Parket bij de Hoge Raad, 11-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1064, 23/04966
Parket bij de Hoge Raad, 11-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1064, 23/04966
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2024
- Datum publicatie
- 7 november 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:1064
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1803
- Zaaknummer
- 23/04966
Inhoudsindicatie
Ondernemingsrecht. Faillissementsrecht. Curator van failliete vennootschap onder firma spreekt vennoten aan, volgens hof in de kern: (i) tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door wijze waarop vennoten 'de vof hebben bestuurd' (Peeters q.q./Gatzen-actie); en (ii) tot aanzuivering van negatieve kapitaalstanden op grond van art. 33 WvK (subsidiair: schadevergoeding op grond van onrechtmatige selectieve betaling). Hof wijst vorderingen af. Klachten: ten onrechte geen aanvulling van rechtsgronden (art. 18 WvK); miskenning van werking van Peeters q.q./Gatzen-actie; miskenning van maatstaf voor administratieplichtschending (art. 3:15i BW); ten onrechte passeren van bewijsaanbod; miskenning van maatstaf voor toelaatbaarheid van (selectieve) onttrekkingen; motiveringsklachten.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04966
Zitting 11 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
N.J.H. Leferink, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap onder firma CareFree Twente (hierna: de curator)
tegen
1 [vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] )
2. [vennoot 2] (hierna: [vennoot 2])
(hierna gezamenlijk: de vennoten)
Inleiding
De vennootschap onder firma CareFree Twente (hierna: de vennootschap) hield zich bezig met zorg en verpleging, die zij namens cliënten declareerde. Zij is gefailleerd nadat aan haar betaalde gelden (in totaal ongeveer € 750.000) werden teruggevorderd wegens onregelmatigheden, onder andere op het vlak van declaraties en de kwaliteit van de zorg. De curator heeft vorderingen ingesteld tegen de vennoten, mede op basis van een Peeters q.q./Gatzen-actie. In hoger beroep zijn, anders dan in eerste aanleg, de vorderingen van de curator afgewezen. Daartegen komt de curator in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1-3.9 van het bestreden arrest1 (hierna: het arrest).
Op 1 mei 2017 hebben de vennoten de vennootschap opgericht. Zij verleende diensten als thuiszorg, persoonlijke zorg en huishoudelijke hulp aan mensen met een migratieachtergrond.
Op basis van een akte van cessie declareerde de vennootschap de ten behoeve van cliënten verleende zorg en verpleging bij de (zorg)verzekeraar, met name Menzis. Menzis heeft vanaf december 2018 een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van door de vennootschap gedeclareerde zorg en verpleging. Vanaf dat moment heeft Menzis haar betalingen aan de vennootschap opgeschort. Menzis is tot de conclusie gekomen dat sprake is van meerdere onregelmatigheden, waaronder dat meer zorg is gedeclareerd dan geleverd en dat kwalitatief onvoldoende zorg is geleverd. Zij heeft in een brief van 27 mei 2019 op grond daarvan over 2017 en 2018 90% van de betaalde bedragen teruggevorderd, te weten € 608.605,95. Ook heeft Menzis geen betalingen meer aan de vennootschap gedaan.
Eind februari 2019 is de vennootschap een raamovereenkomst aangegaan met veertien Twentse gemeenten (hierna: Samen14). In die overeenkomst is bepaald dat de samenwerking is gestart per 1 januari 2019. Op 16 januari 2019 is Samen14, onder leiding althans op initiatief van toezichthouders van de gemeente Enschede, een onderzoek gestart naar de vennootschap. De bevindingen van dat onderzoek zijn op 2 mei 2019 in een rapport vastgelegd. Op basis van die bevindingen heeft Samen14 eerst haar verplichtingen opgeschort en vervolgens in een brief van 9 september 2019 de raamovereenkomst ontbonden per 21 oktober 2019. De gemeente Enschede heeft haar terugvordering op basis van de buitengerechtelijke ontbinding berekend op € 146.443,84.
Op 4 december 2019 heeft de rechtbank Overijssel het faillissement uitgesproken van de vennootschap met aanstelling van de curator als zodanig. In een vonnis van de rechtbank Overijssel van 26 februari 2020 is het faillissement van [vennoot 1] uitgesproken. In een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 april 2020 is dit vonnis vernietigd. De vennoten verkeren dus niet in staat van faillissement.
Op 7 februari 2022 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden. Op die vergadering is de curator ondanks de betwisting door de vennoten gebleven bij zijn eerdere erkenningen van alle concurrente vorderingen (waaronder die van Menzis), behalve ten aanzien van de vordering van de gemeente Enschede, die later tot een lager bedrag (€ 81.019,85) is erkend.
2 Procesverloop
Bij dagvaarding van 17 september 2020 heeft de curator bij de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) een procedure tegen de vennoten aanhangig gemaakt. Daarin heeft de curator, zoals in rov. 4.1 van het arrest “sterk samengevat” (in cassatie onbestreden), het volgende gevorderd:
“Primair:
a) Veroordeling van [vennoot 1] tot betaling aan de curator van een bedrag van € 200.299, vermeerderd met rente, en een bedrag van € 2.776,50 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
b) Veroordeling van [vennoot 2] tot betaling aan de curator van een bedrag van € 212.383, vermeerderd met rente, en een bedrag van € 2.836,93 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
c) voor recht te verklaren dat de wijze waarop de vennoten de vof hebben bestuurd kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vof, althans jegens de curator, althans jegens de gezamenlijke schuldeisers en dat de vennoten uit dien hoofde gehouden zijn het gehele faillissementstekort, zoals dit tekort na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, althans de schade die de vof, althans de curator, althans de gezamenlijke schuldeisers hierdoor hebben geleden, te vergoeden;
d) de vennoten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het faillissementstekort, althans de schade die de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden, nader op te maken bij staat;
e) de vennoten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot op het te betalen bedrag van € 345.000;
Subsidiair:
f) voor recht te verklaren dat de vennoten onrechtmatig selectief hebben betaald en (hoofdelijke) veroordeling van de vennoten uit dien hoofde tot betaling van € 32.000;
Meer subsidiair:
g) [vennoot 1] en [vennoot 2] ieder te veroordelen tot betaling aan de curator van € 16.000 op grond van onrechtmatig handelen jegens de schuldeisers;
Met in alle varianten: veroordeling van de vennoten in de proceskosten en nakosten vermeerderd met rente.”
Op 11 november 2020 hebben de vennoten een conclusie van antwoord genomen.
Op 1 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
Op 4 augustus 2021 heeft de rechtbank eindvonnis2 uitgesproken (hierna: het vonnis). De rechtbank heeft de vorderingen van de curator deels toegewezen, onder andere door de vennoten hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van het gehele faillissementstekort. Het dictum luidt als volgt, voor zover in cassatie van belang:
“6.1. veroordeelt [vennoot 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 september 2020 tot en met de dag van volledige betaling,
veroordeelt [vennoot 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 september 2020 tot en met de dag van volledige betaling,
verklaart voor recht dat de wijze waarop de vennoten de vennootschap onder firma CareFree Twente V.O.F. hebben bestuurd, kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vennootschap onder firma CareFree Twente V.O.F. en dat de vennoten uit dien hoofde gehouden zijn het gehele faillissementstekort, zoals dit tekort na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan, te vergoeden,
veroordeelt de vennoten hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van het gehele faillissementstekort, zoals dit tekort na een te houden verificatievergadering zal komen vast te staan,
veroordeelt de vennoten hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een voorschot ter hoogte van € 150.000,00 (…).”
Hieraan heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd, samengevat en voor zover van belang in cassatie.
a. Ten aanzien van de door de curator verweten schending van de administratieplicht heeft de rechtbank als volgt overwogen en geoordeeld. De vennootschap dient te voldoen aan wat in art. 3:15i BW is bepaald. Op basis van de door de curator en nadien door de vennoten overgelegde stukken die betrekking hebben op de boekhouding, kan niet zonder meer worden vastgesteld of de vennoten in strijd daarmee hebben gehandeld. Er is alleen gebleken van omissies die de rechtbank aanmerkt als een onbelangrijk verzuim. Ook heeft de curator niet weersproken dat de vennoten hem hebben aangeboden ontbrekende stukken uit de administratie aan te leveren, waarop de curator niet heeft gereageerd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of en in hoeverre de administratie (on)volledig is en of en in hoeverre uit de administratie kan blijken wat de rechten en verplichtingen van de administratieplichtige zijn. Zie rov. 5.3.8-5.3.18.
b. Over de (terug)vorderingen van Menzis en de gemeente Enschede/Samen14, en wat door de curator ter zake is aangevoerd, heeft de rechtbank als volgt overwogen en geoordeeld. De vennoten voldeden niet aan de opleidingsvereisten van hun personeel en hebben bewust in strijd met de overeenkomst en met de verzekeringsvoorwaarden van Menzis gehandeld. Door aldus te handelen, hebben de vennoten veroorzaakt dat Menzis aanvankelijk haar betalingen heeft opgeschort, waardoor de vennootschap niet langer over haar grootste inkomstenbron beschikte. Ook kan de vennoten een verwijt worden gemaakt van de wijze waarop zij (niet) hebben meegewerkt aan het onderzoek dat Menzis naar de vennootschap was gestart, omdat zij (in eerste instantie) niet aan alle informatieverzoeken hebben voldaan. Verder schuilt een groot verwijt erin dat de vennoten hebben nagelaten tijdig en adequaat op te treden tegen: de beslissing van Menzis tot het opschorten van haar uitbetalingen; het laten voortduren van het onderzoek door Menzis gedurende bijna zes maanden, binnen welke periode (nagenoeg) geen inkomsten in de vennootschap vloeiden; de conclusie van Menzis tot het terugvorderen van een bedrag van € 608.576,36; en de buitengerechtelijke ontbinding van de raamovereenkomst door Samen14. Zie rov. 5.3.19-5.3.32.
c. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator voldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van een “Peeters/Gatzen-vordering” mede gelet op de onderbouwing die de curator voor zijn vordering heeft gegeven, waaruit eveneens de benadeling van crediteuren kan worden afgeleid. Zie rov. 5.4.1-5.4.4.
d. Volgens de rechtbank moeten de vennoten schade vergoeden ter hoogte van het faillissementstekort. Daartoe heeft zij als volgt overwogen en geoordeeld. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de vennoten persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de vennootschap, zijn zij gehouden de schade te vergoeden die zij met hun handelen hebben veroorzaakt. De rechtbank merkt het (niet) handelen van de vennoten aan als belangrijkste oorzaak van het faillissement, te meer ook omdat van andere omstandigheden niet is gebleken. Eerst nadat een verificatievergadering heeft plaatsgevonden, wordt het faillissementstekort vastgesteld. In het faillissementstekort begrepen zijn de onttrekkingen die de vennoten hebben gedaan en waarvoor beiden tot betaling worden veroordeeld. Het beroep van de vennoten op matiging wordt verworpen. Zie rov. 5.5.1-5.5.4.
In hoger beroep
Bij appeldagvaarding van 7 oktober 2021 hebben de vennoten hoger beroep ingesteld van het vonnis.
Op 28 december 2021 hebben de vennoten een memorie van grieven genomen (hierna: de MvG).
Op 5 april 2022 heeft de curator een memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel genomen (hierna: de MvA).
Op 12 juli 2022 hebben de vennoten een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.
Op 21 maart 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben spreekaantekeningen doen overleggen. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. De zaak is aangehouden voor schikkingsonderhandelingen, zonder vrucht.
In het arrest komt het hof, onder meer en kort gezegd, tot: vernietiging van het vonnis; afwijzing van de vorderingen van de curator; veroordeling van de curator in de proceskosten van de vennoten in eerste aanleg en hoger beroep; veroordeling van de curator tot terugbetaling van hetgeen de vennoten uit hoofde van het vonnis aan de curator hebben voldaan; en afwijzing van wat meer is gevorderd.
Daartoe overweegt en oordeelt het hof als volgt in het arrest, samengevat en voor zover van belang in cassatie.
a. In rov. 5.13 duidt het hof de inzet van het hoger beroep van de vennoten, aldus dat de toegewezen vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen en dat hij wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat de vennoten op grond van het vonnis hebben betaald. Vervolgens duidt het hof de inzet van het hoger beroep van de curator, aldus dat de door de rechtbank afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
b. In rov. 5.2-5.34 geeft het hof de vorderingen van de curator en de grondslagen daarvan weer, gevolgd door het oordeel dat die vorderingen niet toewijsbaar zijn. Ik citeer:
“5.2 De curator vordert in de kern:
1. Betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad
2. Aanzuivering van negatieve kapitaalstanden op grond van [art.] 33 WvK (subsidiair wat betreft € 32.000: schadevergoeding op grond van onrechtmatige selectieve betaling).
De curator heeft de vorderingen onder (1) van meet af aan ingestoken als zogenoemde “Peeters/Gatzen-vorderingen”.5 Ook in de memorie van antwoord/incidenteel appel is dat het geval.6 Het hof zal hierna uitleggen waarom die vorderingen niet toewijsbaar zijn. Hetzelfde geldt voor de vordering onder (2).”
c. In rov. 5.4 voegt het hof daaraan het volgende toe. De curator heeft eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep ook een beroep gedaan op art. 18 WvK. Daarop gegronde vorderingen kunnen niet alsnog worden ingesteld tijdens de mondelinge behandeling, gezien de tweeconclusieregel. Anders dan de curator heeft betoogd, mag het hof die bepaling (ook) niet ambtshalve toepassen. Want art. 25 Rv kan niet leiden tot het ambtshalve onderzoeken en toewijzen van vorderingen die niet zijn ingesteld, en in dit geval zijn vorderingen tot nakoming door de vennoten van individuele verbintenissen van de vennootschap door de curator niet (tijdig) ingesteld. Bovendien is niet gebleken dat de curator per individuele schuldeiser voor wie hij een zodanige vordering instelt, op de daartoe vereiste wijze is gelegitimeerd (bijvoorbeeld op basis van een machtiging). Art. 68 Fw biedt daartoe niet de bevoegdheid.
d. In rov. 5.57 gaat het hof als volgt verder. De curator heeft de vorderingen op grond van onrechtmatige daad gebaseerd op de zogenoemde Peeters q.q./Gatzen-rechtspraak. In het Peeters q.q./Gatzen-arrest8 is door de Hoge Raad beslist dat een faillissementscurator bevoegd is (op grond van art. 68 lid 1 Fw) voor de belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde en dat in zo’n geval onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken door een curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers van een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door een curator geldend gemaakte vordering valt in de boedel en komt dus de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. Een vordering voor een groep schuldeisers of voor een individuele schuldeiser die niet ertoe strekt (“is bedoeld”) het boedelactief ten behoeve van alle schuldeisers te vermeerderen, valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw aan een curator gegeven opdracht, terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt te vinden.9 Dit wordt niet anders als een curator voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen.10
e. In rov. 5.6 vat het hof dan samen welke verwijten de curator concreet maakt aan het adres van de vennoten, te weten:
(i) schending van de administratieplicht;
(ii) de wijze waarop de Menzis-zorg is verleend en gedeclareerd;
(iii) het niet adequaat reageren op de stopzetting van de betalingen door Menzis, het onvoldoende meewerken aan het onderzoek en het niet aanvragen van een faillissement;
(iv) de wijze waarop de Samen14-zorg is verleend en gedeclareerd;
(v) subsidiair, voor het geval het beroep op art. 33 WvK faalt: selectieve betaling.
f. Wat betreft ad (i) stelt het hof voorop, in rov. 5.7,11 dat voor het slagen van een Peeters q.q./Gatzen-actie nodig is dat de gefailleerde daarbij betrokken was. In rov. 5.8 licht het hof vervolgens toe: dat de curator niet (toereikend) heeft onderbouwd dat en hoe de vennootschap door de, volgens de curator, gebrekkige inrichting van haar administratie de gezamenlijke schuldeisers heeft benadeeld; en dat het hof de door de curator bepleite analogie met art. 2:248 lid 2 BW in verbinding met art. 2:10 BW en met art. 2:9 BW niet volgt. In rov. 5.9 laat het hof daarop volgen dat, los van de gebrekkige juridische onderbouwing van zijn vordering op dit punt, de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, art. 3:15i BW. De conclusie is, aldus het hof in rov. 5.10, dat het beroep op art. 6:162 BW faalt voor zover het op schending van de administratieplicht is gestoeld. En dat grief II van de curator dus faalt.
g. Daarop wendt het hof de steven naar ad (ii)-(iv). In rov. 5.1112 legt het uit dat in de onderhavige procedure (dus in de verhouding curator-vennoten) niet vaststaat dat, en in hoeverre, Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 (terug)vorderingen hebben op de vennootschap wegens te veel of onterecht gedeclareerde zorg. En dat de curator niet voldoende concreet en specifiek bewijs van die vorderingen heeft aangeboden, wat wel op zijn weg lag gelet op de onderbouwde betwistingen door de vennoten. Daaraan voegt het hof in rov. 5.12 toe dat reeds op dit niet-vaststaan van die vorderingen de daarop gebaseerde Peeters q.q./Gatzen-actie vastloopt. En dat ook als die vorderingen wel zouden hebben vastgestaan, niet valt in te zien dat dan sprake is van een onrechtmatige daad jegens alle schuldeisers overeenkomstig het Peeters q.q./Gatzen-arrest. Want wat de curator heeft aangevoerd, neerkomend op die lijn van (analogie met) bestuurdersaansprakelijkheid waarin het hof niet meegaat, is daartoe ontoereikend: de gestelde ernstig tekortschietende wijze waarop de vennoten de vennootschap hebben “bestuurd”, kan niet op één lijn worden gesteld met de specifieke benadelingshandeling die nodig is voor het kunnen instellen van een “Peeters/Gatzen-vordering”. Daarop laat het hof in rov. 5.13 volgen dat de vennoten het argument van de curator dat zij onvoldoende adequaat hebben gereageerd op de stopzetting van betalingen door Menzis overigens voldoende gemotiveerd hebben weersproken. Dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd waarom het onrechtmatig is dat de vennoten naar de ingewonnen (juridische) adviezen hebben gehandeld. En dat de curator evenmin voldoende heeft onderbouwd dat en wanneer de vennoten zelf het faillissement hadden moeten aanvragen. Grief II van de vennoten slaagt, aldus rov. 5.14.13
h. In rov. 5.20-5.21 gaat het hof nog in op ad (v), oftewel de (subsidiair) door de curator aan de vennoten verweten onrechtmatige selectieve betalingen verband houdend met ‘onttrekkingen’ door de vennoten in januari tot en met april 2019 van in totaal € 16.000 per vennoot. Dit betoog van de curator strandt al op het gegeven dat de vennoten voornoemde vorderingen van Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 gemotiveerd hebben betwist en die vorderingen in deze procedure niet zijn komen vast te staan. Daarmee staat dan ook niet vast dat, zoals betoogd door de curator, de vennoten konden voorzien dat het onderzoek negatief voor hen zou uitpakken en er in 2019 geen winsten zouden worden behaald. Grief I van de vennoten treft doel, zo ligt besloten in rov. (5.15-5.19 en) 5.20-5.21.14
i. In rov. 5.2315 concludeert het hof dat het hoger beroep van de vennoten slaagt en van de curator faalt. Gevolgd door het dictum in rov. 6, samengevat onder 2.11 hiervoor.
In cassatie
Bij procesinleiding van 19 december 2023 heeft de curator (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest. De vennoten hebben een verweerschrift ingediend. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.