Parket bij de Hoge Raad, 20-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:89, 22/01670
Parket bij de Hoge Raad, 20-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:89, 22/01670
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 januari 2023
- Datum publicatie
- 28 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:89
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:567, Gevolgd
- Zaaknummer
- 22/01670
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Concernenquête. Zorgvuldigheidsverplichting en art. 2:8 lid 1 BW. Onmiddellijke voorzieningen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01670
Zitting 20 januari 2023
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
1. [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (hierna: [Beheer- en Beleggingsmaatschappij])
2. Steenfabriek De Rijswaard B.V. (hierna: Steenfabriek)
(hierna gezamenlijk: Steenfabriek c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
3. [verzoeker 3] (hierna: [verzoeker 3])
4. [verzoeker 4] (hierna: [verzoeker 4])
5. [verzoeker 5] (hierna: [verzoeker 5])
6. [verzoeker 6] (hierna: [verzoeker 6])
7. [verzoeker 7] (hierna: [verzoeker 7])
(hierna gezamenlijk met Steenfabriek c.s.: Verzoekers tot cassatie)
tegen
1. [Beheermaatschappij 1] (hierna: [Beheermaatschappij 1])
2. [Beheermaatschappij 2] (hierna: [Beheermaatschappij 2])
3. [Beheermaatschappij 3] (hierna: [Beheermaatschappij 3])
4. [Beheermaatschappij 4] (hierna: [Beheermaatschappij 4])
(hierna gezamenlijk: [Beheersmaatschappij], in vrouwelijk enkelvoud)
5. [verweerder 5] (hierna: [verweerder 5])
6. [Beheermaatschappij 6] (hierna: [Beheermaatschappij 6])
7. [Beheermaatschappij 7] (hierna: [Beheermaatschappij 7])
8. Stichting Rijswaard (hierna: STAK)
(Verzoekers tot cassatie en STAK hierna gezamenlijk: [Verzoekster], in vrouwelijk enkelvoud)
Inleiding
Deze zaak - een enquêteprocedure - gaat mede over Steenfabriek, een besloten familiebedrijf dat gespecialiseerd is in de productie en levering van bakstenen voor woningen- en utiliteitsbouw. [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , de aandeelhouder van Steenfabriek, houdt zich bezig met het beheer en beleggen van vermogen en het deelnemen in andere ondernemingen, waaronder Steenfabriek. De aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] worden gehouden door STAK en zijn gecertificeerd. Bij beschikking van 3 februari 2022 heeft de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) op verzoek van een aantal certificaathouders onder meer een concernenquête bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek over de periode vanaf 16 oktober 2019 en onmiddellijke voorzieningen getroffen bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek. Daarop zijn nog vijf beschikkingen van de OK gevolgd, daterend van 14 februari 2022 (tweemaal), 16 maart 2022, 8 juni 2022 en 27 juli 2022. Door [Verzoekster] minus STAK is cassatieberoep ingesteld van die beschikkingen van de OK van 3 februari 2022, 14 februari 2022 (beide) en 16 maart 2022. Ik zie geen van de (vele) rechts- en motiveringsklachten slagen.
1 Feiten
In cassatie kan mede1 worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.2-2.40 van de beschikking van de OK van 3 februari 20222 (hierna: de bestreden beschikking).3 In rov. 2.1 geeft zij de volgende inleiding op de zaak:
“2.1 Deze zaak gaat over Steenfabriek, een familiebedrijf dat gespecialiseerd is in de productie en levering van bakstenen voor woningen- en utiliteitsbouw. Het bedrijf is sinds de jaren '40 eigendom van [de familie] . In 2008 zijn de aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , de houdstermaatschappij, gecertificeerd. Op dit moment worden de certificaten gehouden door de drie broers [broer 1] [de ubo van [Beheermaatschappij 1] en [Beheermaatschappij 2] , A-G], [broer 2] [de ubo van [Beheermaatschappij 3] , A-G] en [broer 3] [de ubo van [Beheermaatschappij 4] , A-G] en tevens door de zoon van [broer 1] , [verzoeker 6] . [verzoeker 6] is naast certificaathouder enig bestuurder van Steenfabriek en een van de drie bestuurders van STAK. De onderlinge verhoudingen tussen [verzoeker 6] en zijn vader en de andere certificaathouders zijn verstoord geraakt. [broer 1] , [broer 2] en [broer 3] , die samen de meerderheid van de certificaathouders vormen, voelen zich buiten spel gezet. Zij maken zich zorgen over onder meer de invulling van de governance structuur van de groep, het functioneren van STAK als aandeelhouder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de informatievoorziening van STAK aan de certificaathouders. Het bestuur en de raad van commissarissen van Steenfabriek c.s. en het bestuur van STAK (behalve [verweerder 5] ) vinden dat die zorgen onterecht zijn en dat de certificaathouders meer informatie ontvangen dan waar zij recht op hebben. [verweerder 5] bestrijdt dat en schaart zich achter verzoeksters.”
Steenfabriek is op 1 mei 1980 opgericht om de sinds 30 augustus 1947 bestaande onderneming te drijven. [verzoeker 6] is sinds 1 januari 2006 enig bestuurder van Steenfabriek, als opvolger van (zijn vader) [broer 1] die de onderneming ongeveer 30 jaar bestuurde. De raad van commissarissen van Steenfabriek (hierna: de RvC van Steenfabriek) bestaat uit [verzoeker 3] (voorzitter, sinds 1 november 1994), [verzoeker 4] (sinds 1 februari 2014) en [verzoeker 5] (sinds 1 oktober 2021).
De aandelen in Steenfabriek worden gehouden door [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , opgericht op 19 april 1985. [verzoeker 7] , die [broer 1] opvolgde, is sinds 16 oktober 2019 haar (enig) bestuurder. De raad van commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (hierna: de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij]) bestaat uit [verzoeker 3] (voorzitter, sinds 5 februari 1998) en [verzoeker 4] (sinds 1 januari 2016).
De activiteiten van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] bestaan uit het beheer en beleggen van vermogen en het deelnemen in andere ondernemingen, waaronder Steenfabriek.
De aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] worden gehouden door STAK, opgericht op 20 november 2008. STAK heeft onder meer als doel het tegen toekenning van certificaten verwerven en administreren van aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , het uitoefenen van alle rechten op die aandelen, waaronder het uitoefenen van het stemrecht. Volgens de statuten richt STAK zich daarbij “mede" op de continuïteit van de met Steenfabriek verbonden onderneming (art. 2 lid 1-2). Het bestuur van STAK bestaat uit drie bestuurders, te weten:
- bestuurder A, die wordt benoemd en ontslagen door de vergadering van certificaathouders (art. 4.2 en 4.11);
- bestuurder B, die wordt benoemd en ontslagen door bestuurder A en bestuurder C gezamenlijk (art. 4.4 en 4.11);
- bestuurder C, zijnde de voorzitter van de RvC van Steenfabriek; deze bestuurder mag geen houder zijn van aandelen of certificaten in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (art. 4.3, 4.5 en 4.11).
Ieder van de bestuurders is zelfstandig bevoegd STAK te vertegenwoordigen, met dien verstande dat het stemrecht op de aandelen waarvan STAK rechthebbende is en de overige aan die aandelen verbonden rechten zullen worden uitgeoefend overeenkomstig het besluit van het bestuur (art. 13 en 21). Verder is bepaald dat een certificaathouder bevoegd is om bijeenroeping van een vergadering van certificaathouders te verzoeken, agendapunten te agenderen en een stem uit te brengen (art. 14 lid 1, 4 en 7). Daarnaast hebben de certificaathouders een vergaderrecht ten aanzien van de algemene vergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] .
Het bestuur van STAK wordt op dit moment gevormd door [verzoeker 3] (voorzitter, bestuurder C sinds 20 november 2008), [verzoeker 6] (bestuurder B, sinds 20 november 2008) en [verweerder 5] (bestuurder A, sinds 14 juli 2020). [verweerder 5] is de opvolger van [broer 2] , die ten tijde van de certificering van de aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] op 9 december 2008 als bestuurder A was benoemd.
De certificaten van aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] worden op dit moment als volgt gehouden:
- [Beheermaatschappij 1] 20,90% (ubo: [broer 1] )
- [Beheermaatschappij 2] 10,44% (ubo: [broer 1] )
- [Beheermaatschappij 3] 36,28% (ubo: [broer 2] )
- [Beheermaatschappij 4] 11,58% (ubo: [broer 3] )
- [Beheermaatschappij 7] 10,44% (ubo: [verzoeker 6] )
De resterende 10,37% van de certificaten wordt gehouden door [Beheermaatschappij 6] , de beheermaatschappij van wijlen [broer 4] (broer van [broer 1] , [broer 2] en [broer 3] ). [broer 4] heeft de aandelen in [Beheermaatschappij 6] bij testament gelegateerd aan [verzoeker 6] , die sinds 8 januari 2021 tevens enig bestuurder is van [Beheermaatschappij 6]
In de administratievoorwaarden van STAK is onder meer bepaald dat de certificaathouders dividenden en andere uitkeringen ontvangen die op de aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] worden gedaan (art. 6) en dat de certificering uitsluitend door het STAK-bestuur of op gezamenlijk verzoek kan worden beëindigd (art. 7 lid 2-3).
De statuten van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] bepalen onder andere dat het aantal commissarissen wordt vastgesteld door de algemene vergadering en dat zij en de bestuurder worden benoemd door de algemene vergadering (art. 19 lid 1-2). De statuten bevatten geen maximum zittingsduur voor bestuurders of commissarissen.
De statuten van Steenfabriek bepalen dat het aantal directeuren en commissarissen wordt bepaald door de RvC van Steenfabriek en dat zij worden benoemd door de algemene vergadering uit een bindende voordracht opgesteld door de RvC van Steenfabriek. De bindende voordracht kan worden doorbroken door de algemene vergadering met twee derde van de stemmen waarbij meer dan de helft van het geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd (art. 19 lid 1-3). De statuten bevatten geen maximum zittingsduur voor bestuurders of commissarissen.
[Beheer- en Beleggingsmaatschappij] heeft een beleggingsstatuut. Het beleggingsstatuut bepaalt onder meer dat maximaal twee derde van de overtallige liquide middelen wordt belegd, dat het beheer van het vermogen in beginsel wordt uitgevoerd door het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] in overleg met de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , dat de doelstelling de instandhouding van het vermogen in reële zin is, dat de beleggingshorizon langer dan vijf jaar is en dat het beleggingsrisico in de portefeuille minimaal eenmaal per jaar wordt getoetst aan de beleggingsdoelstelling. Het beleggingsstatuut bevat voorts bepaalde voorwaarden die gesteld worden aan de beleggingen en middelenverdeling.
Bij brief van 15 december 2011 hebben [broer 2] , [broer 3] en wijlen [broer 4] in hun hoedanigheid van certificaathouders het STAK-bestuur verzocht in overleg te treden over onder meer hun bezwaren met betrekking tot de vennootschappelijke structuur. Zij schrijven onder meer:4
“De verhouding tussen de certificaathouders is steeds in belangrijke mate gedomineerd door de familieband en berustte mede daardoor altijd op groot onderling vertrouwen. In het kader van de certificering van de aandelen en in de periode ervoor en daarna hebben zich echter ontwikkelingen voorgedaan die bij ons in toenemende mate de indruk hebben doen postvatten dat de belangen van de verschillende certificaathouders niet steeds even zwaar wegen. Er lijkt aldus niet langer evenwicht te bestaan in de wijze waarop de belangen van de certificaathouders worden gerespecteerd en wij sluiten niet uit dat daardoor zelfs belangentegenstellingen ontstaan.
(…)
De achtergrond is dat wij, tegen de achtergrond van het vertrouwen, zoals dat steeds tussen de betrokkenen heeft bestaan, hebben meegewerkt aan de certificering en de daarmee samenhangende wijzigingen in de inrichting van de vennootschapsrechtelijke structuur, met name door diverse wijzigingen in de statuten. Deze wijzigingen geven met name uw bestuur een grotere vrijheid van handelen dan voor de certificering en wij hebben stellig de indruk dat van die vrijheid niet steeds in ons belang gebruik is gemaakt. Hierdoor staat het onderlinge vertrouwen onder druk en wij openen graag de dialoog met u (...) om te komen tot herstel van het vertrouwen en om beschadiging van de onderlinge verhoudingen te voorkomen. (…)
(…)
Onze voornaamste aandachtspunten daarbij zijn de informatievoorziening en de dividendpolitiek. (…)
(…)
Wij zouden met u graag afspraken maken over een periodieke informatievoorziening op hoofdpunten, alsmede dat onze inbreng in het kader van belangrijke beslissingen wordt gehoord."
Bij brieven van 10 oktober 2014 en 8 juli 2016 hebben [broer 2] , [broer 3] en wijlen [broer 4] deze en andere bezwaren, waaronder bezwaren over de samenstelling van de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de RvC van Steenfabriek, herhaald. In de brief van 10 oktober 2014 schrijven zij onder meer:5
“Telkenmale hebben wij, met name [broer 2] als bestuurslid van uw stichting, moeten ervaren dat de vragen tijdens vergaderingen niet of niet afdoende worden beantwoord en dat door [broer 2] in zijn hoedanigheid als bestuurder van de stichting geuite kritiek ondanks zijn uitdrukkelijk verzoek niet in de notulen wordt opgenomen. (...) Het gevolg is dat raadpleging van die notulen de indruk wekt dat de relatie tussen de betrokken stakeholders goed is en men instemt met de gang van zaken, het beleid en de beslissingen, terwijl dat niet overeenstemt met de werkelijke situatie.
(...)
Onze zorgen over het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming en de verstrekking van onvoldoende informatie daarover aan ons als belangrijke stakeholders vergen eens temeer een governance die voldoende waarborgen voor een onafhankelijk en adequaat toezicht op het gevoerde beleid biedt. De huidige governance schiet naar onze mening tekort. Zo vervult [verzoeker 3] de belangrijke functie van voorzitter van de raden van commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en [Steenfabriek, A-G] en heeft hij via zijn lidmaatschap als voorzitter van het bestuur van [STAK, A-G] tevens een stem in de uitoefening van aandeelhoudersbevoegdheden. Dat zijn naar onze mening onverenigbare functies, welke onverenigbaarheid in de huidige situatie eens temeer klemt.
Daarnaast is de personele bezetting van de verscheidene betrokken besturen zodanig dat één van de certificaathouders, althans de aandeelhouder daarvan, een bepalende invloed heeft op het beleid en de gang van zaken binnen de groep en derhalve medeverantwoordelijk voor de onvoldoende informatieverstrekking. Dat vinden wij in samenhang met het hiervoor gestelde over het toezicht binnen de groep een zeer ongelukkige situatie. Kortom, de governance binnen de groep vergt aanpassing.”
In de vergadering van het STAK-bestuur van 20 juni 2016 is onder meer aan de orde geweest dat [broer 2] in de vorige vergadering heeft toegezegd dat hij de overige certificaathouders zou raadplegen over het voorstel van de voorzitter om [verzoeker 4] , die commissaris is bij Steenfabriek, ook in de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] te benoemen. Uit de notulen blijkt dat [broer 2] opgemerkt heeft dat (en waarom) hij zelf twijfels heeft over die benoeming, dat wijlen [broer 4] hem heeft gezegd “ze doen maar”, dat [broer 2] [broer 1] niet te spreken heeft gekregen en dat [broer 3] tegen de benoeming is. Volgens de voorzitter is [broer 1] voor benoeming. Na verder overleg wordt [verzoeker 4] door het STAK-bestuur bij meerderheid van stemmen tot commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] benoemd.
In vervolg op de algemene vergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] op 13 juli 2016 heeft de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] bij brief van 30 augustus 2016, met het oog op een mogelijke uitkering van superdividend, een berekening van de te verwachten kasstromen aan het STAK-bestuur toegestuurd. De RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] heeft daarbij opgemerkt dat het STAK-bestuur volgens hem rekening behoort te houden met het standpunt van de certificaathouders daarover en dat hij daarom adviseert dat [broer 2] “als vertegenwoordiger van de certificaathouders in het bestuur” alle certificaathouders laat raadplegen op dit punt. Naar aanleiding daarvan heeft [broer 1] laten weten geen voorstander te zijn van het verruimen van het dividendbeleid, waarna in de vergadering van het STAK-bestuur op 16 september 2016 is ingestemd met de uitkering van een lager bedrag als superdividend.
Bij brief van 4 april 2017 heeft [broer 1] , als toenmalig bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , aan de certificaathouders voorgesteld een deel van de liquide middelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] te laten beleggen op basis van een bijgevoegd beleggingsstatuut (zie onder 1.10 hiervoor). Tijdens de vergadering van het STAK-bestuur op 2 juni 2017 is besproken dat alleen certificaathouder [Beheermaatschappij 3] heeft laten weten niet met het voorstel in te stemmen. Na stemming is dit voorstel aangenomen, waarbij [verzoeker 6] en [verzoeker 3] voor het besluit stemden en [broer 2] , als bestuurder A, tegen stemde.
Tijdens de algemene vergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] van 11 juli 2018 is onder meer de wens van [Beheersmaatschappij] om de governance via de statuten aan te passen aan de orde gesteld. [broer 1] heeft onder meer voorgesteld dat twee certificaathouders in het STAK-bestuur zitting zouden nemen en dat er een eind zou komen aan de stapeling van functies. Daarop zegden [verzoeker 3] en [verzoeker 4] toe bereid te zijn daarover na te denken en met een aanpassingsvoorstel te zullen komen dat rekening hield met het belang van zowel de onderneming als de aandeelhouders.
Tijdens de vergadering van het STAK-bestuur op 11 februari 2019 is onder andere besproken dat de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het verzoek van [broer 1] om de governance te wijzigen heeft onderzocht. De RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] heeft, in navolging op daarover ontvangen juridisch advies, geconcludeerd dat het wijzigen van de governance zoals verzocht niet dienstig is aan de statutaire doelstelling van STAK en adviseert het STAK-bestuur daarom niet aan het verzoek van [broer 1] te voldoen. [broer 2] heeft in deze vergadering laten weten niet gelukkig te zijn met de gekozen structuur.
Bij e-mail van 15 februari 2019 heeft [broer 2] namens de certificaathouders aan [verzoeker 6] gevraagd om de berekening van de terugverdientijd (inclusief begroting en aanneemsom) van de geplande investering door Steenfabriek in 7.140 zonnepanelen. Op diezelfde datum heeft [verzoeker 6] hem “de basis getallen” van de investering toegestuurd, waaronder een terugverdientijd van 6,96 jaar en een totaal begrote investering van € 5,5 miljoen.
Bij brief van 16 augustus 2019 en een herinnering op 13 september 2019 heeft [Beheersmaatschappij] [verzoeker 6] verzocht om overleg over verbetering van de governance van de groep en herstel van de verhoudingen.
Op 15 oktober 2019 heeft een vergadering van certificaathouders plaatsgevonden. Daarin is onder meer gesproken over het door [broer 1] aangekondigde terugtreden als bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] wegens diens onvrede over de ondernemingsstructuur. Naar aanleiding van het gegeven dat een aantal certificaathouders een beperkte termijn voor toezichthouders wenselijk vindt, heeft [verzoeker 3] medegedeeld dat hij eind 2021 vrijwillig zal terugtreden als president-commissaris van Steenfabriek en [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . In de vergadering is tevens besproken dat [broer 1] met ingang van 16 oktober 2019 ontslag zal nemen als bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en dat [verzoeker 7] (van 2002 tot en met 2015 commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ) met ingang van die datum wordt benoemd tot interim-bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] voor een periode van twee jaar. In die periode kan ook worden gezocht naar voor de onderneming acceptabele aanpassingen bij de benoeming van een bestuurder.
Per 14 juli 2020 is [verweerder 5] door de vergadering van certificaathouders als bestuurder A van STAK benoemd, als opvolger van [broer 2] .
Tijdens de vergadering van het STAK-bestuur van 26 augustus 2020, waarbij [verzoeker 4] aanwezig was, heeft [verweerder 5] onder meer opgemerkt “dat het goed zou zijn als de certificaathouders inzicht zouden hebben in de relatieve prestaties van [Steenfabriek, A-G] ten opzichte van de concurrentie.” [verzoeker 4] heeft gereageerd door op te merken dat de jaarrekeningen en bijbehorende toelichting “ruim voldoende informatie aan de certificaathouders verstrekken om te kunnen beoordelen hoe de Steenfabriek in zijn totaliteit heeft gepresteerd” en dat een benchmark van de beleggingen is opgenomen in de halfjaarlijkse rapportage van Insinger Gilissen, die wordt verstrekt aan [verzoeker 7] en gedeeld met de commissarissen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . Ook heeft [verweerder 5] opgemerkt dat de certificaathouders het gevoel hebben niet of onvoldoende te worden geïnformeerd en betrokken. Daarop liet [verzoeker 4] weten dat de certificaathouders recht hebben op de voor hen noodzakelijke informatie, maar dat de bevoegdheid om (mee) te besturen bij andere organen ligt. Er is afgesproken dat de kwartaalrapportages van Steenfabriek en notulen van de STAK-vergaderingen via [verweerder 5] met de certificaathouders worden gedeeld.
Blijkens de notulen van de vergadering van het STAK-bestuur van 14 december 2020 heeft [verzoeker 3] toegelicht dat in januari 2021 in samenspraak met de bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] een profielschets voor zijn opvolger als commissaris van Steenfabriek wordt vastgesteld en dat de RvC van Steenfabriek vervolgens conform de statuten een bindende voordracht doet aan de bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . [verweerder 5] heeft in dat kader opgemerkt dat het een belangrijke positie betreft, dat naar zijn mening het STAK-bestuur een rol heeft bij die benoeming en dat externe deskundigheid voor het wervingsproces moet worden ingeschakeld. [verzoeker 3] heeft daarop geantwoord dat geen externen nodig zijn om te weten dat de statutair voorgeschreven benoemingsprocedure moet worden gevolgd.
Verder heeft [verweerder 5] over de vooraf toegestuurde begroting 2021 van Steenfabriek opgemerkt dat hij daarop een schriftelijke toelichting wenst, omdat hij met een begroting met alleen cijfers zonder enige toelichting zijn rol als informatieverstrekker aan de certificaathouders niet kan vervullen en, ten slotte, dat het goed zou zijn om de prestaties van Insinger Gilissen, die de beleggingen uitvoert, te toetsen.
Bij e-mail van 21 maart 2021 heeft [broer 2] mede namens zijn broers aan [verzoeker 4] geschreven dat zij een uitnodiging van het executive search bureau Quaestus om een bespreking over de werving van een nieuwe commissaris bij te wonen, afslaan. [broer 2] schrijft dat zij zich als grootste kapitaalverschaffers op afstand gezet voelen en dat zij overwegen een enquêteprocedure te starten. In het licht daarvan achten zij het niet zinvol om nu een dergelijk gesprek met Quaestus te voeren.
Bij e-mail van 13 april 2021 aan [verzoeker 6] en [verzoeker 3] beklaagt [verweerder 5] zich erover dat de kwaliteit van de tussentijdse kwartaalrapportage van Steenfabriek en de daarbij gevoegde toelichting het hem weer onmogelijk maken om de certificaathouders afdoende te informeren. Ook verzoekt hij onder andere de rapportage vanuit [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] over de beleggingen via Insinger Gilissen en de selectieprocedure voor een nieuwe commissaris aan de agenda voor de STAK-vergadering toe te voegen.
Bij brief van 3 mei 2021 aan het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] alsmede het bestuur van Steenfabriek en de RvC van Steenfabriek heeft [Beheersmaatschappij] haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van Steenfabriek c.s. kenbaar gemaakt.
Tijdens de bestuursvergadering van STAK van 21 juni 2021 zijn onder meer de jaarstukken 2020 van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] besproken. Naar aanleiding van een ‘preadvies van commissarissen’ van 10 juni 2021, waarin kort gezegd de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] voorstelt ruim € 5 miljoen aan dividend uit te keren (ruim € 2,5 miljoen als 30% van de winst en ruim € 2,4 miljoen vanwege het goede resultaat) en de rest van de winst over 2020 toe te voegen aan de algemene reserves, heeft [verweerder 5] in de vergadering de actualiteit en onderbouwing van het dividendbeleid van Steenfabriek ter discussie gesteld en om inzicht in de grondslag van de dividenduitkering gevraagd. [verzoeker 3] heeft daarop toegelicht dat het dividendbeleid waarbij 30% van de winst na belasting wordt uitgekeerd, al voor 1993 bestond en gehandhaafd wordt. Verder is het volgens hem nodig een buffer op te bouwen die mogelijk maakt dat Steenfabriek echt grote investeringen (zoals een nieuwe oven) doet zonder externe financiering nodig te hebben; een bedrag van € 5 miljoen laat die buffer intact.
Ten slotte stonden op verzoek van [verweerder 5] onder meer de bezwarenbrief van 3 mei 2021 en de door Quaestus opgestelde profielschets voor een commissaris geagendeerd. Beide stukken zijn niet inhoudelijk besproken, omdat, volgens de (door [verweerder 5] bekritiseerde) notulen, de stukken slechts ter kennisneming waren bijgevoegd en niet ter bespreking, de bezwarenbrief “in een ander gremium aan de orde is” en de profielschets “geen zaak is waar het STAK-bestuur over gaat”.
Op 26 juni 2021 heeft [verzoeker 7] aan [verweerder 5] een memorandum van Insinger Gilissen toegestuurd ter beantwoording van de vragen van [verweerder 5] over het benchmarken van de resultaten van de beleggingsportefeuille van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] per 31 mei 2021. Daarbij heeft [verzoeker 7] [verweerder 5] uitgenodigd voor een bijeenkomst met de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Insinger Gilissen, om naar aanleiding van de kwartaalrapportage over Q2 2021 de beleggingen te evalueren. Dit om, zo schrijft [verzoeker 7] , [verweerder 5] in staat te stellen de certificaathouders daaromtrent te informeren.
Bij brief van 29 juni 2021 heeft [verweerder 5] aan zijn medebestuurders [verzoeker 6] en [verzoeker 3] geschreven dat hij zich zorgen maakt over de gang van zaken binnen de STAK-vergadering. Hij schrijft onder meer dat hij een machtsblok ervaart, dat gevoed wordt vanuit de andere posities van zijn beide medebestuurders in de onderliggende vennootschappen (te weten [verzoeker 3] als president-commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek, en [verzoeker 6] als enig bestuurder van Steenfabriek). Ook uit hij zijn verbazing dat vergaderingen van het STAK-bestuur buiten zijn medeweten werden opgenomen en vraagt hij om een kopie van de geluidsopnames van de vergaderingen waarbij hij aanwezig is geweest. Verder schrijft hij dat op zijn vragen herhaaldelijk niet wordt ingegaan. Zo wil [verweerder 5] binnen het STAK-bestuur onder andere aan de orde stellen het rendement op de investering in zonnepanelen door Steenfabriek, de beleggingsstrategie en performance van de beleggingen door [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , het dividendbeleid, reserveringen voor toekomstige investeringen en de benoeming van nieuwe commissarissen en een nieuwe bestuurder bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , maar dat is tevergeefs: er is een sfeer van “afgepast antwoorden en liefst opschieten”, waarbinnen een open discussie niet mogelijk is en op onjuiste gronden wordt afgewezen. Deelname aan overleg met Insinger Gilissen wijst [verweerder 5] af, om te voorkomen dat hij “zelf [wordt] meegetrokken in een dubbelrol (of meerdere).”
In hun reactie van 15 juli 2021 op de brief van [verweerder 5] van 29 juni 2021 hebben [verzoeker 6] en [verzoeker 3] geschreven dat vergaderingen sinds jaar en dag worden opgenomen en dat er geen kwade opzet achter zit dat hem dit niet is meegedeeld. Zij hebben toegezegd de opnames van vergaderingen die hij heeft bijgewoond met hem te delen. Verder schrijven zij onder meer dat hun optreden in de STAK-vergaderingen niet vooraf is afgestemd, maar dat veel van de door [verweerder 5] aangehaalde onderwerpen niet behoren tot (het informatierecht van) STAK. Zo heeft STAK op grond van de statuten geen positie bij de benoeming van de nieuwe commissaris bij Steenfabriek. Ten aanzien van het dividendbeleid schrijven zij dat over het boekjaar 2020 “ruim meer dividend is uitgekeerd dan op basis van het standaard beleid het geval zou zijn”.
[verweerder 5] heeft bij e-mail van 20 juli 2021 gereageerd op de brief van 15 juli 2021. Hij schrijft daarin onder meer dat hij de reactie van [verzoeker 6] en [verzoeker 3] met betrekking tot de benoeming van een commissaris ‘te formalistisch’ vindt en wijst erop dat het STAK-bestuur wel een bevoegdheid heeft bij de benoeming van een commissaris bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] . [verweerder 5] verzoekt om overleg hierover met het STAK-bestuur.
Bij e-mail van 4 augustus 2021 schrijven [verzoeker 6] en [verzoeker 3] dat STAK slechts aandeelhouder is van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en dat het niet aan het STAK-bestuur is om op detailniveau betrokken te zijn bij of vragen te stellen over de gang van zaken binnen Steenfabriek en [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ; het STAK-bestuur krijgt al meer informatie dan waarop het strikt genomen recht heeft. Voorts schrijven zij dat de certificaathouders, om hen tegemoet te komen, eerder waren uitgenodigd om bij dit benoemingsproces betrokken te worden, maar dat zij daarvan hebben afgezien, en dat is besloten dat bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] geen nieuwe commissaris zal worden benoemd.
Bij brief van 24 augustus 2021 heeft [verweerder 5] zijn informatieverzoeken herhaald. Hij schrijft daarin onder meer dat het nieuw voor hem is dat bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] geen nieuwe commissaris ter vervanging van [verzoeker 3] wordt benoemd en vraagt naar de achtergrond van dit besluit. Ook wil [verweerder 5] weten waarom het STAK-bestuur niet betrokken is geweest bij deze besluitvorming en waarom in het document van Quaestus het doorbreken van de bestuurlijke unie niet wordt genoemd. Verder vraagt hij om diverse documenten, waaronder de notulen van de vergaderingen van de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , en om een toelichting op kennelijk bestaande investeringsplannen.
Tijdens een buitengewone algemene vergadering van Steenfabriek op 8 september 2021 heeft [verzoeker 7] namens [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] op bindende voordracht van de RvC van Steenfabriek [verzoeker 5] per 1 oktober 2021 benoemd als commissaris bij Steenfabriek. Bij brief van 16 september 2021 heeft [verzoeker 7] het STAK-bestuur hierover geïnformeerd.
In een e-mail van 20 september 2021 aan [verzoeker 6] en [verzoeker 3] heeft [verweerder 5] zijn verbazing uitgesproken over de benoeming van [verzoeker 5] en het gegeven dat zonder overleg is besloten het STAK-bestuur niet te betrekken bij deze benoeming. Hij schrijft dat deze benoeming als een verrassing kwam, mede gelet op zijn eerdere, niet beantwoorde vragen over het benoemingsproces en stelt de governance en het verbreken van de personele unie aan de orde.
In een brief van 30 september 2021 aan [verzoeker 6] en [verzoeker 3] heeft [verweerder 5] nogmaals bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken. Hij schrijft daarin onder meer:6
“(...) Jullie blokkeren als bestuurders van het STAK dat het STAK haar aandeelhoudersrechten kan uitoefenen. Het lijken me namelijk meer dan valide vragen vanuit een aandeelhouder (1) waarom het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] het beleggingsprofiel verandert en wat daaraan ten grondslag ligt, (2) waarom het mandaat van Insinger Gillissen is verdubbeld en welk (ondernemings- of investerings)plan aan het handhaven van een dergelijk vermogen ten grondslag ligt in plaats van het uitkeren van een deel van het vermogen, en (3) hoe de performance van Insinger Gillissen wordt gemeten, (4) welke rol de RvC in dit alles heeft gespeeld. Ook is het geen rare vraag van een aandeelhouder dat het rendement van een aanzienlijke investering in bijvoorbeeld zonnepanelen wordt gemeten en daarover wordt gerapporteerd. [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] als aandeelhouder zou daarnaar moeten vragen en als het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] dat nalaat dan mag het STAK het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] daarover vragen stellen. (...) Ik zie niet welk (zwaarwichtig) belang van de vennootschap zich ertegen verzet om de gevraagde informatie te verschaffen. (...)
(…)
Ook is het in mijn optiek valide dat een aandeelhouder vraagt naar en betrokken is bij (veranderingen in) het proces voor de selectie van een nieuwe commissaris, ook als het een dochter betreft. Zeker bij een aandeelhouder in een familie vennootschap als deze. Het is in mijn ogen onbestaanbaar dat de aandeelhouder achteraf wordt geïnformeerd over de benoeming van een commissaris bij de dochter van de holding. (...)”.
Bij besluit buiten vergadering van 15 oktober 2021 heeft de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] [verzoeker 7] per gelijke datum aangewezen als persoon die tijdelijk, in afwachting van een besluit van de algemene vergadering tot (her)benoeming van een bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , met het bestuur van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] is belast.
Tijdens een bestuursvergadering van STAK op 18 oktober 2021 hebben [verweerder 5] , [verzoeker 3] en [verzoeker 6] wederom gesproken over de opnames van STAK-vergaderingen. [verweerder 5] is toen meegedeeld dat alsnog werd geweigerd om hem opnames van de vergaderingen te geven. Verder heeft [verweerder 5] zijn verbazing uitgesproken over het feit dat zonder zijn medeweten mede namens STAK een verweerschrift in de onderhavige procedure is ingediend, hoewel zijn eerdere verzoeken om de bezwarenbrief en het verzoekschrift van [Beheersmaatschappij] binnen het STAK-bestuur te bespreken, waren afgewezen. Uit een transcript van de vergadering volgt verder onder meer:7
|
“[ [verzoeker 3] ] (…) |
(…) Dan gaan we naar de cijfers van het derde kwartaal |
|
[ [verweerder 5] ] |
op 19 april is toegezegd dat er voortaan ook een kwantitatieve toelichting krijgen. Die hebben we dus niet. |
|
[ [verzoeker 6] ] |
wat wil je dan? Wij hebben toen gezegd, de voorraad die hebben we erbij gezet en de orderportefeuille. |
|
[ [verweerder 5] ] (…) |
die staat er niet bij. |
|
[ [verzoeker 3] ] |
bovendien krijg je de orderportefeuille niet. |
|
[ [verweerder 5] ] |
dus terugkomend op een eerdere toezegging |
|
[ [verzoeker 3] ] |
het is geen onderwerp wat hier aan de orde hoort te komen. Jij krijgt geen orderportefeuilles. Zo simpel is dat. |
|
[ [verweerder 5] ] |
oké, dan komen we dus terug op een eerder gedane toezegging. |
|
[ [verzoeker 3] ] (…) |
dat zou best zo zijn, maar jij krijgt geen orderportefeuilles. |
|
[ [verweerder 5] ] |
(…) De hele wereld heeft het over energiekosten, zou je misschien wat meer achtergrond kunnen geven wat er nu dan gebeurt met de gasprijs, met de kostprijs en wat dat voor mogelijke effecten heeft? (…) |
|
[ [verzoeker 6] ] |
ja, de energieprijs gaat hard omhoog. We hebben alles permanent variabel dus we zullen die kosten moeten nemen. (…) Dus de kostprijs vorig jaar omlaag en nu omhoog. |
|
[ [verweerder 5] ] (…) |
en hoever is de kostprijs nu? Is er een risico dat we stil komen te liggen. Komt de kostprijs boven de verkoopprijs uit? Ik heb geen gevoel bij de situatie. |
|
[ [verzoeker 3] ] (…) |
dat soort informatie is helemaal niet aan de orde hier. |
|
[ [verweerder 5] ] |
(…) Ja ik kom ook terug op de zonnepanelen. Er is op 19 april is mij een berekening beloofd. |
|
[ [verzoeker 3] ] (…) |
Je krijgt niks over zonnepanelen. |
|
[ [verweerder 5] ] (…) |
(…) Dan met betrekking tot de aanstelling van de commissaris bij de Steenfabriek. Er is mij destijds beloofd dat wij inzicht zouden krijgen in de kandidaten alvorens ze benoemd zouden worden. Dat is niet gebeurd. |
|
[ [verzoeker 3] ] |
(…) De benoeming van de commissaris bij de Steenfabriek. Heb je niets mee te maken.” |
Tijdens de aandeelhoudersvergadering van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] op 3 november 2021 is [verzoeker 7] (ondanks de tegenstem van [verweerder 5] ), herbenoemd tot (interim)bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] voor een periode van zes maanden, derhalve tot 3 mei 2022.
2 Procesverloop
Bij verzoekschrift van 9 september 2021 heeft [Beheersmaatschappij] de OK verzocht, samengevat:
- een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek over de periode vanaf 11 december 2011;
- als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:
a. de door STAK gehouden aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] over te dragen aan een door de OK te benoemen beheerder;
b. een derde persoon te benoemen tot commissaris met doorslaggevende stem van Steenfabriek;
c. een derde persoon te benoemen tot commissaris met doorslaggevende stem van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] ;
d. of een andere voorziening te treffen die de OK juist acht;
- [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek te veroordelen in de kosten van de procedure.
Bij verweerschrift van 14 oktober 2021 heeft [Verzoekster] de OK verzocht [Beheersmaatschappij] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek voor zover dat betrekking heeft op Steenfabriek, dan wel dit verzoek af te wijzen en [Beheersmaatschappij] te veroordelen in de kosten van de procedure.
Bij verweerschrift van 28 oktober 2021 heeft [verweerder 5] de OK verzocht het verzoek van [Beheersmaatschappij] toe te wijzen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de OK van 4 november 2021. Hieraan voorafgaand hebben [Beheersmaatschappij] en [Verzoekster] elk nadere producties toegezonden. Partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Ter zitting heeft de OK beslist dat [verweerder 5] belanghebbende is in de onderhavige procedure. De OK heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van [verweerder 5] dat hij pas op 14 oktober 2021 ermee bekend werd dat het onder 2.2 hiervoor bedoelde verweerschrift mede namens STAK is ingediend. Tegen die achtergrond, en gelet op de termijn tussen indiening van het verweerschrift door [verweerder 5] en de zitting, oordeelt de OK dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde.
a. De bestreden beschikking
Op 3 februari 2022 geeft de OK de bestreden beschikking, die zij uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Daarin oordeelt de OK onder meer het volgende:
- zij verklaart [Beheersmaatschappij] (ook) ontvankelijk in haar verzoek jegens Steenfabriek (rov. 3.4);
- zij concludeert dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juiste gang van zaken van Steenfabriek c.s. (rov. 3.22 in verbinding met rov. 3.12-3.14, rov. 3.15, tweede alinea en rov. 3.18-3.21 in samenhang bezien);
- zij beveelt een onderzoek over de periode vanaf het moment - 16 oktober 2019 - dat [broer 1] terugtrad als bestuurder van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] , waarbij de kosten van het onderzoek ten laste komen van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] (rov. 3.22 en dictum);
- zij beslist dat met het oog op de toestand van Steenfabriek c.s. het treffen van onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk is (rov. 3.23-3.29 en dictum);
- zij houdt de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aan, om te bezien of al door deze te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt (rov. 3.28 en dictum).
Wat betreft de onder 2.6 hiervoor bedoelde onmiddellijke voorzieningen beslist de OK meer precies dat met onmiddellijke ingang, vooralsnog voor de duur van de procedure en voor zover nodig in afwijking van de statuten:
- een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon wordt benoemd tot commissaris, tevens voorzitter van de RvC van Steenfabriek met beslissende stem (hierna: de OK-commissaris bij Steenfabriek), wiens salaris voor rekening komt van Steenfabriek;
- [verzoeker 3] wordt geschorst, uitsluitend wat betreft zijn hoedanigheid als voorzitter van de RvC van Steenfabriek;
- een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon wordt benoemd tot commissaris, tevens voorzitter van de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] met doorslaggevende stem (hierna: de OK-commissaris bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij]), wiens salaris voor rekening komt van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] .
b. Vervolg na de bestreden beschikking
Na de bestreden beschikking geeft de OK in de onderhavige procedure nog vijf beschikkingen. Ik vat deze samen.
Beschikkingen van 14 februari 2022
Bij twee beschikkingen van 14 februari 2022 wijst de OK aan: [OK-commissaris 1] (hierna: [OK-commissaris 1]) als OK-commissaris bij Steenfabriek en [OK-commissaris 2] (hierna: [OK-commissaris 2]) als OK-commissaris bij [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] .8
Beschikking van 16 maart 2022
Bij verzoekschrift van 17 februari 2022 heeft [Verzoekster] de OK verzocht, samengevat, de getroffen onmiddellijke voorzieningen te wijzigen door:
a. de schorsing van [verzoeker 3] als voorzitter van de RvC van Steenfabriek in te trekken dan wel te beëindigen;
b. te bepalen dat de OK-commissaris bij Steenfabriek lid blijft van de RvC van Steenfabriek, maar niet de positie van voorzitter vervult.
Bij verweerschrift van 3 maart 2022 heeft [Beheersmaatschappij] de OK verzocht dit verzoek van [Verzoekster] af te wijzen. [Beheersmaatschappij] heeft ook zelf een verzoek gedaan en de OK verzocht, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als onmiddellijke voorziening voor de duur van de procedure [verzoeker 4] te schorsen in zijn hoedanigheid van commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek, althans als voorzitter van de RvC van Steenfabriek, althans de door STAK gehouden aandelen in [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] tijdelijk over te dragen ten titel van beheer, althans die voorziening(en) te treffen die de OK geraden acht; en [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek te veroordelen in de kosten van dit geding.
Bij e-mailberichten van 1 maart 2022 hebben [OK-commissaris 1] en [OK-commissaris 2] zich ter zake gerefereerd aan het oordeel van de OK.
Bij verweerschrift van 3 maart 2022 heeft [verweerder 5] de OK verzocht, samengevat, dit verzoek van [Verzoekster] af te wijzen, met veroordeling van [Verzoekster] in de kosten van dit geding en dit verzoek van [Beheersmaatschappij] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, toe te wijzen.
Bij verweerschrift van 14 maart 2022 heeft [Verzoekster] de OK verzocht dit verzoek van [Beheersmaatschappij] af te wijzen, met veroordeling van [Beheersmaatschappij] en [verweerder 5] in de kosten van dit geding.
Op 16 maart 2022 geeft de OK een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking.9 Daarin stelt zij enkele feiten vast, in aanvulling op de feiten genoemd in de bestreden beschikking (zie onder 1 hiervoor):
- Tijdens de vergadering van de RvC van Steenfabriek en de RvC van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] op 8 december 2021 is onder andere aan de orde gesteld dat [verzoeker 3] per 31 december 2021 zou terugtreden als commissaris van Steenfabriek c.s. en dat [verzoeker 4] , die tot die datum commissaris was van beide vennootschappen, hem als nieuwe voorzitter van de RvC van Steenfabriek opvolgt (rov. 2.2).
- Op 8 februari 2022 is [verzoeker 3] uitgeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: het Handelsregister) als commissaris van [Beheer- en Beleggingsmaatschappij] en Steenfabriek en als bestuurder C van STAK, onder gelijktijdige inschrijving van [verzoeker 4] als bestuurder C van STAK (rov. 2.3).
- Op 17 februari 2022 is [OK-commissaris 1] in het Handelsregister ingeschreven als bestuurder C en voorzitter van STAK (rov. 2.4).
Daarin overweegt de OK verder onder meer als volgt:
“3. De gronden van de beslissing
(…)
Bij beschikking van 3 februari 2022 heeft de Ondernemingskamer [verzoeker 3] , uitsluitend wat betreft zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek, geschorst onder de gelijktijdige benoeming van een nader bekend te maken derde als voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek met beslissende stem, die uit hoofde van de statuten qualitate qua tevens zal fungeren als bestuurder C en voorzitter van STAK. Dat als wenselijk gevolg van deze onmiddellijke voorzieningen tevens de samenstelling van het bestuur van STAK wordt geraakt, volgt uit de beschikking en is ter zitting met partijen besproken (zie rov. 3.23 en 3.24).
Inmiddels is gebleken dat in de periode tussen de mondelinge behandeling van de inleidende verzoeken op 4 november 2021 en de beschikking van 3 februari 2022 in de vergadering van de raad van commissarissen van Steenfabriek op 8 december 2021 aan de orde is gesteld dat [verzoeker 3] per 31 december 2021 zou terugtreden en dat [verzoeker 4] hem als nieuwe voorzitter van de raad van commissarissen opvolgt, welke wijzigingen op 8 februari 2022 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn verwerkt. Over de vraag of [verzoeker 3] op de datum van de beschikking al was afgetreden als commissaris van Steenfabriek c.s. verschillen partijen van mening. [Beheersmaatschappij] en [verweerder 5] houden er rekening mee dat [verzoeker 3] op 3 februari 2022 nog niet was afgetreden, zodat [verzoeker 3] bij die beschikking daadwerkelijk is geschorst als voorzitter. Het verzoek van [Verzoekster] berust op de veronderstelling dat [verzoeker 4] fungerend voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek is. Daarvan uitgaande, strekt het verzoek ertoe een einde te maken aan de als onwenselijk betitelde situatie waarin er twee voorzitters van de raad van commissarissen van Steenfabriek zijn.
Uit de beschikking van 3 februari 2022 blijkt dat de door de Ondernemingskamer benoemde commissaris van Steenfabriek zou fungeren als (enige) voorzitter van de raad van commissarissen en dat deze commissaris daarmee tevens de (enige) bestuurder C en (enige) voorzitter van STAK zou zijn. In de beschikking van 3 februari 2022 ligt dan ook onmiskenbaar besloten dat de op dat moment fungerende voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek met ingang van die datum is geschorst. Dat wordt niet anders indien de raad van commissarissen zelf ervoor heeft gekozen in de tussentijd een nieuwe voorzitter aan te wijzen. De Ondernemingskamer stelt niettemin vast dat op dit moment tussen partijen kennelijk onduidelijkheid bestaat over de samenstelling van de raad van commissarissen van Steenfabriek en daarmee van het bestuur van STAK, en dat dit niet in het belang van Steenfabriek c.s. is. De Ondernemingskamer zal daarom duidelijkheidshalve verstaan en in het dictum vastleggen dat [verzoeker 4] bij wijze van onmiddellijke voorziening met ingang van 3 februari 2022 is geschorst in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek. Dit leidt ertoe dat [OK-commissaris 1] met ingang van 3 februari 2022 de (enige) voorzitter van de raad van commissarissen van Steenfabriek is en daarmee qualitate qua tevens bestuurder C van STAK is. Het verzoek van [Verzoekster] zal de Ondernemingskamer derhalve afwijzen.
(…)
4 De beslissing
De Ondernemingskamer:
verstaat dat [verzoeker 4] bij wijze van onmiddellijke voorziening met ingang van 3 februari 2022 en vooralsnog voor de duur van de procedure is geschorst, uitsluitend wat betreft zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van commissarissen van [Steenfabriek, A-G] en niet als hoedanigheid van commissaris van [Steenfabriek, A-G];
(…).”
Beschikking van 8 juni 2022
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 8 juni 2022 wijst de OK op verzoek van [Beheersmaatschappij] een onderzoeker aan, te weten mr. F.D. Stibbe.10
Beschikking van 27 juli 2022
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 27 juli 2022 stelt de OK het onderzoeksbudget vast op € 120.000,-- (exclusief btw).11
In cassatie
Bij procesinleiding van 3 mei 2022 hebben Verzoekers tot cassatie (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep richt zich tegen de bestreden beschikking en “[z]ekerheidshalve” ook tegen de beschikkingen van de OK van 14 februari 2022 en 16 maart 2022.12
[Beheersmaatschappij] heeft op 25 juli 2022 een verweerschrift ingediend.