Home

Parket bij de Hoge Raad, 23-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:619, 22/03882

Parket bij de Hoge Raad, 23-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:619, 22/03882

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 juni 2023
Datum publicatie
12 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:619
Formele relaties
Zaaknummer
22/03882

Inhoudsindicatie

Gemeenschap; verdeling onder opschortende voorwaarde; tijdstip verdeling; waardepeildatum; partijafspraak; redelijkheid en billijkheid.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03882

Zitting 23 juni 2023

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

[de man]
verzoeker tot cassatie
adv.: mr. J. van Duijvendijk-Brand

tegen

[de vrouw]
verweerster in cassatie
adv.: mr. M.E. Bruning

1 Inleiding en samenvatting

Verzoeker tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (hierna: de vrouw) zijn als voormalige echtelieden verwikkeld in een omvangrijk echtscheidingsgeschil. Op een van de geschilpunten werd door uw Raad eerder beslist.1 Het onderhavige cassatieberoep ziet op de rechterlijke verdeling ex art. 3:185 BW van vier gemeenschappelijke onroerende zaken. Bij beschikking van 14 december 2018 heeft de rechtbank de zaken toegedeeld aan de man onder voorwaarde van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor hypothecaire geldleningen en onder betaling van een vergoeding aan de vrouw wegens overbedeling, waarbij de vergoeding is gebaseerd op in 2018 verrichte taxaties. Tot een levering komt het echter niet. Op het hoger beroep van zowel de man als de vrouw heeft het hof geoordeeld dat nog geen verdeling heeft plaatsgevonden en heeft het deskundigen benoemd om de actuele waarde van de zaken (per taxatiedatum) te taxeren. Bij eindbeschikking van 19 juli 2022 heeft het hof de zaken toegedeeld aan de man met bepaling dat de man aan de vrouw een op de deskundigenrapporten met peildata in 2021 gebaseerd bedrag wegens overbedeling moet voldoen. In cassatie klaagt de man dat het hof de panden in hoger beroep ten onrechte opnieuw heeft verdeeld, zulks naar mijn mening tevergeefs. Ook wordt opgekomen tegen de daarbij door het hof gehanteerde waardepeildatum. De tegen dat laatste oordeel gerichte klachten treffen gedeeltelijk doel.

2 Feiten

2.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.2

-

i) Partijen zijn op 18 mei 1998 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Bij notariële akte, verleden op 28 november 2014, zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd.

-

ii) In de huwelijkse voorwaarden is elke gemeenschap van goederen uitgesloten.

-

iii) Tussen partijen is sprake van een vijftal eenvoudige gemeenschappen, namelijk van de onroerende zaken gelegen aan: (1) [de voormalige echtelijke woning] , (2) [het bedrijfspand 1] , (3) [de vakantiewoning] , (4) [het bedrijfspand 2] , respectievelijk (5) [het appartementsrecht] .

-

iv) Het huwelijk van partijen is ontbonden op 17 december 2019 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3 Procesverloop

3.1

Een van de twistpunten betreft de verdeling van de tussen partijen tijdens het huwelijk ontstane eenvoudige gemeenschappen van de hiervoor onder 2.1-(iii) genoemde vijf onroerende zaken. In cassatie gaat het uitsluitend nog om de verdeling van (1) [de voormalige echtelijke woning] , (2) [het bedrijfspand 1] , (3) [de vakantiewoning] en (4) [het bedrijfspand 2] . Niet wordt opgekomen tegen de beslissing betreffende de verdeling van (5) [het appartementsrecht] .3 De hierna volgende weergave van het procesverloop is daarom in beginsel beperkt tot het geschil betreffende de onroerende zaken (1) t/m (4) (hierna ook: de panden).

3.2

Bij inleidend verzoekschrift van 1 september 2017 heeft de man de rechtbank Midden-Nederland verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

3.3

In haar verweerschrift tevens verzoekschrift heeft de vrouw gesteld dat partijen gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar zijn van de panden, en dat deze panden dienen te worden gewaardeerd door een nader overeen te komen deskundige. Zij heeft verzocht de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden vast te stellen conform hetgeen zij heeft gesteld.4

3.4

De man heeft bij aanvullend verzoek verzocht de verdeling van de panden vast te stellen conform zijn voorstel.5 Dit houdt onder meer in dat toedeling aan hem plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijkheid voor het voldoen aan de verplichtingen uit de hypothecaire geldleningen.

3.5

De man en de vrouw hebben ieder een formulier Verdelen en verrekenen ingediend.6

3.6

Er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 28 juni 2018. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Daarin is onder meer opgetekend (p. 3, 4 en 7):

“Advocaat vrouw: de eerdere inschatting van de waarde van de panden was niet bindend. Er moet nog bindend getaxeerd worden.

Advocaat man: taxaties aan de rechtbank overleggen?
(...)

Advocaat vrouw: taxaties van de panden moeten er zijn, dan weet de vrouw wat ze kan overnemen.

Advocaat man: taxaties aan de rechtbank toesturen?
(...)

Schorsing
Advocaat man: afgesproken dat we de taxaties afwachten en kijken hoe mevrouw er uitkomt. Daarna bij elkaar komen. Per onderdeel deals kunnen sluiten. (...)”

3.7

Bij tussenbeschikking van 11 juli 20187 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Zij heeft de behandeling van het verzoek van de man betreffende de verdeling van de panden op verzoek van partijen aangehouden teneinde hen in de gelegenheid te stellen hieromtrent in onderling overleg afspraken te maken.

3.8

In juli en augustus 2018 zijn de panden in opdracht van partijen getaxeerd.8

3.9

Partijen hebben de rechtbank laten weten geen overeenstemming te hebben bereikt.

3.10

Bij eindbeschikking van 14 december 20189 heeft de rechtbank vastgesteld (i) dat de man heeft verzocht de verdeling van de panden vast te stellen op de in zijn aanvullend verzoek d.d. 22 februari 2018 verzochte wijze, (ii) dat de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd resp. dat partijen ter zitting toebedeling aan de man zijn overeengekomen, en (iii) dat partijen ter zitting van 28 juni 2018 zijn overeengekomen dat zij de panden zouden laten taxeren.
In het dictum heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, als volgt beslist:

“4.2 gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken als volgt:

4.2.1.

deelt toe aan de man:


- [de voormalige echtelijke woning] ;
- [het bedrijfspand 1] ;
- [de vakantiewoning] ;
- [het bedrijfspand 2] ;

onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan voornoemde onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen en onder betaling aan de vrouw [van] een bedrag gelijk aan de helft van de waarde, die wordt gevormd uit het verschil tussen de door de makelaar bindend getaxeerde waarde van de onroerende zaken en de hoogte van de hypothecaire geldleningen per moment van het verlijden van de notariële akte van verdeling,

(...)”

3.11

Bij beschikking van 21 augustus 201910 heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw om wijziging van het proces-verbaal van de zitting van 28 juni 2018 en om verbetering van de op 14 december 2018 gegeven eindbeschikking afgewezen.11

3.12

De man is van de eindbeschikking van 14 december 2018 in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden (zaaknummer 200.256.167). Grief 1 van de man is gericht tegen de beslissing in het dictum onder 4.2.1 van de eindbeschikking (de verdeling van de panden). Daarmee is aangevoerd dat de rechtbank bij haar berekening van de overbedelingsschuld ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geldleningen die zijn verkregen uit de ondernemingen van de man.12
De man heeft het hof verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, ten aanzien van de verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] en [de vakantiewoning] te bepalen dat op de door de taxateurs bepaalde waarde zowel de hypothecaire als de overige geldleningen in mindering worden gebracht, dan wel dat de man en de vrouw de helft van de door de man ter beschikking gestelde – van Krebeco Invest B.V. geleende – bedragen dienen te vergoeden, zodat de man per saldo een bedrag van € 353.960,- dan wel een door het hof te bepalen bedrag dient te vergoeden en tot betaling van dit bedrag wordt veroordeeld.13
De vrouw heeft verweer gevoerd.14

3.13

Ook de vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de eindbeschikking van de rechtbank (zaaknummer 200.257.524). Grief III van de vrouw is gericht tegen de verdeling van de panden op basis van ‘de door de makelaar bindend getaxeerde waarde’ (dictum onder 4.2.1). De vrouw stelt zich op het standpunt dat de panden alsnog moeten worden verdeeld op basis van ‘de actuele waarde op of rondom de datum van verdeling (zelf)’.15
De vrouw heeft het hof verzocht de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken te gelasten in die zin dat de panden (immer) worden toegedeeld aan de man, onder de voorwaarden dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan deze onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen en onder betaling aan de vrouw van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde die gevormd wordt door het verschil tussen de door een makelaar ten tijde of vlak voor de datum van verdeling getaxeerde actuele waarden van de onroerende zaken en de hoogte van de hypothecaire geldleningen per moment van het verlijden van de notariële akte van verdeling.16
De man heeft verweer gevoerd.17

3.14

Er heeft in beide zaken een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 15 augustus 2019.

3.15

In zijn (eerste) tussenbeschikking van 31 oktober 201918 (hierna: TB1) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de onroerende zaken het volgende vastgesteld:

“3.2 (...) Bij - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 14 december 2018 heeft de rechtbank - kort gezegd - de eenvoudige gemeenschappen (...) van partijen verdeeld (...).

(...)

4.1

De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 december 2018. Grief 1 ziet op de verdeling van de onroerende zaken (...).

Hij verzoekt het hof (...):


- ten aanzien van de verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] en [de vakantiewoning] te bepalen dat op de door de taxateurs bepaalde waarde zowel de hypothecaire als de overige geldleningen in mindering worden gebracht, dan wel dat de man en de vrouw de helft van het door de man ter beschikking gestelde – van Krebeco Invest B.V. geleende – bedragen dienen te vergoeden, zodat de man per saldo een bedrag van € 353.960,- dan wel een door het hof te bepalen bedrag dient te vergoeden en tot betaling van dit bedrag wordt veroordeeld;

(...)

4.4

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 december 2018. (...) Grief I ziet op (...), grief III op de verdeling van de onroerende zaken (…).

Zij verzoekt het hof (...):

(…)

- de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van onroerende zaken te gelasten in die zin dat aan de man wordt toegedeeld [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 1] , [de vakantiewoning] en [het bedrijfspand 2] , onder de voorwaarden dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan deze onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen en onder betaling aan de vrouw van een bedrag gelijk aan de helft van de (over)waarde; (...)”

Het hof heeft partijen vervolgens de gelegenheid gegeven hun verzoeken en stellingen aan te passen naar aanleiding van zijn beslissing dat het huwelijk (nog) niet is ontbonden (rov. 5.1-5.6 en dictum), en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.16

Hierna hebben partijen ieder verschillende akten genomen. De man heeft zijn verzoek aangevuld in die zin dat het hof wordt verzocht te bepalen dat ten aanzien van de verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] en [de vakantiewoning] door hem aan de vrouw een bedrag van € 326.910,50 moet worden vergoed.19

3.17

In zijn (tweede) tussenbeschikking van 22 september 202020 (hierna: TB2) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de panden – voor zover van belang – het volgende overwogen:

De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen

De verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] , [de vakantiewoning] en [het bedrijfspand 1] (grief 1 van de man, grief III van de vrouw)

4.20

De toedeling van de onroerende zaken aan de man is tussen partijen niet in geschil. In de beschikking van 14 december 2018 heeft de rechtbank echter de hierboven genoemde onroerende zaken aan de man toegedeeld onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan die onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen en onder betaling aan de vrouw van een bedrag gelijk aan de helft van de waarde na aftrek van het bedrag van de hypothecaire geldlening op het moment van het verlijden van de notariële akte van verdeling. Nu aan de genoemde voorwaarden niet is voldaan heeft er nog geen verdeling plaatsgevonden, zodat bij de bepaling van de waarde bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere waardering voortvloeit (HR 22 maart 1996, ECLI:NL:PHR:1996:AD2515).

4.21

Tussen partijen is in geschil of zij ter comparitie bij de rechtbank al dan niet hebben afgesproken dat er een bindende taxatie zou plaatsvinden. Anders dan de man kan het hof uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet afleiden dat partijen een dergelijke afspraak hebben gemaakt. Het hof gaat daarom voorbij aan die stelling van de man. Ook uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit niet voort dat er (in dit geval) taxatiewaarden uit 2018 gehanteerd moeten worden. Nu nog geen verdeling heeft plaatsgevonden en partijen ook geen andersluidende afspraken hebben gemaakt over de datum waartegen de onroerende zaken moeten worden gewaardeerd, zal het hof bepalen dat bindende taxaties worden verricht.

4.22

Nu geen van beide partijen bezwaren heeft ingebracht tegen de makelaars die in 2018 de taxatie hebben verricht, is het hof voornemens dezelfde makelaars als deskundigen te benoemen die aanvullend rapport zullen opmaken met betrekking tot vraag wat de taxatiewaarde van de panden per heden is. Partijen hebben 2 weken de tijd om op de voorgenomen deskundigen en vraagstelling te reageren. Het hof zal vervolgens overgaan tot benoeming van deskundigen en offertes opvragen bij die deskundigen. Partijen zullen, alvorens de te benoemen deskundigen met hun werkzaamheden zullen aanvangen, vooralsnog ieder de helft van het voorschot dienen te betalen voordat de deskundigen aan het werk gaan.

4.23

Het hof is derhalve voornemens als deskundigen te benoemen: (…).”

Het hof heeft vervolgens beoordeeld in hoeverre er door de onderneming van de man verstrekte leningen moeten worden betrokken bij de berekening van de overbedelingsschuld (rov. 4.24-4.37). Ten slotte heeft het hof partijen gelegenheid gegeven zich uit te laten over zijn voornemen tot het benoemen van de door hem voorgestelde deskundigen om de panden (aanvullend) te taxeren tegen de huidige verkoopwaarde (ten tijde van de taxatie) (rov. 5.8) en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.18

Partijen hebben vervolgens ieder een akte genomen.

3.19

In zijn (derde) tussenbeschikking van 23 februari 202121 (hierna: TB3) heeft het hof met betrekking tot de verdeling van de panden als volg overwogen:

De verdeling van de eenvoudige gemeenschappen

De verdeling van de onroerende zaken [de voormalige echtelijke woning] , [het bedrijfspand 2] , [de vakantiewoning] en [het bedrijfspand 1] (grief 1 van de man, grief III van de vrouw)

2.5

De man voert in zijn akte nog aan dat het hof in punt 4.20 van de beschikking van 22 september 2020 een kennelijke vergissing maakt door te oordelen dat er nog geen verdeling heeft plaatsgevonden van de panden nu niet aan de voorwaarden is voldaan. Volgens de man is dit voor herstel of voor aanvulling vatbaar. In hoger beroep is slechts de waarde van de panden in geschil en niet de toedeling; dan heeft de datum van de uitspraak van de rechtbank te gelden als datum van de verdeling. Hij beroept zich op het arrest van de HR van 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176.

2.6

Het hof verwijst naar overweging 4.20 en 4.21 van zijn beschikking van 22 september 2020, het hof blijft bij die overwegingen en voegt voor zover nodig aan overweging 4.20 nog het volgende toe. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 14 december 2018 in 4.2 van het dictum de wijze van verdeling gelast tussen partijen, waarna de vier panden onder de daar genoemde voorwaarden aan de man zijn toegedeeld. Tot dusver is niet gesteld of gebleken dat aan die voorwaarden is voldaan, zodat verdeling niet heeft plaatsgevonden. Daarom is niet de datum van de bestreden beschikking van de rechtbank bepalend voor de waarde van de panden maar de datum van taxatie.

2.7

Partijen kunnen zich overigens vinden in een taxatie door de door het hof genoemde deskundigen (…).”

Vervolgens heeft het hof overwogen voornemens te zijn de in de beschikking genoemde deskundigen te benoemen met als opdracht (aanvullend) rapport op te maken met betrekking tot de vraag wat de taxatiewaarde van de panden per heden is (rov. 2.9 en 2.10).
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over o.m. de vraagstelling (dictum onder rov. 3. 2).

3.20

De man heeft een akte genomen; de vrouw heeft per brief gereageerd.

3.21

In zijn (vierde) tussenbeschikking van 15 juli 202122 (hierna: TB4) heeft het hof deskundigen benoemd om een (aanvullend) onderzoek in te stellen en om schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de vraag wat de huidige waarde in het economisch verkeer van de panden is.
In dit verband heeft het hof het volgende overwogen:

“2.3 Deze makelaars zullen een aanvullend rapport opmaken met betrekking tot de vraag wat de huidige marktwaarde/waarde in het economisch verkeer van de panden is. De man verzoekt in zijn akte nog om ook de waarde per 14 december 2018 te laten vast stellen; hij is het niet eens met de door het hof bepaalde peildatum voor de waarde. Hij verzoekt het hof nogmaals om op het oordeel op dat punt terug te komen. Het hof heeft op eenzelfde verzoek ook al in de tussenbeschikking van 23 februari 2021 beslist (zie overweging 2.6) en verwijst daarnaar. Het hof ziet in wat de man aanvoert geen aanleiding om op dat oordeel terug te komen.”

3.22

De door het hof benoemde deskundigen hebben op 31 augustus 2021 en 26 november 2021 taxatierapporten uitgebracht.23 Partijen hebben daarop gereageerd.

3.23

Op 25 februari 2022 is de mondelinge behandeling voortgezet. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

3.24

Bij (deel)beschikking van 19 juli 202224 (hierna: de eindbeschikking of EB) heeft het hof als volgt overwogen:

“2.3. Aan het hof liggen nog ter beoordeling voor de verzoeken over:
- de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van het huwelijkse vermogen;

(…)

de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van het huwelijkse vermogen

2.4.

Het hof heeft in zijn eerdere tussenbeschikkingen op een aantal punten al deelbeslissingen genomen. Op dit moment liggen nog aan het hof voor de verzoeken van partijen om de verdeling te gelasten van de eenvoudige gemeenschappen, te weten:

- [de voormalige echtelijke woning] ;

- [het bedrijfspand 1] ;

- [het bedrijfspand 2] ; en

- [de vakantiewoning] .

2.5.

Partijen zijn het erover eens dat bovengenoemde onroerende zaken aan de man kunnen worden toegedeeld. De (over)waarde van de onroerende zaken houdt partijen echter verdeeld (grief 1 van de man en grief III van de vrouw). In dat kader hebben de benoemde deskundigen taxatierapporten uitgebracht.

(…)

2.7.

Het hof zal hierna per onroerende zaak de (over)waarde bepalen.”

Vervolgens heeft het hof, uitgaande van de door de benoemde deskundigen getaxeerde (actuele) waarden, per woning/bedrijfspand de (over)waarde en de daarmee corresponderende verplichting wegens overbedeling van de man vastgesteld (rov. 2.8-2.25), in totaal ten bedrage van € 781.710,-.25

3.25

In het dictum heeft het hof, uitvoerbaar bij voorraad, als volgt beslist:

“4.1. vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 december 2018, voor zover het betreft de beslissingen onder 4.2.1 en 4.2.2 en de afwijzing van het meer of anders verzochte, en in zoverre opnieuw beschikkende;

4.2.

stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen als volgt vast:
deelt toe aan de man:

- [de voormalige echtelijke woning] ;

- [het bedrijfspand 1] ;

- de bij partijen in eigendom zijnde [de vakantiewoning] ;

- [het bedrijfspand 2] ;

- (...)

onder de voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan voornoemde onroerende zaken gekoppelde hypothecaire geldleningen, waarbij de kosten verbonden aan de toedeling en levering van de onroerende zaken en het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen door partijen zal worden gedragen bij helfte;

4.3.

bepaalt dat partijen dienen over te gaan tot uitvoering van deze verdeling ten overstaan van een notaris;

4.4.

bepaalt dat de kosten van de notaris ten aanzien van de uiteindelijke toedeling/levering van de onder 4.2 genoemde onroerende zaken ten laste van partijen komen, ieder voor de helft;

(...)

4.6.

bepaalt dat de man een bedrag van € 952.990,89 aan de vrouw voldoet.

(...).”

3.26

Bij procesinleiding van 18 oktober 2022 heeft de man – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de tussenbeschikkingen en de eindbeschikking van het hof. Het cassatieberoep is op 20 oktober 2022 – tijdig – ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv.26 De man heeft geen gebruik gemaakt van het gemaakte voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel. De vrouw heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

4 Juridisch kader

5 Bespreking van het cassatiemiddel

6 Conclusie