Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2023, ECLI:NL:PHR:2023:815, 22/00882
Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2023, ECLI:NL:PHR:2023:815, 22/00882
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 september 2023
- Datum publicatie
- 19 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:815
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1742
- Zaaknummer
- 22/00882
Inhoudsindicatie
Conclusie PG. Onbruikbaar maken van een trap door tijdens een demonstratie bij het hoofdkantoor van Shell een vloeistof over de trap naar de ingang van het gebouw te gieten. Het middel komt op tegen de verwerping van het hof van het beroep op art. 10 en 11 EVRM. De PG gaat nader in op de verhouding van strafrechtelijk optreden tot het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadervrijheid zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00882
Zitting 19 september 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
Het cassatieberoep
-
De verdachte is bij arrest van 3 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
3. Op 31 januari 2020 vond er voor het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Den Haag een demonstratie plaats. Aan de demonstratie namen ongeveer 25 tot 30 actievoerders deel, onder wie de verdachte. Zij heeft tijdens die demonstratie een zwarte, op olie gelijkende vloeistof (naar eigen verklaring bestaande uit zonnebloemolie, houtskoolpoeder en maïzena) over de trap naar de ingang van het gebouw gegoten. De politie heeft de actievoerders daarna opgeroepen om de demonstratie te beëindigen. Nadat de demonstranten hieraan geen gehoor gaven, zijn zij aangehouden. Door de vloeistof was een groot deel van de trap glad en gevaarlijk om overheen te lopen. De trap is toen tijdelijk afgezet om te worden schoongemaakt.
4. De verdachte is aangehouden2 en later vervolgd en zowel door de rechtbank als het hof veroordeeld wegens het onbruikbaar maken van de trap (art. 350 Sr) tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00 met een proeftijd van twee jaren.
5. In feitelijke aanleg heeft de verdediging een beroep gedaan op de artikelen 10 en 11 EVRM. Het hof heeft dit verweer verworpen. De middelen in cassatie richten zich tegen de verwerping van dit verweer. Voordat ik daartoe overga, geef ik (de relevante delen van) het gevoerde verweer en de verwerping daarvan in het arrest weer.
Het beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM
6. Namens de verdachte is ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – het volgende in:
“Ontslag van alle rechtsvervolging: strafrechtelijke veroordeling vormt een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en artikel 11 EVRM.
Fundamenteel karakter van het recht op betoging
8. Het strafrecht moet met terughoudendheid worden toegepast wanneer het betogingsrecht in het geding is. De gedragingen van cliënte worden, in beginsel beschermd door de demonstratievrijheid (artt. 10 en 11 EVRM en artt. 19 en 21 IVBPR en art. 9 Grondwet). Ingrijpen door de politie waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht van cliënten tot betoging, dient volgens de rechtspraak van het Europese Hof proportioneel te zijn in verhouding tot de belangen van openbare orde en noodzakelijk zijn in een democratisch land. In deze zaak waren de aanhoudingen van de actievoerders onder wie ook cliënte onnodig en niet proportioneel.
9 EHRM
Op 30 november 2021 deed het EHRM uitspraak in de zaak van twee actievoerders in Bulgarije, een populair blogger en een politiek activist: Genov & Sabrinska v. Bulgarije. Zij werden veroordeeld voor "hooliganism" en beboet omdat zij op de herdenkingsdag van de Bolsjewiekse Revolutie in 1917 met een spuitbus met verf een tekst hadden aangebracht op een monument. Zij deden dit in het kader van vele landelijke protesten tegen de Bulgaarse regering. Aan het EHRM was voorgelegd vraag of hun veroordeling verenigbaar was met art. 10 EVRM. Kern van de uitspraak van het EHRM is dat, aangezien niet was gebleken van enig serieuze of onomkeerbare schade aan het monument, terwijl het een vreedzame, geweldloze actie betrof, strafrechtelijke vervolging en bestraffing niet noodzakelijk is. Het Europese Hof verwees ook naar de uitspraak van het EHRM van 6 april 2021 in de zaak Handzhiyski v. Bulgaria, no. 10783/14 (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314) en concludeert dat de inbreuk op het recht van de actievoerders op hun right to freedom of expression door hen strafrechtelijk te veroordelen en hen een boete op te leggen, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, niet noodzakelijk was in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 van het EVRM. Daarmee was het recht op vrije meningsuiting volgens het EHRM geschonden.
10. Op de rechten die in onze Grondwet in art. 9, in de artikelen 10 en 11 in het EVRM en in artt. 19 en 21 IVBPR beschermd worden, mag alleen inbreuk worden gemaakt indien die inbreuk bij de wet is voorzien ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen en noodzakelijk -necessary - is in een democratische samenleving. Het noodzaakcriterium wordt verder uitgewerkt in de zin dat de maatregel moet voortspruiten uiteen pressing social need (zie ook MvT hoofdstuk 6), en zowel proportioneel moet zijn als in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
11."Noodzakelijk", necessary, heeft een strikte betekenis. Deze eis mag volgens het Europese Hof niet worden ingevuld met nuttig', 'redelijk’ of 'wenselijk', zie bijv. in Handzhiyski v. Bulgaria, (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314): "Indeed, the adjective ‘necessary' in Article 10 (2) implies the existence of a pressing social need, and does not have the flexibility of such expressions as "useful, "reasonable" or "disireable"(…)”.
12. Maatregelen die na afloop van een vreedzame vergadering of betoging door de autoriteiten worden genomen kunnen bijdragen aan of zelfs op zichzelf genomen leiden tot de vaststelling dat inmenging plaatsvindt ogv art. 10 of 11 EVRM en dat daardoor deze bepalingen worden geschonden. Zie o.m. t.a.v. art. 11 EVRM de zaak Others tegen Litouwen: "‘The Court reiterates that an interference with the exercise of freedom of peaceful assembly does not need to amount to an outright ban, whether legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term “restrictions’’ in Article 11 §2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (..).’ EHRM (Grand Chamber) 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevicius and Others tegen Litouwen).
13. De door het EHRM in ogenschouw te nemen maatregelen achteraf kunnen zijn de arrestatie van de demonstranten, hun daarop aansluitende detentie op het politiebureau, hun strafrechtelijke vervolging of hun strafrechtelijke veroordeling. Het gaat hier dus om maatregelen die op zichzelf staand beperkingen vormen van de vrijheden als bedoeld in de artt. 10 en 11 EVRM nadat bijvoorbeeld een demonstrant is verwijderd van een bepaalde privélocatie wegens de bescherming op die locatie van zwaarder wegende rechten van anderen.
(…)
15. Artikel 11 EVRM beschermt vergaderingen die vreedzaam zijn, 'the right to freedom of peaceful assembly. Om te bepalen of een vergadering of betoging vreedzaam is, toetst het EHRM met name of de organisatoren en deelnemers al dan niet gewelddadige bedoelingen hadden. De actie op 31 januari 2020 was een vreedzame demonstratie. Ook blokkades, sit-ins en bezettingen vallen onder de bescherming van het recht op demonstratie. Art. 10 EVRM beschermt volgens het EHRM niet alleen de inhoud van de uiting, maar ook de vorm waarin dat wordt gedaan, (zie randnummer 2 pleitnota eerste aanleg "symbolic conduct").
16. Voor het aannemen van wanordelijkheden wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM een bepaalde mate van ernst vereist. De vraag is wanneer van dergelijk gedrag sprake is. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt volgens Roorda, Brouwer en Schilder, dat gedrag van demonstranten ‘reprehensible’ (laakbaar) is, wanneer zij het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid (zie ook Kudrevius tegen Litouwen EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 par. 173).
Roorda c.s. constateren in hun recente onderzoek dat bij schade of wanorde nog geen sprake in van 'reprehensible', (laakbaar) gedrag. Voorts is van belang dat het EHRM aanvaardt dat demonstraties veelal een "disruption to ordinary life' meebrengen.
17. Vreedzame demonstratie, zorgvuldige voorbereiding, geen schade, geringe inbreuk en beperkte duur
De verdediging meent dat de handelingen van cliënte op 31 januari 2020 van een licht kaliber waren en dat de demonstratieve actie als vreedzaam was aan te merken. De actie was zorgvuldig voorbereid waarbij de substantie die [verdachte] op een deel van de trap had uitgestrooid makkelijk en helemaal te verwijderen was en een schoonmaakploeg met schoonmaakmiddelen en -materialen klaarstond om de trap schoon te maken, waarbij ook de veiligheid van de actievoerders en omstanders c.s. in acht was genomen. Er is geen schade aan de trap toegebracht. Dat volgt niet uit het dossier. Shell heeft geen verzoek tot schadevergoeding ingediend en heeft als volgt op de actie van cliënte c.s. gereageerd:
„Shell respecteert het recht en de vrijheid om te demonstreren, als dit maar op een veilige manier gebeurt ", reageert het olie- en gasconcern op de demonstratie. „Shell heeft een strategie die het Klimaatakkoord van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord steunt. In die zin hebben we dus hetzelfde doel als de activisten. We verschillen alleen van mening over de weg ernaartoe. Shell ziet klimaatactivisme als een positieve ontwikkeling als het leidt tot een constructieve dialoog en tot samenwerking. Een enkele partij kan klimaatverandering niet oplossen, we moeten allemaal samenwerken" .
De plaats waar gedemonstreerd werd was symbolisch. Het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Nederland. De demonstratie was ook van beperkte duur en vormde een geringe inbreuk op het eigendomsrecht van Shell.
18 OVAR ook vanwege reeds voldoende bestraffing
Cliënte is al voldoende aangepakt, zij zat relatief lang in voorarrest in een politiecel. De arrestatie, het optreden van de politie en de lange duur van haar voorarrest, hebben grote impact op cliënte gehad. Het handelen van cliënte was gewetensvol. Zij heeft met haar mede demonstranten aandacht gevraagd voor een maatschappelijke misstand waarvan de betekenis in de afgelopen tijd maatschappelijk alleen maar aan kracht heeft gewonnen. In de hiervoor geschetste omstandigheden van deze zaak verzoek ik Uw Hof art. 350 lid 1 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artt. 10 en 11 EVRM. Ik verzoek u aldus cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
19 Conclusie.
Verzocht wordt het vonnis van de politierechter van 24 maart 2020 te vernietigen, cliënte alsnog vrij te spreken van het aan haar ten laste gelegde feit, subsidiair cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging aangezien zij gebruik maakte van haar demonstratierecht dat o.m. beschermd wordt door artikel 10 en 11 van het EVRM. Door [verdachte] voor deze daad te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op niet toegestane wijze inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.