wordt toegeschreven aan een bepaald persoon op het lichaam van een ander persoon, op een sporendrager of op de plaats van het delict (pd).104 Bij ‘activiteitenniveau’ gaat het om de wijze en het moment waarop een spoor of een complex van sporen (het zogeheten ‘sporenbeeld’) tot stand is gekomen.105 Daarbij wordt niet alleen betekenis toegekend aan de waarneming van DNA-sporen, en aan de aard en de locatie ervan. Ook aan het niet waarnemen van sporen (‘absence of evidence’) kan onder omstandigheden informatie worden ontleend.106
72. De biologische sporen zelf geven geen uitsluitsel over de vragen hoe en wanneer zij zijn achtergelaten. Wel kunnen deskundigen uitspraken doen over de vraag in hoeverre een bepaald sporenbeeld mag worden verwacht onder de veronderstelling (‘hypothese’) dat een bepaalde persoon bepaalde specifieke handelingen heeft verricht of dat met hem bepaalde contacten hebben plaatsgehad.
73. Een sporenbeeld kan altijd op verschillende manieren ontstaan. Om de toedracht van het delict te reconstrueren, moeten dan ook bij de evaluatie en interpretatie van de onderzoeksresultaten méér hypothesen over het ontstaan van de sporen in aanmerking worden genomen. Die hypothesen kunnen worden ontleend aan zogeheten ‘(delict)scenario’s’. Dat betreft lezingen over de toedracht van het delict en de omstandigheden waaronder het is begaan, vaak met vermelding van de identiteit van de dader, de locatie, het tijdstip, de manier van handelen, het middel en het motief. Scenario’s worden doorgaans zowel van de zijde van het OM als van de zijde van de verdediging aangedragen. Ook als de verdachte iedere betrokkenheid bij het delict en enige relatie tot het slachtoffer ontkent, presenteert hij in essentie een scenario. Het spreekt voor zich dat onderzoek naar de toedracht van het delict alleen nuttig is als het scenario van het OM en dat van de verdediging in de kern onverenigbaar zijn en met elkaar om voorrang strijden.
74. Bij een forensische toetsing van het sporenbeeld nemen de voor toetsing vatbare elementen (handelingen of contacten) die uit de scenario’s kunnen worden afgeleid en die een verklaring kunnen geven voor het onderzochte sporenbeeld, de gedaante aan van ‘de hypothese van het OM’, respectievelijk ‘de hypothese van de verdediging’.107 Hypothesen specificeren de handelingen of contacten die ter discussie staan, en waarvan de vraag is (i) of en zo ja op welke wijze die hebben plaatsgevonden, dan wel (ii) welke persoon die handelingen heeft verricht. De betwisting kan dus zowel de ‘activiteit’, als de ‘actor’ of beide betreffen.108
75. Bij de evaluatie van een sporenbeeld zal een deskundige twee (of meer) van dergelijke, concurrerende hypothesen beoordelen op de vraag met welke mate van waarschijnlijkheid hij het sporenbeeld verwacht waar te nemen onder de ene hypothese ten opzichte van de mate van waarschijnlijkheid waarmee hij het sporenbeeld verwacht waar te nemen onder de andere hypothese.109 Daarmee spreekt de deskundige zich uit over de vraag of, en in hoeverre, de ene hypothese een betere verklaring geeft voor het waargenomen sporenbeeld dan de andere hypothese. Het antwoord wordt bij voorkeur – getalsmatig of anders in standaard waarschijnlijkheidstermen – uitgedrukt in de vorm van een likelihood ratio. Dat is de verhoudingsmaat voor de bewijskracht van de bevindingen gegeven de ene ten opzichte van de andere hypothese. De deskundige doet echter géén uitspraken over de waarschijnlijkheid van de hypothesen (of de scenario’s) zelf. Indien en voor zover dat voor de evaluatie noodzakelijk is, zal de deskundige naast de twee hypothesen ook de omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Het gaat dan uitsluitend om taakrelevante contextinformatie die onbetwist is en die onder beide hypothesen voor juist mag worden gehouden.110 Evenals de scenario’s waaruit de hypothesen worden geëxtraheerd, dienen de hypothesen elkaar uit te sluiten.111
76. De gevoeligheid van DNA-analyse is sinds de introductie ervan enorm toegenomen. Dit vergroot de kans dat bij DNA-onderzoek aan een stuk van overtuiging of op de pd een biologisch daderspoor wordt veiliggesteld. Ook de kans op het aantreffen van celmateriaal dat niet gerelateerd is aan het delict is echter toegenomen. Een en ander bemoeilijkt de interpretatie van een sporenbeeld en compliceert het maken van onderscheid tussen enerzijds biologische sporen die in relatie staan tot het delict en anderzijds biologische sporen die géén verband houden met het delict. De daarvoor benodigde informatie valt immers niet direct van het spoor af te lezen. Naast de meer voor de hand liggende overdracht van celmateriaal rechtstreeks van de bron naar de locatie waar het sporenmateriaal is aangetroffen, moet de deskundige meer dan voorheen rekening houden met (i) de mogelijkheid van indirecte vormen van transmissie, waarbij het celmateriaal via andere objecten of subjecten op de sporendrager terecht is gekomen, (ii) de mogelijkheid van contaminatie en (iii) de mogelijkheid van verplaatsing (transpositie c.q. relocatie) van celmateriaal op de sporendrager zelf, bijvoorbeeld door stempeling van het celmateriaal op een andere plek op de sporendrager. Zeker indien (maar niet uitsluitend indien) de verdachte ieder verband met het delict en het slachtoffer ontkent, zal in de evaluatie de kans moeten worden betrokken dat een DNA-spoor dat van de verdachte afkomstig kan zijn, als gevolg van indirecte transmissie, contaminatie of transpositie op een bepaalde locatie is aangetroffen.
77. Een DNA-deskundige op activiteitenniveau is toegerust om de kans op het aantreffen van het DNA-materiaal – gegeven de taakrelevante contextinformatie – te evalueren in het licht van de voorgestelde hypothesen.112 In kenmerken van een sporenbeeld, zoals de kwantiteit en de kwaliteit van de sporen, de aard, de locatie, de configuratie en de samenstelling ervan ligt mogelijk informatie besloten over de wijze, het tijdstip en de locatie van het ontstaan van deze sporen. De deskundige kan over de vraag hoe de sporen zich onder bepaalde condities ontwikkelen doorgaans meer informatie geven wanneer de globale (voorwaardelijke) kans op het aantreffen van de sporen – onder beschouwing van de gegeven hypothesen en de taakrelevante contextinformatie – wordt ontleed in (voorwaardelijke) deelkansen. Dat zijn de volgende deelkansen:
(1) de overdrachts- of transmissiekans: de kans dat materiaal zich – bij bepaalde handelingen of bij bepaald contact – verplaatst van de bron naar de sporendrager. Het gaat hier dus om de kans op het ontstaan van het spoor;
(2) de persistentiekans: de kans dat – wanneer materiaal is overgedragen – het materiaal op de sporendrager aanwezig blijft, en
(3) de detectiekans: de kans dat het op de sporendrager aanwezige DNA door de sporenonderzoeker wordt bemonsterd en door de analysemethode wordt gedetecteerd. De detectiekans hangt dus mede af van de sensitiviteit van het gebruikte analysesysteem.
Bovendien dient de onderzoeker rekening te houden met de mogelijkheid dat ook andere dan de gezochte sporen worden gedetecteerd, zoals sporen van de reguliere gebruiker van een voorwerp, of sporen die op onbekende wijze op de sporendrager terecht zijn gekomen. Deze twee deelkansen, die niet los kunnen worden gezien van de hiervoor besproken drie deelkansen, worden in de literatuur de ‘prevalentiekans’ en de ‘achtergrondkans’ genoemd.113
78. Het is van belang om erop te wijzen dat de conclusies van DNA-onderzoek op activiteitenniveau niet tot uitdrukking worden gebracht met een bewijskracht in dezelfde (hoge) ordegrootte als die van DNA-onderzoek op bronniveau. De maximaal haalbare bewijskracht van DNA-onderzoek op activiteitenniveau blijft daar in de praktijk ver onder als gevolg van onzekerheden in de uitgangsgegevens. Vanwege het grote aantal variabelen dat invloed kan hebben op de hoogte van de hiervoor besproken deelkansen en vanwege de daarmee gepaard gaande onzekerheden, zijn conclusies op activiteitenniveau, waarin onvermijdelijk generalisaties liggen besloten, ook minder robuust.
79. Voor een deugdelijke evaluatie van hypothesen op activiteitenniveau worden aan die hypothesen in verband hiermee de nodige eisen gesteld.114 Dat zijn (onder meer):
(1). plausibiliteit: het heeft weinig tot geen nut om hypothesen te onderzoeken die voortkomen uit scenario’s die op zichzelf genomen onwaarschijnlijk zijn. De maximaal haalbare bewijskracht van DNA-onderzoek op activiteitenniveau biedt doorgaans onvoldoende compensatie voor zeer geringe plausibiliteit van de hypothese. Een op het eerste gezicht (zeer) onwaarschijnlijke hypothese wordt niet alsnog (zeer) waarschijnlijk vanwege de resultaten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau. Van de voorgestelde hypothesen en scenario’s mag dus worden verlangd dat zij niet op voorhand onwaarschijnlijk zijn en dat zij in bepaalde mate steun vinden in het dossier;115
(2). specificiteit: de hypothesen dienen een voldoende specifieke omschrijving van de verrichte handelingen te bevatten. Naarmate de omschrijving van de betwiste handelingen in de hypothesen meer globaal van aard is, zullen de onzekerheden in de uitgangsgegevens toenemen, zodat de deskundige meer aannames moet doen. De deskundige zal zijn conclusies in dat geval meer globaal moeten formuleren, tot op een punt waarop zij voor de waarheidsvinding weinig tot geen toegevoegde waarde meer hebben;
(3). een hypothese waarin als vaststaand wordt aangenomen dat bepaalde handelingen het onderzochte sporenbeeld hebben veroorzaakt, vormt géén hypothese over de al dan niet verrichte handelingen, maar slechts een hypothese over het causale verband tussen de veronderstelde handelingen en het sporenbeeld. Het is nou juist de taak van de deskundige om van dat causale verband de waarschijnlijkheid te beoordelen. Het is zinloos om aan de deskundige een hypothese voor te leggen waarin bijvoorbeeld reeds als vaststaand wordt aangenomen dat het sporenbeeld het gevolg is van legitieme handelingen van de verdachte.
Het tweede middel: de bewijsmotivering van de ontucht (feit 2 subsidiair)
Het tweede middel: een korte omschrijving van de klachten
80. Het tweede middel komt met motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, kort gezegd: de ontucht met [slachtoffer] .
81. Met name klaagt het middel (onderdeel A) over de vaststelling van het hof dat het bij de aangetroffen DNA-sporen gaat om contactsporen en om speeksel (van de verdachte), althans dat het gaat om sporen die door direct contact met het voorwerp waarop zij zijn aangetroffen, zijn achtergelaten. In onderdeel B worden klachten geformuleerd over de door het hof gevolgde bewijsredenering en de aan de hand van de biologische sporen getrokken conclusies over het daderschap van de verdachte. Bij de bespreking van de onderdelen A en B van het tweede middel heb ik – voor de leesbaarheid – aan deze onderdelen subnummers (A1, A2 etc.) gegeven. Ook de kopjes zijn steeds van mijn hand.
82. Tevens komt het middel (onderdeel C) op tegen de verwerping van bewijsverweren. Onderdeel D van middel 2 betreft een klacht over de toepassing van schakelbewijs.
Het tweede middel, onderdeel A1: biologische contactsporen van de verdachte?
De klacht
83. Allereerst wijst de steller van het middel erop dat het hof in onderdeel 3.4.3 overweegt dat het “onder 3.3. [heeft] vastgesteld dat op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer biologische contactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn aangetroffen.”116 Het hof heeft evenwel in onderdeel 3.3 van zijn arrest niet vastgesteld dat op meerdere plekken in de onderbroek biologische contactsporen zijn aangetroffen, hooguit dat daarnaar is gezocht. Noch uit onderdeel 3.3, noch uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de door het hof bedoelde biologische sporen contactsporen betreffen. Niettemin bouwt het hof in zijn bewijsredenering (in onderdeel 3.4.3) voort op deze (onbewezen) aanname, en trekt daaruit – ontoereikend gemotiveerd – de conclusie (in onderdeel 3.4.4) dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ontucht met [slachtoffer] , aldus de klacht.117
De bespreking van de klacht: mocht het hof aannemen dat de biologisch sporen ‘ contact sporen’ zijn?
84. Allereerst iets over het begrip ‘(biologische) contactsporen’. Het hof heeft dit begrip klaarblijkelijk ontleend aan het NFI-rapport uit 2008, bewijsmiddel 21.118 Uit de in dat rapport vermelde nadere omschrijving van het begrip ‘biologische contactsporen’119 blijkt dat het NFI hiermee het oog heeft op sporen die ontstaan wanneer lichaamscellen en/of lichaamsvloeistoffen van een persoon, door direct of indirect contact, worden overgedragen op een andere persoon of object. Dit betekent, zo voeg ik daaraan toe, dat indien mag worden aangenomen dat het in contactsporen aanwezige celmateriaal (mede) afkomstig is van de verdachte, daarmee nog niet vaststaat dat het de verdachte zelf is die dit celmateriaal door direct contact met de sporendrager heeft overgedragen.
85. Met juistheid wijst de steller van het middel erop dat het hof – anders dan het in onderdeel 3.4.3 met zoveel woorden overweegt – in onderdeel 3.3 (of elders) niet uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de aldaar bedoelde biologische sporen daadwerkelijk contactsporen zijn. Tevens wijst de steller van het middel er met juistheid op dat ook uit de deskundigenberichten en uit de mededelingen van de deskundigen Kokshoorn en Kloosterman niet (rechtstreeks) valt op te maken dat deze sporen contactsporen c.q. aanraaksporen betreffen. Kokshoorn heeft erop gewezen: “De sporen zelf vertellen ons niet hoe en wanneer ze zijn achtergelaten.”120 Kloosterman schreef: “In dit verband wordt nogmaals benadrukt dat (...) geen uitspraak kan worden gedaan over de aard, het tijdstip en de wijze van dispositie van het DNA van de onbekende man.”121
86. Deze uitlatingen dienen echter wel in hun juiste context te worden geplaatst. De klassieke DNA-analyse betreft een instrument dat erop is gericht om van het DNA in bemonsterd celmateriaal specifiek geselecteerde kenmerken afleesbaar te maken. Het resultaat van zo’n DNA-analyse (d.w.z. het oordeel van een deskundige over de aan- of afwezigheid van specifieke DNA-kenmerken) levert inderdaad géén informatie op over de wijze en het tijdstip waarop het bemonsterde en geanalyseerde celmateriaal op de sporendrager terecht is gekomen. Sterker nog, het resultaat van de hier bedoelde DNA-analyse bevat ook geen informatie over de aard van de bemonsterde cellen, noch over de identiteit van de bron of bronnen. De gezochte informatie kan echter – weliswaar niet met zekerheid – eventueel aan de hand van andere gegevens worden verkregen.
87. Over de identiteit van de bron of bronnen kunnen bijvoorbeeld verdergaande uitspraken worden gedaan door de vastgestelde DNA-kenmerken van het sporenmateriaal te vergelijken met DNA-kenmerken op corresponderende plekken van het DNA in celmateriaal dat rechtstreeks van bepaalde personen is afgenomen. Over de aard van celmateriaal kan mogelijk meer informatie worden verkregen uit de resultaten van presumptieve, diagnostische testen naar de aanwezigheid van specifiek lichaamsmateriaal op dezelfde locatie op de sporendrager als waar het aan DNA-analyse onderworpen monster is genomen. Een voorbeeld betreft de in deze zaak besproken presumptieve test op de aanwezigheid van alfa-amylase, een enzym dat bijdraagt aan de werkzaamheid van speeksel. Over het tijdstip en de wijze van ‘dispositie’ van celmateriaal kan mogelijk informatie worden ontleend aan het gehele sporenbeeld, met inbegrip van de aard, de samenstelling, de kwantiteit, de locatie en de configuratie van de sporen, de kwantiteit van het celmateriaal in de sporen, in combinatie met uiteenlopende andere, tactische gegevens. Het is aan de rechter om te beoordelen of hij op dit punt toereikend is geïnformeerd.
88. In het bestreden arrest en in de bewijsmiddelen liggen naar mijn inzicht voldoende gegevens besloten die meebrengen dat de conclusie die het hof – impliciet – heeft getrokken niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft dus mogen aannemen dat de bedoelde biologische sporen op de onderbroek inderdaad ‘contactsporen’ betreffen, zulks in de betekenis als bedoeld in het NFI-rapport uit 2008 dat het hof als bewijsmiddel 21 heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest. Ik zal dat oordeel toelichten aan de hand van drie door het hof vastgestelde kenmerken van de sporen en het sporenbeeld.
89. Het eerste kenmerk van het sporenbeeld betreft de locaties van de door het hof aan de verdachte toegeschreven sporen. Deze sporen zijn aangetroffen bij onderzoek naar biologische contactsporen. Nu wil ik de steller van het middel toegeven dat de resultaten van onderzoek naar biologische contactsporen niet dwingen tot de conclusie dat die resultaten daadwerkelijk ook biologische contactsporen betreffen. Het hof heeft evenwel bij zijn conclusie dat het hier om contactsporen gaat in aanmerking kunnen nemen dat bij onderzoek naar biologische contactsporen de belangstelling vooral uitgaat naar locaties op de sporendrager waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen, zoals in dit geval: de tailleband, de randen en het kruis.122 In het bijzonder betreft het sporen die zich bevinden op locaties van [slachtoffer] ’s onderbroek waar een belager met seksuele intenties zijn handen kan hebben gebracht, namelijk aan en rond de locaties waar zich bij normale én omgekeerde dracht de geslachtsdelen en de bilnaad van de drager van de onderbroek bevinden.123 Met andere woorden, de biologische sporen bevinden zich geconcentreerd op locaties die mogen worden verwacht bij handelingen waarbij de onderbroek met bepaalde intenties wordt aangeraakt. Dat is in contrast met een willekeurige spreiding van sporen die meer voor de hand ligt bij de ongecontroleerde overdracht van lichaamsvloeistoffen.
90. Het tweede kenmerk van de sporen betreft de aard van het celmateriaal dat is veiliggesteld. Verscheidene mogelijkheden kunnen reeds worden afgestreept. In deze zaak zijn de stukken van overtuiging reeds vanaf 1998 onderzocht op de aanwezigheid van bloed.124 De daarbij aangetroffen kleine bloedsporen betreffen echter niet de door het hof in onderdeel 3.4.3 bedoelde sporen. Naar sperma is tevergeefs gezocht.125 Dat geldt ook voor snot.126 Er zijn als gezegd sowieso geen sporen aangetroffen waarin zich veel DNA-materiaal bevindt, zoals wanneer lichaamsvloeistoffen (bloed, sperma, snot, tranen, zweet, urine, moedermelk) in druppelvorm op de sporendrager terechtkomen en daar persisteren. Het gaat bij de door het hof bedoelde sporen dus om sporen die niet voortkomen uit spatten van de genoemde lichaamsvloeistoffen. Bovendien zijn zij met het blote oog niet zichtbaar.127 Het meest in aanmerking komende (en nog niet genoemde) weefsel is dan: epitheel (dekweefsel). Hieruit is onder meer de opperhuid opgebouwd. Behoudens in geval van huidschilfers ‘dwarrelen’ epitheelcellen doorgaans niet door de lucht; zij worden overgedragen bij voldoende krachtig contact.128
91. Het derde kenmerk betreft het gebruik van de stubmethode, die (blijkens ’s hofs vaststellingen) nou juist is toegepast – en dus geëigend is – om contactsporen te achterhalen. Met een klein stukje tape wordt op een betrekkelijk klein oppervlak van de stof gewreven om aldaar aanwezige cellen op te nemen.129
92. Ten slotte heeft het hof de hierboven opgesomde kenmerken in onderling verband en samenhang mogen beschouwen. Bewijs is namelijk ‘holistisch’ van aard.130 Vanwege – kort gezegd – de wijze van bemonstering, de locaties ervan, en de omstandigheid dat de sporen (met het blote oog) niet zichtbaar waren tezamen beschouwd, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof – zonder dat het dit met zoveel woorden tot uitdrukking heeft gebracht – heeft aangenomen dat de bedoelde sporen daadwerkelijk contactsporen betreffen, in de betekenis als bedoeld in het NFI-rapport uit 2008. Ware dat anders, dan had het hof mogen verwachten dat de sporen méér geconcentreerd DNA-materiaal bevatten, bij eerdere onderzoeken en met andere (presumptieve) methoden waren getraceerd en dat de sporen zich over andere, meer willekeurige locaties hadden verspreid.
93. De klacht (onderdeel A1 van het tweede middel) faalt.
Het tweede middel, onderdeel A2: aanwijzingen aanwezigheid van speeksel van de verdachte?
De twee sub-klachten
94. Volgens de steller van het middel gaat het hof er in zijn bewijsoverwegingen van uit dat de biologische sporen die bij toepassing van de alfa-amylase afdrukmethode een positief testresultaat gaven, daadwerkelijk speeksel betreffen dat afkomstig is van de verdachte. De steller van het middel wijst er evenwel op:
(i) dat de alfa-amylase afdrukmethode niet 100% specifiek is voor speeksel en dat een aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel niet betekent dat de aanwezigheid van speeksel is vastgesteld, en
(ii) dat de test evenmin laat zien van wie het celmateriaal afkomstig is.131
95. De steller van het middel beroept zich in dit verband op een uitspraak van Kloosterman ter terechtzitting van 24 november 2021, te weten:
“(…) dat de amylasetest een presumptive test is voor het aantonen van speeksel. De test is presumptief diagnostisch. Dat betekent dat je geen zekerheid hebt. De amylasetest is snel en gevoelig, maar omdat het een presumptive test is, is die niet 100% specifiek voor speeksel. Bijvoorbeeld urine en feces kunnen geringe hoeveelheden amylase bevatten en (zwak) positief testen. Tegenwoordig bestaat de mogelijkheid van bevestiging door middel van RNA-analyse. Ik weet niet hoeveel amylase zweet bevat. Ik kan wel zeggen dat bij het afplakken van kleding onder de oksels soms een verkleuring was te zien bij de amylasetest. (…).
Mij wordt voorgehouden dat in onderhavige zaak sporen met mengprofielen en aanwijzingen van speeksel zijn aangetroffen en mij wordt gevraagd of nu bekend is van wie de aanwijzingen van speeksel zijn. Dit is niet bekend, (…).”132
96. In de toelichting op het middel wordt dan ook geklaagd (1) dat de vaststelling dat sprake is van speeksel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed, en (2) dat uit bewijsmiddelen noch overigens kan volgen dat – anders dan het gerechtshof heeft overwogen en vastgesteld – er sprake is van aanwijzingen voor de aanwezigheid van speeksel dat van de verdachte afkomstig is.
De beoordeling van de eerste sub-klacht: mocht het hof aannemen dat er sprake is van speeksel ?
97. Uit de mededelingen van Kloosterman kan worden opgemaakt dat de alfa-amylase afdrukmethode niet 100% specifiek is; het betreft een presumptieve (indicatieve) test. Hoewel gericht op de vaststelling van de aanwezigheid van speeksel doet zich de mogelijkheid voor dat de test een ‘foutpositief’ resultaat laat zien, doordat urine en feces eveneens, zij het geringere concentraties van het speekselenzym amylase bevatten. Kloosterman laat desgevraagd weten dat ook (oksel)zweet klaarblijkelijk (zwakke) indicaties voor de aanwezigheid van amylase kan geven.
98. Uit niets blijkt evenwel dat het hof het voorgaande over het hoofd heeft gezien. Voor wat betreft de weergave van het resultaat van deze amylasetest maakt het hof in zijn arrest dan ook consequent melding van “aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel” (onderstreping mijnerzijds) en het hof ‘stelt’ nergens ‘vast’ dat de bemonstering daadwerkelijk speeksel betreft. Het hof heeft deze omschrijving van het testresultaat woordelijk overgenomen uit het rapport van de deskundigen De Vreede en Raggers-Schroeijers (NFI).133 Bovendien blijkt uit dit bewijsmiddel dat in 2008 in een aantal gevallen opnieuw is getest op de aanwezigheid van speeksel, en dit met behulp van een nieuwe, meer specifieke test dan die in 2006 werd toegepast. In veruit de meeste van de opnieuw onderzochte gevallen werd het eerder verkregen positieve resultaat bevestigd. Dat er ‘aanwijzingen’ zijn voor de aanwezigheid van speeksel is dus allerminst een nietszeggende mededeling. Dat klemt te meer als het locaties op de sporendrager betreft waarop geen vermenging met urine, zweet of feces hoeft te worden verwacht. Ik acht het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in de door hem gekozen bewoordingen melding maakt van de testresultaten en daaraan gevolgtrekkingen verbindt. De eerste sub-klacht van onderdeel A2 faalt.
De beoordeling van de tweede sub-klacht: mocht het hof aannemen dat de (aanwijzing voor) speeksel afkomstig is van de verdachte ?
99. Meer problematisch is het onderwerp van de tweede sub-klacht, te weten de vraag of die aanwijzing voor speeksel celmateriaal betreft dat afkomstig is van de verdachte. Het door het hof gegeven bevestigende antwoord op die vraag valt niet met zoveel woorden te lezen in de tot het bewijs gebruikte NFI-rapportages. Zoals gezegd laat een DNA-analyse niet zien wat de aard is van het celmateriaal dat aan de analyse is onderworpen, net zomin als dat de genoemde amylasetest laat zien wie de bron is van het celmateriaal waarvan een aanwijzing voor speeksel is verkregen. In het geval van mengsporen kan de amylasetest dus geen duidelijkheid geven over de herkomst van het celmateriaal waarvan een aanwijzing voor speeksel is verkregen, aldus begrijp ik uit de hierboven aangehaalde mededeling van Kloosterman.
100. Wanneer de DNA-analyse van een bemonstering van een locatie op de sporendrager echter géén DNA-mengprofiel genereert, maar resulteert in een enkelvoudig DNA-profiel, terwijl een amylasetest die is uitgevoerd op materiaal van dezelfde locatie leidt tot een positief testresultaat, valt er veel te zeggen voor de conclusie dat het betreffende, amylase bevattende celmateriaal afkomstig is van degene van wie het DNA-profiel matcht met dat van het sporenmateriaal. Een en ander geldt in deze zaak uitsluitend voor spoor #45 op de onderbroek. Het positieve testresultaat van de amylasetest die in 2006 op dit spoor werd uitgevoerd, is in 2008 bevestigd met de nieuwe, meer specifieke test.134 In zoverre staven de bewijsmiddelen de door het hof getrokken conclusie dat de ‘aanwijzing voor speeksel’ celmateriaal betreft dat afkomstig is van de verdachte.
101. Alle andere locaties van de onderbroek of de pyjamabroek waarop celmateriaal is aangetroffen dat (mede) van de verdachte afkomstig kan zijn en die een positief resultaat gaven op de amylasetest, betreffen echter DNA-mengsporen. Daarvoor gaat het door Kloosterman gemaakte voorbehoud onverkort op. Dit betekent dat de tweede sub-klacht hout snijdt voor zover het hof in de bewijsmotivering gebruikmaakt van de meervoudsvorm “aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte”.135 Uit de bewijsmiddelen kan slechts worden afgeleid dat er een aanwijzing is voor de aanwezigheid van speeksel van de verdachte.
102. In cassatie hoeven hieraan geen consequenties te worden verbonden. Het voorgaande brengt namelijk geen wijziging teweeg in het aantal van de biologische sporen, en dus evenmin in de door het hof gememoreerde “(grote) hoeveelheid” biologische sporen. Ook aan de door het hof benadrukte “diversiteit” aan biologische sporen doet het voorgaande geen afbreuk.136
103. In geval van DNA-mengprofielen die kunnen zijn verkregen van uitsluitend celmateriaal van de verdachte en van [slachtoffer] rijst bovendien de vraag of de conclusie dat – indien het speeksel niet van de verdachte afkomstig is – het speeksel van [slachtoffer] afkomstig moet zijn, zoveel minder belastend is voor de verdachte. Mij komt voor van niet, omdat een dergelijk mengspoor (zie spoor #93 op de pyjama)137 zich bijvoorbeeld goed laat verklaren onder de hypothese dat de verdachte zijn hand met kracht op de mond van (de nog levende) [slachtoffer] heeft gelegd en op enig moment daarna met die hand de pyjamabroek van [slachtoffer] heeft aangeraakt. Het komt er in essentie op neer dat de vraag van wie het speekselspoor in zo’n geval precies afkomstig is, niet cruciaal is in de bewijsredenering van het hof.
104. Kortom, hoewel de tweede sub-klacht van de tweede klacht van onderdeel A van het tweede middel ten dele terecht is voorgesteld, hoeft dit niet tot cassatie te leiden op de grond dat dit geen wezenlijk manco in de bewijsvoering blootlegt.
105. Onderdeel A van het tweede middel faalt in z’n geheel en hoeft in elk geval niet tot cassatie te leiden.
Het tweede middel, onderdeel B1: de redengevendheid van de sporen
De klachten
106. In de eerste plaats bouwen de klachten in onderdeel B1 van het tweede middel voort op de klachten in onderdeel A. Indien die zouden slagen, heeft dat repercussies voor de geldigheid van de bewijsredenering die uitmondt in het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ontucht jegens [slachtoffer] , zo begrijp ik een van de klachten.138
107. In die bewijsredenering beroept het hof zich bovendien op een mededeling van Kokshoorn, te weten: “In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact.”139 Vanwege de algemene strekking daarvan kan deze opmerking – volgens de steller van het middel – niet het oordeel dragen “dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] heeft betast.”140
108. Ten slotte gaat het hof volgens de steller van het middel voorbij aan andere, hierboven reeds geciteerde uitlatingen van Kokshoorn en Kloosterman. Kokshoorn heeft er immers op gewezen: “De sporen zelf vertellen ons niet hoe en wanneer ze zijn achtergelaten.”141 Kloosterman schreef, ik herhaal: “In dit verband wordt nogmaals benadrukt dat (...) geen uitspraak kan worden gedaan over de aard, het tijdstip en de wijze van dispositie van het DNA van de onbekende man.”142
De bespreking van de klachten
109. Zoals ik hiervoor bij de bespreking van onderdeel A van het middel heb uiteengezet, falen de klachten van dat onderdeel en – voor zover al terecht voorgesteld – hoeven daaraan in cassatie geen gevolgen te worden verbonden. Voor zover de klachten in onderdeel B voortbouwen op het veronderstelde succes van de klachten in onderdeel A, falen zij dus eveneens.
110. De mededeling van de zijde van de deskundige Kokshoorn te weten “In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact”143 heeft inderdaad een algemene strekking. Kloosterman heeft een mededeling van diezelfde, algemene strekking gedaan. Dit belemmert het hof echter niet die informatie in samenhang met andere gegevens te benutten. Zo ‘algemeen’ is de strekking trouwens ook weer niet. Kokshoorn en Kloosterman zouden een dergelijke mededeling niet hebben gedaan als die voor deze zaak volstrekt irrelevant zou zijn.144 Niet blijkt bovendien dat het hof die mededeling heeft misverstaan in de zin dat de deskundigen daarmee volgens het hof zouden hebben meegedeeld dat het vanwege “het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp” waarschijnlijk is dat “langdurig en/of intensief contact” heeft plaatsgehad.
111. Evenmin wijst het arrest uit dat het hof voorbij is gegaan aan de voorbehouden die Kokshoorn en Kloosterman hebben gemaakt. Hierboven heb ik al de betekenis van die voorbehouden in de (volgens mij) juiste context geplaatst. Het hof heeft zijn bewijsredenering opgebouwd uit andere informatie dan (alleen) de DNA-kenmerken van de sporen zelf.
112. De klachten falen.
Beschouwing: het probabilistische en holistische karakter van ‘redengevend’ bewijs
113. Meer in het algemeen neigen deze (en andere, hieronder nog te bespreken) klachten tot een miskenning van het probabilistische karakter van bewijs. De aanname dat bewijsmateriaal ‘reden geeft’ voor het bewijsoordeel, vereist niet dat bewijsmateriaal hiervoor steeds een sluitende reden geeft. Waar het om gaat is dat bewijsmateriaal in significante mate steun geeft aan de ene dan wel aan de andere hypothese omtrent de totstandkoming van het in ogenschouw genomen bewijsmateriaal, met inbegrip van de mogelijkheid dat bewijsmateriaal de ene of de andere hypothese ondergraaft of zelfs weerlegt. De enkele omstandigheid dat bewijsmateriaal daarbij een alternatieve mogelijkheid openlaat, behoeft de rechter er niet van te weerhouden om dat materiaal in aanmerking te nemen. De vraag naar een mogelijkheid, moet immers steeds worden gevolgd door de vraag naar de (on)waarschijnlijkheid daarvan. Alleen dat laatste is voor de bewijsvraag leidend. Die waarschijnlijkheden moeten in de weging van aanwijzingen worden betrokken. In principe is namelijk ieder bewijsmiddel probabilistisch van aard; bewijsmateriaal laat altijd in bepaalde mate een alternatieve mogelijkheid open.
114. Er bestaat ook niet zoiets als een ‘afkapwaarde’ of een ‘ondergrens’ voor de bewijskracht van bewijsmateriaal, waaronder dit materiaal door de rechter niet in aanmerking genomen zou mogen worden. De eis dat het de schuld van de verdachte boven gerede twijfel verheft, wordt gesteld aan het totale complex van aanwijzingen die vóór of tégen het scenario pleiten waarop de tenlastelegging is gestoeld, ten opzichte van alle plausibele alternatieve scenario’s tezamen. De eis dat het een ‘rechterlijke overtuiging’ (van schuld van de verdachte) teweegbrengt, wordt dus niet gesteld aan bewijsmiddelen afzonderlijk. De rechter hoeft alleen nietszeggend, irrelevant of onbetrouwbaar bewijsmateriaal buiten beschouwing te laten. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat juridische redenen (zie artikel 359a Sv) kunnen noodzaken tot bewijsuitsluiting.
115. In cassatie betekent dit dat klachten over specifieke onderdelen in de bewijsredeneringen van het hof, dat is immers de rechter die – anders dan de Hoge Raad – over de feiten gaat, slechts kunnen slagen als het onbegrijpelijk is dat het hof het bewijsmateriaal überhaupt in de weging heeft betrokken. Indien dat inderdaad onbegrijpelijk is, rijst vervolgens nog de vraag of het door de klacht blootgelegde defect de gehele bewijsvoering substantieel aantast. Alleen dán heeft de klacht succes. Hieruit volgt dat het in cassatie geen zin heeft om op iedere slak zout te leggen.
116. In de tweede plaats is bewijs ‘holistisch’ van aard. Het gaat altijd om het combineren van alle informatie vóór en tégen de onderzochte scenario’s. Bewijsmateriaal moet dus altijd worden beschouwd in onderling verband en samenhang. Deze notie vormt de tweede reden waarom bewijsmateriaal ten laste of ten gunste van de verdachte niet reeds moet worden weggestreept, wegverklaard of geëlimineerd vóórdat de rechter toekomt aan de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. In de woorden van de Hoge Raad: de redengevendheid van bewijsmateriaal “dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering.”145
Het tweede middel, onderdeel B2: de verklaring van de verdachte over de vondst van het lichaam van [slachtoffer]
De klachten
117. Ter inleiding op de motiveringsklachten die ik zal pogen samen te vatten, herhaal ik eerst waarover de klachten gaan.146 Zoals hierboven samengevat constateert het hof aan de hand van de eigen waarneming van foto’s van de technische recherche een tegenstrijdigheid tussen enerzijds de lezing van de verdachte en anderzijds de sporen en begroeiing op de plaats waar [slachtoffer] in het sparrenperceel is aangetroffen. De begroeiing is namelijk op de foto’s van het lichaam ter plekke noch links, noch rechts van het lichaam verstoord, hetgeen in de lezing van de verdachte (dat hij links van [slachtoffer] is gaan zitten en hem naar zich toe heeft gedraaid etc.) wel zou worden verwacht. Ook een boomstam naast het hoofd van [slachtoffer] en takken die over het gezicht van [slachtoffer] hingen, zouden hem (enigszins) moeten hebben belemmerd om de ademhaling van [slachtoffer] te controleren. Daarvan heeft de verdachte echter geen melding gemaakt.147 Verder wijst het hof erop dat de verdachte in zijn lezing de onderbroek niet kan hebben aangeraakt, omdat op de foto’s van het lichaam van [slachtoffer] niet is te zien dat de onderbroek boven de pyjamabroek uitkwam en de pyjamabroek relatief hoog is opgetrokken. Zelfs als de verdachte in zijn lezing de tailleband van de onderbroek bij het omdraaien van [slachtoffer] bij een kort contactmoment heeft aangeraakt, verklaart dat niet dat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het voorpand van de onderbroek biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen, aldus oordeelde het hof.148
118. De motiveringsklachten luiden als volgt. Het hof kan het voorgaande niet beoordelen (1) omdat er geen foto’s zijn van de bodem van het sparrenperceel vóórdat het lichaam van [slachtoffer] daar lag, en (2) omdat er geen onderzoek is gedaan naar een eventuele verstoring van de begroeiing en de mate waarin die zich onder de geschetste omstandigheden zou moeten hebben voorgedaan, noch door de opsporingsinstanties, noch door het hof zelf. (3) Bovendien zijn er aanwijzingen voor het draaien van het lichaam van [slachtoffer] , waaraan het hof voorbijgaat. (4) Onbegrijpelijk is het oordeel dat de verdachte de tailleband van de onderbroek (in zijn lezing) niet kan hebben aangeraakt omdat die tailleband volgens het hof op de foto’s niet zichtbaar is en de pyjamabroek relatief hoog is opgetrokken. (5) Het hof geeft zelf toe dat het de nodige forensische kennis mist, namelijk door te overwegen “dat het hof niet inziet hoe” (het kan zijn dat in de lezing van de verdachte door zijn handelen de begroeiing niet is verstoord).149 Het hof weigert zich die kennis eigen te maken door nader onderzoek te laten verrichten. (6) Het hof overweegt nota bene zelf dat het ervan uitgaat dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] bij de taille heeft omgedraaid.
De bespreking van de klachten
119. De klacht onder (5) laat ik bewust onbesproken.
120. De klacht onder (6) berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het is evident dat het hof in het bedoelde onderdeel van de bewijsmotivering de verklaring van de verdachte toetst door diens scenario tot uitgangspunt te nemen om het vervolgens op zijn consistentie en waarschijnlijkheid te beoordelen.150 Het hof overweegt in de kern genomen: als de verdachte het lichaam van [slachtoffer] aldaar heeft omgedraaid, dan neemt het hof aan dat de houding van het lichaam daarna niet is gewijzigd. Het hof stelt hier dus niet vast dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] daadwerkelijk heeft omgedraaid nadat hij het bij toeval had gevonden.
121. Van belang voor een beoordeling van de klachten 1 tot en met 4 is een nauwgezette bestudering van de foto’s 38 tot en met 43 (map 2),151 alsmede de naslag van het bijbehorende proces-verbaal van sporenonderzoek in het sparrenperceel.152 De technische rechercheurs hebben geconstateerd dat de aarde bij de voeten van [slachtoffer] enigszins is verstoord (“begroeiing verschoven en de aarde onder zijn hakken iets verschoven”), terwijl zij géén melding hebben gemaakt van verstoringen links en rechts van het lichaam van [slachtoffer] . Ook op de bedoelde foto’s vallen verstoringen links of rechts van het lichaam van [slachtoffer] niet te zien. Het hof heeft op basis hiervan vastgesteld dat verstoringen van de bodem (de aarde en begroeiing) ter plekke als zodanig wél (in geringe mate) aanwezig zijn bij de voeten van [slachtoffer] , maar links en rechts van het lichaam van [slachtoffer] ontbreken. Ook zonder nader onderzoek en zonder tweede foto (van vóórdat [slachtoffer] daar is komen te liggen) acht ik de vaststelling van het hof dat de bodem naast het lichaam [slachtoffer] niet is verstoord, niet onbegrijpelijk. In zoverre falen de klachten (1) en (2). Daarmee blijft het oordeel van het hof over de afwezigheid van verstoringen van de bodem naast het lichaam van [slachtoffer] in cassatie overeind.
122. In de lezing van de verdachte heeft hij zich ten minste één of twee minuten zittend, hurkend, knielend en/of staand (links) naast het lichaam van [slachtoffer] bevonden en diverse handelingen met dat lichaam verricht. Dat dit geen enkele verstoring van de bodem teweeg heeft gebracht, acht het hof niet zonder meer te verklaren. Dat oordeel acht ik voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ook overigens is de weging van alle relevante omstandigheden aan het hof. Daarbij mag het hof aan bepaalde omstandigheden minder gewicht toekennen, en dus in die zin voorbijgaan aan het beroep op omstandigheden die in een andere richting wijzen. Klacht (3) faalt dus.
123. Vanwege het belang dat het hof hecht aan de locaties van de biologische sporen op de onderbroek is de crux in deze zaak uiteraard de vraag of de verdachte – in het door hem gepresenteerde scenario – toch de onderbroek van [slachtoffer] kan hebben aangeraakt. Die vraag wordt (deels) in klacht (4) aan de orde gesteld. Hoe hoog opgetrokken zat die pyjamabroek nu werkelijk en is het – in de lezing van de verdachte – daardoor in voldoende mate uit te sluiten dat de verdachte die onderbroek heeft aangeraakt?
124. Bij bestudering van de foto’s waarnaar het hof uitdrukkelijk en voldoende nauwkeurig verwijst, meen ik dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. De aanwezigheid van DNA-materiaal van de verdachte in, op of aan de onderbroek van [slachtoffer] valt in het scenario van de verdachte (afgezien van de mogelijkheid van contaminatie, waarover ik nog uitgebreid kom te spreken) niet goed te verklaren. [slachtoffer] ’s heup (waar de verdachte hem zou hebben beetgepakt om hem te draaien) is geheel bedekt met de stof van de pyjamabroek. De blaadjes zou de verdachte (in zijn lezing) hebben weggeveegd toen [slachtoffer] al op zijn rug lag, en ook dan kan hij alleen de stof van de pyjamabroek hebben aangeraakt.
125. Het ‘rechttrekken’ of ‘ordenen’ van de pyjamabroek dan? Nog afgezien van de vraag waarom je dat überhaupt zou doen, komt in dit scenario-element de hand van de verdachte nog het meest in de buurt van de onderbroek van [slachtoffer] , maar alleen als hij dat heeft gedaan door (de rand van) de pyjamabroek omhoog te trekken (waarbij hij dan mogelijk de rand van de onderbroek heeft aangeraakt). Het hof heeft hem daar echter ook naar gevraagd. De verdachte heeft verklaard “dat hij bij het corrigeren van de kleding van het slachtoffer de pyjamabroek niet omlaag en omhoog heeft gedaan.”153
126. In dat verband is de (door het hof vastgestelde) locatie van spoor #45 aan de onderbroek van belang. Dit spoor is namelijk door de verdediging gepresenteerd als de meest gerede kandidaat voor de bron van het celmateriaal dat zich – in de lezing van de verdediging – door ‘stempeling’ in de onderbroek heeft verspreid (een vermeend geval van relocatie van celmateriaal).154 Spoor #45 is door het NFI bemonsterd aan de buitenkant voorzijde van de tailleband van de onderbroek.155 Bij de door het hof vastgestelde dracht van de onderbroek binnenstebuiten achterstevoren bevond dit biologische spoor zich dus aan de binnenkant achterzijde. Ook in de lezing van de verdachte kwam hij met zijn hand niet in de buurt van die locatie; het eerste wat hij zegt te hebben gedaan was [slachtoffer] bij de heup pakken en op zijn rug draaien.
127. Leidt dit allemaal tot de conclusie dat – in de lezing van de verdachte – het aanraken van de onderbroek van [slachtoffer] door de verdachte volstrekt uitgesloten is? Zo ver gaat het hof niet. Het hof stelt vast “dat de biologische sporen van de verdachte in en op de onderbroek van het slachtoffer en de humane haar van de verdachte die vanaf de onderbroek is veiliggesteld daardoor [d.w.z. door de handelingen die de verdachte in zijn lezing heeft verricht, D.A.] niet zonder meer kunnen worden verklaard.”156 Onderstreping mijnerzijds. Als het hof zou hebben geoordeeld dat zijn conclusie sluitend bewijs demonstreert, had het hof hier al met zijn bewijsredenering kunnen stoppen. Dat doet het hof echter niet, want het komt – subsidiair – ook te spreken over de mogelijke verspreiding van DNA-sporen in of aan de onderbroek (waarover hieronder meer). Ik meen dus dat de geciteerde conclusie van het hof toereikend is gemotiveerd.
128. De klachten falen.
Het tweede middel, onderdeel B3: de emoties van de verdachte
129. Het hof heeft overwogen:
“Het hof stelt vast dat door de verdachte in het geheel niet is verklaard dat hij verdrietig naast [slachtoffer] zat. Ook ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de verdachte is gaan snotteren, heeft gehuild en daarbij met zijn handen naar zijn eigen gezicht is gegaan, nu de verdachte daar, ook nadat hem specifiek naar zijn emoties is gevraagd, geen melding van heeft gemaakt. Het hof zal bij de onderstaande bespreking van het verweer dan ook niet uitgaan van de vooronderstellingen van de raadslieden over de toestand, emoties en handelingen van de verdachte, nu deze feitelijke grondslag ontberen.”157
130. De klacht luidt dat het hof – met veronachtzaming van de zorgvuldigheid die bij de vaststelling van feiten is vereist – algemene ervaringsregels heeft genegeerd en geen rekening heeft gehouden met het warme weer (zweet) en lichaamsvocht dat samengaat met het uiten van emoties bij het zien van een overleden kind.158
131. Ik meen echter dat deze klacht faalt. Ik betwijfel of de algemene ervaringsregels waarop de steller van het middel doelt, van toepassing zijn. In de lezing van de verdachte vond zijn fietstocht plaats in de (zeer) vroege ochtend van maandag 10 of dinsdag 11 augustus 1998. Ook al werden dat warme, zomerse dagen, ’s ochtends vroeg, zo leert de ervaring, valt de warmte wel mee.159 Verder is het pertinent geen algemene ervaringsregel dat de door de verdediging beschreven emoties steeds gepaard gaan met een zodanig overvloedige productie van waterlanders en snot dat deze ter plaatse in detecteerbare hoeveelheden achterblijven.
132. Daar komt bij dat de verdachte – in de door de verdediging gepresenteerde lezing – zijn emoties niet eerder de vrije loop liet dan nadat hij had geconstateerd dat het door hem gevonden kind was overleden. Op dat moment had de verdachte de meeste door hem beschreven handelingen met het lichaam (omdraaien, checken van vitale lichaamsfuncties) reeds uitgevoerd. Het gaat dus in zijn lezing alleen nog om het rechttrekken van de pyjamabroek en het wegvegen van blaadjes.
133. Kortom, ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof de stelling van de verdediging dat de verdachte als een ‘DNA-bom’ naast het lichaam van [slachtoffer] heeft gezeten, niet zonder meer tot uitgangspunt heeft genomen. De klacht faalt.
Het tweede middel, onderdeel B4: afwezigheid van DNA-sporen van de verdachte
Klachten die verband houden met ‘absence of evidence’
134. Allereerst wordt geklaagd dat het bewijsoordeel over de ontucht zonder nadere motivering onbegrijpelijk is (i) omdat – in z’n algemeenheid – ook conclusies kunnen worden verbonden aan het feit dat DNA op plaatsen waar je dat redelijkerwijs kunt verwachten niet wordt aangetroffen, (ii) omdat het hof hieraan voorbijgaat en (iii) omdat het hof bovendien de deskundigheid (op activiteitenniveau) mist om dit aspect van de bewijsvraag te beoordelen.160
135. In dit verband wijst de steller van het middel erop dat de verdediging in feitelijke aanleg een beroep heeft gedaan op het ontbreken van DNA-materiaal van de verdachte onder de nagels van [slachtoffer] en op de folies die zijn afgenomen van de armen van [slachtoffer] , terwijl daar wél DNA-materiaal van NN4 en NN5 is aangetroffen.161 Bovendien wees de verdediging er – onder verwijzing naar “het rapport van De Ronde”162 – op dat het waarschijnlijk is dat een persoon die wordt gesmoord zich zal verzetten. “Juist op de plekken waar men DNA verwacht bij tegenspartelen is geen DNA van cliënt aangetroffen”,163 aldus citeert de steller van het middel (onder veel meer) de verdediging in hoger beroep.
De bespreking van de klacht over het miskennen van de afwezigheid van DNA-sporen
136. Ik onderschrijf dat de afwezigheid van sporen – met name wanneer het aantreffen (detecteren) daarvan onder een bepaalde hypothese wél mag worden verwacht – van betekenis kan zijn voor de mate van steun voor (of ondergraving van) de ene hypothese ten opzichte van de andere.164 “Dat is gewoon logica,” aldus Kloosterman.165 Ook het hof onderschrijft trouwens deze notie, zo blijkt uit zijn hierboven reeds besproken oordeel dat het ontbreken van verstoringen van de bodem van het sparrenperceel naast het lichaam van [slachtoffer] de lezing van de verdachte over de lijkvinding ondergraaft.
137. De verdediging wees er in dit verband op dat op de handen, armen, polsen, in de nek, op het gezicht, de genitaliën en anus van [slachtoffer] geen DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, en zij acht dat onbestaanbaar als de beschuldigingen van het OM waar zouden zijn. Het hof heeft niettemin geoordeeld dat het niet-aantreffen van DNA-sporen van de verdachte op de door de verdediging genoemde plekken niet maken dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de ontucht heeft begaan. In 1998 kon slechts worden onderzocht op bloed, speeksel en sperma. In die tijd was het nog niet mogelijk om contactsporen vast te stellen, aldus het hof.166
138. Het hof heeft dus (uitgedrukt in mijn woorden) geoordeeld dat het niet-detecteren van biologische sporen van de verdachte op de door de verdediging genoemde locaties van het lichaam van [slachtoffer] niet opweegt tegen de bewijskracht van “de (grote) hoeveelheid en diversiteit” aan biologische sporen waarvan het hof heeft vastgesteld dat die van de verdachte afkomstig zijn. Ik zal uiteenzetten waarom dat oordeel niet onbegrijpelijk is.
139. Of de afwezigheid van (gedetecteerde) biologische sporen van de verdachte strookt met de beschuldigingen van het OM, hangt grofweg omgekeerd evenredig af van de kansen op het ontstaan, op de persistentie en op de detectie van die sporen. Hoe groter die kansen, hoe informatiever (en meer ontlastend) het ontbreken van vastgestelde sporen is. Bovendien moet daarbij de kans op de aanwezigheid van sporen van derden in aanmerking worden genomen.167 De vraag is dan: hoe groot waren die kansen in deze zaak? Ter beantwoording van die vraag moeten de volgende vier (door het hof vastgestelde) omstandigheden in ogenschouw worden genomen.
140. Allereerst merk ik op dat niet alleen op relevante locaties van het lichaam van [slachtoffer] (inderdaad) géén biologische sporen van de verdachte zijn waargenomen, van enige ander zijn op die locaties ook geen sporen aangetroffen (terwijl toch iemand de dader moet zijn geweest).168 De ene uitzondering vormt één huidschilfer van een onbekende persoon (man of vrouw) NN4 op een folie die is afgenomen van de linker arm van [slachtoffer] .169 Die arm lag bij de lijkvinding bloot en er zijn na de lijkvinding verscheidene mensen in de nabije omgeving van het lichaam geweest.170
141. Bij een weging van de kans op het ontstaan c.q. de overdracht van sporen dient ten tweede ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat [slachtoffer] zich tegen het smoren of wurgen niet (heftig) heeft kunnen verzetten; zijn lichaam vertoonde geen ondubbelzinnige tekenen daarvan.171
Ten derde heeft het hof – voor wat betreft de kans op detectie van sporen – op goede gronden in aanmerking kunnen nemen dat het hier gaat om DNA-onderzoek uit het jaar 1998, toen de sensitiviteit van het gebruikte DNA-analysesysteem tekortschoot voor het detecteren van (minimale) contactsporen. Om die reden is er indertijd ook niet specifiek naar gezocht. Weliswaar zijn folies waarmee het lichaam van [slachtoffer] in 1998 is afgenomen (louter gericht op onderzoek naar de aanwezigheid van vezels en haren) in 2006 en 2008 alsnog onderzocht, het lichaam van [slachtoffer] zelf was al niet meer beschikbaar voor nader DNA-onderzoek naar contactsporen. Ten slotte heeft Kloosterman het hof erop gewezen dat zonlicht (Uv-licht) een funeste uitwerking heeft op DNA,172 terwijl rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat het bovenlichaam (en dat geldt ook voor de pyjamabroek) van [slachtoffer] in de periode tussen zijn overlijden en de lijkvinding (in de lezing van de verdachte: aan weerszijden) langdurig aan zonlicht is blootgesteld.
142. Uit het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat in dit concrete geval de door mij bedoelde kansen op het ontstaan, op de persistentie en op de detectie van contactsporen (van de dader) op het lichaam van [slachtoffer] afzonderlijk (en dus ook cumulatief) telkens klein zijn geweest. De afwezigheid van gedetecteerde DNA-sporen van de verdachte op het lichaam van [slachtoffer] , dat wil zeggen: met uitzondering van de twee huidschilfers van de verdachte op de borst van [slachtoffer] ,173 heeft in dat geval weinig zeggingskracht.
143. De klacht faalt.
Het tweede middel, onderdeel B5: de mogelijkheid van contaminatie
Het bestreden oordeel
144. Ik herhaal. Zoals gezegd acht het hof om drie (algemene) redenen al niet aannemelijk dat het sporenbeeld op (de pyjamabroek en) de onderbroek van het slachtoffer is ontstaan door wat in deze zaak steeds ‘contaminatie’174 is genoemd.175 Dat zijn:
(1) ongerijmd is dat het ene DNA-spoor dat de verdachte in de lezing van de verdediging op één locatie van de onderbroek zou hebben achtergelaten, en waarvan het hof concludeert dat het een minimaal contactspoor betreft, zich zou hebben verspreid tot de grote hoeveelheid en diversiteit aan sporen die van de verdachte in en op de onderbroek zijn aangetroffen, terwijl het enkele spoor van NN3 zich in het geheel niet heeft verspreid;
(2) ongerijmd is dat het (door de verdediging veronderstelde) enkele spoor van de verdachte op de onderbroek zich zou hebben verspreid tot een groot aantal sporen, terwijl het enkele spoor van de verdachte op de pyjamabroek (#93) niet een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek heeft doen ontstaan;
(3) in de lezing van de verdachte kan niet worden verklaard dat vanaf de onderbroek een haar van de verdachte is veiliggesteld. De stelling van de verdediging dat de onderbroek en de pyjamabroek in één zak samen zijn verpakt, is niet juist.
145. Vervolgens bespreekt het hof in het bestreden arrest de mogelijke mechanismen voor contaminatie die door de verdediging zijn opgeworpen afzonderlijk en beargumenteert het hof dat deze mogelijkheden in het geheel niet aannemelijk zijn geworden.176 De mogelijkheid van contaminatie door vocht (lijkvocht of urine) wordt door het hof verworpen op basis van de mededeling van Kloosterman dat wanneer de sporen met vocht in contact zijn geweest het oorspronkelijke spoor kan zijn verdund met de waterige vloeistof, maar dat de kans klein is dat door de intrekkende vloeistof voldoende DNA wordt verplaatst (‘gestempeld’) voor een DNA-analyse. Bij minimale sporen is de uitgangsconcentratie van het DNA bij de oorspronkelijke locatie hiervoor te gering.177 Datzelfde geldt voor de mogelijkheid van contaminatie door ‘stempelen’, namelijk doordat stukjes textiel tijdens het vervoer of het bewaren met elkaar in contact zijn gekomen.178 Hetzelfde geldt ook voor de mogelijkheid van contaminatie door het gebruik van steeds een en dezelfde handschoen bij onderzoek aan een sporendrager (waarvoor trouwens geen bewijs is)179 dan wel door het gebruik van een binoculaire loep.180 Vanwege de gebruikte methode van bemonstering acht het hof ook contaminatie door gebruik van een wattenstaafje181 of door het gebruik van (steeds dezelfde) schaar182 niet aan de orde.
146. Het middel komt met een reeks van motiveringsklachten op tegen (de begrijpelijkheid van) deze overwegingen van het hof.183 Ik deel de klachten op in drie categorieën (maar ik nummer de klachten door).
(a). Motiveringsklachten over het oordeel dat contaminatie niet aannemelijk is geworden
147. De klachten luiden als volgt:
(1). de enkele constatering dat het celmateriaal van NN3 in de onderzochte biologische sporen niet vaker dan één keer is aangetroffen, kan bezwaarlijk de basis vormen voor de conclusie dat het meerdere keren aantreffen van DNA in de onderzochte biologische sporen niet het gevolg kan zijn van contaminatie;184
(2). van met name spoor #45, dat op de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer] is aangetroffen, heeft het hof onmogelijk kunnen vaststellen dat het een minimaal spoor betreft. Het is een “voor verdere verspreiding door contaminatie geschikt spoor”.185 De tailleband blijkt overigens opvallend genoeg juist het deel van de onderbroek te zijn waarop niet de ‘stubmethode’ is toegepast, een in de visie van de verdediging mogelijke oorzaak van de contaminatie. In plaats daarvan is het in zijn geheel uitgeknipt en veiliggesteld voor DNA-onderzoek;186
(3). onbegrijpelijk is de vaststelling dat, in vergelijking met het grote aantal sporen op de onderbroek, het ontbreken van een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek, waarop één spoor is aangetroffen, meebrengt dat contaminatie met betrekking tot het DNA van de verdachte “in het geheel niet aannemelijk” is;187
(4). over de mogelijkheid dat een DNA-spoor zich kan verspreiden op de manieren als door de verdediging aan hem voorgehouden, heeft Kloosterman geen enkele keer geantwoord dat dit uitgesloten dan wel onwaarschijnlijk is, maar telkens geantwoord dat de kans op verspreiding “klein” is.188 Het hof gaat hieraan voorbij;
(5). Kloosterman is er in zijn deskundigenverklaring telkens van uitgegaan dat er sprake was van ‘minimale sporen’, omdat die in 2010 als zodanig zijn waargenomen. Het hof verliest de mogelijkheid uit het oog dat de biologische sporen niet van meet af aan minimaal waren, maar alsnog minimaal zijn geworden door afbraak van DNA als gevolg van tijdsverloop en de wijze waarop de sporendrager is bewaard.189
(b). Motiveringsklachten over het oordeel dat de specifieke mechanismen voor contaminatie zich niet hebben voorgedaan
148. Deze klachten luiden als volgt:
(6). Kloosterman sluit de mogelijkheid van contaminatie door ‘stempelen’ (doordat stukjes textiel met elkaar in contact komen) niet uit. Daarbij had het hof temeer in aanmerking moeten nemen dat niet blijkt dat er ook in 1998 geen andere dan minimale sporen op de onderbroek aanwezig waren, zulks vanwege onbekendheid met (i) niet-gedetecteerd celmateriaal, (ii) het aantal oorspronkelijk in (met name) spoor #45 aanwezige cellen en (iii) de mate waarin cellen van later gedetecteerd materiaal sinds 1998 zijn afgebroken;190
(7). Kloosterman heeft laten weten dat sporen van de ene naar de andere locatie kunnen worden verplaatst (‘gestempeld’) door het gebruik van steeds dezelfde latex handschoenen bij een schouw of bij het nauwgezette onderzoek van een sporendrager. Om dezelfde redenen als bij de vorige klacht is onbegrijpelijk dat het hof voorbijgaat aan de mogelijkheid van contaminatie door gebruik van (steeds dezelfde) handschoenen.191
(c). Motiveringsklachten over de redengevendheid van het haarspoor
149. Deze klachten luiden als volgt:
(8). de vaststelling dat de onderbroek en de pyjamabroek telkens afzonderlijk zijn verpakt is onbegrijpelijk, vanwege aanwijzingen voor het tegendeel;192
(9). haren kunnen vrij door de lucht dwarrelen, zodat er dus ook andere manieren zijn (dan lichaamscontact) waarop de betreffende haar vanaf de pyjamabroek op de onderbroek terecht kan zijn gekomen (bijvoorbeeld bij het verwijderen van beide kledingstukken bij gelegenheid van de uitwendige schouw);193
(10). het veiligstellen van een humane haar van de verdachte vanaf de onderbroek laat bovendien de mogelijkheid open dat de haar aan de buitenkant daarvan heeft gezeten.194
150. Ik houd bij de bespreking van de klachten (1) tot en met (7) een andere volgorde aan. Hierbij laat ik het haarspoor vooralsnog buiten beschouwing.
Bespreking: betreffen de aan de verdachte toegeschreven sporen in de onderbroek minimale sporen?
151. Een essentieel onderdeel in de redenering van het hof is de vraag of alle in de onderbroek aangetroffen biologische sporen die het hof toeschrijft aan de verdachte, daadwerkelijk en zonder uitzondering minimale sporen betreffen. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.195 Ik meen dat dit antwoord niet onbegrijpelijk is en bovendien toereikend is gemotiveerd.
152. In de eerste plaats is van belang dat het hof, zoals besproken onder de randnummers 84-93, heeft vastgesteld dat de bedoelde biologische sporen telkens contactsporen betreffen. Biologische contactsporen bestaan “in de regel” uit minimale hoeveelheden biologisch materiaal die vaak met het blote oog niet zijn waar te nemen en die relatief weinig DNA bevatten.196
153. In de tweede plaats verwijst het hof197 naar de volgende mededeling van Kloosterman op de terechtzitting van 24 november 2021:
“De in 2008 geanalyseerde DNA-sporen bevatten in geen van de gevallen een hoge concentratie DNA met het DNA-profiel van man 2. Het betroffen zogenaamde minimale sporen. Ik zeg expres geen contactsporen, maar minimale sporen, hetgeen betekent dat de sporen heel weinig DNA bevatten. Dit verklaart dat voor de DNA-analyse van meerdere sporen gebruik gemaakt is van Low Copy Number (LCN) DNA-analyse. Hoewel met de huidige technieken van minimale sporen informatieve DNA-profielen kunnen worden verkregen is het niet zo dat incidentele dagelijkse contacten ertoe leiden dat kledingstukken onder het DNA van jan en alleman komen te zitten. In het laatste geval zou het forensische DNA-onderzoek van minimale sporen/contactsporen ook geen toegevoegde waarde hebben om een verdachte van een gewelds- en/of zedendelict te kunnen identificeren.”198
154. De mededeling dat alle aan de verdachte toegeschreven sporen minimale sporen betreffen wordt volgens het hof bevestigd doordat deze sporen in 1998 niet werden gevonden. “In 1998 was het nog niet mogelijk contactsporen vast te stellen”, aldus ontleent het hof aan Kloosterman.199
155. De NFI-rapportage uit 2008 die het hof als bewijsmiddel 21 heeft gebruikt, laat de geleidelijke toename van de sensitiviteit van DNA-analysesystemen zien. Op één uitzondering na kon in 2006 van géén van de later door het hof aan de verdachte toegeschreven biologische sporen in de onderbroek met toepassing van de toenmalige standaard DNA-analyse een voor vergelijking geschikt DNA-profiel worden bepaald.200 Slechts (in 2006) met toepassing van een LCN-techniek (namelijk hyperamplificatie), dan wel (in 2008) met aanwending van een zuiverings- c.q. DNA-concentreringsprocedure op de PCR-producten (welke procedure een positief effect heeft op de sensitiviteit van de analyse)201 konden bij DNA-analyse van de betreffende sporen zodanige DNA-kenmerken worden vastgesteld dat verdergaande uitspraken konden worden gedaan over de mogelijke contributie van NN2 aan de (meestal: meng)sporen.202
156. Die ene uitzondering betreft het al eerder besproken enkelvoudige spoor #45, een bemonstering van (bij normale dracht) de buitenkant voorzijde van de tailleband van de onderbroek. In 2006 kon van dit spoor met een standaardmethode een “onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2”203 worden verkregen (onderstreping mijnerzijds). Uitdrukkelijk ook met betrekking tot dit spoor (#45) merkt het NFI op: “De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse (i.e. indicatie op DNA-kenmerken) wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-PIus DNA-analysesysteem en LCN-techniek.”204 Anders dan de steller van het middel naar voren brengt,205 is op dit spoor in 2006 dus wel degelijk (ook) een LCN-techniek toegepast.206 Het analyseresultaat van de toepassing van een LCN-techniek hield voor spoor #45 in: “reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2”.207
157. In 2008 heeft het NFI vervolgens mede aan dit spoor nader onderzoek verricht. In juni 2008 zijn alle (52) sporen, die naar aanleiding van het onderzoek van 2006 reeds waren onderzocht, wederom onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek. Bij dit onderzoek is voorafgaand aan de feitelijke DNA-analyse gebruikgemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering, om te bepalen of en hoeveel DNA de extracten bevatten. “Voor (…) en #45 zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van de 11 sporen [waaronder #45, D.A.], die bij het onderzoek van 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij [eveneens] gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.”208 Een en ander leverde telkens (nog steeds) op: “Onvolledig DNA-profiel match onbekende man 2” (onderstreping mijnerzijds).209 Ook in 2015 is dit spoor aanvullend onderzocht met toepassing van een LCN-methode, met wederom als resultaat: onvolledig DNA-profiel NN2.210
158. Het een en ander wijst uit dat spoor #45 weliswaar meer informatief was dan de andere door het hof bedoelde contactsporen, maar niet dat spoor #45 geen minimaal spoor betrof. Dit is verenigbaar met de hierboven geciteerde mededeling van Kloosterman. Dat het hof op grond van een en ander heeft geoordeeld dat de sporen in de onderbroek van [slachtoffer] die aan de verdachte kunnen worden toegeschreven zonder uitzondering minimale sporen betreffen, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. De relevantie van deze vaststelling wordt dadelijk duidelijk.
159. Terzijde merk ik op dat, anders dan de steller van het middel naar voren brengt,211 de tailleband van de onderbroek in 2006 bij het onderzoek naar biologische contactsporen met de stubmethode is bemonsterd en dat die band niet is uitgeknipt. Uitsluitend het label aan de tailleband van de onderbroek is ter bemonstering uitgeknipt.212
Bespreking: betreffen de biologische sporen van meet af aan (1998) minimale sporen?
160. In navolging van de verdediging wijst de steller van het middel op mededelingen van Kloosterman over de mogelijkheid van afbraak van DNA in biologische sporen (onder invloed van tijdsverloop).213 Geklaagd wordt over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de aan de verdachte toegeschreven sporen minimaal van aard waren, op de grond dat het hof voorbijgaat aan de mogelijkheid dat één van die sporen van origine veel celmateriaal bevatte, maar door bijvoorbeeld tijdsverloop alsnog een minimaal spoor is geworden.
161. Het hof heeft in zijn arrest niet uitdrukkelijk stilgestaan bij de mogelijkheid van afbraak van DNA als gevolg van tijdsverloop of door de wijze van bewaren. Deze kwestie is op de terechtzitting van 24 november 2021 bij het verhoor van Kloosterman op zichzelf wel aan de orde gekomen, maar de verdediging heeft er bij dupliek slechts vrij terloops op gewezen.214 Dat het hof hieraan in zijn arrest geen woorden heeft gewijd, zie ik dan ook niet als een verzuim.
162. Het maakt de door het hof uiteengezette bewijsoverwegingen evenmin alsnog onbegrijpelijk. Juist is dat Kloosterman ter terechtzitting van 24 november 2021 heeft gewezen op de mogelijkheid van afbraak van DNA onder invloed van tijdsverloop. Zijn mededelingen wijzen echter tevens uit dat de mate van afbraak sterk afhankelijk is van de condities waaronder de sporendrager wordt bewaard215 en dat sporen niet snel door afbraak van karakter veranderen.216 Uit de overwegingen van het hof omtrent de chain of custody217 valt op te maken dat het hof geen reden ziet om aan te nemen dat de onderbroek is bewaard onder andere dan de voorgeschreven condities, dat wil zeggen: donker en droog, zoals in een papieren zak in een opslagruimte voor stukken van overtuiging.
163. Bij deze stand van zaken heeft het hof mogen aannemen dat de mate van afbraak van DNA in het celmateriaal dat zich in de bedoelde contactsporen bevindt, niet zodanig significant is geweest dat er een reële mogelijkheid bestaat dat één van de contactsporen van origine (in 1998) veel DNA-materiaal bevatte, maar in acht jaar tijd is gedegradeerd tot een minimaal spoor. Dit betekent dat het hof ervan mocht uitgaan dat de biologische sporen die aan de verdachte kunnen worden toegeschreven van meet af aan minimale contactsporen betroffen.
Bespreking: de verspreiding van (minimale) sporen in de onderbroek
164. Veel klachten die de steller van het middel naar voren brengt, hebben in essentie hetzelfde onderwerp. Dat betreft steeds de vraag naar de verklaring voor het betrekkelijk grote aantal biologische sporen in de onderbroek van [slachtoffer] die (mede) afkomstig (kunnen) zijn van de verdachte.
165. Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat “anders dan de raadslieden van de verdachte suggereren, […] er geen enkele reden [is] om aan te nemen dat sprake is geweest van één goed spoor op één locatie dat vele complete cellen bevat, niet zijnde een minimaal contactspoor, dat zich vervolgens heeft verspreid.”218 In dit oordeel ligt besloten dat het hof de kans op verspreiding (relocatie) van een betrekkelijk groot aantal detecteerbare hoeveelheden celmateriaal dat afkomstig is van één minimaal spoor in de onderbroek verwaarloosbaar acht.
166. Dit oordeel is voor een belangrijk deel gebaseerd op mededelingen van Kloosterman ter terechtzitting van 24 november 2021.219 Die begrijp ik als volgt. Waar het gaat om biologische sporen op een sporendrager (vervaardigd van textiel) acht Kloosterman de kans reëel dat een fractie van het celmateriaal dat zich in een spoor bevindt, wordt verplaatst van de oorspronkelijke locatie naar een andere locatie op dezelfde sporendrager enkel als gevolg van bijvoorbeeld ‘stempelen’ (wanneer oppervlakten van verschillende locaties van het textiel met elkaar in contact komen), het betasten van verschillende locaties van de sporendrager met gebruik van steeds dezelfde latex handschoen (of enig ander instrument), dan wel door het uitlopen van vocht. Dat is voor minimale contactsporen in principe niet anders dan voor sporen die veel celmateriaal bevatten, zoals bloed-, speeksel- of spermasporen. Daarbij neemt de kans op verplaatsing toe als die sporen vochtig zijn. In alle gevallen kan een fractie van dat celmateriaal worden verplaatst van de ene, oorspronkelijke locatie, naar een andere, secundaire locatie (hetgeen de interpretatie van het sporenbeeld compliceert). Het verschil is alleen dat bij minimale sporen de uitgangsconcentratie van het spoor op de oorspronkelijke locatie te gering is voor de verplaatsing van celmateriaal naar een secundaire locatie in een hoeveelheid die met een LCN-techniek (uit 2006/08) nog detecteerbaar is. Detectie van celmateriaal op de secundaire locatie is met een LCN-techniek niet uitgesloten, maar bij minimale sporen is de kans daarop klein, aldus (in mijn woorden) Kloosterman.
167. Met andere woorden, het gaat hier om de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van verplaatsing van celmateriaal dat afkomstig is uit een biologisch spoor naar andere locaties op de sporendrager dan die waar het spoor in eerste instantie is ontstaan, enkel als gevolg van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de sporendrager (forensisch) is veiliggesteld, onderzocht, vervoerd of bewaard. De kans op detectie van dergelijke secundaire sporen is, zelfs met behulp van een LCN-techniek (uit 2006/08), klein indien het originele spoor een minimaal contactspoor betreft. Daarbij maakt Kloosterman geen onderscheid naar gelang de aard van het celmateriaal in het minimale contactspoor (bijvoorbeeld epitheel of speeksel).
168. Deze informatie brengt het hof bij de bespreking van de afzonderlijke mechanismen voor contaminatie tot de conclusie dat het “in het geheel niet aannemelijk” is dat het aantreffen van de grote hoeveelheid minimale sporen in de onderbroek van [slachtoffer] die door het hof worden toegeschreven aan de verdachte, het gevolg is van de ‘verspreiding’ (relocatie) van celmateriaal afkomstig uit slechts één goed spoor over de onderbroek.220
169. Ik meen dat het hof deze conclusie redelijkerwijze heeft kunnen trekken (en dat die conclusie dus niet onbegrijpelijk is). Uitgaande van het door de verdediging geopperde scenario, waarin slechts één biologisch spoor door rechtstreeks contact van de hand van de verdachte met de onderbroek van [slachtoffer] is ontstaan, is de kans op de verplaatsing van het betreffende celmateriaal naar een andere, secundaire locatie “klein”, aangezien het originele spoor – conform de vaststelling van het hof – een minimaal spoor betrof. In dit geval zou die kleine kans zich bovendien niet slechts éénmaal maar een groot aantal malen moeten hebben verwezenlijkt.221 Daaruit vloeit voort dat de cumulatieve kans op het totale sporenbeeld aanzienlijk geringer is dan de reeds kleine kans op eenmalige stempeling.222 In een scenario daarentegen waarin de verdachte met zijn hand, niet slechts oppervlakkig maar met enige kracht in de onderbroek van [slachtoffer] is geweest met de intentie [slachtoffer] ’s geslachtsdelen en bilnaad te betasten, is de kans op de overdracht van biologische sporen – volgens de vaststellingen van het hof – aanzienlijk groter dan de eerdergenoemde cumulatieve kans op de verspreiding van een groot aantal sporen uit één biologisch spoor als hiervoor bedoeld.223 Het totale sporenbeeld wordt dus aanzienlijk beter verklaard door (i) het scenario waarin de verdachte zijn hand met seksuele intenties in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gebracht en gehouden224 dan door (ii) het scenario van het eenmalige, onschuldige en oppervlakkige contact van de hand van de verdachte met (de tailleband van) de onderbroek.
170. Een vergelijkbare redenering gaat op voor een andere, in cassatie onbetwiste observatie van het hof, te weten de locatie van de sporen. Die biologische sporen bevinden zich met name op het voorpand aan de binnen- en buitenzijde van de onderbroek. Ook in zoverre wordt het sporenbeeld aanzienlijk beter verklaard door (i) het scenario waarin de verdachte zijn hand met seksuele intenties in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gebracht en gehouden teneinde [slachtoffer] ’s geslachtsdelen en bilnaad te betasten, dan door (ii) het scenario van het eenmalige oppervlakkige contact van verdachte’s hand met de tailleband van de onderbroek. Indien onder scenario (ii) zou moeten worden aangenomen dat de (kleine) kans op de verspreiding van biologische materiaal in de onderbroek zich meermalen heeft verwezenlijkt, zou een meer willekeurige spreiding van de biologische sporen verwacht worden, aangezien de locaties van de secundaire biologische sporen in dat geval veel meer door het toeval worden bepaald.
Bespreking: observaties van het hof over het spoor van NN3 en spoor #93 van de pyjamabroek
171. Het hof voegt aan het voorgaande nog twee argumenten toe.225 (1) Biologisch spoor #21 op de onderbroek, afkomstig van NN3, heeft zich – anders dan het door de verdediging veronderstelde enkele spoor van de verdachte – niet op de door de verdediging bedoelde wijze over de onderbroek verspreid; (2) van de verdachte is één biologisch contactspoor aangetroffen op de pyjamabroek (#93), maar die heeft op de pyjamabroek niet een soortgelijke verspreiding van biologische sporen als op de onderbroek teweeggebracht.
172. De verdediging heeft ter terechtzitting over spoor #21 (NN3) aangevoerd dat het hof zich niet mag laten leiden door sporen die niet kunnen worden geduid,226 terwijl de steller van het middel daaraan toevoegt dat de enkele constatering dat het celmateriaal met het DNA-profiel van NN3 in de onderzochte biologische sporen niet vaker dan één keer is aangetroffen bezwaarlijk de basis kan vormen voor de conclusie dat het meerdere keren aantreffen van DNA in de onderzochte biologische sporen niet het gevolg kan zijn van contaminatie.
173. Ik meen echter dat ook die klachten niet opgaan. Het hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de biologische sporen met de nummers #21 en #45 (in de onderbroek) vergelijkbaar zijn. Daarover het volgende. Beide sporen dragen de eigenschappen van minimale contactsporen. De uit de bewijsmiddelen voortvloeiende karakteristieken van #45 heb ik hierboven al besproken. DNA-analyse op spoor #21 leidde in 2006 aanvankelijk niet tot een (voor vergelijking geschikt) DNA-profiel. Op de bemonstering is ook géén LCN-techniek toegepast, hetgeen erop kan duiden dat de kwantificering daartoe geen aanleiding gaf. Met andere woorden, spoor #21 zou een minimaal spoor kunnen zijn. Daar staat tegenover dat in 2008, zelfs zonder de toepassing van een zuiverings- c.q. concentreringsprocedure, van dit spoor een volledig DNA-profiel kon worden bepaald, dat werd gekoppeld aan NN3.227 ’s Hofs (impliciet gebleven) oordeel dat spoor #21 de vergelijking met #45 kan doorstaan, is dan ook te begrijpen.
174. Welnu, als celmateriaal uit spoor #45 zich heeft verspreid over de onderbroek, enkel vanwege de wijze waarop de forensisch onderzoekers de onderbroek hebben veiliggesteld, onderzocht, vervoerd en bewaard, dan mag dat in bepaalde mate ook worden verwacht voor het celmateriaal waaruit het vergelijkbare spoor #21 is opgebouwd. Nu dat laatste geheel niet het geval blijkt te zijn, ondermijnt die observatie scenario (ii), te weten het scenario van het eenmalige oppervlakkige contact van verdachte’s hand met de tailleband van de onderbroek, ten opzichte van scenario (i), te weten het scenario waarin de verdachte – anders dan NN3 – zijn hand met seksuele intenties in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gebracht.
175. Een analoge redenering gaat op voor spoor #93 op de pyjamabroek van [slachtoffer] , dat alle contouren heeft van een minimaal contactspoor waarvan het NFI een onvolledig mengprofiel heeft verkregen.228 Er is geen reden om te veronderstellen dat de forensisch onderzoekers met de pyjamabroek anders zijn omgegaan dan met de onderbroek. De pyjamabroek is op nagenoeg identieke wijze als de onderbroek veiliggesteld, onderzocht (op bloed, sperma, speeksel en contactsporen), vervoerd en bewaard.229 Onder scenario (ii), waarin wordt verondersteld dat het celmateriaal van spoor #45 zich over de onderbroek heeft verspreid vanwege de wijze waarop de onderzoekers met die sporendrager zijn omgegaan, had voor spoor #93 op de pyjamabroek in bepaalde mate ook mogen worden verwacht dat het daarin aanwezige celmateriaal zich zou verspreiden. Desalniettemin zijn – behoudens spoor #93 – op de pyjamabroek geen andere minimale contactsporen van de verdachte gedetecteerd. Ook deze bevinding geeft meer steun aan scenario (i) ten opzichte van scenario (ii).
176. Dat het hof op deze twee observaties wijst en ten nadele van de verdachte meeweegt, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
Bespreking: Kloosterman sluit de onschuldige verspreiding van celmateriaal niet uit
177. Levert al het voorgaande sluitend bewijs op tegen de verdachte? De steller van het middel meent van niet. Over de mogelijkheid dat een DNA-spoor zich kan verspreiden op de manieren als door de verdediging aan hem voorgehouden, heeft Kloosterman immers geen enkele keer geantwoord dat dit uitgesloten dan wel onwaarschijnlijk is, maar telkens geantwoord dat de kans op verspreiding “klein” is. Kloosterman sluit de mogelijkheid van ‘stempelen’, bijvoorbeeld doordat stukjes textiel met elkaar in contact zijn gekomen of door het gebruik van latex handschoenen bij onderzoek van de sporendrager of bij de schouw van [slachtoffer] inderdaad niet uit. Is dat fnuikend voor de begrijpelijkheid van de bewijsvoering van het hof?
178. Ik meen van niet. Onder de randnummers 113-116 wees ik al op het probabilistische en holistische karakter van redengevend bewijs. De omstandigheid dat bewijsmateriaal een alternatieve mogelijkheid openlaat is niet doorslaggevend. Beslissend voor het bewijs is de waarschijnlijkheid van die mogelijkheid ten opzichte van de waarschijnlijkheid van de andere mogelijkheid of mogelijkheden. Onder bepaalde condities kan een alternatieve mogelijkheid die door een enkel bewijsmiddel in een te ruime mate wordt opengelaten bij de weging van het complex aan bewijsmiddelen ‘in onderling verband en samenhang’ dermate onwaarschijnlijk blijken te zijn dat de feitenrechter daaraan in redelijkheid voorbij kan gaan.
179. Op deze voet – en dus met een beschouwing van de samenhang tussen diverse aanwijzingen – heeft het hof geoordeeld dat het voorbij kan gaan aan het scenario (ii) van de onschuldige verspreiding van celmateriaal dat de verdachte bij gelegenheid van de toevallige vondst van het lichaam van [slachtoffer] heeft achtergelaten als gevolg van uitsluitend legitiem, oppervlakkig contact van zijn hand met de tailleband van de onderbroek van [slachtoffer] . Om de hiervoor opgegeven redenen is het hof tot dit oordeel kunnen komen. Verder reikt de toets in cassatie niet.
180. De klachten onder (1) tot en met (7) stuiten op het voorgaande af.
Bespreking: het haarspoor dat vanaf de onderbroek van [slachtoffer] is veiliggesteld
181. Voor wat betreft het complex van alle aanwijzingen die het hof in zijn beschouwingen heeft betrokken, ben ik niet volledig geweest. Het hof heeft immers bij de bewijsvoering ook in aanmerking genomen dat bij forensisch onderzoek vanaf de onderbroek van [slachtoffer] een haarspoor is veiliggesteld dat – in cassatie onbestreden – afkomstig is van de verdachte.230 In het scenario van de verdachte is dat (naar het oordeel van het hof) “op geen enkele wijze” te verklaren.231
182. De steller van het middel vindt dit oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof daarmee voorbijgaat aan (ik pak de nummering van de klachten weer op) (8) de aanwijzingen dat de onderbroek en de pyjamabroek wel degelijk tezamen zijn verpakt,232 (9) de mogelijkheid dat het haarspoor op de onderbroek is gedwarreld, bijvoorbeeld bij het verwijderen van de kleding van [slachtoffer] , en (10) de mogelijkheid dat het haarspoor zich niet in maar aan de buitenzijde van de onderbroek bevond.
183. Tekenen van woordspelletjes krijgt de klacht onder (8). De steller van het middel betoogt dat het hof uit de verklaringen van de drie technische rechercheurs, die eensluidend hebben meegedeeld dat “op de plaats delict veiliggestelde stukken van overtuiging (…) altijd afzonderlijk van elkaar [werden] verpakt in papieren zakken”,233 niet heeft kunnen afleiden dat zij de pyjamabroek en de onderbroek afzonderlijk hebben verpakt. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat de pyjamabroek en de onderbroek niet op de plaats delict maar pas bij aanvang van de sectie zijn veiliggesteld,234 aldus de steller van het middel. Ik acht het echter niet onbegrijpelijk dat het hof uit die mededelingen van de technische rechercheurs heeft opgemaakt dat zij de pyjamabroek en de onderbroek, waaraan de technische rechercheurs nota bene separate sporennummers, S-12 en S-13, hebben toegekend, niet tezamen in één papieren zak hebben verpakt.
184. Die conclusie wordt niet anders door de nogal ‘strikte’ lezing van hetgeen één van die drie technische rechercheurs volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal als getuige heeft verklaard, te weten dat hij ‘ze’ (de pyjamabroek en de onderbroek) in ‘een’ papieren zak heeft gedaan. Dit heeft het hof niet hoeven te lezen alsof deze technische rechercheur als getuige zou hebben verklaard dat hij ‘ze’ (tezamen) in één papieren zak heeft gedaan.
185. De klacht onder (9). In de overwegingen van het hof ligt inderdaad besloten dat het aanneemt dat het haarspoor niet, bijvoorbeeld bij het verwijderen van de kleding voorafgaand aan de sectie, vanaf de pyjamabroek op de onderbroek is ‘gedwarreld’. Ik wil de steller van het middel toegeven dat deze aanname noopt tot enige nuancering van de nogal stellige bewoordingen waarin het hof overweegt dat de aanwezigheid van dit ‘vanaf’ de onderbroek afgenomen haarspoor in de lezing van de verdachte “op geen enkele wijze” valt te verklaren. Zo’n verklaring is er dus wél.
186. Niettemin is het m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof het aantreffen van dit haarspoor als belastend voor de verdachte heeft aangemerkt, en in zoverre heeft betrokken in de weging van alle aanwijzingen voor en tegen het delict-scenario, respectievelijk het onschuldscenario. Laten we daartoe de dwarrelmogelijkheden langslopen. Gedurende de periode waarin het levenloze lichaam van [slachtoffer] zich op het sparrenperceel bevond, was de onderbroek bedekt door de pyjamabroek en was er geen mogelijkheid dat het haarspoor van de verdachte op de onderbroek dwarrelde, ook niet – zoals het hof overweegt – in de lezing van de verdachte. Nádat de pyjamabroek en de onderbroek bij de sectie van het lichaam waren verwijderd, zijn zij – overeenkomstig de vaststellingen van het hof – afzonderlijk verpakt en was er geen contact meer tussen de twee kledingstukken. Dan rijst alleen nog de vraag of de haar bij gelegenheid van de schouw of van de sectie, toen de pyjamabroek van [slachtoffer] ’s lichaam werd verwijderd, op de onderbroek is gedwarreld. Dat ligt bij een voldoende zorgvuldige, rustige verwijdering van de pyjamabroek m.i. niet voor de hand. Weliswaar is er geen bewegend-beeldmateriaal beschikbaar die de nauwkeurige vaststelling van de wijze waarop de pyjamabroek is verwijderd toelaat, maar de impliciete aanname van het hof dat de verwijdering van de pyjamabroek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgehad, wekt allerminst verbazing in het licht van hetgeen het hof omtrent de chain of custody heeft vastgesteld. De forensisch-technische normen waren in 1998 nog niet toegesneden op de omgang met minimale contactsporen (DNA), maar bewustheid van de mogelijke aanwezigheid van haar- en vezelsporen op stukken van overtuiging was er in 1998 wel degelijk.
187. Ten slotte de klacht onder (10). Het hof maakt in het bestreden arrest melding van deze lichaamshaar onder spoornummer #55 en haarcodering f.235 De betreffende lichaamshaar is middels één van twee folies veiliggesteld “vanaf” de onderbroek van [slachtoffer] , aldus het hof.236 Het hof maakt echter niet duidelijk met behulp van welke van de twee folies de haar is veiliggesteld, en wat de precieze locatie van het haarspoor is geweest. Zulks laat – in lijn met de klacht – de mogelijkheid open dat het haarspoor is afgenomen vanaf de buitenzijde van de onderbroek zoals bij aantreffen van [slachtoffer] ’s lichaam gedragen (binnenzijde bij normale dracht).
188. Deze onduidelijkheid tast het oordeel van het hof echter niet aan, omdat het er in de bewijsredenering van het hof om gaat dat de haar zich – toen het lichaam van [slachtoffer] nog in het sparrenperceel lag – in elk geval binnen het textiel van de pyjamabroek heeft bevonden.237 Daar is de verdachte in zijn lezing met zijn handen helemaal niet geweest.
189. Al met al meen ik dat het hof de aanwezigheid van het van de verdachte afkomstige haarspoor op, aan of in de onderbroek van [slachtoffer] heeft kunnen betrekken in de reeks van aanwijzingen ten laste van de verdachte. De klachten onder (8) tot en met (10) falen.
Het tweede middel, onderdeel B6: de verklaring van de verdachte omtrent het sporenbeeld
(a). Het bestreden oordeel: het moment waarop de verdachte is gaan verklaren
190. Allereerst de klacht over het oordeel dat het ‘late stadium’ waarin de verdachte zijn verklaring heeft afgelegd gevolgen heeft voor de bewijswaardering.238 De steller van het middel wijst specifiek op de volgende overweging van het hof in onderdeel 3.7 van het arrest, waarin het hof uiteenzet op welke gronden het verzoek van de verdediging tot de benoeming van een deskundige op activiteitenniveau moet worden afgewezen:
“Ten slotte heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier van het onderzoek compleet was. Door deze proceshouding bestaat de mogelijkheid dat de verdachte zijn verklaring zodanig heeft kunnen formuleren dat daarmee de onderzoeksresultaten (deels) goed kunnen worden verklaard onder de door de verdachte (beperkt) geschetste handelingen. Dat heeft gevolgen voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau.”239
De klachten over de (ir)relevantie van het moment waarop de verdachte is gaan verklaren
191. Allereerst wijst de steller van het middel op het volgende. Hoewel het hof het late moment in de procedure waarop de verdachte (pas) is gaan verklaren betrekt bij zijn oordeel over het verzoek van de verdediging om een deskundige op DNA-activiteitenniveau te benoemen, kan deze overweging niet los worden gezien van de door het hof met betrekking tot de bewezenverklaring genomen beslissing, zo betoogt de steller van het middel. Ik merk reeds nu op dat deze stelling op zichzelf correct is (daarop kom ik terug).
192. Vervolgens staat de steller van het middel uitgebreid stil bij het onderdeel van het pleidooi (op de terechtzitting van 17 november 2021) waarin de verdediging haar verbazing uitspreekt over het argument van de vertegenwoordigers van het OM, te weten dat de verdachte zijn verklaring zou hebben afgestemd op de inhoud van het dossier. De steller van het middel wijst in navolging van de verdediging op het volgende:
- uit het zwijgen van een verdachte kan niet diens schuld of een aanwijzing daarvoor worden afgeleid;
- het zwijgrecht dient de bescherming van de burger tegen de overheid (artikel 6 EVRM);
- de verdediging heeft het advies om gebruik te maken van het zwijgrecht om goede redenen gegeven, namelijk vanwege de beperkingen van het menselijk geheugen en de enorme omvang van het dossier;
- het in een later stadium afleggen van een verklaring betekent niet dat die verklaring daardoor ongeloofwaardig is.
193. Opmerking verdient volgens de steller van het middel bovendien dat het hof in zijn daarop betrekking hebbende overweging niet heeft geoordeeld dat de verdachte zijn verklaring heeft afgestemd op het dossier, maar alleen dat die mogelijkheid bestaat. Dat de verdachte dat zou kunnen hebben gedaan, is evenwel onvoldoende om als omstandigheid mee te wegen bij het oordeel van het hof over de noodzakelijkheid van het gedane verzoek (en dus, zo begrijp ik, ook bij de bewijswaardering). Het oordeel dat de proceshouding van de (aanvankelijk zwijgende) verdachte gevolgen heeft voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau, is dan ook onbegrijpelijk, aldus luidt de klacht.240
De bespreking van de klacht: doet het stadium waarin de verdachte zijn verklaring heeft afgelegd ertoe?
194. Zoals gezegd wijst de steller van het middel erop dat het oordeel van het hof over het (late) moment waarop de verdachte zijn verklaring heeft afgelegd niet los kan worden gezien van de door het hof met betrekking tot de bewezenverklaring genomen beslissing. Zoals ik al opmerkte, is dat correct. Sterker nog, het hof wijst in zijn bewijsoverwegingen meermalen uitdrukkelijk zelf ook op deze omstandigheid. Ik citeer uit het bestreden arrest:
“Onder verwijzing naar de overweging onder 1.3.2. weegt het hof bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring mee de omstandigheden waaronder en het moment en
de wijze waarop deze tot stand is gekomen.”241
“Ten tweede weegt het hof [bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring, D.A.] mee dat de verdachte pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg op 28 september 2020, door middel van een videoboodschap een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Dat is meer dan twee jaren na zijn aanhouding. Gedurende die ruim twee jaren is uitvoerig onderzoek gedaan en de verdachte is zowel in de verhoren door de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots in de gelegenheid gesteld zijn verhaal te doen. (…). Het hof acht de twee door de verdachte genoemde redenen dan ook niet afdoende als verklaring voor het afleggen van een verklaring eerst op 28 september 2020.
In de derde plaats betrekt het hof bij zijn oordeel dat de verdachte door het afleggen van een
verklaring in dit stadium de gelegenheid heeft gehad die verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het uitgebreide onderzoek. Het hof acht dit niet ten goede komen aan de geloofwaardigheid van zijn afgelegde verklaring, maar stelt tegelijkertijd dat dit echter niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring niet juist kan zijn.”242
“(…). Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte derhalve de gelegenheid gehad zijn verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het onderzoek.
Het vorenstaande noopt naar het oordeel van het hof tot extra behoedzaamheid bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte.”243
195. Om uiteen te zetten dat het hiervoor weergegeven oordeel van het hof geenszins onbegrijpelijk is, zal ik eerst abstraheren van de voorliggende zaak en enige opmerkingen maken over de inhoudelijke analyse van (valse?) bekentenissen. Ik zal daarna betogen dat hetgeen opgaat voor bekentenissen van een verdachte in essentie ook opgaat voor ontkenningen van een verdachte.
Beschouwing: een inhoudelijke analyse van verklaringen van een verdachte
196. Wanneer een verdachte een bekennende verklaring aflegt over een delict waarvoor jegens hem een verdenking bestaat, rijst de vraag of die verklaring overeenkomstig de waarheid dan wel in strijd met de waarheid is afgelegd. Eén van de middelen die de rechter met het oog op de beantwoording van die vraag ten dienste staan betreft een ‘inhoudelijke analyse’ van de bekentenis. Daarbij speelt de vraag naar zogeheten ‘daderkennis’ een cruciale rol.244 Als de verdachte een moord bekent en tevens – met juistheid – meedeelt waar het moordwapen is verborgen, past dat aspect van zijn verklaring buitengewoon goed in het scenario waarin zijn bekentenis naar waarheid is afgelegd en de rechter van doen heeft met een schuldige verdachte.
197. Echter, om de bekentenis op juiste waarde te kunnen schatten, moet een bekentenis, gelijk ieder ander bewijs, altijd ook worden beschouwd in het licht van plausibele, alternatieve hypothesen die over de totstandkoming van dat bewijsmateriaal kunnen worden opgesteld. Die alternatieve hypothesen hebben in dit geval met elkaar gemeen dat zij kunnen worden afgeleid uit een scenario dat concurreert met het scenario waarin de verdachte schuldig is, te weten: het scenario waarin de bekennende verdachte onschuldig is en dus een valse bekentenis heeft afgelegd.
198. Er is namelijk altijd een alternatieve verklaring voor het bewijs. De mogelijkheid bestaat dat de onschuldige verdachte de vindplaats van het moordwapen niet kent, maar simpelweg goed heeft gegokt. De mogelijkheid bestaat dat de verdachte niet zelf de dader is, maar bekend is met de werkelijke dader, en dat de verdachte om hem uit de wind te houden pretendeert het wapen zelf te hebben verborgen op de plek die de werkelijke dader hem heeft aangewezen. De mogelijkheid bestaat dat de verhoorders reeds bekend waren met de vindplaats van het moordwapen en dat zij deze informatie aan de verdachte (om zijn geheugen op te frissen) in vragende vorm hebben prijsgegeven. De mogelijkheid bestaat dat de vindplaats van het moordwapen al werd beschreven in het strafdossier dat reeds aan de verdachte en zijn verdediging ter beschikking was gesteld. In al deze gevallen berust de veronderstelling dat de bekentenis ‘daderkennis’ demonstreert op een vergissing die ernstige gevolgen kan hebben.
199. De rechter zal steeds de (cumulatieve) waarschijnlijkheid van deze alternatieve mogelijkheden moeten afwegen tegen de waarschijnlijkheid dat een verdachte verklaart zoals deze verdachte heeft verklaard indien hij schuldig is. De kans dat een onschuldige, onwetende verdachte de verbergplaats van het moordwapen goed gokt, is doorgaans buitengewoon klein. Zo’n kans is nagenoeg verwaarloosbaar. Dit maakt dat deze mogelijkheid een vrijwel onhoudbare verklaring geeft voor de correcte mededeling van de verdachte over de vindplaats van het wapen. Dat geldt echter niet voor de kans dat verhoorders (onbewust) daderkennis prijsgeven; die kans is beslist niet verwaarloosbaar. En als het dossier reeds aan de verdachte en de verdediging ter beschikking is gesteld, kan zeker niet meer worden aangenomen dat hetgeen de verdachte daaraan heeft kunnen ontlenen mag doorgaan voor daderkennis.
200. Het voorgaande laat zien dat de wijze waarop de verdachte bekend kan zijn met omstandigheden die de werkelijkheid adequaat beschrijven cruciaal is voor de waardering en de geloofwaardigheid van zijn mededelingen daarover.245 Als ik adequaat het weer van overmorgen weet te voorspellen, is dat een indicatie dat ik beschik over gedegen kennis van de meteorologie (of een meteoroloog napraat). Als ik adequaat het weer van eergisteren weet te beschrijven, zegt dat helemaal niks over mijn kennis van de meteorologie (maar alleen over mijn geheugen).
201. Het voorgaande gaat niet alleen op voor de waardering van bekentenissen, maar ook voor de waardering van ontkenningen. Een ontkenning kan ‘onschuldkennis’ demonstreren.246 Een verdachte kan bijvoorbeeld verklaren over details die hij niet zou kunnen kennen als hij het delict beging. Op dezelfde voet als hierboven voor bekentenissen uiteengezet, geeft de opgave van onschuldkennis, als het dat werkelijk is, méér steun aan het scenario waarin een onschuldige verdachte die opgave doet dan aan het scenario waarin een schuldige verdachte die doet. Het is mede om deze reden dat rechters, zoals ook in de voorliggende zaak, plegen door te vragen naar wat een verdachte die zegt onschuldig te zijn dan wél met het delict te maken heeft, waar hij was, wat hij deed etc.
202. Bij de toetsing van de verklaring van een verdachte over zijn bemoeienissen die in verband staan met een delict dat (biologische) sporen achterlaat, is het bij forensisch onderzoek waargenomen sporenbeeld van groot belang. Op basis van mededelingen van een verdachte over door hem verrichte handelingen kunnen telkens in een bepaalde mate van waarschijnlijkheid voorspellingen worden gedaan over locaties waarop specifieke, van hem afkomstige (biologische) sporen juist wél of juist niet zullen worden gedetecteerd. Indien het waargenomen sporenbeeld in hoge mate overeenstemt met deze voorspellingen, geeft dat veel meer steun aan de verklaring van de verdachte dan wanneer het sporenbeeld daarmee niet of in mindere mate overeenstemt.247 Wanneer het waargenomen sporenbeeld niet strookt met de voorspellingen die uit de mededelingen van de verdachte kunnen worden afgeleid, dan geeft dat logischerwijze meer steun aan een scenario dat het sporenbeeld beter voorspelt (en waarin de verdachte niet overeenkomstig de werkelijkheid heeft verklaard).
203. Het voorbehoud is ook hier dat de verdachte niet op andere wijze dan vanwege de herinnering aan zijn eigen fysieke verrichtingen op de hoogte kan zijn van de te verwachten resultaten van forensisch sporenonderzoek. Als de verdachte al op andere wijze op de hoogte kan zijn van het sporenbeeld, bijvoorbeeld doordat hem het dossier met onderzoeksresultaten is verstrekt, is een dergelijke inhoudelijke toetsing niet goed mogelijk. Datzelfde geldt voor het geval waarin de verdachte zijn verrichtingen dermate vaag omschrijft dat het afleiden van voorspellingen en de daaropvolgende toetsing niet goed mogelijk zijn. In die gevallen geeft de inhoudelijke analyse van zijn ontkenning bij weging van de onderscheidene scenario’s in mindere mate steun aan het door de verdachte gepresenteerde scenario ten opzichte van het concurrerende scenario (van het OM), dan wanneer hij wél toetsbare mededelingen zou hebben gedaan over door hem gedane verrichtingen, die bovendien een goede verklaring kunnen geven voor het aangetroffen sporenbeeld.
204. Het punt is dat de voorgaande conclusie louter wordt getrokken op logische, feitelijke gronden. Hieruit volgt dat het onderzoeksstadium waarin de verdachte zijn verklaring aflegt cruciaal is voor de bewijswaardering en de geloofwaardigheid ervan. Reeds de enkele mogelijkheid dat de verdachte op de hoogte is van de resultaten van forensisch onderzoek brengt mee dat niet meer kan worden aangenomen dat de lezing van de verdachte die verband houdt met de totstandkoming van het sporenbeeld ‘onschuldkennis’ demonstreert. De geloofwaardigheid van een verklaring kan dus – in die zin – afhangen van het moment waarop die verklaring wordt afgelegd.
Terug naar het tweede middel, onderdeel B6: de verklaring van de verdachte omtrent het sporenbeeld
(a). Vervolg: het moment waarop de verdachte is gaan verklaren
205. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte “de gelegenheid heeft gehad [zijn] verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het uitgebreide onderzoek.” Daarop heeft het hof geoordeeld dat dit niet ten goede komt “aan de geloofwaardigheid van zijn afgelegde verklaring”, maar dat dit “niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring niet juist kan zijn.”
206. Uit het voorgaande volgt dat ik dit oordeel geenszins onbegrijpelijk acht. Reeds de enkele mogelijkheid dat de verdachte zijn verklaring heeft afgestemd op de onderzoeksresultaten is van invloed op de bewijswaardering.
207. Hieraan doet niet af dat aan de verdachte overeenkomstig de waarborgen van artikel 6 EVRM en artikel 29 Sv het recht toekomt om geen antwoord te geven op vragen die hem van de zijde van politie of justitie worden gesteld. Met het zwijgrecht is onverenigbaar wanneer de rechter aan het late stadium van het geding waarin de verdachte zijn eerste inhoudelijke verklaring heeft afgelegd, consequenties verbindt die ertoe strekken de verdachte te sanctioneren voor het gebruik van het zwijgrecht of om hem het gebruik hiervan te ontmoedigen. Hiervan geeft het bestreden arrest echter geen blijk. Ook de aard van de redenen voor het beroep op het zwijgrecht, brengen geen verandering in de bewijswaardering teweeg.
208. Klacht (a), over de onbegrijpelijkheid van het oordeel dat het stadium waarin de verdachte is gaan verklaren van invloed is op de bewijswaardering, snijdt geen hout.
(b). Het bestreden oordeel: het ‘de redengevendheid ontnemende’ karakter van de verklaring van de verdachte
209. In de tweede plaats heeft het hof over het sporenbeeld overwogen248 (ik herhaal kort) dat de biologische sporen van de verdachte in en op de onderbroek en de humane haar van de verdachte die vanaf de onderbroek is veiliggesteld niet zonder meer kunnen worden verklaard door de lezing van de verdachte, en dat de verdachte voor die omstandigheden, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van de ontucht, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.249
210. Hiertegen komt het middel op met een verwijzing naar klachten die hierboven reeds zijn besproken, dan wel die hierna naar aanleiding van het eerste middel zullen worden besproken.250
211. Om die reden houd ik de bespreking van deze klacht hier slechts globaal. Op de hierboven besproken bewijsgronden heeft het hof kunnen oordelen dat de lezing van de verdachte een aanzienlijk minder goede verklaring geeft voor het sporenbeeld en de met dat sporenbeeld samenhangende omstandigheden dan de lezing omtrent de toedracht van het delict die ten grondslag ligt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde. Daarom heeft het hof aan de lezing van de verdachte voorbij kunnen gaan. Het hof heeft dan ook kunnen oordelen dat de verdachte voor omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van de ontucht, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. De klacht faalt.
212. Op de klacht over de schending van artikel 6 EVRM en met name over het gebrek aan equality of arms, kom ik hieronder bij de bespreking van het eerste middel terug.
Het tweede middel, onderdeel C: de verwerping van alle bewijsverweren
213. De toelichting op onderdeel C van het tweede middel houdt niets anders in dan de stelling dat het hof de met betrekking tot het sporenbeeld gevoerde bewijsverweren heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, en dat het oordeel van het hof dat contaminatie (in het geheel) niet aannemelijk is, onbegrijpelijk is en onvoldoende met redenen is omkleed.251
214. Bij gebrek aan nadere specificaties van de door de steller van het middel bedoelde bewijsverweren en van de (vermeende) verzuimen van het hof om daarop adequaat te responderen, kan deze klacht in cassatie niet in behandeling worden genomen.
215. Ten overvloede merk ik op dat het hof de bespreking van alle, hier bedoelde bewijsverweren heeft geïntegreerd in de bewijsmotivering van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde. Aangezien de steller van het middel die bewijsmotivering – ter toetsing van de begrijpelijkheid ervan – in de onderdelen A en B van het tweede middel in volle omvang aan de Hoge Raad heeft voorgelegd, zie ik ook niet de meerwaarde van een bespreking van de in onderdeel C opgenomen klacht. Volgens mij is alles al besproken.
Het tweede middel, onderdeel D: het gebruik van schakelbewijs voor het bewijs van de ontucht
216. Het hof concludeert dat de bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde ‘buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handelingen’ mede steunt op bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van de andere, soortgelijke handelingen die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn verricht. Bovendien concludeert het hof dat de werkwijze van de verdachte ook wordt gekenmerkt door het onverhoeds vastpakken van jongens en het drukken van de hand van de verdachte op de mond van die jongens.252
217. De klacht van onderdeel D bestrijdt het gebruik van deze zogeheten ‘schakelbewijsconstructie’ in de motivering van de bewezenverklaring van ontucht.253 Het hof heeft in het arrest echter ook laten blijken dat het schakelbewijs in de bewijsmotivering uitsluitend een aanvullende rol vervult. De bewezenverklaring wordt zelfstandig gedragen door bewijsoverwegingen omtrent de vermissing, het totale sporenbeeld aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] , en het sporenbeeld op de plaats waar [slachtoffer] (in het sparrenperceel) is gevonden.254 Reeds om die reden kan de klacht niet slagen.
218. Overigens kom ik op het gebruik van een schakelbewijsconstructie meer uitgebreid terug bij de bespreking van het derde middel (onderdelen A en B), waarin klachten worden geformuleerd over de bewijsmotivering van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde (de doodslag). Daarin vervult het schakelbewijs inderdaad een gewichtige rol. Ik zal onder de randnummers 328-335 uiteenzetten waarom de klacht van onderdeel D ook om andere redenen faalt.
Slotsom over het tweede middel
219. Aangezien alle onderdelen en (sub)klachten van tweede middel falen, geldt dat ook voor het gehele middel.
Het eerste middel: de afwijzing van het verzoek om DNA-onderzoek op activiteitenniveau
Inleiding
220. Bij pleidooi op de terechtzitting van 17 november 2021 heeft de verdediging onder meer een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige aan wie de opdracht zou moeten worden verleend een schriftelijk verslag uit te brengen aangaande DNA-onderzoek op activiteitenniveau. Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de gronden dat het zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende geïnformeerd acht en dat de noodzakelijkheid van het onderzoek niet is gebleken. De steller van het middel klaagt dat deze beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.
221. Als gezegd bestaat er nauwe verbondenheid tussen het tweede en het eerste middel. De vraag of een ten laste gelegd delict kan worden bewezen, hangt immers samen met de vraag naar de noodzaak van nader onderzoek naar feiten en omstandigheden waarop de tenlastelegging betrekking heeft. Bovendien komen de redenen c.q. argumenten voor nader onderzoek, aangedragen in de cassatieschriftuur, (nagenoeg) overeen met (een groot deel van) de klachten die in het tweede middel zijn vervat. Bij de bespreking van het eerste middel zal ik dan ook (menigmaal) verwijzen naar onderdelen van de bespreking van het tweede middel.
Het voorwaardelijke verzoek van de verdediging en de verwerping daarvan
222. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen van november 2021 heeft de verdediging op 17 november 2021 een voorwaardelijk verzoek tot aanvullend onderzoek gedaan:
“De raadsman van de verdachte, mr. E.G.S. Roethof, deelt mede:
(…)
De verdediging is van mening dat het hof in onderhavige zaak het aangetroffen DNA op geen enkele manier in de bewijsconstructie zou kunnen gebruiken. Het aangetroffen DNA zegt niets over de vraag of cliënt de onderbroek van [slachtoffer] heeft aangeraakt en waar hij hem zou hebben aangeraakt.
Mocht het hof in de beraadslaging naar het gebruik van de resultaten van de DNA-onderzoeken zoals verricht in het onderzoek in onderhavige zaak, neigen, verzoekt de verdediging het hof om tussenarrest te wijzen en ten eerste te bepalen dat de deskundige A.D. Kloosterman nader zal worden gehoord. Het tweede verzoek van de verdediging is om een deskundige op het gebied van onderzoek van DNA-resultaten op activiteitenniveau te benoemen, om een onderzoek naar de DNA-resultaten te laten verrichten. Wat de verdediging betreft is dit niet nodig, omdat er sprake is van zoveel onduidelijkheden zodat het in de onderbroek aangetroffen DNA nooit in de bewijsconstructie kan worden gebruikt. Het hof zal mij vragen welke vragen ik aan de deskundige A.D. Kloosterman zou willen stellen en ik heb die vragen uitgewerkt. De vragen van de verdediging zijn opgenomen in de tweede bijlage, welke zojuist is uitgedeeld door mijn collega, mr. J.T. Brassé. Het betreffen 33 voorlopige nadere vragen en ik zal de vragen voordragen (opmerking griffiers: de raadsman van de verdachte, mr. E.G.S. Roethof, draagt de vragen voor overeenkomstig de tweede bijlage van de door de raadsvrouw van de verdachte, mr. J.T. Brassé, overgelegde bijlagen). De verdediging acht het van belang om de vragen te benoemen om duidelijk te maken wat de verdediging wenst. De verdediging wenst dat het hof de aangetroffen DNA-sporen niet zal gebruiken in de bewijsconstructie. Indien het hof hiertoe wel neigt, is de verdediging van oordeel dat er sprake is van zulke relevante omstandigheden dat het hof niet anders kan oordelen dan dat nader onderzoek noodzakelijk is door de deskundige A.D. Kloosterman nader te horen en een deskundige op activiteitenniveau te benoemen. Als de deskundige op activiteitenniveau is gehoord, dient te worden bekeken of er een IDFO-rapport dient te worden opgesteld. Hier is ook iets van terug te lezen in de bijlagen. Dit is enkel het geval als de deskundige op activiteitenniveau aangeeft dat hij er niet uitkomt. Dit betreffen voorwaardelijke verzoeken, omdat het standpunt van de verdediging is dat het hof cliënt dient vrij te spreken.”255
223. De in dit verband overgelegde en voorgedragen pleitnotie van de raadsman houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“President, geacht college. U kan het DNA in deze zaak niet gebruiken voor het onderbouwen van de stelling dat cliënt in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gezeten. Het DNA-bewijs kan niet worden meegenomen in een bewijsconstructie.
Er zijn teveel vragen. Er zijn teveel onduidelijkheden. Zelf heb ik geprobeerd een antwoord te krijgen op enkele van deze vragen en onduidelijkheden.
Ik verwijs u in dat kader ook naar de bijlage, waarin ik een aantal vragen aan forensisch expert R. Eikelenboom heb voorgelegd.
Mocht u in deze zaak toch neigen naar het gebruik van het DNA in een bewijsconstructie, dan verzoek ik u uitdrukkelijk om een tussenarrest te wijzen om in dat kader nader te horen de heer Kloosterman, doch ook om een deskundige op activiteitenniveau te benoemen, en om op die manier de vragen op activiteitenniveau die er in deze zaak zijn (namelijk de aannemelijkheid van het scenario/relaas van cliënt, waarin alle relevante factoren worden meegenomen), nader te toetsen.
De hoeveelheid sporen afgezet tegen indirecte transfer geeft enige steun voor het scenario dat de sporen daar niet onschuldig terecht zijn gekomen.
Contaminatie....”256
224. Omtrent deze voorwaardelijke verzoeken heeft de voorzitter op de terechtzitting van 19 november 2021 het volgende medegedeeld:
“Het hof heeft zich beraden omtrent het verzoek van de verdediging en de standpunten die hieromtrent zijn ingenomen. Het hof is van oordeel dat het een wat moeilijk verzoek betreft, in die zin dat het een voorwaardelijk verzoek betreft om bij uitspraak een tussenarrest te wijzen waarbij een beslissing zou moeten volgen ten aanzien van de twee voorwaardelijke verzoeken, maar het hof is van oordeel dat er een onderscheid bestaat tussen de twee verzoeken. Indien het hof eerder over deze verzoeken zou wensen te oordelen, zou het kunnen lijken alsof het hof al een oordeel heeft geveld, maar dat is zeker niet het geval. Met betrekking tot het verzoek tot het nader horen van de deskundige A.D. Kloosterman is het hof van oordeel dat dit ziet op de volledigheid van het onderzoek. Het hof is tot de conclusie gekomen dat de door de verdediging opgestelde nadere vragen aan de deskundige A.D. Kloosterman dienen te worden gesteld en dat het onderzoek nog niet volledig is. Het hof ziet dit meer als een voortzetting van het onderzoek zoals dat heeft plaatsgevonden. Het is weliswaar naar aanleiding van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging, maar in lijn van het onderzoek ter terechtzitting, maar het hof wenst de deskundige A.D. Kloosterman, nu er nog geen afstand is gedaan, nader te horen.
Ten aanzien van tweede verzoek van de verdediging, het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau, is het hof nog in beraad. Het hof wenst zich hierover te beraden in de lijn waarop de verdediging het heeft gepresenteerd. Het hof wenst het woord tot repliek, het woord tot dupliek en het laatste woord ter terechtzitting van 24 november 2021 aan de orde te stellen en daarna zal hieromtrent een beslissing worden genomen, nu dit weer een andere stap betreft dan het horen van de deskundige A.D. Kloosterman, hetgeen inhoudelijk binnen het kader van dit onderzoek dient plaats te vinden.
Het tweede voorwaardelijke verzoek wordt derhalve aangehouden en het eerste voorwaardelijke verzoek zal worden ingewilligd. Dit heeft alles te maken met het juridische stramien en de voorwaarden die daaraan worden gesteld en wat de criteria zijn. In artikel 319, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is opgenomen dat een verzoek wordt toegewezen en wordt ingewilligd door het hof, tenzij dat het hof van oordeel is dat door het afwijzen van de vordering of het niet inwilligen van het verzoek redelijkerwijs noch het Openbaar Ministerie in de vervolging, noch de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de verdediging is om de deskundige A.D. Kloosterman nader te horen en vandaar dat het verzoek wordt toegewezen en ingewilligd.”257
225. Ter terechtzitting van 24 november 2021 is het verzoek tot het laten verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau opnieuw aan de orde gekomen:
“De voorzitter stelt de advocaten-generaal in de gelegenheid het woord tot repliek te voeren.
De advocaat-generaal, mr. E.A.M. Verheijen, deelt mede:
(…)
Met betrekking tot het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau heeft het Openbaar Ministerie twijfels of daar iets over dient te worden gezegd. Dit verzoek is ter terechtzitting van 17 november 2021 door de verdediging naar voren gebracht en ook ter terechtzitting van 19 november 2021 is bij dit verzoek stilgestaan. Wordt dit verzoek door de verdediging gehandhaafd?
De raadsman van de verdachte, mr. E.G.S. Roethof, reageert hierop als volgt:
De verdediging blijft achter elk woord staan dat is uitgesproken en hetgeen is verzocht, dus het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau wordt zonder meer gehandhaafd.
De advocaat-generaal, mr. G.T. Sta, voert het woord tot repliek daarop als volgt:
Het zou een mogelijkheid kunnen zijn geweest dat door het verhoor van de deskundige A.D. Kloosterman voortschrijdend inzicht had plaatsgevonden waardoor er verandering zou kunnen zijn opgetreden ten aanzien van het voorwaardelijke verzoek. Met betrekking tot dit voorwaardelijke verzoek hebben mijn collega-advocaat-generaal, mr. E.A.M. Verheijen, en ik hier bij het requisitoir al woorden aan gewijd, net zoals de officieren van justitie dat in eerste aanleg ook hebben gedaan in hun requisitoir en mogelijk ook bij het woord tot repliek. Uit het dossier blijkt dat hier in eerste aanleg ook al over is gesproken. In ieder geval is dit in eerste aanleg ter terechtzitting van 6 mei 2020 aan de orde geweest en ook later is dit aan de orde gesteld. Telkens is zo een verzoek gestrand omdat er eigenlijk geen scenario was, in ieder geval niet van de zijde van de verdediging. Ook tijdens de discussie op de terechtzitting van 19 november 2021 is hierover door het Openbaar Ministerie iets gezegd. Er zal in ieder geval duidelijkheid moeten bestaan over het scenario of over de scenario’s. Er kan ook met meerdere scenario’s en meerdere hypothesenparen worden gewerkt. Er moet duidelijkheid bestaan over het scenario dat moet worden onderzocht en, uitgaande van het onschuldscenario van de verdediging, over de handelingen die zijn verricht door de verdachte. Geformuleerd volgende de Bayesiaanse methode kan vervolgens iets worden gezegd over of de handelingen van de verdachte wel of niet hebben kunnen leiden tot de sporen zoals deze zijn aangetroffen. Dat is waar het bij een onderzoek op activiteitenniveau om draait. Bij onderzoek op bronniveau wordt onderzocht wie de donor is van een bepaald aangetroffen spoor. Bij onderzoek op activiteitenniveau wordt dus onderzocht of er een verklaring is hoe dat spoor op een bepaalde locatie terecht is gekomen en welke activiteit ertoe heeft geleid dat een bepaald spoor van die donor daar terecht is gekomen.
Zoals gezegd, dient er dus duidelijkheid te bestaan over welke handeling(en) of activiteit(en) zou(den) hebben kunnen leiden tot het plaatsen van dat spoor op die locatie. Zolang daar geen duidelijkheid over bestaat, kan dat onderzoek niet worden verricht. Hiermee zeg ik niets nieuws, nu dit al vanaf 6 mei 2020 aan de orde is geweest. Ter terechtzitting van heden heeft de verdediging bij de ondervraging van de deskundige A.D. Kloosterman op meerdere momenten hypothesen geformuleerd, waarbij ik op een gegeven moment het spoor bijster raakte toen de verdediging begon over nagels en allerlei veronderstellingen. Zo werkt het niet. Zo werkt het echt niet.
Het begint eigenlijk met de verklaring van de verdachte. Is die verklaring nou eigenlijk wel zo duidelijk? Zoals eerder gezegd, is ter terechtzitting van 28 september 2020 een videoboodschap getoond en daarin wordt niet heel veel gezegd door de verdachte. Deze videoboodschap heeft tot veel vragen geleid, zo ook op 29 september 2020. Hierop worden antwoorden gegeven en vervolgens worden er geen antwoorden meer gegeven en wordt door de verdachte verklaard dat dit zijn herinnering is en dat hij daar bij blijft. Alles wat daarna is gezegd over aanraken, draaien, bij de heup pakken, snotteren, speeksel, emoties, wellicht tranen, komt uit de mond van de verdediging en dat is hetgeen het Openbaar Ministerie betoogt. Als er al een onderzoek wordt verricht door een deskundige op het gebied van activiteitenniveau moet er duidelijkheid bestaan over de activiteiten en deze activiteiten moeten worden gevonden in de verklaring van de verdachte zelf. Op dat punt blijft de verdachte een mysterie, een gesloten boek. Een boek dat enigszins open ging om vervolgens toch weer dicht te gaan. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat het voorwaardelijke verzoek van de verdediging, zeker in het licht van ons betoog over hoe het bewijs in onderhavige zaak moet worden beoordeeld, dient te worden afgewezen. Dat waren de afsluitende woorden van het woord tot repliek.
(…)
De raadsman van de verdachte, E.G.S. Roethof, voert het woord tot dupliek als volgt:
(…)
Tijdens de terechtzitting van 19 november 2021 heeft het hof aangegeven dat het onderzoek nog niet volledig is geweest en dat de deskundige A.D. Kloosterman nader diende te worden gehoord. Dit was een terechte beslissing van het hof. Eigenlijk wenst de verdediging te beginnen met datgene waarmee de deskundige A.D. Kloosterman heeft afgesloten. Hij sloot af met de woorden dat hij niet begreep dat in deze zaak geen onderzoek op activiteitenniveau heeft plaatsgevonden en waarom het Openbaar Ministerie dat niet heeft verzocht. Deze woorden kunnen niet worden genegeerd. Op het moment dat een deskundige dat zegt, zegt dat heel erg veel. Voor de verdediging zegt dit dat er over theorieën is gesproken, maar dat om uiteindelijk meer zekerheid te krijgen, geprobeerd dient te worden deze theorieën in de praktijk te brengen en te toetsen. Het Openbaar Ministerie kan wel stellen dat een scenario nodig is om een dergelijk onderzoek uit te voeren en dat cliënt geen scenario naar voren heeft gebracht, maar in hoeveel zaken komt een scenario uit de mond van een verdachte zelf en is dat het scenario wat moet worden getoetst. Ik ken die zaken niet. Uiteindelijk is het zo dat de verdediging het standpunt van de verdachte verwoordt, het verhaal van de verdachte verwoordt en dit op papier zet of mondeling naar voren brengt ter terechtzitting en daar gebeurt vervolgens iets mee.
Er is een heel duidelijk verhaal. Het verhaal van cliënt is uitgebeeld in twee niet-wetenschappelijk onderbouwde onderzoeken op activiteitenniveau, zoals deze op de filmopnamen te zien zijn. Datgene wat op de filmopnamen is te zien, zou wetenschappelijk moeten worden getoetst in zo een scenario. Wat is het scenario? Voor de volledigheid heeft de verdediging enkele aantekeningen toegezonden aan het hof en het Openbaar Ministerie. Cliënt zegt het lichaam te hebben gevonden. Het lichaam lag op de buik. Hij heeft het bij de taille/heup omgedraaid. Het kind was overleden. Later heeft hij de kleding ‘gefatsoeneerd’. Hij heeft de broek gladgestreken en - zo beeldde hij dat uit - de tailleband rechtgetrokken. Cliënt was emotioneel, niet expliciet oraal geuit, maar zichtbaar geuit. Tranen en snot aan zijn gezicht. Vanuit zijn gezicht kwamen deze lichaamsvloeistoffen op de hand van cliënt en met die hand heeft hij het lichaam omgedraaid, met die hand heeft hij aan de kleding gezeten en daarmee ook de broeksband, de tailleband van de onderbroek aangeraakt. Bij het omdraaien van het lichaam van [slachtoffer] heeft cliënt een grote hoeveelheid DNA op het lichaam (bij de taille) achtergelaten. Dit DNA is in 1998 door een actor in het forensisch proces op meerdere plekken op de vochtige onderbroek terechtgekomen en heeft het sporenbeeld veroorzaakt. Dit is scenario 1.
Het tweede scenario is dat bij het omdraaien van het lichaam van [slachtoffer] en het fatsoeneren van zijn kleding, DNA van cliënt op de broeksband van de onderbroek terecht is gekomen. Door de capillaire werking van urine en lijkvocht, het aan- en uittrekken van de onderbroek en het verpakken en vervoeren van de onderbroek is het DNA-spoor uit de broeksband verspreid met het huidige sporenbeeld tot gevolg. Dat zijn de scenario’s van de verdediging. De verdediging kan geen scenario van het Openbaar Ministerie naar voren brengen, maar uit pagina 17 van de schriftelijke repliek is een mogelijk scenario van het Openbaar Ministerie te lezen, namelijk: ‘Ja, ik ben aan zijn onderbroek geweest, ik heb [slachtoffer] aangeraakt op zijn geslachtsdeel, ik heb hem gepenetreerd.’
Indien het hof van oordeel is dat er een onderzoek op activiteitenniveau dient te worden verricht, zal vanzelfsprekend het Openbaar Ministerie dit scenario nader aanscherpen, maar dit is wat de verdediging rechtstreeks haalt uit de repliek van het Openbaar Ministerie. De vraag van het Openbaar Ministerie aan de verdediging was of de verdediging blijft bij het ter terechtzitting van 17 november 2021 gedane voorwaardelijke verzoek. De verdediging blijft hier zonder meer bij. Ik denk dat juist dat laatste antwoord op die vraag van het Openbaar Ministerie duidelijk maakt waarom een onderzoek op activiteitenniveau, indien het hof neigt naar een bewezenverklaring, plaats zou moeten vinden.
Ter terechtzitting van heden heeft de deskundige A.D. Kloosterman op veel vragen geantwoord dat er een kleine kans was daartoe. Een kleine kans dat door capillaire werking DNA door stof heengaat, een kleine kans dat DNA wordt verplaatst door handschoenen, een kleine kans dat DNA wordt verplaatst door folie, een kleine kans dat DNA wordt verplaatst van het lichaam op de onderbroek. Een kleine kans op het moment dat het donorspoor/moederspoor een minimaal contactspoor is geweest. Dat is wat de deskundige A.D. Kloosterman heeft gezegd. De vraag is, en daarom begrijp ik de deskundige zo goed, waarom er geen onderzoek op activiteitenniveau heeft plaatsgevonden. Als het zo is gegaan zoals cliënt zegt dat het is gegaan, zou het donorspoor dan een minimaal contactspoor zijn? Dat moet worden getoetst. De beantwoording van de vragen door de deskundige A.D. Kloosterman gaan allemaal uit van dat er sprake is van een minimaal contactspoor, terwijl niet duidelijk is of dat bij de door cliënt omschreven handelingen ontstaat.
Daarnaast is het volgende van belang. De deskundige A.D. Kloosterman is zeker deskundig op het gebied van DNA. De verdediging heeft ook een andere deskundige geraadpleegd, namelijk de heer R. Eikelenboom. Ook hij is deskundig en hij heeft de voorlopige nadere vragen van de verdediging schriftelijk beantwoord, welke antwoorden zijn gevoegd bij de pleitnota van de verdediging. Het Openbaar Ministerie zegt heel gemakkelijk dat deze antwoorden van generlei waarde zijn. Dat is niet correct. Het betreft minimaal een schriftelijk bescheid en elk schriftelijk bescheid heeft een bewijswaarde. Zo eenvoudig is dat. Het Openbaar Ministerie heeft gevraagd hoe neutraal de heer R. Eikelenboom is, wat hij wist en welke informatie hij heeft gekregen. Van belang om op te merken is dat de heer R. Eikelenboom het gehele forensische dossier heeft gekregen en gelezen. De deskundige A.D. Kloosterman had geen toegang meer tot het NFI-dossier, nu hij daar niet meer werkzaam is. Met betrekking tot de vraag wat de waarde is van het rapport van de heer R. Eikelenboom merkt de verdediging op dat hij nog steeds werkzaam is, en dus niet met pensioen is, dat hij op de hoogte is van de meest actuele ontwikkelingen en dat hij het gehele forensische dossier heeft kunnen betrekken bij de beantwoording van de vragen van de verdediging. In de kern wijken de door de heer R. Eikelenboom gegeven antwoorden niet af van de door de deskundige A.D. Kloosterman gegeven antwoorden. Beiden geven aan dat de geschetste scenario’s mogelijk zijn, namelijk dat DNA kan zijn verplaatst door een handschoen, door capillaire werking, door amylase en door folie. In de antwoorden van de deskundige A.D. Kloosterman is te lezen dat hij spreekt over een kleine kans en het woord ‘kleine’ is niet terug te zien in de antwoorden van de heer R. Eikelenboom. De verdediging is dus van mening en herhaalt nogmaals het verzoek dat indien het hof in onderhavige zaak neigt naar een bewezenverklaring, waarbij DNA een rol speelt, het hof een onderzoek op activiteitenniveau zal laten plaatsvinden en in dat kader een tussenarrest zal wijzen.
(…)
Op pagina 19 van de schriftelijke repliek heeft het Openbaar Ministerie met betrekking tot het verplaatsen van DNA uitdrukkelijk benoemd dat dit zich niet heeft voorgedaan ten aanzien van het DNA van NN3 en dat dit dan alleen zou zijn gebeurd bij NN2. Dit hangt af van de sporen. Huidschilfers stempelen veel moeilijker en lossen niet op in vergelijking met zweet, tranen en neusvocht. Er dient dan eerst meer duidelijkheid te zijn over de aard van het spoor. Hetgeen het Openbaar Ministerie naar voren brengt, klinkt zo goed in de oren, maar er dient, zoals gezegd, duidelijkheid te bestaan over de aard van het DNA-spoor. Het hof dient zich niet te laten leiden door sporen die niet goed kunnen worden geduid. Indien het hof neigt naar een bewezenverklaring ten aanzien van de feiten betrekking hebbend op [slachtoffer] , wordt verzocht onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.
Het Openbaar Ministerie heeft bij repliek iets weggelaten met betrekking tot hetgeen de deskundige A.D. Kloosterman heeft verklaard, namelijk dat de kans op verspreiding klein is. De verklaring van de deskundige had betrekking op een donorspoor dat minimaal is en daar zijn al zijn antwoorden op gebaseerd. Ik breng in herinnering dat de deskundige A.D. Kloosterman heeft verklaard dat sporen door verloop van tijd kunnen afbreken en dat een spoor kan verdunnen door vloeistof, zoals urine. Er is geen aanwijzing dat er een spoor is aangetroffen met veel DNA. Kan er worden gezegd dat kan worden vastgesteld dat rond de taille, helaas is daar geen folie geplakt, geen spoor met veel DNA is aangetroffen? Dit kan niet, nu daar geen sporenonderzoek heeft plaatsgevonden. Er kan dus niet zo gemakkelijk worden gezegd dat er geen aanwijzing was van een donorspoor met veel DNA. Opnieuw wordt door de verdediging verzocht onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.
(…)
De voorzitter deelt mede:
(…) Het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek zal worden meegenomen in de beraadslaging.”258
226. Het hof heeft het verzoek in het arrest als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
“Namens de verdachte is ter terechtzitting van 17 november 2021 het voorwaardelijke verzoek gedaan om, indien gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de DNA-onderzoeken zoals verricht in het onderzoek van de onderhavige strafzaak, deskundige Kloosterman nogmaals te horen en een onderzoek naar de DNA-resultaten te laten verrichten door een deskundige gespecialiseerd in onderzoek van DNA-resultaten op activiteitenniveau. Het verzoek tot het horen van deskundige Kloosterman is, nadat het Openbaar Ministerie had aangegeven zich primair op het standpunt te stellen dat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen en subsidiair de deskundige ter terechtzitting te laten horen, op de zitting van 19 november 2021 door het hof toegewezen en deskundige Kloosterman is op de terechtzitting van 24 november 2021 wederom gehoord.
Het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau is ter terechtzitting van 19 november 2021, nadat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt had gesteld dat het hof het verzoek dient af te wijzen, door het hof aangehouden tot de beslissing bij uitspraak, waarbij de mogelijkheid van een tussenuitspraak is vermeld. Het hof zal echter geen tussenuitspraak doen maar inhoudelijk beslissen op het voorwaardelijke verzoek en stelt dienaangaande het volgende.
Het verzoek zoals namens de verdachte gedaan is een voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 315, derde lid Sv j° artikel 328 Sv, welke bepalingen op grond van artikel 415, eerste lid Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Gelet op de voorwaardelijke vorm van het verzoek is slechts een uitdrukkelijke beslissing vereist indien de daaraan gestelde voorwaarde - dat het hof gebruikmaakt van de onderzoeksresultaten van de DNA-onderzoeken als bewijsmiddel in de onderhavige strafzaak - is vervuld. In de onderhavige strafzaak wordt daaraan bij dezen voldaan.
Het hof beoordeelt het onderhavige verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. In de afweging of het doen van het onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk wordt geacht, heeft het hof het verzoek gewogen tegen de achtergrond van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van alle omstandigheden van het geval.
De verdediging heeft naar voren gebracht dat, gezien a) de voorliggende resultaten van de DNA-onderzoeken, b) hetgeen de verdachte heeft verklaard en c) hetgeen door de verdediging kenbaar is gemaakt door middel van twee ter terechtzitting afgespeelde opgenomen video’s (waarin een door de verdediging uitgevoerde proef werd vertoond met kleding ter verduidelijking van de mogelijkheid van contaminatie van DNA-materiaal), dit aanleiding dient te zijn om nader onderzoek te laten verrichten door een deskundige op activiteitenniveau. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat de volgende mogelijke scenario’s voor een onderzoek op activiteitenniveau in beeld komen en dat bij de formulering van die scenario’s onder andere zijn meegewogen de emoties van de verdachte.
Het eerste scenario van de verdediging houdt in dat de verdachte bij het omdraaien van het lichaam van [slachtoffer] een grote hoeveelheid DNA op het lichaam (bij de taille) heeft achtergelaten. Dit DNA is in 1998 door een actor in het forensisch proces op meerdere plekken op de vochtige onderbroek terechtgekomen en heeft het sporenbeeld veroorzaakt. In het tweede scenario van de verdediging is bij het omdraaien van het lichaam van [slachtoffer] en het fatsoeneren van zijn kleding DNA van de verdachte op de broeksband van de onderbroek terechtgekomen. Door de capillaire werking van urine en lijkvocht, het aan- en uittrekken van de onderbroek en het verpakken en vervoeren van de onderbroek is het DNA-spoor uit de broeksband verspreid met het huidige sporenbeeld tot gevolg. In de visie van de verdediging kan als mogelijk scenario van het Openbaar Ministerie - op basis van de repliek van de advocaten-generaal - daartegenover worden gezet dat de verdachte aan de onderbroek van het slachtoffer is geweest, [slachtoffer] heeft aangeraakt op zijn geslachtsdeel en hem heeft gepenetreerd.
Een onderzoek op activiteitenniveau zou in de onderhavige strafzaak de evaluatie betreffen van de resultaten van forensisch DNA-onderzoek behandeld in de context van een strafzaak om zo antwoord te krijgen op de vraag of het verkregen sporenbeeld informatie kan leveren over de handelingen die tot het sporenbeeld hebben geleid. Een dergelijk onderzoek van de resultaten van het forensische DNA-onderzoek kan onder voorwaarden van meerwaarde zijn om te beoordelen welk voorliggend scenario het meest aannemelijk is. Voor een dergelijk onderzoek geldt dat voor een zinvolle evaluatie van het sporenbeeld een duidelijke vraagstelling betreffende de gedragingen of handelingen die onder de twee scenario’s worden betwist, noodzakelijk is. Ook de kans op contaminatie speelt in het activiteitenonderzoek een belangrijke rol. Blijkens de brief van Kokshoorn van 10 maart 2020 is het mogelijk om de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken te evalueren gegeven door de partijen geformuleerde, specifieke scenario’s. “Het kan hierbij gaan om handelingen waarvan wordt betwist of die zijn uitgevoerd, om handelingen waarvan wordt betwist wie ze heeft uitgevoerd, of om een combinatie daarvan. Hierbij is het aan de rechtbank en de betrokken partijen om te komen tot de kern van het twistpunt; welke handelingen of contacten zijn in deze zaak gegeven, en welke worden betwist? Om een evaluatie van de onderzoeksresultaten te kunnen uitvoeren is, naast duidelijkheid over de betwiste handelingen, ook specifieke informatie nodig over de omstandigheden van de zaak. Bij deze zogenoemde ‘contextinformatie’ gaat het om nadere detaillering van de omstandigheden zoals die bekend zijn, of redelijkerwijs kunnen worden aangenomen onder de gegeven scenario’s”.
Het hof stelt in de eerste plaats vast dat in de scenario’s van de verdediging wordt uitgegaan van de verklaring van de verdachte met betrekking tot het omdraaien van het lichaam van [slachtoffer] . Onder 3.5.4.3. is overwogen dat de verklaring van de verdachte (in zoverre) wordt weerlegd door objectieve onderzoeksbevindingen. Voorts is bij de formulering van de scenario’s uitgegaan van emoties van de verdachte, waarover hijzelf niet heeft verklaard. Zoals onder 3.6.2.2. aan de orde is gekomen, ontberen deze feitelijke grondslag. Daarbij komt dat het hof onder 3.6.2.3.7. heeft geconcludeerd dat de door de raadslieden opgeworpen mogelijkheden van contaminatie, waarnaar zij onderzoek op activiteitenniveau willen laten verrichten, in het geheel niet aannemelijk zijn. Ten slotte heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier van het onderzoek compleet was. Door deze proceshouding bestaat de mogelijkheid dat de verdachte zijn verklaring zodanig heeft kunnen formuleren dat daarmee de onderzoeksresultaten (deels) goed kunnen worden verklaard onder de door de verdachte (beperkt) geschetste handelingen. Dat heeft gevolgen voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau.
Daarbij weegt het hof mee dat ter terechtzitting en in eerste aanleg meermalen is aangestuurd op een te onderzoeken scenario van de zijde van de verdediging. Meer in het bijzonder wijst het hof op het volgende. Zo heeft de officier van justitie ter terechtzitting d.d. 5 juni 2019 de verdachte uitdrukkelijk uitgenodigd om zijn verklaring kenbaar te maken, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij het formuleren van onderzoekswensen en heeft de rechtbank ter terechtzitting van 27 augustus 2019 expliciet benoemd dat er geen uitgewerkt scenario van de verdediging beschikbaar is. Ter terechtzitting van 20 november 2019 heeft de officier naar voren gebracht dat, mocht de verdachte een verklaring willen afleggen, zij daarnaar nader onderzoek willen doen en heeft de verdachte verklaard dat het hem duidelijk is dat de rechtbank zijn visie over hoe zijn DNA op de kleding is terechtgekomen, mist. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 6 mei 2020 expliciet naar voren gebracht geen verzoek te doen om een onschuldige manier van terechtkomen van DNA van de verdachte in sporen voor te leggen aan deskundige Kokshoorn en dat het scenario gewoon ‘onschuldig’ is en daarmee klaar. Ter terechtzitting van 29 september 2020 heeft de voorzitter van de rechtbank opgemerkt dat het niet voorleggen aan het NFI van de verklaring van de verdachte met de vraag die verklaring in relatie tot de aangetroffen sporen te beoordelen als gemiste kans kan worden beschouwd, nu volgens de verdachte zijn verklaring al vanaf het begin dezelfde is en de mogelijkheid van voorleggen ook ter terechtzitting op 6 mei 2020 uitdrukkelijk is besproken. De verdachte heeft daarop geantwoord dat het nu eenmaal op deze manier is besloten en de raadsman van de verdachte heeft daarop gereageerd dat het klopt dat de verdediging niet is ingegaan op dat specifieke aanbod. Het hof stelt vast dat de verdediging eerst bij pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep van 17 november 2021 voorwaardelijk heeft verzocht een onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.
Het hof gaat tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden en onder verwijzing naar 1.2.5. dus uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging. In die andere lezing van de feiten acht het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet gebleken. Het hof wijst op grond van het bovenstaande dan ook het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau af.”259
Een korte omschrijving van de klachten van het eerste middel
227. De steller van het middel brengt naar voren dat de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot het benoemen van een deskundige onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd.
228. De redenen die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek (hierna: i. tot en met iv; mijn nummering) zijn door de steller van het middel afzonderlijk besproken en bekritiseerd. Achtereenvolgens wordt geklaagd over:
i. de vaststelling dat de verklaring van de verdachte (het bij de taille omdraaien van het slachtoffer) in strijd is met objectieve onderzoeksbevindingen;
ii. het oordeel dat de verdediging bij de formulering van de scenario’s is uitgegaan van emoties van de verdachte waarover hij zelf niet heeft verklaard;
iii. de vaststelling dat de door de verdediging opgeworpen mogelijkheid van contaminatie ‘in het geheel niet aannemelijk’ is;
iv. het door het hof in aanmerking nemen van de omstandigheid dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd.
In aanvulling daarop klaagt de steller van het middel separaat dat het recht op een eerlijk proces van de verdachte, vanwege de afwijzing van het verzoek, is geschonden (hierna: v).
De bespreking van het eerste middel: algemeen
229. Het hof heeft het door de verdediging gedane verzoek opgevat als een verzoek tot het benoemen van een deskundige (met de opdracht tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag) door de zittingsrechter. Een dergelijk verzoek is een verzoek als bedoeld in artikel 328 Sv in verbinding met artikel 331 lid 1 Sv om gebruik te maken van de in artikel 315 lid 3, tweede volzin, Sv omschreven bevoegdheid. De maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.260 In cassatie staat niet ter discussie dat het hof bij de beoordeling van het verzoek op zichzelf de juiste maatstaf heeft toegepast. Geklaagd wordt over de onbegrijpelijkheid van de afwijzing, en dit tegen de achtergrond van aandachtspunten als (1) de volledigheid van het onderzoek, en (2) de aanspraak van de verdachte op een eerlijk, tegensprekelijk proces met inbegrip van equality of arms.
230. De achtergrond van het verzoek komt in de kern neer op het volgende. De verdachte heeft een alternatief scenario gepresenteerd, waarin het DNA-materiaal van de verdachte (op onschuldige wijze) op de kleding van het slachtoffer is terechtgekomen als gevolg van handelingen die de verdachte heeft verricht nádat hij het lichaam van [slachtoffer] tijdens een fietstocht over de Brunssummerheide bij toeval had gevonden. Die handelingen zijn: het draaien van het lichaam, het controleren van de vitale lichaamsfuncties en het rechttrekken c.q. fatsoeneren van de kleding van [slachtoffer] . Volgens de verdediging is het DNA-materiaal nadien door contaminatie261 verspreid en/of verplaatst. Contaminatie is daarmee de reden dat het DNA-materiaal van de verdachte ook is te vinden op plekken die in de lezing van de verdachte niet door hem zijn aangeraakt, aldus de verdediging.
231. Het is nuttig om erop te wijzen dat de generieke kans dat het celmateriaal van de verdachte zich om onschuldige redenen op de onderbroek van [slachtoffer] heeft verspreid, kan worden ontleed in voorwaardelijke deelkansen. Dat zijn bijvoorbeeld:
(a) de waarschijnlijkheid van de lezing dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] bij toeval heeft gevonden bij gelegenheid van een fietstocht op de Brunssummerheide,
(b) de waarschijnlijkheid dat de verdachte – aangenomen dat hij het lichaam van [slachtoffer] bij toeval heeft gevonden – op onschuldige wijze zodanig in contact is gekomen met [slachtoffer] ’s lichaam dat hij zijn celmateriaal op of aan het lichaam of de kleding van [slachtoffer] heeft gedeponeerd; oftewel, de kans dat de verdachte – gegeven de toevallige vondst van [slachtoffer] ’s lichaam – niet-delictgerelateerde biologische sporen heeft doen ontstaan (de transmissiekans), en
(c) de kans dat die onschuldige biologische sporen zich hebben verspreid over de sporendrager(s) vanwege de manier waarop hiermee vervolgens is omgegaan (de verdediging noemt dit: contaminatie).
De cassatieklachten onder i, ii en iv betreffen de kans onder (b). De klacht onder iii ziet op de kans onder (c).
232. Hoewel het OM ter terechtzitting van de eerste kans, (a), een gewichtige kwestie maakte, heeft het hof hieraan in zijn arrest geen aandacht besteed. Of de door de verdachte gekozen fietsroute over de Brunssummerheide al dan niet ‘logisch’ was, of de plek waar hij naar zijn zeggen is gaan urineren al dan niet ‘voor de hand liggend’ was en of de verdachte het lichaam van [slachtoffer] (dan wel ‘iets’) vanaf die plek überhaupt kon zien liggen, is dus in het arrest niet geproblematiseerd. De tweede kans, (b), de transmissiekans, was voor het hof juist wél een belangrijke kwestie. De waarschijnlijkheid onder (b) werd voor wat betreft de onderbroek van [slachtoffer] door het hof primair zodanig gering ingeschat dat de kans onder (c), te weten de kans op contaminatie van de onderbroek, door het hof slechts subsidiair (maar dan toch wel weer uitvoerig) is besproken. Een dergelijke werkwijze is het hof toegestaan. Als het hof de kans onder (b) op goede gronden op nihil had geschat, was onderzoek naar de kans onder (c) nutteloos geweest en dus overbodig. De rechter mag de plausibiliteit van transmissie meewegen bij de vraag naar de noodzaak van onderzoek naar ‘contaminatie’ (bedoeld als: relocatie van celmateriaal van de verdachte).
233. De kansen onder (b) en (c) worden bepaald door factoren die niet steeds in volle omvang expertise op activiteitenniveau vergen. De vaststelling bijvoorbeeld dat de onderbroek van [slachtoffer] bij de vondst van zijn lichaam volledig werd bedekt door het textiel van de pyjamabroek, vereist geen bijzondere deskundigheid die de rechter ontbeert. Andere kwesties verlangen daarentegen meer expertise op activiteitenniveau.
234. Hoewel noch voorafgaand, noch tijdens de behandeling in hoger beroep een DNA-onderzoek op specifiek activiteitenniveau heeft plaatsgehad, heeft het hof, anders dan het betoog van de steller van het middel doet vermoeden, op het onderzoek ter terechtzitting veel aandacht besteed aan de inwinning van informatie over de betekenis van de forensische sporen op activiteitenniveau. Daarbij kan onder andere worden gewezen op de briefrapporten en de uitvoerige verhoren van de deskundige Kloosterman (deskundige op DNA-gebied, die nauw betrokken is geweest bij de oprichting van het vakgebied DNA-onderzoek op activiteitenniveau)262 en de brief en het rapport van de deskundige Kokshoorn,263 die zich (nagenoeg uitsluitend) begeven op het terrein van het activiteitenniveau.
235. Het staat het hof verder vrij om in zijn oordeel omtrent de noodzakelijkheid van nader onderzoek (ook) informatie die ziet op de zaak zelf te betrekken, met inbegrip van, zoals gezegd, de plausibiliteit van de voorgestelde hypothesen en het overige technische en tactische bewijsmateriaal. Dat brengt (ook) mee dat indien de door de verdediging voorgestelde hypothesen onvoldoende specifiek zijn of bijvoorbeeld reeds een causaal verband veronderstellen tussen onschuldige handelingen en het sporenbeeld, het hof kan oordelen dat het verzoek niet voldoet aan eisen die met het oog op een deugdelijke evaluatie op activiteitenniveau mogen worden gesteld en dat nader onderzoek bij die stand van zaken weinig zinvol is.264
Beschouwing: het noodzakelijkheidscriterium in het licht van de volledigheid van het onderzoek
236. Het hof bepaalt ambtshalve of en in hoeverre op de terechtzitting geopenbaarde gegevens voldoende grondslag bieden om een verantwoorde einduitspraak te geven. Als het zich onvoldoende geïnformeerd acht op een terrein dat door expertise moet worden ontsloten, dan kan het hof op de voet van artikel 315 lid 3 Sv nader deskundigenonderzoek opdragen.265
237. Op grond van artikel 328 Sv in samenhang met artikel 415 Sv kunnen de verdachte en (op grond van artikel 331 Sv ook) zijn raadsman zich tot het hof wenden met een verzoek tot het nemen van een beslissing die strekt tot het opdragen van nader deskundigenonderzoek. De maatstaf voor de beoordeling van het verzoek betreft het noodzakelijkheidscriterium (of: noodzaakscriterium).266 Aan (de motivering van) een dergelijk verzoek mogen bepaaldelijk eisen worden gesteld. De onderbouwing van het verzoek moet de strafrechter in staat stellen om de noodzaak te toetsen, moet voldoende specifiek zijn en moet argumenten inhouden waarom het van belang is dat nader onderzoek wordt ingesteld. Tevens dienen de argumenten die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd deugdelijk te zijn.267
238. De afwijzing van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een deskundige aan te wijzen voor nader onderzoek kan, als gezegd, plaatshebben nadat de rechter heeft beoordeeld of dat nadere onderzoek noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Als de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem de noodzakelijkheid van hetgeen is verzocht niet is gebleken, kan hij het verzoek afwijzen. Hij dient dan de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust wel in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel in de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op artikel 6 EVRM. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarnaar nader onderzoek zou moeten worden verricht van belang, alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten, terwijl tevens betekenis toekomt aan het procesverloop, waaronder ook het stadium waarin het verzoek is gedaan. Bij de beoordeling in cassatie van de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek tot benoeming van een deskundige en het door hem laten verrichten van nader onderzoek gaat het vervolgens om de vraag of die rechterlijke beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, aldus de Hoge Raad.268, 269
239. Kortom, het hof kan een verzoek afwijzen wanneer het zich – mede gelet op de stand van het onderzoek – reeds voldoende ingelicht acht en (dus) een nader onderzoek overbodig of nutteloos oordeelt.270
De bespreking van het eerste middel: de klachten onder i
240. Het hof heeft aan de hand van eigen waarneming van foto’s van de technische recherche geconstateerd dat de verklaring van de verdachte omtrent zijn toevallige vondst van het lichaam van [slachtoffer] wordt weerlegd door de – afwezigheid van – sporen c.q. verstoring van de begroeiing op de plaats waar [slachtoffer] is aangetroffen. Verder wijst het hof erop dat de verdachte in zijn lezing de onderbroek niet kan hebben aangeraakt omdat op de foto’s van het lichaam van [slachtoffer] niet is te zien dat de onderbroek boven de pyjamabroek uitkwam. Zelfs als de verdachte in zijn lezing de tailleband van de onderbroek bij het omdraaien van [slachtoffer] bij een kort contactmoment zou hebben aangeraakt, verklaart dat niet dat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde van het voorpand van de onderbroek biologische sporen van de verdachte zijn aangetroffen, aldus het hof.271 De steller van het middel komt met motiveringsklachten op tegen deze redenen voor de afwijzing van het verzoek om deskundigenonderzoek. Deze motiveringsklachten zijn gelijkluidend aan de motiveringsklachten behorend bij het tweede middel, onderdeel B2.272
241. Om niet in herhaling te vallen, volsta ik voor de bespreking van die motiveringsklachten met een verwijzing naar de beschouwingen die ik onder randnummers 121-128 heb gegeven.
242. Tegen de achtergrond van mijn conclusie (aldaar), te weten dat de oordelen van het hof in dit kader in cassatie overeind blijven en toereikend zijn gemotiveerd, en mede bezien de notie dat het hof aan bepaalde omstandigheden minder gewicht mag toekennen (en dus ook voorbij mag gaan aan het beroep van de verdediging op omstandigheden die in een andere richting wijzen) nu de weging van alle relevante omstandigheden aan het hof is, acht ik het eveneens niet onbegrijpelijk dat het hof een en ander bij de beoordeling van het verzoek tot nader onderzoek heeft betrokken. Ik breng in herinnering dat voor een zinvol onderzoek op activiteitenniveau plausibele en voldoende specifieke hypothesen vereist zijn. Het hof mocht dan ook in aanmerking nemen dat de lezing van de verdachte wordt weerlegd door (objectieve) onderzoeksbevindingen en dat zulks afbreuk doet aan de noodzaak van een onderzoek op activiteitenniveau.
243. De klachten falen.
De bespreking van het eerste middel: de klachten onder ii
244. Het hof heeft aan de afwijzing van het verzoek mede ten grondslag gelegd dat de door de verdediging geformuleerde scenario’s heftige emoties van de verdachte tot uitgangspunt nemen, terwijl de verdachte zelf niet dienovereenkomstig heeft verklaard.273 Volgens de steller van het middel gaat het hof daarmee uit van een te beperkte strekking van het verzoek. Immers, de verdediging heeft voorwaardelijk verzocht om “de vragen op activiteitenniveau die er in deze zaak zijn (namelijk de aannemelijkheid van het scenario/relaas van cliënt, waarin alle relevante factoren worden meegenomen), nader te toetsen.”274 Daarnaast is, volgens de steller van het middel, de afwijzing van het verzoek in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de te toetsen scenario’s en de eisen van zorgvuldigheid, logica en ervaringsregels, alsook de volledigheid van het alsdan uit te voeren onderzoek onbegrijpelijk c.q. onvoldoende met redenen omkleed. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
245. Ik meen dat de afwijzing van het verzoek (met inbegrip van de interpretatie van de reikwijdte ervan) moet worden bezien in de context van hetgeen het hof heeft vooropgesteld. Ik herhaal:
“Een onderzoek op activiteitenniveau zou in de onderhavige strafzaak de evaluatie betreffen van de resultaten van forensisch DNA-onderzoek behandeld in de context van een strafzaak om zo antwoord te krijgen op de vraag of het verkregen sporenbeeld informatie kan leveren over de handelingen die tot het sporenbeeld hebben geleid. Een dergelijk onderzoek van de resultaten van het forensische DNA-onderzoek kan onder voorwaarden van meerwaarde zijn om te beoordelen welk voorliggend scenario het meest aannemelijk is. Voor een dergelijk onderzoek geldt dat voor een zinvolle evaluatie van het sporenbeeld een duidelijke vraagstelling betreffende de gedragingen of handelingen die onder de twee scenario’s worden betwist, noodzakelijk is.”275
246. In aanvulling op ‘De bespreking van het tweede middel, onderdeel B3: de emoties van de verdachte’276 meen ik voorts dat het hof bij de afwijzing van het verzoek niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking heeft gebracht dat een (wezenlijk) aspect van het door de verdediging aangedragen scenario feitelijke grondslag mist. Daardoor voldoet dat scenario niet aan de eis van een plausibele en voldoende specifieke hypothese die aan de basis kan liggen van (of van “meerwaarde” is voor) een “zinvolle evaluatie van het sporenbeeld”.
247. Ook deze klachten falen.
De bespreking van het eerste middel: de klachten onder iii
248. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek in zijn oordeel betrokken dat de door de verdediging opgeworpen mogelijkheden van contaminatie “in het geheel niet aannemelijk zijn”. Ook tegen dit aspect van de motivering van de afwijzing wordt opgekomen. De aangedragen argumenten komen inhoudelijk overeen met de hiervoor besproken klachten onder ‘De bespreking van het tweede middel, onderdeel B5: de mogelijkheid van contaminatie’,277 zij het dat de steller van het middel in dit kader separaat klaagt over de te beperkte lezing van het verzoek. Volgens haar heeft het hof zich bij de afwijzing van het verzoek beperkt tot een beoordeling van de door de verdediging geschetste mogelijkheden waarop verspreiding van het DNA van de verdachte door contaminatie kan hebben plaatsgevonden, terwijl het verzoek (ook) strekt tot toetsing van het (gehele) ‘onschuldscenario’ van de verdachte tegenover het (gehele) ‘schuldscenario’.
249. Ook bij de bespreking van deze klachten dient de samenhang met de eisen voor een deugdelijke evaluatie van hypothesen op activiteitenniveau niet uit het oog te worden verloren. Als gezegd, mag van de voorgestelde hypothesen en scenario’s worden verlangd dat zij niet op voorhand onwaarschijnlijk zijn en dat zij in bepaalde mate steun vinden in het dossier. Bovendien dienen de hypothesen een voldoende specifieke omschrijving te geven van de verrichte handelingen. Ik breng in dit kader ook in herinnering dat een hypothese waarin als vaststaand wordt aangenomen dat bepaalde, onschuldige handelingen het onderzochte sporenbeeld hebben veroorzaakt geen hypothese vormt over de al dan niet verrichte handelingen, maar slechts een hypothese vormt over het causale verband tussen de veronderstelde, onschuldige handelingen en het sporenbeeld.278
250. Het hof heeft, zoals ik reeds bij de bespreking van het tweede middel concludeerde, niet onbegrijpelijk geoordeeld en toereikend gemotiveerd dat het voorbij kon gaan aan de door de verdediging opgeworpen mogelijkheden van contaminatie vanwege de onwaarschijnlijkheid ervan. Die omstandigheid heeft het hof (vervolgens) mede kunnen betrekken bij de vraag naar de noodzaak van nader onderzoek. Als het hof voldoende is geïnformeerd, is nader onderzoek niet noodzakelijk.
251. Het hof heeft tevens kunnen oordelen dat het verzoek van de verdediging de vereiste plausibiliteit en specificiteit ontbeert, gezien de bevindingen die het reeds heeft kunnen doen op basis van het procesdossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
252. De deelklacht dat het hof zich bij de afwijzing van het verzoek ten onrechte zou hebben beperkt tot (slechts) de beoordeling van de door de verdediging geschetste mogelijkheden waarop verspreiding van het DNA van de verdachte door contaminatie kan hebben plaatsgevonden, terwijl het verzoek zich (ook) zou uitstrekken tot toetsing van het (gehele) ‘onschuldscenario’ van de verdachte tegenover het (gehele) ‘schuldscenario’, snijdt geen hout. Het hof heeft immers aan de afwijzing van het verzoek redenen ten grondslag gelegd die ook zien op andere aspecten van het zogenoemde ‘onschuldscenario’ dan de door de verdediging geschetste mogelijkheden van contaminatie. Bovendien wijs ik er nog op dat als het door de verdediging geschetste scenario zich al zou lenen voor een zinvol onderzoek op activiteitenniveau en alle (in het geheel) niet aannemelijke omstandigheden worden afgepeld, geen plausibel en voldoende specifieke hypothese overblijft die aan de basis kan staan van een zinvolle evaluatie van het sporenbeeld op activiteitenniveau.
253. Ook deze klachten falen.
De bespreking van het eerste middel: de klachten onder iv
254. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek mede betrokken “dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier compleet was”. Hierbij heeft het hof ook meegewogen dat ter terechtzitting in eerste aanleg door de verdediging (hoewel daartoe te zijn uitgenodigd) niet een toetsbaar scenario is voorgelegd en dat het verzoek tot het laten verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau pas voor het eerst is gedaan bij pleidooi in hoger beroep op de zitting van 17 november 2021. Volgens de steller van het middel zou het hof daarmee onbegrijpelijk, en in strijd met het aan de verdachte toekomende zwijgrecht, de proceshouding van de verdachte hebben meegewogen bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van het door de verdediging verzochte DNA-onderzoek op activiteitenniveau.
255. Hiervoor, onder ‘De bespreking van het tweede middel, onderdeel B6: de verklaring van de verdachte omtrent het sporenbeeld’,279 concludeerde ik al dat de klacht over de onbegrijpelijkheid van het oordeel dat het stadium waarin de verdachte is gaan verklaren van invloed is op de bewijswaardering, geen hout snijdt. De onderhavige klacht over het betrekken van het (late) moment waarop de verdachte een verklaring heeft afgelegd bij de beoordeling van het verzoek, stuit op dezelfde argumenten af. Het hof kon het moment van verklaren betrekken bij zijn oordeel omtrent de noodzaak van het verzochte onderzoek.
256. Datzelfde geldt voor de omstandigheid (i) dat de verdediging volgens het hof geen toetsbaar scenario heeft gepresenteerd en (ii) dat de verdediging voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep heeft verzocht om nader onderzoek. Ik licht dat nader toe.
257. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk gewezen op verschillende momenten waarop de verdediging was uitgenodigd om een toetsbaar scenario te presenteren. Het hof lijkt dat te hebben gedaan in het licht van de beoordeling van de toegevoegde waarde van onderzoek op activiteitenniveau, in aanmerking genomen dat daarvoor een namens de verdediging geformuleerde plausibele, specifieke hypothese nodig is. Het ontbreken ervan kan van negatieve invloed zijn op de noodzakelijkheid van zulk onderzoek.280 Het hof heeft het uitblijven van het formuleren van een voor DNA-onderzoek op activiteitenniveau werkbare hypothese, hoewel de verdediging daartoe meermalen was uitgenodigd, bij de afwijzing van het verzoek kunnen betrekken.
258. Met betrekking tot de chronologie en de proceshouding van de verdachte kan worden opgemerkt dat het late moment in de procedure waarop om een onderzoeksopdracht wordt verzocht, geen zelfstandige reden kan zijn om dit verzoek af te wijzen. Het hof heeft dat echter ook niet miskend: het stelt (slechts) vast dat de verdediging eerst bij pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep van 17 november 2021 voorwaardelijk heeft verzocht een onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten. Aan dat gegeven mag, zoals ik bij de bespreking van de klacht onder v zal uiteenzetten, wel betekenis worden toegekend bij de afwijzing van het verzoek.281 In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft stilgestaan bij het moment waarop het verzoek is gedaan.
259. Ook deze klachten falen.
De bespreking van het eerste middel: de klacht onder v
260. De steller van het middel sluit af met een ‘restklacht’ die erop neerkomt dat de afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek door een DNA-deskundige op activiteitenniveau in strijd is met het recht op een eerlijk proces, waarvan in het bijzonder de aanspraak op equality of arms. De steller van het middel betoogt dat door de afwijzing van dit verzoek de verdachte de mogelijkheid is ontnomen om aannemelijk te maken dat de DNA-sporen op een andere, onschuldige wijze op of aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] zijn terechtgekomen dan door de hem verweten handelingen.
261. Deze klacht bezie ik in het licht van de verhouding tussen het in artikel 6 EVRM verankerde recht op een eerlijk proces en de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium door de strafrechter. Hiervoor, onder ‘Beschouwing: het noodzakelijkheidscriterium in het licht van de volledigheid van het onderzoek’, ben ik reeds in algemene zin ingegaan op het door het hof (met juistheid) gehanteerde criterium. Daarop bouw ik hier voort.
Beschouwing: de noodzaak van deskundigenonderzoek tegen de achtergrond van de eisen van een eerlijk proces
262. Volgens het EHRM is het beginsel van equality of arms een van de elementen van het ruimere begrip ‘fair hearing’. Het beginsel van equality of arms vereist dat elke partij een redelijke kans krijgt om haar zaak te presenteren onder omstandigheden die haar niet wezenlijk benadelen ten opzichte van haar wederpartij.282 Met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van het proces als geheel (the overall fairness of the trial), moeten aan de verdediging dan ook mogelijkheden voor onderzoek en betwisting worden geboden. Welke mogelijkheden dat zijn, is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige, alsmede de concrete omstandigheden van het geval.283
263. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige c.q. een verzoek tot het opdragen van deskundigenonderzoek moet in de regel door de verdediging worden gemotiveerd.284 Daarbij mag van de verdediging worden verlangd dat zij toelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen door middel van het horen van de deskundige of het opdragen van onderzoek. Hierbij kan van belang zijn dat de verdediging ook toelicht waarom een verhoor dan wel een opdracht nodig is en waarom een andere wijze van toetsing niet in aanmerking komt. In de woorden van het EHRM:
“The Court reiterates that where the defence insists on the court hearing a witness or taking other evidence (such as an expert report, for instance), it is for the domestic courts to decide whether it is necessary or advisable to accept that evidence for examination at the trial.285 The domestic court is free, subject to compliance with the terms of the Convention, to refuse to call witnesses proposed by the defence, for instance on the ground that the court considers their evidence unlikely to assist in ascertaining the truth.286”287
Vervolg de klacht onder v
264. In het licht van het hiervoor verhandelde, is de beslissing van het hof tot afwijzing van het voorwaardelijke verzoek van de verdediging niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Ik wijs erop dat het verzoek pas in een laat stadium is gedaan (bij pleidooi op de terechtzitting in hoger beroep), terwijl het verzoek is gemotiveerd aan de hand van een alternatieve lezing van de verdediging die, zoals volgt uit de voorgaande bespreking, onwaarschijnlijk is en waarvoor geen aanwijzingen bestaan c.q. die geen steun vindt in het dossier, dan wel anderszins onaannemelijk is. Die beslissing is ook toereikend gemotiveerd, daar het hof aan de afwijzing van het verzoek288 (mede) de (zie hiervoor: niet onbegrijpelijke) redenen ten grondslag heeft gelegd, te weten:
1. het verzoek steunt op een alternatief scenario dat is gebaseerd op een verklaring van de verdachte die wordt weerlegd door objectieve onderzoeksbevindingen;
2. het verzoek steunt op een alternatief scenario dat uitgaat van emoties van de verdachte die feitelijke grondslag ontberen;
3. het verzoek steunt op een alternatief scenario dat in het geheel niet aannemelijk is;
4. het verzoek steunt op een alternatief scenario dat is gestoeld op een verklaring van de verdachte die pas in een laat stadium van de strafprocedure is afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier van het onderzoek compleet was.
De door de steller van het middel opnieuw aan de orde gestelde klachten289 (naar aanleiding van welke klachten ik reeds bij de bespreking van het tweede middel concludeerde dat deze tevergeefs zijn voorgesteld) doen daaraan niet af.
265. Van het door de verdediging voorgestelde alternatieve scenario dat aan de basis ligt van het voorwaardelijke verzoek tot het benoemen van een deskundige en het door hem laten verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau blijft dan niet veel meer over. In elk geval is dat te weinig voor een onderbouwing van het belang van nader onderzoek voor de waarheidsvinding.290
266. Het beginsel van equality of arms is, in het verlengde hiervan, bij de afwijzing van het verzoek niet in het geding gekomen. De niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde afwijzing van het verzoek brengt niet mee dat de verdachte geen redelijke mogelijkheden heeft gekregen om zijn zaak te presenteren en evenmin dat hij wezenlijk is benadeeld ten opzichte van zijn wederpartij. Ten overvloede merk ik op dat het andere voorwaardelijke verzoek, het nogmaals horen van deskundige Kloosterman, wel is toegewezen en dat het hof zich (mede op basis van dit verhoor) voldoende ingelicht heeft kunnen achten.
267. Ook van een andere omstandigheid die zou kunnen leiden tot een schending van het beginsel van equality of arms is niet gebleken.291
268. Deze klacht faalt eveneens.
Slotsom over het eerste middel
269. Aangezien alle klachten van het eerste middel falen, geldt dat ook voor het gehele middel.
Het vierde middel: de bewijsmotivering van de vrijheidsberoving (feit 3 primair)
Het vierde middel
270. Het vierde middel stelt dat de bewezenverklaring van de onder 3 primair ten laste gelegde vrijheidsberoving van [slachtoffer] onvoldoende met redenen is omkleed en onbegrijpelijk is.292
Het bestreden oordeel en de klachten
Het vermoeden van het hof
271. Allereerst komt de steller van het middel op tegen het onderdeel in de bewijsredenering van het hof dat ziet op het vermoeden dat de verdachte [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. Dit vermoeden baseert het hof op de vaststelling dat [slachtoffer] in het bijzijn van de verdachte – een voor hem onbekende vierentwintig jaar oudere volwassen man – ontkleed is geweest terwijl de verdachte bovendien een of meer ontuchtige handelingen met hem heeft gepleegd.293 Dit rechtvaardigt het vermoeden, aldus het hof, dat de verdachte [slachtoffer] in ieder geval ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen wederrechtelijk van diens vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door hem tegen diens vrije wil in zijn macht en onder zijn fysieke controle te houden.
272. De steller van het middel wijst er – met juistheid – op dat het hof met dit vermoeden voortbouwt op de door hem reeds bewezen geachte ontucht. Het hof constateert een sterke samenhang tussen de feiten onder 1, 2 en 3.294 Dit brengt volgens de steller van het middel mee dat bij cassatie van de bewezenverklaring van feit 2 óók de bewezenverklaring van feit 3 dient te worden gecasseerd, met inbegrip van ’s hofs bewijsoordeel over het aanvangsmoment van de vrijheidsberoving, te weten het moment waarop [slachtoffer] tegen zijn wil is meegenomen.
273. Aangezien ik reeds heb geconcludeerd dat het tweede middel faalt, gaat ook de hiervoor beschreven klacht van het vierde middel niet op.
Het oordeel over het aanvangsmoment van de vrijheidsberoving. Is [slachtoffer] weggelopen?
274. Op basis van de verklaringen van de vader en van de onderwijzer van [slachtoffer] stelt het hof vast dat [slachtoffer] nooit vreemde mensen zou aanspreken en dat hij bang was voor vreemden.295 Onder die omstandigheden is het hof van oordeel “dat het niet anders kan zijn dan” dat de verdachte [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil heeft meegenomen. Het hof sluit bovendien uit dat [slachtoffer] is weggelopen. Daarvoor was hij veel te bang en [slachtoffer] was er (blootsvoets en zonder bovenkleding) ook niet op gekleed.296
275. Tegen dit oordeel brengt de steller van het middel in dat het hof in de door hem gekozen bewoordingen te kennen geeft dat het bewezen acht dat [slachtoffer] niet vrijwillig de camping heeft verlaten. De steller van het middel is van mening dat de basis voor het oordeel dat [slachtoffer] niet vrijwillig de camping heeft verlaten te zwak is om dat oordeel (in die bewoordingen) te kunnen dragen.
276. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan ik echter niet inzien waarom het hof op basis van de stellige en eensluidende uitspraken van de vader en de onderwijzer van [slachtoffer] niet zou kunnen concluderen dat het praktisch uitgesloten is – dat wil zeggen: hoogst onwaarschijnlijk is – dat [slachtoffer] , nota bene uitsluitend gekleed in onderbroek en pyjamabroek, vrijwillig het kampeerterrein heeft verlaten. De door het hof gekozen – inderdaad nogal stellige – bewoordingen doen daaraan niet af. De klacht faalt.
Het oordeel over het scenario waarin kampoudste [betrokkene 2] de dader is
277. Het hof sluit ook kampoudste [betrokkene 2] uit van enige betrokkenheid bij de jegens [slachtoffer] begane misdrijven. Zijn DNA-profiel is vergeleken met dat van de sporen #11 (NN2) en #21 (NN3) aan de onderbroek van het slachtoffer, en er was geen match. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonsteringen #11 en #21 niet afkomstig is van [betrokkene 2] . Overigens zijn er noch technische, noch tactische bevindingen die duiden op zijn betrokkenheid, aldus het hof.297
278. De steller van het middel wijst in dit verband op hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd omtrent de mogelijkheid dat niet de verdachte, maar kampoudste [betrokkene 2] de dader is van de jegens [slachtoffer] begane delicten. Zij zet daartoe weliswaar de verdachtmakingen jegens [betrokkene 2] nog eens op een rij, maar zij zet daarbij niet uiteen wáárom de afwegingen van het hof onbegrijpelijk zouden zijn.
279. Indien het voorgaande voor de klacht al niet fataal is, dan meen ik dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de verdachtmakingen jegens [betrokkene 2] bij lange na niet opwegen tegen het gewicht van (a) het ontbreken van technisch (en tactisch) bewijs jegens hem, en (b) het technische bewijs ten laste van de verdachte. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats. De klacht faalt hoe dan ook.
De tussenconclusie
280. De voorgaande vaststellingen brengen het hof tot de tussenconclusie dat “het niet anders kan zijn dan” dat de verdachte, als degene die [slachtoffer] ontuchtig heeft betast, ook degene is die hem wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden.298
281. De tegen deze tussenconclusie geformuleerde klacht is gebaseerd op het feit dat één of meer van de daarvoor besproken klachten succesvol zouden zijn. Nu deze klachten echter falen, valt ook het doek voor de tegen de tussenconclusie geformuleerde klacht.
Schakelbewijs
282. Ten slotte komt de steller van het middel op tegen het gebruik van schakelbewijs ter onderbouwing van de bewezenverklaring van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
283. De tussenconclusie die inhoudt dat het onder 3 primair ten laste gelegde kan worden bewezen, is in de bewijsmotivering op bladzijde 104, onderdeel 4.4, opgenomen. Aan die tussenconclusie zijn de zaken uit 1984 en 1985 niet ten grondslag gelegd. De bespreking van die twee zaken vindt plaats in onderdeel 5 van de bewijsmotivering, op bladzijden 104 tot en met 110. Pas in onderdeel 5.6 (Conclusie), arrest bladzijde 110, overweegt het hof (onderstreping mijnerzijds):
“Met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 1.3.1. concludeert het hof dat voor het bewijs van (…) de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] de bewezenverklaring van die feiten mede steunt op de bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van de andere, soortgelijke strafbare feiten die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan.”
284. Het voorgaande wijst uit dat schakelbewijs in de bewijsvoering van de vrijheidsberoving slechts een aanvullende rol vervult. De bewezenverklaring van feit 3 primair wordt zelfstandig gedragen door bewijsoverwegingen die voortborduren op het bewijs van de ontucht en door de vaststelling dat er geen steun is voor alternatieve scenario’s voor de verdwijning van [slachtoffer] . De klacht keert zich dus tegen een grond waarop de bestreden beslissing in wezen niet berust, en kan dan ook niet slagen.
285. Op het gebruik van een schakelbewijsconstructie kom ik terug bij de bespreking van het derde middel (onderdelen A en B) onder de randnummers 328-335. In die onderdelen worden klachten geformuleerd over het gebruik van zo’n constructie in de bewijsmotivering van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde (de doodslag). Hierin vervult schakelbewijs inderdaad een gewichtige rol.
Slotsom over het vierde middel
286. Aangezien alle klachten van het vierde middel falen, faalt het middel in al zijn onderdelen.