Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2023, ECLI:NL:PHR:2023:817, 23/01007
Parket bij de Hoge Raad, 19-09-2023, ECLI:NL:PHR:2023:817, 23/01007
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 september 2023
- Datum publicatie
- 22 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:817
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1627, Gevolgd
- Zaaknummer
- 23/01007
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen op de voet van art. 392 Rv. Leidt de jurisprudentie van het HvJ in de arresten van 17 mei 2022 (ECLL:EU:C:2022:394 t/m 397) ertoe dat in verzetzaken tussen een handelaar en consument de wettelijke termijn van verzet buiten toepassing moet worden gelaten indien uit het verstekvonnis niet blijkt van
(ambtshalve) toetsing op oneerlijkheid als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen van (alle) bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn c.q. kunnen worden gelegd?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01007
Zitting 19 september 2023
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[verzoeker] (hierna: [verzoeker] )
tegen
De Stichting Woningstichting Rochdale (hierna: Rochdale)
1 Inleiding en samenvatting
De eerste prejudiciële vraag van de kantonrechter te Amsterdam stelt aan de orde of de arresten van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 17 mei 2022 inzake MA/Ibercaja Banco,1SPV Project 1503 en Banco di Desio,2L/Unicaja Banco3 en Impuls Leasing România4 meebrengen dat de verzettermijn van artikel 143 Rv buiten toepassing moet worden gelaten als uit een verstekvonnis in een consumentenzaak niet blijkt dat de rechter heeft getoetst aan (de Nederlandse regels ter implementatie van) richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn).5 Voor het geval dat de verzettermijn inderdaad buiten toepassing moet worden gelaten, stelt de kantonrechter een aantal vervolgvragen. Deze vragen zijn gerezen in een geval waarin op grond van bijzondere omstandigheden eerst in 2021 verzet is ingesteld tegen een in 2014 gewezen en vervolgens ten uitvoer gelegd verstekvonnis, waarin een huurder werd veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en ontruiming van de woning. De prejudiciële vragen zien echter op veel meer gevallen en bevestigende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag zou vele duizenden in het verleden gewezen verstekvonnissen in consumentenzaken op losse schroeven zetten.
Naar mijn mening moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend beantwoord worden en wordt daarom aan een beantwoording van de overige vragen niet toegekomen. In de door de kantonrechter genoemde arresten beoordeelde het HvJ bepaalde regels van nationaal procesrecht die de rechter belemmeren om te toetsen aan de Richtlijn, in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en de noodzaak om een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen van de rechten die de consument aan de Richtlijn ontleent. Uit de arresten MA/Ibercaja Banco en SPV Project 1503 en Banco di Desio volgt dat de Richtlijn beperkingen kan stellen aan de objectieve omvang van het gezag van gewijsde van een vonnis waaruit niet blijkt dat de rechter daadwerkelijk heeft getoetst aan de Richtlijn. Het arrest L/Unicaja Banco betreft de vraag of een appelrechter, in de specifieke context van dat geval, ambtshalve kan toetsen aan de Richtlijn ook indien de door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen vordering die was gebaseerd op de oneerlijkheid van het beding, in hoger beroep niet voorligt. Het arrest Impuls Leasing România lijkt voor de voorliggende prejudiciële vragen niet van belang. Deze vier uitspraken zien, afzonderlijk dan wel in onderling verband gelezen, mijns inziens niet op de vraag of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van een verzet- of rechtsmiddelentermijn. Naar mijn mening is er voor de Hoge Raad geen aanleiding om op dit punt prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ, mede omdat de kantonrechter op basis van het arrest MA/Ibercaja Banco kan bepalen hoe hij moet beslissen in het onderhavige geval.
2 Feiten en procesverloop
De door de kantonrechter vastgestelde feiten kunnen, voor zover van belang voor de beantwoording van de prejudiciële vragen, als volgt worden samengevat.6
(i) Rochdale en [verzoeker] hebben een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning voor een huurprijs van laatstelijk € 478,43 per maand. [verzoeker] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
(ii) Op 3 februari 2014 heeft Rochdale [verzoeker] gedagvaard en heeft zij ontbinding en ontruiming gevorderd en betaling van de huurachterstand. De dagvaarding is aan [verzoeker] uitgebracht op het adres van het gehuurde, waarbij het afschrift van het exploot is achtergelaten in een gesloten envelop, omdat de deurwaarder op het adres niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.
(iii) Bij verstekvonnis van 3 maart 2014 is de huurovereenkomst ontbonden en is [verzoeker] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van € 2.042,58 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
(iv) Het verstekvonnis is op 12 maart 2014 aan [verzoeker] betekend door achterlating van het exploot in een gesloten envelop aan het adres van het gehuurde. Daarbij is aangekondigd dat indien geen gehoor wordt gegeven aan de in dat exploot gedane bevelen tot ontruiming en betaling, zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis, onder andere door gerechtelijke ontruiming op 8 april 2014.
(v) Op 8 april 2014 heeft de aangekondigde ontruiming plaatsgevonden. Uit een daarna onder de Belastingdienst gelegd executoriaal derdenbeslag op de huurtoeslag van [verzoeker] heeft Rochdale vier inhoudingen van in totaal € 872 ontvangen.
(vi) Bij brief van 21 februari 2018 heeft Syncasso namens Rochdale aangekondigd dat voor het restant van de vordering beslag zal worden gelegd op [verzoeker] ’s inboedel en/of inkomen. De brief is gericht aan het nieuwe adres van [verzoeker] in [plaats] .
(vii) Naar aanleiding van deze brief heeft [verzoeker] met Syncasso een betalingsregeling getroffen op grond waarvan hij vanaf 26 april 2018 maandelijks € 25 en vanaf 28 januari 2019 maandelijks € 75 aan Syncasso heeft betaald.
(viii) Op 7 oktober 2021 heeft de gemachtigde van [verzoeker] het verstekvonnis van Syncasso ontvangen. De gemachtigde heeft het verstekvonnis op 12 oktober 2021 met [verzoeker] besproken.
Bij dagvaarding van 4 november 2021 heeft [verzoeker] tegen het verstekvonnis verzet gedaan. In de verzetprocedure vordert [verzoeker] vernietiging van het verstekvonnis en afwijzing van de vorderingen van Rochdale zodat [verzoeker] weer het genot van de huurovereenkomst moet worden verschaft. In dat verband beroept [verzoeker] zich er met name op dat de verzettermijn van artikel 143 Rv in dit geval op grond van artikel 6 EVRM buiten toepassing moet blijven, gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval.
Bij tussenvonnis van 30 augustus 2022 (rov. 7 e.v.) heeft de kantonrechter overwogen dat het de vraag is of de kantonrechter toekomt aan een beoordeling van het beroep op artikel 6 EVRM gezien het MA/Ibercaja Banco-arrest van het HvJ van 17 mei 2022. De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling gelast om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over dit arrest en de gevolgen daarvan voor deze zaak.7
Bij tussenvonnis van 20 januari 2023 heeft de kantonrechter nadere overwegingen gewijd aan (onder meer) het arrest MA/Ibercaja Banco (rov. 2-6) en overwogen dat tegen die achtergrond het betoog van partijen over de tijdigheid van het verzet en de eventuele strijd met het EVRM geen verdere bespreking zou behoeven (rov. 7). De kantonrechter heeft het voornemen bekend gemaakt om de in rov. 30 van dat tussenvonnis opgenomen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit voornemen en over de inhoud van de vragen uit te laten.8 Rochdale heeft verzocht om uitstel voor deze uitlating.
Bij tussenvonnis van 3 maart 2023 heeft de kantonrechter het gevraagde uitstel geweigerd in verband met de gewenste duidelijkheid over de te stellen vragen voor de rechtspraktijk.9 De kantonrechter heeft daarom de in rov. 1 van dat tussenvonnis opgenomen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Wel heeft de kantonrechter Rochdale in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog op de geformuleerde prejudiciële vragen te reageren, hetgeen tot wijziging of intrekking van bepaalde vragen zou kunnen leiden. De kantonrechter heeft de Hoge Raad verzocht de vragen niet eerder in behandeling te nemen dan na ommekomst van deze termijn.
Bij akte van 31 maart 2023 heeft Rochdale op de door de kantonrechter gestelde prejudiciële vragen gereageerd en voorstellen gedaan voor wijziging en aanvulling daarvan. Bij rolmededeling van 14 april 2023 is Rochdale medegedeeld dat de kantonrechter in de akte van Rochdale geen aanleiding ziet om de gestelde vragen te wijzigen of aan te vullen. Een kopie van de akte en rolmededeling zijn aan de Hoge Raad toegezonden om bij de beoordeling van de zaak te worden betrokken.10
In de procedure bij de Hoge Raad heeft mr. M.A.J.G. Janssen op 5 juli 2023 namens Rochdale, als gedaagde in oppositie in de verzetprocedure bij de kantonrechter, en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG), als derde, gezamenlijke schriftelijke opmerkingen ingediend. De bijlage bij de schriftelijke opmerkingen bevat de antwoorden op een door de KBvG onder haar leden gehouden enquête over de gevolgen van een bepaalde beantwoording van de prejudiciële vragen voor de uitvoeringspraktijk.
3 De door de kantonrechter gestelde vragen
De kantonrechter heeft in rov. 1 van het tussenvonnis van 3 maart 2023 de volgende vragen gesteld:
“1. Leidt de jurisprudentie van het Europees Hof in de arresten van 17 mei 2022 (ECLI:EU:C:2022: 394, 395, 396 en 397) ertoe dat in verzetzaken tussen een handelaar en consument de wettelijke termijn van verzet (ambtshalve) buiten toepassing moet worden gelaten indien uit het verstekvonnis niet blijkt van (ambtshalve) toetsing op oneerlijkheid als bedoeld in de richtlijn van (alle) bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, c.q. kunnen worden gelegd?
2. Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, geldt dit voor alle verstekvonnissen tussen een handelaar en een consument die zijn gewezen vanaf de inwerkingtreding van de richtlijn, na 31 december 1994, vanaf het onder 26 genoemde Pannon-arrest, 4 juni 2009, of vanaf een ander moment?
3. Brengt de aard van verzetsprocedure met zich mee dat noodzakelijkerwijs alle vorderingen (opnieuw) moeten worden beoordeeld, of moet het verzet in de situatie dat ambtshalve toetsing van mogelijk oneerlijke bedingen niet (kenbaar) heeft plaatsgevonden in het verstekvonnis beperkt worden tot de ambtshalve toetsing van eventuele oneerlijke bedingen en blijft het vonnis en de daarin opgenomen beoordeling van de vorderingen voor het overige in stand?
4. Indien uit het antwoord op vraag 3 volgt dat het verzet beperkt blijft tot de ambtshalve toetsing van de toepasselijke bedingen op oneerlijkheid en het vonnis en de daarin opgenomen beoordeling van de vorderingen voor het overige in stand blijft, is er dan sprake van een partieel verzet waarbij de oorspronkelijke executoriale ontruimingstitel in stand blijft, of een volledig ontvankelijk verzet waarbij de oorspronkelijke ontruimingstitel vervalt, maar waarbij – opnieuw oordelend – het vonnis in de verzetzaak ten aanzien van de overige vorderingen gelijkluidend is aan het verstekvonnis?
5. Komt het als toetsing in de verzetsprocedure dient plaats te vinden voor risico van de handelaar indien hij niet in staat is de overeenkomst en/of de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn in het geding te brengen, waardoor ambtshalve toetsing niet meer mogelijk is? Zo ja, wat zijn daarvan de gevolgen?
6. In geval van een huurincasso zal de gevorderde huursom mede het cumulatieve resultaat kunnen zijn van een huurprijswijzigingsbeding. Ambtshalve bekend is dat deze bedingen soms als oneerlijk moeten worden aangemerkt, maar dat toetsing daarvan tot nu toe niet heeft plaatsgevonden. Moet in dergelijke zaken de huurachterstand, evenals de vraag of deze de ontruiming rechtvaardigt, ambtshalve opnieuw worden beoordeeld?
7. Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, leidt dit ertoe dat indien de verhuurder de toepasselijke algemene voorwaarden niet in het geding brengt, bij de beoordeling van de hoogte van de huurachterstand (en eventuele ontruiming) tot uitgangspunt moet worden genomen dat elke huurverhoging berust op een oneerlijk beding dat buiten toepassing moet blijven? Dient daarbij nog onderscheid te worden gemaakt tussen sociale verhuur (waarbij semi-dwingend recht bescherming biedt tegen oneerlijke huurverhogingsbedingen) en geliberaliseerde verhuur?
8. Komen kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zijn gemaakt (volledig) ten laste van de consument indien het vonnis (deels) vernietigd wordt?
9. In het geval een bij verstek gewezen ontruimingsvonnis reeds is geëxecuteerd, reikt de in het Ibercaja-arrest genoemde schadevergoeding zo ver dat deze – indien gevorderd – zich vertaalt in een schadevergoeding waarbij de huurder een andere woning aangeboden moet worden, of dient deze (ambtshalve) te worden beperkt tot financiële compensatie? Is daarbij de omvang van de onderneming van verhuurder nog een relevant aspect?”
De kantonrechter heeft de achtergrond en strekking van deze vragen uitgebreid toegelicht in zijn tussenvonnis van 20 januari 2023.
Vraag 1 is de meest verstrekkende. Deze vraag stelt aan de orde of uit de arresten van de Grote Kamer van het HvJ van 17 mei 2022 in de zaken MA/Ibercaja Banco, SPV Project 1503 en Banco di Desio (hierna: SPV Project 1503), Impuls Leasing România en L/Unicaja Banco volgt dat de rechter in een zaak tussen een handelaar − waarmee wordt bedoeld een ‘verkoper’ in de zin van de Richtlijn11 − (als geopposeerde) en een consument (als opposant) de wettelijke verzettermijn van artikel 143 Rv buiten toepassing moet laten als uit het verstekvonnis niet blijkt dat de rechter heeft getoetst of de bij verstek toegewezen vordering is gebaseerd op oneerlijke bedingen. In zijn tussenvonnis van 20 januari 2023 licht de kantonrechter deze vraag als volgt toe:
“2. Kern van de beslissing van het Europees Hof in bovengenoemde zaak en een drietal andere arresten (ECLI:EU:C:2022: 395, 396 en 397), die op dezelfde dag zijn gewezen, zo begrijpt de kantonrechter, is dat het Europees consumentenrecht zich verzet tegen toepassing van een nationale regeling die het onmogelijk maakt om de rechten die een consument heeft uit de Richtlijn 93/13/EEG, de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), te verwezenlijken, tenzij sprake is van totale passiviteit van de consument. De beschermingsgedachte van de richtlijn berust op de gedachte dat de consument zich ten opzichte van een handelaar in een zwakkere onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie beschikt. Gelet op deze zwakke positie bepaalt artikel 6 lid 1 van de richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, waarbij het gaat om een dwingende bepaling die beoogt die onevenwichtigheid tussen partijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt. De richtlijn verplicht voorts om te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen.
3. Een nationale regeling die, aldus het Europees Hof, de consument de procedurele middelen ontneemt om zijn rechten uit hoofde van de richtlijn te doen gelden en daardoor de bescherming van zijn rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, is in strijd met de richtlijn. Daardoor wordt afbreuk gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel. Daarbij verwijst de kantonrechter in het bijzonder ook naar de gelijkenis in de onderhavige zaak met de kwestie in het arrest HvJEU 17 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:397, Unicaja Banco, waarbij de consument niet in hoger beroep was gegaan, omdat de uitspraak in lijn was met de op dat moment geldende jurisprudentie, maar nadien deze lijn veranderd was door een uitspraak van het Europees Hof.
4. Vaststaat dat de kantonrechter, hoewel hij daartoe op grond van de richtlijn wel was gehouden, in het verstekvonnis van 3 maart 2014 de bedingen in de huurovereenkomst niet (ambtshalve) op oneerlijkheid heeft getoetst. Dat betekent dat [verzoeker] , indien het beroep van Rochdale op het verstrijken van de termijn van verzet zou worden gehonoreerd, geen mogelijkheid meer zou hebben om de bedingen in de huurovereenkomst op oneerlijkheid te laten beoordelen. De vraag is of deze benadering strookt met de doelstellingen van de richtlijn zoals deze in de rechtspraak van het Hof worden uitgelegd, met name het doeltreffendheidsbeginsel en of toepassing van de termijn van verzet niet in strijd is met dit beginsel. Het is immers de plicht van de kantonrechter als nationale rechter om ambtshalve te toetsen en die plicht wordt gerechtvaardigd door de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door de richtlijn aan de consument verschafte bescherming berust. De rechter dient derhalve de doeltreffendheid van deze bescherming te waarborgen, indien deze waarborg niet in een eerdere fase van de procedure is geboden. Anders zou deze verplichting, die ingevolge de richtlijn op de nationale rechter rust, van haar inhoud kunnen worden ontdaan.
5. Voor zover zou kunnen worden betoogd dat hiermee in strijd wordt gehandeld met het rechtzekerheidsbeginsel, door het gezag van gewijsde aan het verstekvonnis te ontzeggen, verdient overweging dat het Europees Hof in het arrest van 26 januari 2017 (Banco Primus, ECLI:EU:C:2017:60) heeft beslist dat de richtlijn vereist dat indien bedingen nog niet op hun oneerlijkheid zijn getoetst, de rechter die door de consument wordt aangezocht ambtshalve onderzoekt of die bedingen oneerlijk zijn, zodra hij over de daartoe benodigde gegevens beschikt. Als het beroep op het verlopen van de termijn van verzet wordt gehonoreerd, kan dat onderzoek niet plaatsvinden. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek zou de bescherming die [verzoeker] in het onderhavige geval als consument op grond van de richtlijn wordt geboden onvolledig en ontoereikend zijn. Ook heeft te gelden dat het Europees Hof buiten de context van de richtlijn zich al heeft uitgesproken tegen het verlenen van excessieve bescherming op basis van gezag van gewijsde op een wijze die daadwerkelijke toepassing van het Unierecht in belangrijke mate belet.
6. Ter beoordeling is derhalve of de hantering van de wettelijke termijn voor verzet in de gegeven omstandigheden in strijd met doel en strekking is van de door het Europees Hof gegeven uitleg en of het niet onverenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel. De wettelijke regeling maakt het in dit geval voor de kantonrechter onmogelijk om de door de richtlijn aan [verzoeker] als consument verschafte bescherming te verzekeren. Als daarvan sprake is kan [verzoeker] worden ontvangen in het verzet tegen het verstekvonnis van 3 maart 2014. Van totale passiviteit van [verzoeker] als bedoeld in voornoemde jurisprudentie is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake. Het feit dat [verzoeker] een passieve houding heeft aangenomen, kan niet in zijn nadeel werken, nu [verzoeker] uit het verstekvonnis niet heeft kunnen afleiden of er ambtshalve was getoetst en ook niet heeft kunnen opmaken dat de beoordeling die de rechter heeft gegeven niet meer ter discussie gesteld kan worden indien binnen een bepaalde termijn geen verzet zou worden aangetekend. Bovendien is het doel van de ambtshalve toetsing op grond van de richtlijn om een daadwerkelijke bescherming van de consument te waarborgen, met name gezien het niet te onderschatten risico dat deze zijn rechten niet kent of moeilijkheden ondervindt om deze uit te oefenen (zie o.a. Oceano-arrest van 27 juni 2000, ECLI:EU:C:2000:346). In zoverre kan het niet verschijnen van [verzoeker] naar aanleiding van de oorspronkelijke dagvaarding van 3 februari 2004 ook niet als een dergelijke totale passiviteit worden beschouwd. [verzoeker] wist immers niet dat de kantonrechter in het vonnis van [lees:] 3 maart 2004 niet ambtshalve zou toetsen.”
Zoals blijkt uit het tussenvonnis van 20 januari 2023 (rov. 8 e.v.), zijn de vragen 2 tot en met 9 gesteld voor het geval van een bevestigende beantwoording van vraag 1.
Dit betekent dat in eerste instantie vraag 1 moet worden beantwoord. Evenals de kantonrechter zie ik in de akte van Rochdale van 31 maart 2023 geen aanleiding om die vraag te wijzigen of aan te vullen. De inhoud van de akte zal waar relevant bij de behandeling worden betrokken.
Hierna bezie ik of het antwoord op vraag 1 kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het HvJ. Ik kom tot de slotsom dat uit deze rechtspraak een ontkennend antwoord op deze vraag kan worden afgeleid.
Voor zover de Hoge Raad zou oordelen dat redelijkerwijs twijfel kan bestaan over dit antwoord, zou op zichzelf voor de hand liggen dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ stelt. Dergelijke vragen zouden dan ook het onderwerp van vraag 2 moeten betreffen. Gelet op het fundamentele karakter van een algemene eenvormige toepassing van het Unierecht, kan immers alleen het HvJ beslissen over beperkingen in de tijd die voor een door hem gegeven uitleg van het Unierecht hebben te gelden.12 Aan het stellen van prejudiciële vragen wordt in dit geval m.i. echter niet toegekomen, mede omdat de kantonrechter op basis van het arrest MA/Ibercaja Banco kan bepalen hoe hij moet beslissen in het onderhavige geval (zie in 6.8).
Het is naar mijn mening pas zinvol om in te gaan op de vragen 3 tot en met 9 in het geval dat zou blijken dat vraag 1 bevestigend beantwoord moet worden. Om deze reden zie ik thans af van een bespreking van de vragen 3 tot en met 9.
Wel merk ik reeds op dat de Hoge Raad kan afzien van een beantwoording van de vragen 5 tot en met 7.
Vraag 5 betreft het geval dat in de verzetprocedure blijkt dat de verhuurder niet meer beschikt over de overeenkomst of de algemene voorwaarden. Dit geval doet zich in deze zaak niet voor. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de overeenkomst beschikbaar is. Uit het tussenvonnis van 20 januari 2023 (rov. 10) blijkt dat de toepasselijke ‘algemene voorwaarden 2009 van Rochdale’ ook beschikbaar zijn.13
Vraag 6 betreft de eventuele ambtshalve toetsing van de omvang van de huurachterstand en de vraag of deze de ontruiming rechtvaardigt, indien de gevorderde huursom mede berust op een mogelijk oneerlijk huurprijswijzigingsbeding. Ook dit doet zich in deze zaak niet voor. Uit het tussenvonnis van 20 januari 2023 (rov. 11) blijkt dat de toepasselijke algemene voorwaarden in deze zaak geen beding bevatten dat ziet op huurprijswijziging bij niet-geliberaliseerde woonruimte (waarvan in dit geval sprake is) en dat huurverhogingen zijn gebaseerd op de wet. Vraag 7 bouwt voort op de vragen 5 en 6.
Het antwoord op deze vragen is daarom niet nodig om de kantonrechter in staat te stellen op de vordering te beslissen, zodat de Hoge Raad op grond van artikel 392 lid 1, aanhef, Rv kan afzien van beantwoording ervan.
Het vervolg van deze conclusie is dus gewijd aan vraag 1. Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. Om eerst het beeld te schetsen van de context waarin deze vraag moet worden bezien, zet ik onder 4 het Nederlandse juridische kader uiteen ten aanzien van verstek en verzet en het gezag van gewijsde. Onder 5 bespreek ik de rechtspraak van het HvJ, met name zijn vier arresten van 17 mei 2022. Achtereenvolgens komen aan de orde (i) dat het arrest Impuls Leasing România verder buiten beschouwing kan blijven; (ii) de door het HvJ gegeven algemene overwegingen over de Richtlijn; (iii) de rechtspraak van het HvJ over de betekenis van de Richtlijn voor kracht en gezag van gewijsde van rechterlijke uitspraken (onder meer de arresten MA/Ibercaja Banco en SPV Project 1503); (iv) het arrest L/Unicaja Banco, dat wordt besproken in verband met zijn mogelijke betekenis voor de omvang van de rechtsstrijd in appel en voor de toepassing van appeltermijnen; en ten slotte (v) de conclusies uit het voorgaande. Vervolgens kom ik onder 6 tot een ontkennende beantwoording van vraag 1.
Vooraf maak in nog enige opmerkingen over de reikwijdte en impact van de door de kantonrechter gestelde vragen.
Bevestigende beantwoording van vraag 1 impliceert in beginsel dat alle verstekvonnissen die vallen onder het toepassingsbereik van de Richtlijn en waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst, ook na het verstrijken van de verzettermijn nog door de consument ter discussie kunnen worden gesteld. Indien de verzettermijn buiten toepassing zou moeten worden gelaten, blijven deze verstekvonnissen in beginsel aantastbaar door het instellen van verzet. Deze verstekvonnissen hebben dan nog geen (volledig) kracht van gewijsde verkregen.
De Richtlijn is, kort gezegd, van toepassing op elke overeenkomst tussen een beroepsmatig handelende partij en een consument die na 31 december 1994 is gesloten en waarbij algemene voorwaarden (meer precies: bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld) zijn gebruikt.14 De kantonrechter gaat ervan uit dat in (lang) niet alle verstekvonnissen uitdrukkelijk wordt, althans werd, getoetst aan de Richtlijn.15Vraag 1 betreft daarom grote aantallen sinds 1 januari 1995 gewezen verstekvonnissen in consumentenzaken waarin algemene voorwaarden een rol hebben gespeeld zonder dat uit het vonnis blijkt dat is getoetst of de relevante bedingen oneerlijk zijn. Dit betreft duizenden vonnissen per jaar.16
Een bevestigende beantwoording van vraag 1 zou dus tot gevolg hebben dat vele duizenden consumentenzaken waarin bij verstek uitspraak is gedaan, na het verstrijken van de verzettermijn op losse schroeven komen te staan. In de schriftelijke opmerkingen van Rochdale en KBvG wordt terecht aandacht gevraagd voor de gevolgen die dit voor de rechtspraktijk zou kunnen hebben. Zij wijzen er onder meer op dat organisaties – die vanwege privacyregelgeving gehouden zijn om documenten te vernietigen op het moment dat er geen noodzaak meer bestaat om deze te bewaren − jaren na een verstekvonnis mogelijk niet meer beschikken over het dossier dat nodig is om het debat aan te gaan over de eventuele oneerlijkheid van contractuele bedingen (nrs. 4.40 en 4.77-4.99). Verder wijzen zij op problemen bij het terugdraaien van de tenuitvoerlegging van vonnissen, de mogelijkheid dat nieuwe conflicten ontstaan en op het risico van afname van het vertrouwen in de rechtspraak (nr. 4.60).
Hierbij komt dat in het licht van de overwegingen die de kantonrechter aan zijn vragen ten grondslag heeft gelegd, niet op voorhand valt uit te sluiten dat een bevestigende beantwoording van vraag 1 ook gevolgen kan hebben voor op tegenspraak gewezen vonnissen in consumentenzaken waarin niet uitdrukkelijk aan de Richtlijn is getoetst, zodat de vervolgvraag rijst of daartegen na het verstrijken van de appeltermijn nog hoger beroep zou kunnen worden ingesteld.17 Ik laat dit punt verder buiten beschouwing.
Overigens heeft − ook bij ontkennende beantwoording van vraag 1 – de rechtspraak van het HvJ bepaalde gevolgen voor het gezag van gewijsde van verstekvonnissen in consumentenzaken waarin algemene voorwaarden een rol hebben gespeeld zonder dat uit het vonnis blijkt dat is getoetst of de relevante bedingen oneerlijk zijn (zie hierna in 5.17.1 e.v.).