Home

Parket bij de Hoge Raad, 27-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:630, 22/03629

Parket bij de Hoge Raad, 27-06-2023, ECLI:NL:PHR:2023:630, 22/03629

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 juni 2023
Datum publicatie
4 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:630
Formele relaties
Zaaknummer
22/03629

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag o.g.v. art. 98 lid 4 jo art. 552a Sv tegen beslissing r-c om een lijst met namen van verschoningsgerechtigden aan de OvJ te verstrekken. AG concludeert dat deze beslissing geen (eind)beschikking is a.b.i. art. 98 lid 1 jo lid 4 Sv en dat klager daarom niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. Conclusie bevat daarnaast enkele algemene opmerkingen over de reikwijdte van het verschoningsrecht van advocaten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03629 Br

Zitting 27 juni 2023

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[klager],

geboren op [geboortedatum] 1964,

hierna: de klager

1 Het cassatieberoep

1.1

De internationale rechtshulpkamer van rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 20 april 2022 het op grond van art. 98 lid 4 jo art. 552a jo art. 5.1.111 Sv ingediende klaagschrift van de klager niet-ontvankelijk verklaard. In het klaagschrift is aangevoerd dat een lijst met namen van geheimhouders niet mag worden gedeeld met de officier van justitie omdat de lijst onderwerp is van het verschoningsrecht..

1.2

Het cassatieberoep is op 29 april 2022 ingesteld namens de klager. R. de Bree en Y.E.A. Buruma, beiden advocaat te Den Haag, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag tegen een beslissing van de rechter-commissaris, waarin de rechter-commissaris heeft besloten een lijst met namen van geheimhouders aan de officier van justitie ter beschikking te stellen.

1.3

Hoewel deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, maak ik desalniettemin enkele algemene opmerkingen over de vraag of het verschoningsrecht zich ook uitstrekt tot de naam van de verschoningsgerechtigde.

2 Het procesverloop in feitelijke aanleg

2.1

Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.

2.2

In het kader van een rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten heeft op 5 november 2020 in de woning van de (niet als een verdachte aangemerkte) klager een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking zijn onder meer een groot aantal hardcopy documenten en enkele gegevensdragers in beslag genomen. Het in beslag genomen materiaal is overgebracht naar het kabinet van de rechter-commissaris, zodat de rechter-commissaris in de gelegenheid is onderzoek aan de gegevens te verrichten en daarna een beslissing te nemen over de vraag of zich tussen het beslag gegevens bevinden die onder het verschoningsrecht vallen (art. 98 Sv).

2.3

Op 17 november 2020 heeft de advocaat van de klager een lijst met namen van geheimhouders aan de rechter-commissaris gestuurd om een schifting mogelijk te maken tussen gegevens die wel of niet onder het verschoningsrecht vallen.2 Tijdens een overleg van 26 november 2020 tussen de advocaat, de officier van justitie en de rechter-commissaris zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop gegevens die onder het verschoningsrecht vallen uit het beslag kunnen worden gefilterd. Uit het verslag van de bespreking volgt onder meer dat de officier van justitie inzage wilde in de lijst met namen van geheimhouders en dat de advocaat van de klager daar bezwaar tegen had.

2.4

Bij e-mail van 9 december 2020 heeft de rechter-commissaris de procespartijen medegedeeld dat de lijst niet zal worden toegestuurd aan de officier van justitie, “nu niet ondenkbaar is dat het verschoningsrecht in het geding kan zijn, terwijl er geen gronden zijn om de lijst wel te verstrekken.” De officier van justitie verzette zich tegen deze beslissing. Vervolgens is gecorrespondeerd over de vraag of de lijst met namen wel of niet mag worden verstrekt aan de officier van justitie. Deze correspondentie resulteerde uiteindelijk in een e-mail van de rechter-commissaris waarin zij mededeelde de lijst aan de officier van justitie te zullen verstrekken. Deze e-mail van 22 december 2021 houdt onder meer het volgende in:3

"(...)

Met voortschrijdend inzicht zie ik wel grond om de lijst aan de officier van justitie te verstrekken. Op grond van de namen zal de officier van justitie al dan niet een verzoek doen om met betrekking tot (een deel van de) gefilterde geheimhoudersstukken de procedure ex 98 Sv te doorlopen. Dat is een praktisch belang met betrekking tot de voortgang van de procedure. Daarom dient een standpunt te worden ingenomen omtrent de vraag of het verschoningsrecht van toepassing is op de namen van de geheimhouders. Dat heb ik wat mij betreft met bovengenoemde zinssnede in het verslag van de bijeenkomst van 26 november 2020 nog niet concreet beoogd, mede gezien het feit dat ik nog geen grond zag om de lijst met namen wel te verstrekken.

(...)

Voor de stellingname dat de namen van geheimhouders onder het verschoningsrecht vallen, zie ik onvoldoende aanknopingspunten in wet en jurisprudentie. Kortweg omdat het verschoningsrecht ziet op mededelingen aan of door de verschoningsgerechtigde (bijvoorbeeld: ECLI:NL:HR:2011:BP6016). Nu met het verstrekken van de lijst met namen geen inbreuk wordt gemaakt op het verschoningsrecht, zal ik deze om bovenvermelde redenen (...) aan de officier van justitie toesturen.

(...)”

2.5

Op 4 januari 2022 is beklag ingediend tegen deze beslissing van de rechter-commissaris van 22 december 2021. In het klaagschrift is aangevoerd dat de lijst onder het verschoningsrecht valt en daarom niet mag worden gedeeld met de officier van justitie.

2.6

Het onderhavige klaagschrift van 4 januari 2022 dient te worden onderscheiden van een klaagschrift dat is ingediend op 20 november 2020, kort na de doorzoeking ter inbeslagname.4 In dat laatste beklag is de rechtbank verzocht teruggave te gelasten van de in beslag genomen goederen. Het klaagschrift van 20 november 2020 is ten tijde van de bestreden beschikking van de rechtbank nog niet in raadkamer behandeld. Kennelijk is ervoor gekozen eerst de uitkomst van de art. 98 Sv procedure af te wachten.

3 De beschikking van de rechtbank

3.1

Bij beschikking van 20 april 2022 heeft de rechtbank de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag. In de beschikking wordt ten aanzien van de inhoud van het klaagschrift en de omvang van het geschil het volgende overwogen:

“2. Beklag

In het klaagschrift is namens de beslagene (samengevat) aangevoerd dat de lijst met namen van de geheimhouders onder het verschoningsrecht valt en niet mag worden gedeeld met de officier van justitie.

Verzocht is te bepalen:

a. Te oordelen dat de lijst met namen van verschoningsgerechtigden onder het verschoningsrecht valt;

b. De rechter-commissaris te gelasten de lijst met namen van verschoningsgerechtigden niet te delen met het openbaar ministerie;

c. (...).

Ter zitting is verzocht – op de daartoe aangevoerde gronden die in grote lijnen overeenkomen met hetgeen hiervoor is weergegeven – :

d. Het klaagschrift gegrond te verklaren en teruggave te gelasten van de in beslag genomen voorwerpen, althans teruggave te gelasten van de in beslag genomen goederen voor zover deze niet direct betrekking hebben op de specifieke onderzoeksvragen zoals verwoord in het rechtshulpverzoek;

e. Te bepalen dat de rechter-commissaris waarborgen zal opstellen die ertoe strekken dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt en zodoende (in elk geval) de namen van de betrokken verschoningsgerechtigden niet zal (laten) delen met het openbaar ministerie.

(...)

4. Oordeel van de rechtbank

4.1

Omvang van het geschil

De rechtbank stelt vast dat hetgeen naar voren is gebracht namens klager bij onderdeel d. hiervoor genoemd, een verzoek betreft dat ook is gedaan in het onder randnummer 1.4 genoemde klaagschrift van 20 november 2020, dat nog niet in raadkamer is behandeld en evenmin deel uitmaakt van onderhavig beklag. De rechtbank zal daarover dan ook geen beslissing kunnen nemen. Het voorgaande geldt – nu dit verzoek past binnen het onderhavige klaagschrift en deel uitmaakte van het debat ter zitting – niet voor hetgeen onder e. is verzocht.”

3.2

De niet-ontvankelijkverklaring van de klager heeft de rechtbank als volgt gemotiveerd:

“4.2 Ontvankelijkheid van klager

Niet in geschil is dat bij gelegenheid van de doorzoeking in de woning van klager op 5 november 2020 voorwerpen in beslag zijn genomen waaronder hardcopy documenten en gegevensdrager en dat klager eigenaar van deze voorwerpen is.

Vervolgens is aan de orde of klager belanghebbende is. Belanghebbenden bij een klacht tegen de inbeslagneming zijn al degenen (natuurlijke of rechtspersonen) die op grond van artikel 116 Sv een recht op teruggave van het voorwerp aan hen kunnen claimen, in de eerste plaats degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen (artikel 116, eerste lid Sv). De rechtbank overweegt, dat nu de namen op de lijst wel deel uitmaken van de stukken die bij klager in beslag zijn genomen, hij, volgens vaste rechtspraak, als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv dient te worden aangemerkt. Klager kan daarom in zoverre worden ontvangen in zijn beklag.

Het voorwerp van onderhavig beklag is de beslissing van de rechter-commissaris onder randnummer 1.15 zoals hiervoor weergegeven [AG: bedoeld wordt de beslissing van de rechter-commissaris vervat in de e-mail van 22 december 2021, door mij hiervoor geciteerd in randnummer 2.4]. Opgemerkt kan worden dat in de correspondentie tussen partijen de rechter-commissaris zowel gebruik maakt van de term beslissing als van standpunt. De rechtbank zal verder de term beslissing hanteren nu dat ook de door de rechter-commissaris aldaar gebruikte term is. De vraag is hoe deze beslissing moet worden geduid.

Niet in geschil is dat de beslissing van de rechter-commissaris niet is neergelegd in een beschikking ex artikel 98 lid 1 Sv maar in een aan partijen toegezonden mailbericht met als onderwerp: “Inz Jetsetter: filterproces [klager]” in het kader van de wisseling van standpunten tussen partijen over de procedure in het door de rechter-commissaris gecontroleerde filterproces en de voortgang daarvan.

In een dergelijk proces is het ingevolge artikel 98 lid 1 Sv (uiteindelijk) aan de rechter-commissaris om te beslissen over een beroep op het verschoningsrecht ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. Inherent aan de proces is dat de rechter-commissaris voorafgaande (deel-)beslissingen neemt gedurende dat proces. Evident is dat gedurende dat proces niet steeds sprake zal (kunnen) zijn van consensus tussen de officier van justitie en de raadsman. Hetgeen is beschreven (...) getuigt van dat voor partijen transparante proces en de (deel-)beslissingen die in dat kader zijn genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing in het mailbericht 22 december 2021 van de rechter-commissaris niet aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 98 lid 1 Sv, waartegen ex artikel 98 lid 4 Sv de mogelijkheid van beklag openstaat.

Voor zover namens klager is beoogd te stellen dat (de mededeling van) de beslissing materieel moet worden aangemerkt als een beschikking en hij in zoverre ontvankelijk is in zijn beklag, wordt dat standpunt door de rechtbank verworpen. Door de rechter-commissaris is, zoals reeds hiervoor is overwogen, niet beoogd een dergelijke beschikking af te geven nu deze overduidelijk ziet op de procedure, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat deze beslissing leidt tot onomkeerbare gevolgen voor het verschoningsrecht dan wel het afgeleide verschoningsrecht.

4.3

Het klaagschrift zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.”

4 Het middel in cassatie

6 Beoordeling van het middel

7 Slotsom