Home

Parket bij de Hoge Raad, 13-10-2023, ECLI:NL:PHR:2023:911, 22/03229

Parket bij de Hoge Raad, 13-10-2023, ECLI:NL:PHR:2023:911, 22/03229

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 oktober 2023
Datum publicatie
7 november 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:911
Formele relaties
Zaaknummer
22/03229

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Rechtspersonenrecht. Verbintenissenrecht. Coöperatie. Art. 23 Rv. Art. 2:27 lid 4, aanhef en sub c en 2:34a jo. 2:53a lid 1 BW. Art. 6:119a BW. Uitleg van vorderingen. (Terug)betaling van transactiesom. Wettelijke handelsrente. Samenhang met 22/04861.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/03229

Zitting 13 oktober 2023

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak

[eiser] (hierna: [eiser])

tegen

Drents Overijsselse Coöperatie Kaas U.A. (hierna: DOC Kaas)

Inleiding

In deze zaak gaat het om de verhouding tussen een melkveehouder ( [eiser] ) en een zuivelcoöperatie (DOC Kaas).

DOC Kaas heeft [eiser] lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd. In het kader van de beëindiging van het lidmaatschap heeft DOC Kaas het aan [eiser] toekomende melkgeld verrekend met een uittredingsvergoeding en met een, volgens DOC Kaas, door [eiser] aan haar terug te betalen transactiesom.In cassatie klaagt [eiser] onder meer dat in hoger beroep, inzake de verrekening van het melkgeld met de transactiesom, niet een primaire maar een subsidiaire vordering van hem had moeten worden toegewezen (tot een hoger bedrag). Ik zie het principale cassatieberoep van [eiser] alleen op dit punt slagen.

DOC Kaas richt in haar incidentele cassatieberoep klachten tegen de beoordeling in hoger beroep van de vorderingen die betrekking hebben op de door haar aan [eiser] uitgekeerde transactiesom en de nietigheid van een terugbetalingsbepaling uit het huishoudelijk reglement. Ook klaagt zij erover dat een bepaald bedrag is vermeerderd met de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW. M.i. zonder succes.

Voor een deel spelen in het incidentele cassatieberoep in deze zaak dezelfde vraagpunten die DOC Kaas aan de orde stelt in haar principale cassatieberoep in een andere zaak, die bij de Hoge Raad bekend is onder 22/04861 en waarin ik vandaag tevens concludeer. De zaken zijn op de rol gevoegd.

1 Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.20 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2022 (hierna: het arrest).1

1.1

DOC Kaas is een zuivelcoöperatie en heeft het statutaire doel om te voorzien in de stoffelijke behoeften van haar leden. Deze leden leveren melk aan DOC Kaas, die deze melk tot kaas verwerkt, waarbij de coöperatie streeft naar een zo hoog mogelijke melkprijs voor haar leden. [eiser] exploiteert in Duitsland een landbouwbedrijf met onder meer 500 melkkoeien.

1.2

In de periode juni 2010 t/m 31 december 2014 leverde [eiser] op basis van een leveringsovereenkomst de melk van zijn koeien aan DOC Kaas Milchprodukte GmbH (een 100% dochter van DOC Kaas, hierna: Milchprodukte). [eiser] was in deze periode geen lid van de zuivelcoöperatie.

1.3

In deze periode heeft [eiser] , met instemming van Milchprodukte, zijn bedrijf driemaal verpacht aan een derde. Deze derde is de melk blijven leveren aan Milchprodukte. Het bedrijf van [eiser] leverde op die wijze gemiddeld zo’n 350.000 kilo melk per maand.

1.4

[eiser] is op 1 januari 2015 lid geworden van DOC Kaas, in welk kader partijen een lidmaatschapsovereenkomst getekend hebben. Leden van DOC Kaas zijn, naast de bepalingen uit de ledenovereenkomst, gebonden aan de statuten van DOC Kaas (hierna: de Statuten) en haar huishoudelijk reglement.

1.5

Als lid van de zuivelcoöperatie leverde [eiser] zijn melk niet langer op basis van een leveringsovereenkomst, maar op basis van de lidmaatschapsovereenkomst en de Statuten. Ter uitvoering van de verplichtingen uit het lidmaatschap van DOC Kaas werd feitelijk melk aan DOC Kaas geleverd, maar vond de formele levering plaats aan Milchprodukte als aangewezen derde in de zin van art. 14 lid 1 Statuten. Ook de facturatie en betalingen voor de geleverde melk werden, net als in de periode voordat [eiser] zich bij de coöperatie aansloot, steeds vanuit Milchprodukte verricht.

1.6

Art. 14 lid 1-2 Statuten luiden als volgt:

"1. De leden zijn verplicht en gerechtigd alle in hun bedrijf/bedrijven binnen het werkgebied van de coöperatie gewonnen melk die voldoet aan de daaraan door of vanwege de coöperatie gestelde kwaliteitseisen, met uitzondering van de hoeveelheid die voor onmiddellijk eigen gebruik nodig is, te leveren aan de coöperatie dan wel aan een door haar aangewezen derde.

2. Met betrekking tot de verplichting, in het eerste lid genoemd, kan het bestuur, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, ontheffing verlenen (...)".

1.7

In het voorjaar van 2015 hebben de leden van DOC Kaas ingestemd met een fusie tussen DOC Kaas en de Duitse zuivelcoöperatie DMK. Die fusie is per 1 april 2016 geëffectueerd. Onderdeel van het aan de leden van DOC Kaas voorgelegde en door hen goedgekeurde fusievoorstel was dat aan de leden van DOC Kaas in verband met de fusie een zogeheten transactiesom, oftewel een extra uitbetaling, zou worden uitgekeerd (hierna: de transactiesom). Aan [eiser] zijn in dat verband eind april 2016 en eind juli 2016 tranches van de transactiesom betaald, in totaal € 109.849,75.

1.8

In verband met de vanwege de fusie uit te keren transactiesom is in het per 1 januari 2016 geldende huishoudelijk reglement van DOC Kaas (hierna: het HR) een art. 11 opgenomen, waarvan lid 4 luidt:

“Een lid dat voor 31 december 2018 zijn lidmaatschap van de coöperatie beëindigt (op welke wijze dan ook), of een lid dat voor 31 december 2018 ophoudt conform de reglementen van en overeenkomsten met de coöperatie melk te leveren aan de coöperatie, dient reeds ontvangen tranches van de transactiesom aan de coöperatie terug te betalen. Deze terugbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van overmacht of indien het lid opzegt wegens bedrijfsbeëindiging en hij zijn bedrijf vervolgens ook definitief beëindigt. De coöperatie kan deze betalingsverplichting verrekenen met al hetgeen de coöperatie uit welken hoofde dan ook verschuldigd is aan het (oud) lid”.

1.9

Op 30 juni 2016 heeft tussen [eiser] en DOC Kaas een gesprek plaatsgevonden, waarin [eiser] heeft aangegeven een deel van zijn melkveebedrijf te gaan verpachten als gevolg waarvan nog maar 5% van zijn melkproductie aan Milchprodukte geleverd zou gaan worden. DOC Kaas heeft de pachtovereenkomst opgevraagd en aangegeven niet te kunnen instemmen met de pachtconstructie.

1.10

[eiser] heeft op 28 juli 2016 aan DOC Kaas laten weten per 1 augustus 2016 aanmerkelijk minder melk te gaan leveren, omdat hij een deel van zijn melkveebedrijf ging verpachten.

1.11

In de periode van 1 augustus 2016 t/m 31 december 2016 heeft [eiser] een deel van zijn melkveebedrijf (met inbegrip van 450 melkgevende koeien) verpacht aan [de pachter] (hierna: de pachter). DOC Kaas heeft geen (ook later niet) toestemming aan deze verpachting gegeven. De pachtconstructie is wegens de gezondheidstoestand van de pachter beëindigd.

1.12

In de periode direct voorafgaand aan en tijdens de verpachting van een deel van het melkveebedrijf was de melkprijs erg laag en bood DOC Kaas een melkprijs die relatief aan de lage kant was.

1.13

Als gevolg van de verpachting hield [eiser] nog enkele tientallen eigen melkkoeien over. In de periode dat [eiser] een deel van zijn melkveebedrijf verpachtte, leverde [eiser] nog ongeveer 1.100 kilo melk per twee dagen, in plaats van 26.000 kilo. Gedurende de pachtrelatie leverde de pachter haar melk niet aan Milchprodukte, maar aan [A] GmbH (hierna: [A]), een aan de Duitse zuivelcoöperatie DMK gelieerde vennootschap.

1.14

Per brief van 4 augustus 2016 heeft DOC Kaas [eiser] gesommeerd alle in het melkveebedrijf geproduceerde melk, inclusief die in het verpachte bedrijf, aan Milchprodukte te leveren.

1.15

In kort geding heeft DOC Kaas bij de voorzieningenrechter gevorderd dat [eiser] zou worden veroordeeld tot volledige nakoming van zijn leveringsverplichting, in die zin dat ook de melk van het verpachte melkveebedrijf aan Milchprodukte geleverd zou worden. Bij vonnis in kort geding van 14 oktober 2016 is deze vordering afgewezen.2

1.16

DOC Kaas heeft per brief van 15 november 2016 het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang opgezegd op grond van art. 10 lid 1 sub f Statuten.

1.17

Art. 10 lid 1 sub f Statuten luidt, voor zover van belang:

"Opzegging van het lidmaatschap door de coöperatie geschiedt door het bestuur en kan plaatshebben wanneer:

(...)

f. redelijkerwijs van de coöperatie niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren".

1.18

Verder is in art. 13 lid 1 Statuten bepaald:

"Het A-lid van wie het lidmaatschap, anders dan door overlijden van het lid natuurlijke persoon, is geëindigd, is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van het bestuur een uittredingsvergoeding aan de coöperatie te betalen. De uittredingsvergoeding bedraagt vier procent (4%) van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de vijf (5) voorafgaande boekjaren, of bij korter lidmaatschap gemiddeld per jaar van de volle duur van het lidmaatschap, van de coöperatie heeft ontvangen. Indien een lid met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste één jaar opzegt, is geen uittredingsvergoeding verschuldigd".

1.19

In het kader van de beëindiging van het lidmaatschap heeft DOC Kaas € 157.510,24 verrekend met het melkgeld van [eiser] . Dit bedrag bestaat uit een uittredingsvergoeding van € 47.660,49 en uit de aan DOC Kaas terug te betalen transactiesom van € 109.849,75. Het saldo van de melkgeldrekening van [eiser] bedroeg op het moment van beëindigen van het lidmaatschap € 152.106,11.

1.20

In of omstreeks september 2018 heeft DOC Kaas na verkregen verlof conservatoir derdenbeslag gelegd onder VR Bank Westmünsterland eG (hierna: VR Bank) en [A] . Deze beslagen zijn op 15 januari 2020 opgeheven.

2 Procesverloop

2.1

Bij exploot van 31 juli 2017 heeft [eiser] DOC Kaas gedagvaard. [eiser] vordert, verkort weergegeven:

primair:

I. het besluit van het bestuur van DOC Kaas van 15 november 2016 nietig te verklaren;

II. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 26.756,53, met wettelijke handelsrente;

subsidiair:

III. voor recht te verklaren dat DOC Kaas onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de opzegging van zijn lidmaatschap;

IV. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 152.106,11 met wettelijke handelsrente;

V. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.000,--, met wettelijke handelsrente;

meer subsidiair:

VI. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.283,12, met wettelijke handelsrente;

zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

VII. DOC Kaas te veroordelen in de buitengerechtelijke (incassokosten) van € 1.042,56, met wettelijke rente;

VIII. DOC Kaas te veroordelen in de proceskosten en tot betaling van de nakosten;

IX. althans zodanige uitspraak te doen als de rechtbank juist acht.

2.2

Op 18 oktober 2017 heeft DOC Kaas een conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie genomen.

2.3

[eiser] heeft op 13 december 2017 gerepliceerd in conventie en op 3 januari 2018 voor antwoord geconcludeerd in reconventie.

2.4

Op 24 januari 2018 heeft DOC Kaas gedupliceerd in conventie en gerepliceerd in reconventie.

2.5

Op 7 maart 2018 heeft [eiser] gedupliceerd in reconventie.

2.6

DOC Kaas heeft bij akte van 21 juni 2018 haar eis in reconventie gewijzigd, waarna zij - samengevat - vordert:

1) betaling van € 5.404,13, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 november 2016;

2) terugbetaling van € 267.665,92 aan onverschuldigd betaalde USt,3 vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van iedere afzonderlijke betaling;

3) vergoeding van de door DOC Kaas geleden schade, bestaande uit € 43.502,00 aan betaalde belastingrente, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 april 2018;

4) betaling van € 645,21 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5) vergoeding van de proceskosten.

2.7

Op 22 juni 2018 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en verzocht om een akte/conclusie van bezwaar en een akte van (voorwaardelijke) eiswijziging in conventie te mogen nemen. Op 25 juni 2018 heeft DOC Kaas gereageerd op dit bezwaar en verzoek.

2.8

Op 5 juli 2018 heeft een comparitiezitting plaatsgevonden, waarbij partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. De eiswijziging van DOC Kaas is toegestaan.4 Van de comparitiezitting is proces-verbaal opgemaakt.

2.9

Op 31 juli 2018 heeft [eiser] een antwoordakte wijziging van eis in reconventie genomen, tevens akte van (voorwaardelijke) wijziging van eis in conventie. Die voorwaardelijke eis houdt in een vordering tot overlegging van gecorrigeerde melkgeldafrekeningen.

2.10

Op 29 augustus 2018 heeft DOC Kaas een antwoordakte genomen.

2.11

Bij vonnis van 2 januari 20195 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) de zaak verwezen naar de rol van 30 januari 2019, voor een door [eiser] te nemen akte ter verduidelijking van hetgeen zijn advocaat ter zitting heeft aangevoerd over “de verschuldigdheid van de transactievergoeding”. Waarbij [eiser] zich tevens mag uitlaten of dat standpunt gevolgen heeft voor de gevorderde bedragen.

2.12

[eiser] heeft zijn eis wederom gewijzigd bij akte na tussenvonnis tevens wijziging van eis in conventie van 27 maart 2019, in de zin dat [eiser] zijn vordering als volgt heeft uitgebreid:

I. DOC Kaas te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] door Milchprodukte gecorrigeerde facturen te verstrekken over de periode dat [eiser] leverancier was van Milchprodukte, althans DOC Kaas, alsmede over de periode dat [eiser] lid was van DOC Kaas, zijnde (in totaal) de periode januari 2010 t/m november 2016, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter grootte van € 1.000,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat DOC Kaas aan deze veroordeling niet voldoet, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;

II. te verklaren voor recht dat DOC Kaas aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige beslaglegging, nader op te maken bij staat;

III. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.569,94, vermeerderd met de Duitse wettelijke rente van 5% boven het Basiszinssatz vanaf 27 maart 2019, althans vanaf de dag van de uitspraak van het in dit geschil te wijzen eindvonnis, tot aan de dag van volledige betaling;

IV. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.907,41, vermeerderd met de Duitse wettelijke rente van 5% boven het Basiszinssatz, vanaf 27 maart 2019, althans vanaf de dag van uitspraak van het in dit geschil te wijzen eindvonnis, tot aan de dag van volledige betaling;

V. de op 28 september 2019 namens DOC Kaas ten laste van [eiser] gelegde conservatoire derdenbeslagen, gelegd onder VR Bank en [A] , op te heffen, dan wel vervallen te verklaren, althans DOC Kaas te veroordelen om binnen 48 uren na betekening van het in deze te wijzen vonnis voornoemd conservatoir beslagen op te (doen) heffen, dan wel te doen doorhalen op straffe van verbeurte van een dwangsom ter grootte van € 10.000,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat het beslag nog niet is opgeheven, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht.

2.13

Op 5 juni 2019 heeft DOC Kaas een antwoordakte genomen, tevens eiswijziging in reconventie. Na deze wijziging vordert DOC Kaas in reconventie:

1) betaling van € 5.404,13, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 november 2016;

2) betaling van € 645,21 aan buitengerechtelijke incassokosten ter zake het sub 1) gevorderde;

3) terugbetaling van € 270.973,27 aan onverschuldigd betaalde USt, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van iedere afzonderlijke betaling;

4) vergoeding van de door DOC Kaas geleden schade, bestaande uit € 43.502,-- aan betaalde belastingrente, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 april 2018;

5) betaling van € 3.347,88 aan buitengerechtelijke incassokosten ter zake het sub 3) en 4) gevorderde;

6) veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

2.14

Op 3 juli 2019 heeft [eiser] een akte genomen, tevens antwoordakte eiswijziging in reconventie.

2.15

De rechtbank heeft partijen per brief van 16 augustus 2019 geïnformeerd dat een rechterswisseling heeft plaatsgevonden. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de in de brief geboden mogelijkheid van een nadere mondelinge behandeling.

2.16

Op 11 september 2019 heeft de rechtbank vonnis6 gewezen (hierna: het eindvonnis).

2.17

De rechtbank heeft daarbij, zakelijk weergegeven:

in conventie:

- DOC Kaas veroordeeld:

(i) aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.283,12, vermeerderd met de ‘reguliere’ wettelijke rente van art. 6:119 BW vanaf 15 november 2016;

(ii) binnen 14 dagen na het vonnis gecorrigeerde facturen over de jaren 2015 en 2016 te verschaffen aan [eiser] , versterkt met een dwangsom;

(iii) in de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.042,56;

- voor recht verklaard dat DOC Kaas aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige beslaglegging, nader op te maken bij staat;

in reconventie:

- [eiser] veroordeeld:

(i) tot terugbetaling aan DOC Kaas van een bedrag van € 67.475,56, vermeerderd met “de wettelijke rente” (kennelijk: van art. 6:119 BW) vanaf iedere afzonderlijke betaling;

(ii) in de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.042,56.

In conventie is hetgeen is toegewezen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waarbij de rechtbank kennelijk doelde op de veroordelingen sub (i)-(iii) van DOC Kaas. Zowel in conventie als in reconventie is het meer of anders gevorderde afgewezen en heeft de rechtbank de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

2.18

Het bedrag van € 12.283,12 tot betaling waarvan DOC Kaas in conventie is veroordeeld, betreft het melkgeld waarop [eiser] nog recht had. DOC Kaas had bij de verrekening een te hoog bedrag aan uittreedvergoeding in aanmerking genomen.

In hoger beroep

2.19

Bij dagvaarding van 25 november 2019 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld van het tussenvonnis en het eindvonnis.

2.20

Op 12 mei 2020 heeft [eiser] , bij memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis, gevorderd het tussenvonnis en het eindvonnis te vernietigen. En, na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. het besluit van het bestuur van DOC Kaas van 15 november 2016 nietig te verklaren, althans te vernietigen;

II. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 26.756,53 aan melkgeld, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

III. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 1.056,35 aan melkgeld (factuur december 2017), vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 31 december 2017, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

IV. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 12.396,72 aan extra transactievergoeding, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

subsidiair:

V. voor recht te verklaren dat DOC Kaas onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de opzegging van zijn lidmaatschap;

VI. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 152.106,11 aan melkgeld, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

VII. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 1.056,35 aan melkgeld (factuur december 2017), vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 31 december 2017, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

VIII. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 12.396,72 aan extra transactievergoeding, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

meer subsidiair:

IX. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 12.283,12 aan uittreedvergoeding, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;

in alle gevallen:

X. te verklaren voor recht dat DOC Kaas aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige beslaglegging;

XI. DOC Kaas te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 118.493,80, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW althans ‘reguliere’ wettelijke rente van art. 6:119 BW, vanaf 27 september 2018, althans vanaf 25 november 2019, althans vanaf het in deze te wijzen arrest, tot aan de dag van volledige betaling, althans partijen te verwijzen naar de schadestaatprocedure;

XII. DOC Kaas te veroordelen tot terugbetaling aan [eiser] van € 5.809,88 (aan rente over Umsatzsteuer) die ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg door [eiser] aan DOC Kaas is voldaan, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf het moment dat de betaling aan DOC Kaas heeft plaatsgevonden tot aan de dag dat de terugbetaling plaatsvindt;

XIII. DOC Kaas te veroordelen in de buitengerechtelijke (incasso)kosten van € 1.042,56, vermeerderd met ‘reguliere’ wettelijke rente van art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding, althans vanaf de dag van uitspraak, tot aan de dag van volledige betaling;

XIV. DOC Kaas te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, met inbegrip van nakosten en wettelijke rente daarover;

XV. althans zodanige uitspraak te doen als het gerechtshof juist acht.

2.21

DOC Kaas heeft met haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van 8 september 2020 eveneens vernietiging van het eindvonnis gevorderd. Ook vordert DOC Kaas dat haar vorderingen, voor zover door de rechtbank afgewezen, alsnog worden toegewezen. Met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

2.22

Op 17 november 2020 heeft [eiser] een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen, gevolgd door een akte zijdens [eiser] van 5 januari 2021.

2.23

Op 26 januari 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) een meervoudige mondelinge behandeling gelast.7

2.24

Op 18 januari 2022 heeft die mondelinge behandeling plaatsgevonden.8 [eiser] heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.25

Op 31 mei 2022 heeft het hof het arrest gewezen. Het hof heeft daarin het tussenvonnis en het eindvonnis vernietigd. En, opnieuw recht doende:

- DOC Kaas veroordeeld tot betaling aan [eiser] van ten onrechte met de transactiesom verrekend melkgeld ten belope van € 26.756,53, vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 15 november 2016 tot aan de dag van volledige betaling;

- DOC Kaas veroordeeld tot terugbetaling aan [eiser] van teveel ontvangen uittreedvergoeding ten belope van € 12.283,12, vermeerderd met ‘reguliere’ wettelijke rente van art. 6:119 BW vanaf 15 november 2016 tot aan de dag van volledige betaling;

- voor recht verklaard dat DOC Kaas aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade vanaf het moment van weigering door DOC Kaas van de aan haar door [eiser] aangeboden zekerheid ter vervanging van de beslaglegging;

- DOC Kaas veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 1.056,35 aan melkgeld (factuur december 2017), vermeerderd met wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW vanaf 31 december 2017 tot aan de dag van volledige betaling;

- DOC Kaas veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 1.042,56 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten;

- [eiser] veroordeeld tot betaling aan DOC Kaas van € 1.042,56 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten;

- de gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de zaak verwezen naar de rol van 30 mei 2023 voor akte uitlaten door partijen als omschreven in rov. 5.26 en 5.30;9

- iedere verdere beslissing aangehouden.

In cassatie

2.26

Bij procesinleiding van 30 augustus 2022 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.

2.27

Aan DOC Kaas is verstek verleend, dat zij op 5 januari 2022 heeft gezuiverd. Op diezelfde dag heeft DOC Kaas ingediend een incidentele vordering tot voeging, tevens verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep.

2.28

Het incident tot voeging kan verder onbesproken blijven, nu dit later is ingetrokken onder de voorwaarde dat de zaak op de rol zou worden gevoegd met een cassatieprocedure tussen DOC Kaas en 63 melkveehouders, bij de Hoge Raad bekend onder 22/04861. Die voorwaarde is vervuld: rolvoeging heeft plaatsgevonden.10

2.29

Op 3 februari 2023 heeft [eiser] een verweerschrift ingediend in het incidenteel cassatieberoep.

2.30

Op 2 juni 2023 hebben [eiser] en DOC Kaas hun stellingen schriftelijk doen toelichten, op 16 juni 2023 gevolgd door re- en dupliek.

3 Bespreking van het principale cassatiemiddel van [eiser]

3.1

Het principale cassatiemiddel van [eiser] bestaat uit een inleiding (zonder klachten) en vier onderdelen met klachten.

Onderdelen 1-2

3.2

De onderdelen 1-2 richten zich - kort gezegd - tegen rov. 5.18 van het arrest wat betreft Vordering V. van [eiser] , alsmede tegen rov. 5.22 en tegen de daarop voortbouwende beperkte toewijzing in het dictum, tweede gedachtestreepje. De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3

Voor een goed begrip citeer ik eerst uit rov. 5.18-5.23 en het dictum van het arrest.

Kon DOC Kaas in redelijkheid het lidmaatschap van [eiser] opzeggen?(...)5.18 Gelet op dit een en ander komt ook het hof tot het oordeel dat DOC Kaas in redelijkheid heeft kunnen besluiten het lidmaatschap van [eiser] van de coöperatie met onmiddellijke ingang te beëindigen. De grieven 2 tot en met 7 van [eiser] falen derhalve. Om die reden zijn de vorderingen I en V van [eiser] niet toewijsbaar.

Mocht DOC Kaas de transactiesom verrekenen met aan [eiser] toekomend melkgeld?

5.19

Met het voorgaande is echter nog niet geoordeeld over de gevolgen van beëindiging van het lidmaatschap van [eiser] . DOC Kaas meent dat zij vanwege die beëindiging gerechtigd was om de in het kader van de fusie met DMK aan [eiser] uitgekeerde transactiesom van hem terug te vorderen en deze met het nog aan [eiser] verschuldigde melkgeld te verrekenen. [eiser] bestrijdt met de grieven 8 en 9 op meerdere gronden het oordeel van de rechtbank dat de transactiesom inderdaad door DOC Kaas kon worden teruggevorderd en verrekend. Hij vordert het verrekende bedrag aan transactiesom daarom terug van DOC Kaas.

5.20

Het hof stelt hierbij voorop dat Milchprodukte een aan DOC Kaas gelieerde vennootschap is via welke Duitse vennootschap de facturering en de betalingen van het melkgeld verliep en dat partijen niet van mening verschillen dat [eiser] als (voormalig) lid van de coöperatie DOC Kaas rechtstreeks op betaling van melkgeld kan aanspreken en dat DOC Kaas vorderingen van [eiser] met verschuldigd melkgeld mag verrekenen. In de uitvoering van wederzijdse aanspraken met betrekking tot het melkgeld zal een en ander, zoals partijen gewend waren, via Milchprodukte formeel worden afgewikkeld. Vanuit dit uitgangspunt van partijen beoordeelt het hof de vorderingen.

5.21

Een van de door [eiser] (in eerste aanleg) aangevoerde gronden is dat de bepaling in artikel 11 lid 4 van het huishoudelijk reglement een statutaire basis mist en derhalve nietig is. Het hof is het daarmee eens. Uit de artikelen 2:27 lid 4 sub c. en 2:34a BW jo. artikel 2:53a BW volgt dat de uit het lidmaatschap van een coöperatie voortvloeiende verplichtingen en verbintenissen bij of krachtens de statuten aan de leden kunnen worden opgelegd. Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verplichtingen en verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Is een besluit van een orgaan van de vereniging waarbij een verbintenis aan de leden wordt opgelegd niet op de statuten gegrond, dan is het nietig en bindt het de leden niet.11 De verbintenis om de ontvangen transactiesom terug te betalen indien een lid stopt met het leveren van melk aan de coöperatie vloeit uit het lidmaatschap voort en behoeft dus een statutaire basis. Nu DOC Kaas ook op vragen van het hof niet duidelijk heeft gemaakt waar die basis in de statuten van DOC Kaas kan worden gevonden, moet de slotsom luiden dat deze er niet is en dat artikel 11 lid 4 voornoemd een nietige bepaling is.

5.22

Gevolg van het voorgaande is dat DOC Kaas de aan [eiser] uitgekeerde transactiesom niet mocht verrekenen met het nog aan [eiser] verschuldigde bedrag aan melkgeld. In zoverre slagen de grieven 8 en 9 van [eiser] en zal DOC Kaas worden veroordeeld tot betaling van wat ten onrechte is verrekend, zij het binnen de grenzen van wat in hoger beroep met vordering II is gevorderd. Ter toelichting hierop merkt het hof op dat weliswaar vordering VI een hoger bedrag vermeldt, maar vanwege het subsidiaire karakter van die vordering wordt aan toewijzing daarvan door het hof niet toegekomen. Het hof dient immers op de voet van artikel 23 Rv de rangorde van de vorderingen, zoals die aan hem is gepresenteerd, in acht te nemen. Nu de coöperatieve lidmaatschapsverhouding tussen [eiser] en DOC Kaas de grondslag vormt voor het gevorderde en een dergelijke verhouding in een zaak als de onderhavige naar het oordeel van het hof mede onder de reikwijdte van het begrip ‘handelsovereenkomst’ kan worden geschaard, zal over het toe te wijzen bedrag de wettelijke handelsrente worden toegewezen.

5.23

Wat partijen in het kader van het voorgaande verder hebben aangevoerd kan, gelet op het oordeel van het hof, verder onbesproken blijven.

(...)

7 De beslissing

4 Bespreking van het incidentele cassatiemiddel van DOC Kaas

5 Conclusie