Parket bij de Hoge Raad, 25-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1131, 24/00086
Parket bij de Hoge Raad, 25-10-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1131, 24/00086
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 25 oktober 2024
- Datum publicatie
- 19 november 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:1131
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:667
- Zaaknummer
- 24/00086
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Gezag van gewijsde. Geschil tussen aansprakelijkheidsverzekeraar en slachtoffer van een verkeersongeval. In een in kracht van gewijsde gegaan vonnis tussen partijen is geoordeeld dat sprake is van beroepsongeschiktheid door het ongeval van 3,6% en dat het slachtoffer niet heeft onderbouwd dat morfinegebruik noodzakelijk is voor zijn door het ongeval opgelopen letsel. Kan na het vonnis bij het slachtoffer geconstateerde morfineafhankelijkheid nog tot een ander percentage beroepsongeschiktheid leiden of staat gezag van gewijsde van eerdere vonnis daaraan in de weg?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00086
Zitting 25 oktober 2024
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: ‘Klaverblad’)
tegen
[verweerder] (hierna: ‘ [verweerder] ’)
Rijinstructeur [verweerder] heeft in 2015 een verkeersongeluk gehad. Klaverblad heeft als verzekeraar van een bij het ongeval betrokken persoon aansprakelijkheid erkend. In een vonnis uit 2019 in een eerdere procedure tussen [verweerder] en Klaverblad heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [verweerder] gedeeltelijk beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval. De rechtbank heeft in dat vonnis de conclusie uit het rapport van een arbeidsdeskundige dat voor [verweerder] sprake is van beroepsongeschiktheid van 3,6% overgenomen. [verweerder] , die had aangevoerd dat de deskundige er geen rekening mee hield dat hij morfine nodig had (waarbij hij ook had gewezen op de gevolgen van zijn morfinegebruik voor deelname aan het verkeer), had volgens de rechtbank niet onderbouwd dat het gebruik van morfine noodzakelijk was. [verweerder] en Klaverblad hebben geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uit 2019. Het vonnis is dus in kracht van gewijsde gegaan. In 2020 heeft een psychiater bij [verweerder] in het kader van een rijbewijskeuring morfineafhankelijkheid geconstateerd, op grond waarvan is besloten tot ontzegging van de rijbevoegdheid aan [verweerder] . Volgens [verweerder] is hierdoor zijn beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval toegenomen. Klaverblad heeft daarop in de onderhavige procedure een verklaring voor recht gevorderd dat het vonnis uit 2019 gezag van gewijsde heeft met betrekking tot het oordeel dat voor [verweerder] sprake is van een beroepsongeschiktheid van 3,6%.
De rechtbank heeft de vorderingen van Klaverblad afgewezen en het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Volgens het hof is in het vonnis uit 2019 niet geoordeeld over morfinegebruik in het algemeen en is sprake van een andere door [verweerder] aangevoerde feitelijke grondslag – morfineafhankelijkheid en niet morfinegebruik voor pijnbestrijding – die (als)nog door een rechter in een nieuwe procedure beoordeeld zou kunnen worden en dan zou kunnen leiden tot een andere mate van beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval dan 3,6%. Klaverblad stelt in haar cassatieberoep kort gezegd dat de verwerping van haar beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis uit 2019 door het hof gebrekkig gemotiveerd en onbegrijpelijk is.
1 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1
[verweerder] heeft in 2015 een verkeersongeluk (hierna ook: ‘het ongeval’) gehad. Klaverblad heeft, als verzekeraar van een bij het ongeval betrokken persoon, aansprakelijkheid erkend.
Ten tijde van het ongeval was [verweerder] werkzaam als rijinstructeur en exploiteerde hij een rijschool. Hij stelt als gevolg van het ongeval ernstig rugletsel te hebben opgelopen.
In een eerdere procedure bij de rechtbank Gelderland (hierna: ‘de rechtbank’) tussen [verweerder] en Klaverblad (hierna ook: ‘Procedure I’) heeft [verweerder] gevorderd te verklaren voor recht (i) dat hij (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval en (ii) dat de tot dan toe betaalde voorschotten van in totaal € 38.372 niet dekkend zijn voor de door het ongeval veroorzaakte schade.2
In Procedure I zijn verschillende onderzoeksrapporten overgelegd. Uit onderzoek van [orthopedisch chirurg] volgt dat de rugklachten van [verweerder] het gevolg zijn van het ongeval, hoewel volgens [orthopedisch chirurg] niet onmogelijk was dat [verweerder] zonder het ongeval op termijn ook klachten zou hebben ontwikkeld. [orthopedisch chirurg] komt op een blijvende functionele invaliditeit van 7% voor de gehele persoon. In het rapport van [orthopedisch chirurg] (van 11 augustus 20163) is opgenomen dat [verweerder] zo nodig Brufen gebruikt. Ook [verzekeringsarts] heeft onderzoek gedaan (zie het volgende randnummer). [arbeidsdeskundige] is, mede op basis van de onderzoeken van [orthopedisch chirurg] en [verzekeringsarts] , gekomen tot een percentage arbeidsongeschiktheid voor de beroepsuitoefening van [verweerder] van circa 3,6, waarbij [arbeidsdeskundige] heeft geconstateerd dat de ervaren arbeidsongeschiktheid beduidend groter is.4
In Procedure I is aan de orde geweest dat [verweerder] morfine gebruikt in het kader van pijnbestrijding, om nog (enkele uren) rijles te kunnen geven en dat [verweerder] verklaart dat hij ook andere pijnstillers gebruikt maar dat deze minder goed werken dan morfine. In het rapport van [verzekeringsarts] (van 28 september 20175) staat dat [verweerder] morfine gebruikt als hij moet werken, maar anders niet. [verzekeringsarts] wijst erop dat opiaten niet bewezen effectief zijn bij chronische lage rugklachten en schrijft dat [verweerder] mogelijk minder sederende pijnstillers zou kunnen gebruiken, zoals hij eerder Brufen gebruikte. [verweerder] ’ [huisarts] heeft op 8 februari 20186 verklaard dat [verweerder] naar eigen zeggen op dat moment zonder morfine nog te veel pijn had om te kunnen functioneren en heeft op 12 juli 20187 verklaard dat [verweerder] na verschillende andere pijnstillers is uitgekomen op morfine. Klaverblad heeft in Procedure I aangevoerd dat er geen medische noodzaak bestaat voor het gebruik van morfine als pijnstiller.
In Procedure I heeft de rechtbank op 13 november 20198 vonnis gewezen. De rechtbank heeft zich in dat vonnis gebaseerd op de in randnummers 1.5-1.6 hiervoor genoemde rapporten van [orthopedisch chirurg] , [verzekeringsarts] , [arbeidsdeskundige] en [huisarts] . De rechtbank heeft in rov. 4.14. van dat vonnis als volgt geoordeeld over de noodzaak van het gebruik van morfine en de mogelijkheid andere pijnstillers te gebruiken:
“(...) Uit de door [verweerder] overgelegde berichten van zijn [huisarts] blijkt weliswaar dat [verweerder] in februari 2018 naar eigen zeggen zonder morfine te veel pijn ervaart om te kunnen functioneren en dat hij, nadat hij eerst andere pijnstillers heeft gebruikt, in ieder geval tot het consult van 3 mei 2019 morfinepleisters heeft gebruikt, maar niet dat dit in verband met zijn rugklachten ook daadwerkelijk noodzakelijk was, dat daar geen alternatieven voor bestonden of dat bijvoorbeeld Brufen niet ook afdoende zou kunnen zijn. De huisarts geeft daar in zijn brieven geen oordeel over. Verder heeft [verweerder] geen bezwaren geuit tegen de bevindingen van [verzekeringsarts] dan zijn enkele stelling dat hij de morfine nodig heeft. Van die stelling heeft hij echter geen verdere onderbouwing gegeven. Vast staat dat hij [ [verweerder] , A-G] ten tijde van het onderzoek van [orthopedisch chirurg] geen morfine maar Brufen gebruikte. Dat er sindsdien een verslechtering is opgetreden, heeft hij niet gesteld en ook verder heeft hij niet onderbouwd waarom thans morfinegebruik noodzakelijk is. Dit had van hem, nu de in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundigen morfinegebruik niet noodzakelijk achten en zijn stelling in die zin afwijkt, wel verwacht mogen worden. (...) De rechtbank acht de bezwaren van [verweerder] onvoldoende om in afwijking van het onderbouwde rapport van [verzekeringsarts] , dat inzichtelijk en consistent is, aannemelijk te achten dat [verzekeringsarts] [bedoeld zal zijn: [verweerder] , A-G] niet zonder morfinegebruik kan of dat hij zonder morfinegebruik niet twee uur achtereen zou kunnen zitten in een steun gevende stoel.”
De rechtbank heeft vervolgens in het vonnis van 13 november 2019 geoordeeld dat [arbeidsdeskundige] op basis van de verschillende rapporten uitkomt op 3,6% arbeidsongeschiktheid voor zijn beroepsuitoefening en dat [verweerder] , die heeft aangevoerd dat [arbeidsdeskundige] geen rekening hield met de noodzaak morfine te gebruiken en de gevolgen daarvan voor deelname aan het verkeer, niet heeft onderbouwd dat het gebruik van morfine noodzakelijk is. In rov. 4.17. heeft de rechtbank geoordeeld:
“De rechtbank acht het rapport van [arbeidsdeskundige] verder consistent en overtuigend en neemt de conclusie dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% over.”
De rechtbank heeft in het vonnis van 13 november 2019 de in randnummer 1.4 hiervoor weergegeven vordering onder (i) toegewezen en (dus) voor recht verklaard dat [verweerder] (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval. Omdat de rechtbank uitging van een beroepsongeschiktheid van slechts 3,6%, heeft zij de in randnummer 1.4 hiervoor weergegeven vordering onder (ii) afgewezen.
Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 13 november 2019. Het vonnis heeft kracht van gewijsde gekregen.
In een rapport van 16 mei 2020,9 in het kader van een rijbewijskeuring, heeft [psychiater] bij [verweerder] een morfineafhankelijkheid geconstateerd aan de hand van de DSM-IV-TR10 classificatie voor psychische aandoeningen, met onthoudingsklachten en belemmering van activiteiten tot gevolg.
Bij besluit van 21 augustus 202011 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: ‘het CBR’) [verweerder] ongeschikt verklaard voor het besturen van, onder meer, een personenauto of motor, omdat uit de beoordeling blijkt dat sprake is van “misbruik van geneesmiddelen (opioïden)”.
2 Procesverloop
In de onderhavige procedure (hierna ook: ‘Procedure II’) heeft Klaverblad bij inleidende dagvaarding van 22 juli 2021 bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I gezag van gewijsde heeft met betrekking tot het oordeel dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6%. [verweerder] heeft gesteld dat de arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep als gevolg van het ongeval is toegenomen door het verlies van zijn rijbevoegdheid in verband met de na het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I vastgestelde morfineafhankelijkheid (zie randnummers 1.11-1.12 hiervoor). [verweerder] heeft ook een vordering in voorwaardelijke reconventie ingesteld die ik hier verder buiten beschouwing laat, omdat die in hoger beroep en cassatie niet meer aan de orde is.
Bij eindvonnis van 4 mei 202212 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I gezag van gewijsde heeft met betrekking tot het oordeel dat voor [verweerder] op de datum van dat vonnis sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% en de vordering van Klaverblad voor het overige afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het oordeel in Procedure I over het beroepsongeschiktheidspercentage van 3,6 zag op de toen (dus op 13 november 2019) geldende situatie en zich niet ook uitstrekt over de toekomst:
“4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat geen van hen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en dat dit vonnis daarmee onherroepelijk is geworden. In het vonnis is voor recht verklaard dat [verweerder] als gevolg van het ongeval (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geworden en dat Klaverblad gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden. De rechtbank heeft de deskundigenoordelen van [orthopedisch chirurg] , [verzekeringsarts] en [arbeidsdeskundige] in haar oordeel betrokken, evenals de (door [verweerder] ) tegen deze rapporten opgeworpen bezwaren. Dit zelfde geldt voor hetgeen [verweerder] in die procedure heeft aangevoerd over zijn morfinegebruik. De rechtbank heeft in overweging 4.14. van het vonnis [zie ook randnummer 1.7 hiervoor, A-G] aangesloten bij het deskundigenoordeel van [verzekeringsarts] dat [verweerder] in een geschikte stoel twee uur aaneengesloten kon zitten, zonder verdere voorbehouden. De rechtbank achtte de bezwaren van [verweerder] , dat hij niet zonder morfinegebruik kon en in elk geval niet zonder gebruik daarvan twee uur zou kunnen zitten, onvoldoende onderbouwd. Ook de bezwaren van [verweerder] tegen het deskundigenrapport van [arbeidsdeskundige] , waarbij hij zich opnieuw op het standpunt stelde dat [arbeidsdeskundige] geen rekening heeft gehouden met de noodzaak van [verweerder] om morfine te gebruiken, zijn gemotiveerd verworpen, zodat het percentage beroepsongeschiktheid van 3,6% door de rechtbank werd overgenomen. In 4.18. van het vonnis is geconcludeerd dat daarmee de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] als gevolg van het ongeval (gedeeltelijk) beroepsongeschikt was, toewijsbaar was. Dat het percentage van 3,6% niet in het dictum is genoemd betekent, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2. [over gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv, A-G] is overwogen, niet dat dit geen onderdeel uitmaakt van de inmiddels onherroepelijk geworden beslissing. Het vaststellen van dit arbeidsongeschiktheidspercentage was immers enerzijds nodig om tot toewijzing te komen van de gevorderde verklaring voor recht dat sprake was van (gedeeltelijke) beroepsongeschiktheid en anderzijds om tot het oordeel te komen dat de eveneens gevraagde verklaring voor recht dat het tot dan toe door Klaverblad verstrekte voorschot niet dekkend was werd afgewezen (r.o. 2.19 van het vonnis). Het vonnis, en het oordeel dat voor [verweerder] sprake was van een beroepsongeschiktheidspercentage van 3,6% dat (mede) de grondslag was om tot het dictum te komen, heeft dan ook gezag van gewijsde gekregen. In zoverre is het eerste onderdeel van de in conventie door Klaverblad gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar.
Het voorgaande betekent echter niet dat het oordeel dat voor [verweerder] sprake was van 3,6% beroepsongeschiktheid zich ook uitstrekt over de toekomst. De vragen of het arbeidsongeschiktheidspercentage van [verweerder] (als gevolg van het ongeval) nog aan verandering onderhevig zou kunnen zijn en welk percentage dat zou kunnen zijn maakte in de eerdere procedure immers geen deel uit van de rechtsstrijd en van de aan de rechtbank voorgelegde vragen en daarover is in het vonnis ook geen oordeel gegeven. Dat het oordeel van de rechtbank zag op de toen geldende situatie blijkt ook uit de overwegingen in 4.14. van het vonnis [van 13 november 2019 in Procedure I, A-G] (zoals hiervoor aangehaald in 2.9 [zie ook randnummer 1.7 hiervoor, A-G]) dat vaststaat dat [verweerder] ten tijde van het onderzoek van [orthopedisch chirurg] geen morfine maar Brufen gebruikte, dat niet is gesteld dat er sindsdien een verslechtering is opgetreden en dat [verweerder] niet had gesteld en onderbouwd waarom thans (dus ten tijde van het wijzen van het vonnis) morfinegebruik noodzakelijk is. Nu de mogelijke toekomstige ontwikkeling (vanaf de datum van het vonnis) van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] geen deel uitmaakte van “de rechtsbetrekking in geschil” in de zin van artikel 236 lid 1 Rv is daarover in het vonnis ook geen voor partijen bindende beslissing gegeven en heeft het in het vonnis genoemde arbeidsongeschiktheidspercentage voor zijn beroep van 3,6% voor de toekomst dan ook geen gezag van gewijsde. Dit deel van de vordering van Klaverblad zal dan ook worden afgewezen.”
Hoger beroep
Bij dagvaarding van 20 mei 2022 is Klaverblad bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 in Procedure II. De bedoeling van het hoger beroep van Klaverblad was dat haar vordering alsnog geheel zou worden toegewezen.
Het hof heeft bij eindarrest van 10 oktober 202313 het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 bekrachtigd. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het vonnis van de rechtbank van 13 november 2019 in Procedure I niet in de weg staat aan de beoordeling in een ander geding tussen dezelfde partijen van de vraag of de in 2020 geconstateerde ontwikkelingen (als bedoeld in randnummers 1.11-1.12 hiervoor) leiden tot een ander percentage beroepsongeschiktheid (rov. 3.1.). Het hof heeft, na vaststelling van de feiten (rov. 3.2.-3.9.), eerst het beoordelingskader over gezag van gewijsde uiteengezet:14
“3.10. Artikel 236 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Dat betekent dat als de rechter in een definitief geworden vonnis (een vonnis met kracht van gewijsde) heeft beslist over (een onderdeel van) een kwestie waarover partijen twisten, die beslissing ook geldt in een andere rechtszaak tussen die partijen. Die beslissing heeft dan “gezag van gewijsde”. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat in het latere geding gevorderd wordt hetzelfde is als in het eerdere geding. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande zo’n geschilpunt, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. Het gezag van gewijsde kan er echter niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.”
Vervolgens heeft het hof weergegeven wat Klaverblad in hoger beroep heeft gevorderd en wat [verweerder] daartegen heeft aangevoerd (rov. 3.11.). Het hof is verder (in rov. 3.12.) ingegaan op het dictum van het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I “dat [verweerder] (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval”. Dit dictum berust volgens het hof (mede) op de beslissing dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6%, welke beslissing weer mede berust op de overweging van de rechtbank dat [verweerder] , die had aangevoerd dat het voor hem noodzakelijk was morfine te gebruiken omdat andere pijnstillers onvoldoende werkten, toch ook andere pijnstillers kon gebruiken dan morfine, zoals hij dat eerder ook deed. Volgens het hof (nog steeds in rov. 3.12.) was “[w]at betreft de rijbevoegdheid (...) wel aan de orde dat bij morfinegebruik niet gereden mocht worden maar was geen sprake van morfineafhankelijkheid en ontzegging van de rijbevoegdheid die door het CBR na het vonnis is gegeven.”
Daarna heeft het hof het betoog van Klaverblad verworpen dat met haar vordering de beslissing over vaststelling in Procedure I van [verweerder] ’ beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval op 3,6% niet meer – niet voor het verleden en niet voor de toekomst – ter discussie kon worden gesteld. Volgens het hof is in Procedure I niet geoordeeld over morfinegebruik in het algemeen en is sprake van een andere door [verweerder] aangevoerde feitelijke grondslag (morfineafhankelijkheid; niet morfinegebruik voor pijnbestrijding). Het hof heeft geoordeeld dat het gezag van gewijsde niet eraan in de weg staat dat [verweerder] deze andere feitelijke grondslag (dus morfineafhankelijkheid) (als)nog aan de rechter voorlegt, die dan moet beoordelen of dit tot een ander percentage beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval (dan 3,6) leidt en wat dit betekent voor de door Klaverblad te vergoeden schade:
“3.13. Klaverblad beoogt met haar vordering dat de beslissing houdende de vaststelling in Procedure I van [verweerder] ’ beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval op 3,6%, niet meer ter discussie kan worden gesteld; niet voor het verleden en niet voor de toekomst. In deze Procedure II heeft [verweerder] in het bijzonder betoogd dat zich na het vonnis een nieuwe feitelijke grondslag heeft voorgedaan die bestaat uit de na het vonnis ontstane morfineafhankelijkheid en de daardoor ontzegde rijbevoegdheid, en dat vanaf dat moment een ander percentage beroepsongeschiktheid moet worden aangenomen dan de rechter in Procedure I heeft vastgesteld. Klaverblad heeft in het licht van het vonnis in Procedure I en de aangehaalde stukken uit die procedure, onvoldoende onderbouwd dat de gestelde morfineafhankelijkheid en het verlies van rijbevoegdheid in Procedure I al beoordeeld zijn en dat aan beoordeling daarvan dus niet toegekomen zou kunnen worden, omdat geen sprake is van een nieuwe feitelijke grondslag. Uit het vonnis in Procedure I volgt dat de rechtbank haar beslissing dat sprake was van beroepsongeschiktheid van 3,6% heeft gebaseerd op de overweging dat [verweerder] andere pijnstillers dan morfine kon gebruiken en dat dus geen medische noodzaak bestond tot gebruik van morfine als pijnstiller. Die overweging sluit aan bij het processuele debat en de overgelegde rapportages van deskundigen. [verweerder] heeft nu een beroep gedaan op de omstandigheid dat na het vonnis bij hem morfineafhankelijkheid is geconstateerd, een psychische afhankelijkheid van morfine als verslavend middel, vastgesteld door een psychiater aan de hand van de DSM-IV-TR [zie voetnoot 10 hiervoor, A-G] classificatie, die maakt dat [verweerder] geen andere pijnstiller dan morfine kan gebruiken en hem de rijbevoegdheid is ontzegd. In dit licht heeft Klaverblad onvoldoende onderbouwd dat in Procedure I is geoordeeld over de noodzaak van morfinegebruik in het algemeen, niet alleen vanwege pijnbestrijding maar ook vanwege een ontstane afhankelijkheid. Dat spreekt te meer nu deze andere aangevoerde grondslag (morfineafhankelijkheid; niet morfinegebruik voor pijnbestrijding) pas na het vonnis in Procedure I is vastgesteld en ook het verlies van rijbevoegdheid van na het vonnis dateert. Het gezag van gewijsde staat er niet aan in de weg dat [verweerder] deze aangevoerde feitelijke grondslag (als)nog aan de rechter voorlegt, die dan moet beoordelen of dit leidt tot een ander percentage beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval en wat dit betekent voor de mogelijk door Klaverblad te vergoeden schade. Dit staat in de weg aan ruimere toewijzing van Klaverblads vordering dan de rechtbank heeft gedaan.”
Het hof heeft het betoog van Klaverblad dat de rechtbank in Procedure II ten onrechte heeft geoordeeld dat het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I alleen ziet op de op dat moment bestaande situatie en niet op de toekomst eveneens verworpen:
“3.14. Klaverblad heeft ook aangevoerd dat de rechtbank in Procedure II ten onrechte heeft geoordeeld dat het vonnis in Procedure I alleen ziet op de op dat moment bestaande situatie en niet op de toekomst. Het hof begrijpt het oordeel van de rechtbank (in Procedure II) zo dat de rechtbank in het vonnis in Procedure I heeft beoogd op basis van de feiten en omstandigheden van dat moment een oordeel over de beroepsongeschiktheid van [verweerder] te geven en niet heeft bedoeld dat zich in de toekomst geen nieuwe feitelijke grondslag zou kunnen aandienen, die een herbeoordeling van de beroepsongeschiktheid van [verweerder] vanaf dat moment zou rechtvaardigen. De laatstbedoelde verstrekkende uitleg van het vonnis in Procedure I is ook naar het oordeel van het hof door Klaverblad onvoldoende concreet onderbouwd. Als de rechtbank in Procedure I daadwerkelijk had bedoeld dat het percentage beroepsongeschiktheid zou gelden, ongeacht eventuele verandering van omstandigheden zoals hier aan de orde, had voor de hand gelegen dat de rechtbank dit, zeker gelet op de aard van de materie, in het vonnis tot uitdrukking had gebracht. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. Het hoger beroep van Klaverblad faalt dus ook op dit onderdeel.”
Het hof is ten slotte – na een intermezzo in rov. 3.15.-3.16. waarin het hof kort gezegd heeft geoordeeld dat het geen beslissing zal geven over de kosten van een door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige en rekenkundige; zie hierover ook randnummers 3.16-3.20 hierna) – tot de conclusie gekomen dat het hoger beroep van Klaverblad niet slaagt (rov. 3.17.-3.18.).
Cassatie
Bij procesinleiding van 5 januari 2024 heeft Klaverblad, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof van 10 oktober 2023 in Procedure II (hierna: ‘het bestreden arrest’). [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna Klaverblad ten slotte heeft gerepliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
De procesinleiding van Klaverblad valt uiteen in een inleiding, die geen klachten bevat, en een middel, dat is uitgewerkt in twee Romeins genummerde onderdelen (aangeduid als “cassatieklachten”). Onderdeel I bevat motiveringsklachten gericht tegen rov. 3.13. van het bestreden arrest. Onderdeel II richt zich, eveneens met motiveringsklachten, tegen rov. 3.14. van het bestreden arrest. Aan de weergave van deze onderdelen gaat in de procesinleiding de opmerking vooraf dat het door het hof in rov. 3.10. van het bestreden arrest uiteengezette beoordelingskader over gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv (geciteerd in randnummer 2.4 hiervoor) in cassatie onbestreden (“juist” en “correct (...) weergegeven”; zie randnummer 3.1. van de procesinleiding) is. De conclusie van de procesinleiding op pagina 13 bevat tot slot nog een voortbouwklacht.
Ik maak hierna eerst enkele inleidende opmerkingen over gezag van gewijsde, toegespitst op de onderhavige zaak (randnummers 3.3-3.15 hierna). Vervolgens merk ik kort iets op over procedurele ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de periode na het besluit van het CBR van 21 augustus 2020, dus kort gezegd de ontzegging van de rijbevoegdheid van [verweerder] in verband met de bij hem geconstateerde morfineafhankelijkheid (zie randnummers 1.11-1.12 hiervoor) en ga ik in op de vraag hoe die ontwikkelingen zich verhouden tot (de onderhavige) Procedure II (randnummers 3.16-3.20 hierna), om daarna toe te komen aan de bespreking van het cassatiemiddel (randnummers 3.21-3.44 hierna). Ten slotte rond ik af met enkele slotopmerkingen (randnummers 3.45-3.48 hierna).
Enkele inleidende opmerkingen over gezag van gewijsde 15
Art. 236 lid 1 Rv luidt:
Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.
Met ‘gezag van gewijsde’ wordt de bindende kracht van de beslissingen in een vonnis aangeduid. Die beslissingen zijn bindend voor partijen. Daarmee is, met name in latere procedures tussen dezelfde partijen, onbetwistbaar wat de rechter in zijn vonnis over de rechtsbetrekking tussen partijen heeft beslist.16
De ratio van het gezag van gewijsde is dat een einde moet worden gemaakt aan geschillen over in wezen hetzelfde punt. Het belangrijkste doel van het gezag van gewijsde is dan ook dat wordt voorkomen dat steeds weer opnieuw over een geschilpunt kan worden gestreden.17 Het gezag van gewijsde is in de doctrine niet ten onrechte wel het middelpunt van de civielrechtelijke procedure genoemd.18 Het gezag van gewijsde hangt samen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Indien een partij het niet eens is met een rechterlijke beslissing kan een door de wet gegeven rechtsmiddel worden aangewend en als de rechtsmiddelen waarmee de rechterlijke beslissing kan worden bestreden vervolgens zijn uitgeput, houdt het voor de verliezende partij op.19
Ook als het dictum ogenschijnlijk tot toewijzing van een vordering strekt (zoals in dit geval de door [verweerder] in Procedure I gevorderde, en door de rechtbank toegewezen, verklaring voor recht dat hij gedeeltelijk beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval) kan voldoende belang bestaan bij het instellen van een rechtsmiddel (zoals in dit geval hoger beroep tegen het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I), bijvoorbeeld omdat de toewijzing van die vordering berust op een voor de eiser nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, die bij het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak gezag van gewijsde zou krijgen (zoals in dit geval het oordeel in het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I dat sprake is van een beroepsongeschiktheid van [verweerder] door het ongeval van slechts 3,6%, dat mede berust op de overweging van de rechtbank dat, kort gezegd, [verweerder] onvoldoende heeft onderbouwd dat morfinegebruik noodzakelijk was).20
Een succesvol beroep op het gezag van gewijsde leidt ertoe dat de rechter in een ander geding tussen partijen is gehouden voort te bouwen op beslissingen in het eerdere vonnis (de positieve werking van het gezag van gewijsde) of een vordering moet afwijzen vanwege het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing (de negatieve werking van het gezag van gewijsde).21 Het gezag van gewijsde mag niet ambtshalve door de rechter worden toegepast, toepassing is alleen toegestaan wanneer daarop door een van de partijen een beroep is gedaan.22 In de onderhavige Procedure II heeft Klaverblad een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I; dat beroep op het gezag van gewijsde vormt zelfs de kern van de onderhavige Procedure II (zie randnummers 2.1 en 2.3 hiervoor).
Bij het gezag van gewijsde kan onderscheid worden gemaakt tussen de objectieve en de subjectieve omvang. De objectieve omvang van het gezag van gewijsde ziet op de elementen van de rechterlijke uitspraak die bindende kracht in een ander geding hebben. De subjectieve omvang bepaalt ten aanzien van wie de binding werkt.23 Het gaat in de onderhavige Procedure II dus over de objectieve omvang.24 De subjectieve omvang is niet aan de orde en blijft verder buiten beschouwing ( [verweerder] en Klaverblad zijn steeds de partijen).
Niet aan elke beslissing in een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan komt bindende kracht toe in een ander geding tussen dezelfde partijen. Art. 236 Rv vereist dat beslissingen de rechtsbetrekking in geschil betreffen. Het gaat dan om beslissingen waarin de rechter aan bepaalde feiten bepaalde rechtsgevolgen heeft verbonden, waarbij het niet uitmaakt of de beslissingen zijn neergelegd in het dictum, dan wel uitsluitend deel uitmaken van de overwegingen. Het moet daarbij wel gaan om beslissingen – zowel de procesrechtelijke als de materieelrechtelijke – die noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhouding van partijen en het dictum dragen.25
Art. 236 Rv beperkt het gezag van gewijsde dus niet tot beslissingen die in het dictum van het vonnis staan. Het dictum moet worden gelezen in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid. Het gezag van gewijsde strekt zich uit tot de eindbeslissingen die in het lichaam van het vonnis staan en de uiteindelijke beslissing mede dragen. In de onderhavige Procedure II is in cassatie onbestreden dat het dictum van het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I dat de rechtbank voor recht heeft verklaard dat [verweerder] (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval (mede) berust op de beslissing dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% en dat die beslissing weer erop berust dat de rechtbank overwoog dat [verweerder] , die had aangevoerd dat het voor hem noodzakelijk was morfine te gebruiken omdat andere pijnstillers onvoldoende werkten, toch ook andere pijnstillers kon gebruiken dan morfine zoals hij dat eerder ook deed (rov. 3.12., waarover ook randnummer 2.5 hiervoor).
Het gezag van gewijsde van een beslissing over de rechtsbetrekking in geschil kan in een volgende procedure met succes worden ingeroepen als hetzelfde geschilpunt weer aan de orde wordt gesteld. Het begrip geschilpunt moet niet te beperkt worden opgevat.26 Ook als een nieuw juridisch kader wordt gehanteerd, kan in een volgende procedure hetzelfde geschilpunt aan de orde zijn. Aan het oordeel dat de koopprijs is verschuldigd omdat het verweer van gedaagde koper dat de gekochte zaak wegens het ontbreken van bepaalde eigenschappen niet voldoet aan de conformiteitseis niet opgaat, kan gezag van gewijsde toekomen in een nieuw geding waarin de koper vernietiging van de koopovereenkomst vordert op grond van dwaling vanwege het ontbreken van bepaalde eigenschappen van die zaak. Hoewel het in het eerste geding gaat om het recht op de koopprijs en niet om het recht op vernietiging van de koopovereenkomst draait het in het nieuwe geding materieel opnieuw om de vraag of bepaalde eigenschappen van de gekochte zaak ontbreken.27 Zo is het voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde niet nodig dat in beide procedures de (insteek van de) vordering dezelfde is.28
In het arrest van 18 december 2020 inzake IV-Groep/Zwitserleven29 heeft Uw Raad verduidelijkt dat het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, afhankelijk is van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop de uitspraak berust. Het inroepen van gezag van gewijsde zal er niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.30
Voor de onderhavige zaak is verder het arrest van Uw Raad van 28 oktober 1988 inzake [...] / [...]31 van belang. Ook uit dit arrest kan worden afgeleid dat het gezag van gewijsde niet in de weg staat aan een nieuwe procedure wanneer die is gegrond op een nieuwe feitelijke grondslag in de zin van feiten en omstandigheden die zich pas na de eerste procedure hebben voorgedaan.32 Dit ligt echter genuanceerd(er); of sprake is van een nieuwe feitelijke grondslag vergt uitleg van het vonnis in de eerdere procedure in verhouding tot de ‘nieuwe’ feiten en omstandigheden. Ik laat hierover Veegens aan het woord:
“Door een afwijzend vonnis wegens gebrek aan bewijs wordt met gezag van gewijsde vastgesteld dat de beweerde rechtsverhouding op de aangevoerde gronden niet bestaat. Dezelfde rechtsverhouding kan wederom worden beweerd op andere gronden. Ook hier kan een impliciete beslissing in het eerste vonnis voorkomen. Abstract-logisch zou kunnen worden gesteld dat alleen een onbewezenverklaring van het beweerde recht door het bijgebrachte bewijsmateriaal is uitgesproken en bijgevolg een herhaalde vordering steunende op nieuwe bewijsmiddelen kan worden toegelaten. Praktisch-juridisch gaat
dit niet aan, omdat op deze wijze van het gezag van gewijsde niets zou overblijven.
(...)
Door haar talrijke onderscheidingen is de jurisprudentie een zo genuanceerd beeld gaan vertonen dat interpretatie van de eerste en de tweede vordering, alsmede van het vroegere vonnis, in veel gevallen van beslissende betekenis is. Daardoor kan de rechter de bindende kracht van het gewijsde ontkennen in gevallen waarin hij haar als knellend ervaart zonder het beginsel te verloochenen. De cassatierechter laat dergelijke uitspraken, als aan zijn controle onttrokken, voor de verantwoording van de rechter die over de feiten oordeelt, tenzij een juridische schakel in het betoog ondeugdelijk is (...)”33
De vraag of aan een beslissing in een eerder vonnis gezag van gewijsde toekomt, hangt nauw samen met de inhoud en strekking van die beslissing.34 Het oordeel daarover is als gezegd vooral een kwestie van uitleg van het eerdere vonnis (in dit geval het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I). Deze uitleg is in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter.35 Of de motivering van het bestreden arrest over het gezag van gewijsde begrijpelijk en toereikend is, kan in cassatie wel, zij het in beperkte mate, worden getoetst.36 De maatstaf is of het hof met zijn motivering zodanig inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang dat zijn daarop gebaseerde beslissing controleerbaar en aanvaardbaar is, zowel voor partijen als voor Uw Raad.37 Dit komt erop neer dat Uw Raad beoordeelt of het hof met de motivering van zijn oordeel binnen de grenzen van de logica is gebleven en voldoende is ingegaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.38
Het draait in de onderhavige zaak in cassatie uiteindelijk met name om de begrijpelijkheid van het door het hof aangebrachte onderscheid tussen de bij [verweerder] geconstateerde psychische aandoening van morfineafhankelijkheid als bedoeld in randnummers 1.11-1.12 hiervoor en de volgens het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I ontbrekende medische noodzaak tot het gebruik van morfine als pijnstiller voor het rugletsel van [verweerder] , opgelopen door het ongeval. Duidelijk is dat de in randnummers 1.11-1.12 hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan ná het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I. Daarmee is echter nog niet gegeven dat in dit geval sprake is van een andere feitelijke grondslag waarover in het vonnis van 13 november 2019 nog niet (impliciet) is beslist en die dan dus in een nieuw geding nog tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid dan 3,6% zou kunnen leiden (zie randnummers 3.12-3.14 hiervoor).
Procedurele ontwikkelingen na Procedure I en in verband met Procedure II
Voor een goed begrip van de zaak, lijkt het mij nog van belang kort in te gaan op verdere procedurele ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de periode na het besluit van het CBR van 21 augustus 2020, kort gezegd, tot ontzegging van de rijbevoegdheid aan [verweerder] in verband met de bij hem geconstateerde morfineafhankelijkheid (zie randnummers 1.11-1.12 hiervoor) en op de vraag hoe die ontwikkelingen zich verhouden tot (de onderhavige) Procedure II. In 2021, voordat Klaverblad de inleidende dagvaarding in Procedure II had uitgebracht, heeft [verweerder] de rechtbank verzocht een arbeidsdeskundige te benoemen ter vaststelling van de mate van zijn beroepsongeschiktheid.39 Klaverblad heeft (ook) in die verzoekschriftprocedure aangevoerd dat met betrekking tot de mate van beroepsongeschiktheid van [verweerder] een definitief oordeel is uitgesproken in het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I en dat [verweerder] , nu geen hoger beroep is ingesteld tegen dat vonnis en de beslissing gezag van gewijsde heeft gekregen, het geschil over de mate van beroepsongeschiktheid niet opnieuw aan de orde kan stellen. Door dat wel te doen, maakte [verweerder] volgens Klaverblad misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.40 Bij beschikking van 22 maart 2022 heeft de rechtbank het verzoek tot benoeming van een arbeidsdeskundige toegewezen.41 De rechtbank heeft dat onder meer als volgt gemotiveerd:
“2.15. In het vonnis [van 13 november 2019 in Procedure I, A-G] is overwogen dat [verweerder] ten tijde van het onderzoek door [orthopedisch chirurg] geen morfine gebruikte (r.o. 4.14.)[.] Onder 4.16. is vervolgens overwogen dat de noodzaak voor morfinegebruik door [verweerder] in die procedure niet was onderbouwd. De rechtbank heeft met die volgens [verweerder] aanwezige noodzaak bij haar beslissing dan ook geen rekening gehouden. [verweerder] stelt thans, onder verwijzing naar het onder 2.10 genoemde besluit van het CBR, dat voor hem (inmiddels) een noodzaak bestaat tot het gebruik van morfine, althans dat inmiddels in het rapport van [psychiater] van 28 mei 2020 is vastgesteld dat bij hem sprake is van morfineafhankelijkheid en dat daarom in het besluit van 21 augustus 2020 zijn rijbevoegdheid is ontzegd. Volgens [verweerder] staan beide omstandigheden in causaal verband tot het ongeval waarvoor Klaverblad aansprakelijkheid heeft erkend. In geschil is nu tussen partijen of sprake is van morfineafhankelijkheid, wat de betekenis is van de overwegingen in het vonnis daarover en over het arbeidsongeschiktheidspercentage, of sprake is van nieuwe omstandigheden en in hoeverre het oordeel in het vonnis over het arbeidsongeschiktheidspercentage gezag van gewijsde heeft, ook ten aanzien van de periode na het vonnis, en of (nog steeds) vast staat dat sprake is van 3,6% arbeidsongeschiktheid voor zijn beroepsuitoefening als gevolg van het ongeval. De rechtbank overweegt dat de wens van [verweerder] om, bij deze omstandigheden, (reeds nu) informatie te verkrijgen over de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf het moment van ontzegging van de rijbevoegdheid, uitgaande van zijn gestelde en door Klaverblad betwiste morfineafhankelijkheid, en daarover een voorlopig deskundigenonderzoek te verzoeken, geen misbruik van recht oplevert. Dat inmiddels na indiening van het verzoekschrift, door Klaverblad een bodemzaak aanhangig is gemaakt [de onderhavige Procedure II, A-G] waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd en waarbij een deel van voornoemde geschilpunten aan de orde komt maakt dat niet anders. Of [verweerder] inmiddels inderdaad in de door hem gestelde mate lijdt aan morfineafhankelijkheid en [in] hoeverre dit in causaal verband staat met het ongeval kan in het kader van deze verzoekschriftprocedure niet worden vastgesteld, maar dit neemt niet weg dat niet kan worden geoordeeld dat het belang ontbreekt bij een deskundigenoordeel over of en in hoeverre dit het percentage arbeidsongeschiktheid anders maakt. Het verzoek tot benoeming van een arbeids[des]kundige zal dan ook worden toegewezen.”
De door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige, de heer E.P. Audenaerde (hierna: ‘Audenaerde’), is gevraagd de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] vast te stellen uitgaande van morfineafhankelijkheid vanaf 28 mei 2020 en van ontzegging van de rijbevoegdheid vanaf 21 augustus 2020.42 Audenaerde heeft op 26 juli 2022 zijn definitieve rapport uitgebracht.43 Audenaerde heeft [verweerder] vanaf 21 augustus 2020 volledig arbeids- en beroepsongeschikt geacht.44
[verweerder] heeft zich in 2023 opnieuw tot de rechtbank gewend met een verzoek om de benoeming van een deskundige, ditmaal een rekenkundige, die op basis van de financiële jaarstukken van voor het ongeval en aangevuld met de rapportages van [arbeidsdeskundige] (zie randnummer 1.5 hiervoor) en Audenaerde (zie het vorige randnummer), de totale arbeidsvermogensschade van [verweerder] sinds het ongeval zou moeten uitrekenen.45 Ook in deze verzoekschriftprocedure heeft Klaverblad onder meer aangevoerd dat niet vaststaat dat het gebruik door [verweerder] van morfine medisch geïndiceerd is en dat het hof nog uitspraak diende te doen over de vastgestelde 3,6% arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en de betekenis van dat percentage voor de toekomst, maar dat zij zich, als enkele voorwaarden met betrekking tot de persoon van de deskundige, de over te leggen stukken en de vraagstellig in acht worden genomen, niet verzet tegen toewijzing van het desbetreffende verzoek van [verweerder] .46 Bij beschikking van 6 februari 2023 heeft de rechtbank mevrouw A.A.Th.M. Hagelaars, rekenmeester, tot deskundige benoemd.47 De rechtbank heeft in deze beschikking verder onder meer als volgt overwogen:
“2.22. (...) Dat [verweerder] in elk geval voor 3,6% beroepsongeschikt is geraakt vanwege het ongeval staat (...) tussen partijen vast, zodat ook vast staat dat hij in enige mate schade heeft geleden. Ook deze schade dient becijferd te worden, zodat het rekenkundig onderzoek in ieder geval tot zoverre een doel dient. De uiteindelijke beslissing over de kosten dient te worden genomen door het gerechtshof in de hoger beroepsprocedure tussen partijen.”48
Uit het dictum van de beschikking van 6 februari 2023 (rov. 3.2.) blijkt dat de rechtbank onder meer de volgende vraag aan rekenmeester Hagelaars heeft voorgelegd:
“2. Wilt u drie varianten van het eventuele verlies aan verdienvermogen berekenen en wel aldus:
I. Dat berekening (I) betrekking heeft op de periode vanaf het ongeval d.d. 18 februari 2015 tot 18 februari 2020 (dus vijf jaar) op basis van 3,6% arbeidsongeschiktheid;
II. Dat berekening (II) betrekking heeft op de volledige looptijd (18 februari 2015 tot de pensioengerechtigde leeftijd) op basis van 3,6% arbeidsongeschiktheid;
III. Dat berekening (III) betrekking heeft op de volledige looptijd, gesplitst in de periode op basis van 3,6% arbeidsongeschiktheid (tot 21 augustus 2020) en de periode op basis van volledige arbeidsongeschiktheid (22 augustus 2020 tot pensioengerechtigde leeftijd[)]?”
Welke variant uiteindelijk bepalend is voor de afwikkeling van de schade van [verweerder] in de verhouding tussen hem en Klaverblad, is dus mede afhankelijk van de uitkomst van de onderhavige Procedure II.
De bespreking van de cassatieklachten
Tegen de achtergrond van het voorgaande kom ik nu toe aan de bespreking van de cassatieklachten.
Onderdeel I
Onderdeel I (randnummers 4.1.-4.14. van de procesinleiding) richt zich met motiveringsklachten tegen rov. 3.13. van het bestreden arrest (weergegeven in randnummer 2.6 hiervoor). Het onderdeel klaagt in de kern dat het bestreden arrest gebrekkig gemotiveerd en onbegrijpelijk is. Het hof heeft volgens het onderdeel niet inzichtelijk gemaakt hoe c.q. dat de CBR-bevindingen (zie randnummers 1.11-1.12 hiervoor) een nieuwe grondslag opleveren die buiten het bereik van het gezag van gewijsde van het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I valt. Het onderdeel stelt dat de door [verweerder] na Procedure I ten tonele gevoerde (psychische) morfineafhankelijkheid49 uit een oogpunt van logica en consistentie niet anders kan worden beschouwd dan als dezelfde stelling of grondslag uit Procedure I met betrekking tot het dagelijkse morfinegebruik en de noodzaak daarvan. Deze morfineafhankelijkheid vloeit immers voort uit het gebruik en de noodzaak daarvan, aangezien zonder morfinegebruik geen morfineafhankelijkheid ontstaat.50 De bevindingen van CBR- [psychiater] en de consequentie dat [verweerder] niet langer bevoegd is een motorvoertuig te besturen, zouden volgens het onderdeel voor [verweerder] bewijsmiddelen hebben kunnen opleveren die hij ter onderbouwing van zijn stellingen in Procedure I naar voren had kunnen brengen. De later door [verweerder] gestelde morfineafhankelijkheid is dus volgens het onderdeel, anders dan het hof in het bestreden arrest heeft geoordeeld, niet een nieuwe feitelijke grondslag,51 maar een poging om alsnog een onderbouwing en/of bewijs met betrekking tot het betoog in Procedure I te leveren.
Het onderdeel treft doel.
Startpunt voor mijn bespreking van dit onderdeel is het oordeel van de rechtbank over het morfinegebruik van [verweerder] in het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I. Het hof heeft in het bestreden arrest enkele rechtsoverwegingen uit dat vonnis in Procedure I uitgelicht. De term ‘morfine’ wordt in dat vonnis echter veel vaker (maar liefst 31 keer) gebezigd. Ten eerste bij de door de rechtbank in dat vonnis vastgestelde feiten, waarin de rechtbank passages over het morfinegebruik van [verweerder] heeft geciteerd uit het rapport van [verzekeringsarts] en uit de berichten van [huisarts] (onderstrepingen van mij, A-G):
“2.12. Partijen hebben hierna [na een deelgeschil van [verweerder] tegen Klaverblad waarin de rechtbank bij beschikking van 6 oktober 2016 alle verzoeken van [verweerder] heeft afgewezen waarover rov. 2.11. van het vonnis van 13 november 2019, A-G] de schadeafwikkeling weer opgepakt en gezamenlijk [verzekeringsarts] verzocht een onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren en een functionele mogelijkhedenlijst in te vullen voor drie verschillende situaties, rekening houdende met het ongeval van 18 februari 2015 en rekening houdende met een [verweerder] op 24 oktober 2015 overkomen scooterongeval. Uit het definitieve rapport van 28 september 2017 wordt geciteerd:
“4. Anamnese(...)Huidige medicatie: Seretide, Monteluklast en morfinesulfaat 30 mg. Betrokkene gebruikt de morfine zo nodig. Als hij moet werken gebruikt hij tot 2 tabletten per dag. Als hij niet hoeft te werken, slikt hij ze niet. (...)