Parket bij de Hoge Raad, 02-02-2024, ECLI:NL:PHR:2024:115, 23/00602
Parket bij de Hoge Raad, 02-02-2024, ECLI:NL:PHR:2024:115, 23/00602
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 februari 2024
- Datum publicatie
- 13 maart 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:115
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1028
- Zaaknummer
- 23/00602
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Procesrecht. Verwijzing naar schadestaatprocedure; maatstaf. Ligt omzettingsverklaring in zin art. 6:87 lid 1 BW besloten in processtukken? Garantieverplichting; uitleg; toerekenbare tekortkoming?; schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW); passeren essentiële stellingen?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00602
Zitting 2 februari 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[eiser]
(hierna: [eiser] )
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )
1 Inleiding
Deze procedure gaat over de vraag of (i) [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een warmtepompsysteem met te weinig capaciteit te leveren, en, indien dat het geval is, (ii) of de door [eiser] gevorderde vergoeding van schade, op te maken bij staat, voor toewijzing in aanmerking komt. De eerste vraag heeft het hof bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel van het hof dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, is het incidenteel cassatieberoep van [verweerder] gericht. De door [eiser] gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, heeft het hof afgewezen. Hiertegen is het principaal cassatieberoep van [eiser] gericht.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan, kort gezegd, van de volgende feiten worden uitgegaan.1 In 2008 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [verweerder] zich ertoe heeft verplicht aan [eiser] onder meer een warmtepompsysteem voor de bedrijfshal te leveren en die te installeren. Destijds dreef [verweerder] zijn installatiebedrijf in de vorm van een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak 1] . De onderneming van [eiser] , die houten trappen fabriceert, werd destijds ook in de vorm van een eenmanszaak gedreven, genaamd [eenmanszaak 2] .
[verweerder] heeft voor de door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen in de periode van 26 februari 2011 tot en met 30 september 2011 facturen gezonden aan [eiser] met een totaalbedrag van € 13.364,34. [eiser] heeft deze facturen onbetaald gelaten. Tussen partijen is discussie ontstaan over het functioneren van het warmtepompsysteem.
Bij brief van 25 september 2011 heeft [eiser] aan [verweerder] zijn twijfels geuit aangaande het goed functioneren van het warmtepompsysteem.
In een e-mailbericht van 28 september 2011 heeft [verweerder] aan [eiser] het volgende geschreven:
‘Naar aanleiding van ons onderhoud op 27 september j.l. delen wij u het volgende mede.
[eenmanszaak 1] garandeert de juiste werking van de warmtepompinstallatie geplaatst op de [a-straat 1] te [plaats] .
De gegarandeerde ruimtetemperatuur in de bedrijfshal bedraagt 152 graden bij een buitentemperatuur van -10 graden. Dit is volgens de ISSO norm 51.
[eenmanszaak 1] staat garant in verband met het niet behalen van de gewenste temperatuur en de daaruit voortvloeiende kosten.’
[verweerder] heeft bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland in conventie gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen, vermeerderd met rente en kosten.
In reconventie heeft [eiser] gevorderd (i) een verklaring voor recht dat [verweerder] in de nakoming van de overeenkomst toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren, (ii) veroordeling van [verweerder] tot vergoeding van deskundigenkosten, (iii) betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, (iv) betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 20.000, (v) afgifte van handleidingen en deugdelijke tekeningen en (vi) betaling van de proceskosten.
Bij eindvonnis van 10 maart 2020 heeft de kantonrechter, na een deskundigenbericht van 27 april 2019, vastgesteld dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] , omdat het warmtepompsysteem onvoldoende capaciteit heeft om de overeengekomen temperatuur van 16°C in de bedrijfshal te kunnen realiseren. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat aannemelijk is dat sprake is van schade aan de zijde van [eiser] en dat [eiser] daarom op goede grond de betaling van facturen van [verweerder] heeft opgeschort. De in conventie door [verweerder] gevorderde betaling van facturen is afgewezen en de in reconventie door [eiser] gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure is toegewezen. De overige reconventionele vorderingen zijn afgewezen. [verweerder] is in conventie en reconventie veroordeeld in de proceskosten (inclusief de kosten van het deskundigenonderzoek).
[verweerder] is van het eindvonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Na het indienen van de memorie van grieven zijdens [verweerder] en de memorie van antwoord zijdens [eiser] , heeft op 6 oktober 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Naar aanleiding van het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verweerder] bij brief van 31 oktober 2022 nog enige schriftelijke opmerkingen gemaakt.
Bij eindarrest van 15 november 2022 heeft het hof het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd wat betreft de verklaring voor recht dat [verweerder] bij de nakoming van de overeenkomst jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten door een systeem met te weinig capaciteit te leveren. Hiertoe heeft het hof, kort gezegd, geoordeeld dat [verweerder] tekort is geschoten in de met [eiser] gesloten overeenkomst, omdat de warmtepompinstallatie niet aan de door [verweerder] aan [eiser] afgegeven garantie voldoet, en dat de tekortkoming toerekenbaar is (rov. 3.2 t/m 3.4). Voor het overige heeft het hof het eindvonnis vernietigd. Het hof heeft de door [eiser] gevorderde verwijzing naar de schadestaat alsnog afgewezen, kort gezegd, omdat [eiser] de mogelijkheid van gevolgschade niet aannemelijk heeft gemaakt en omdat voor vervangende schadevergoeding een omzettingsverklaring vereist is. [verweerder] heeft aangevoerd dat een dergelijke verklaring ontbreekt en [eiser] heeft niet gesteld dat dit anders is (rov. 3.7 t/m 3.12). De door [verweerder] gevorderde betaling van openstaande facturen, inclusief de gevorderde wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, heeft het hof alsnog toegewezen (rov. 3.13).
[eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan. [eiser] en [verweerder] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna door [verweerder] nog is gedupliceerd.
3 Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat, na een inleiding, uit drie onderdelen. Het cassatiemiddel is gericht tegen de afwijzing door het hof van de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. De eerste twee onderdelen zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 en 3.11 omtrent de vervangende schade. Het derde onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8, 3,9 en 3.11 omtrent de gevolgschade. Het hof heeft het volgende overwogen:
‘De schade van [eiser] / schadestaat
De kantonrechter heeft [verweerder] veroordeeld tot vergoeding aan [eiser] van schade, op te maken bij staat. [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van deze vordering omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. Het warmtepompsysteem is ruim 12 jaar in gebruik bij [eiser] . [eiser] moet inmiddels in staat worden geacht om de beweerdelijke schade die hij lijdt en heeft geleden aannemelijk te maken en te begroten. Dat heeft hij nagelaten.
In zijn memorie van antwoord heeft [eiser] artikel 6:74 BW ten grondslag gelegd aan zijn schadevordering en stelt hij dat het warmtepompsysteem hersteld of vervangen moet worden om deze alsnog aan de garantie te laten voldoen, wat de nodige kosten met zich meebrengt. Het hof heeft [eiser] ter zitting gevraagd of hij nu aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding en/of vergoeding van gevolgschade. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij dat onderscheid niet heeft gemaakt, maar dat de focus ligt op vergoeding van schade die is geleden als gevolg van de tekortkoming van [verweerder] . Het dossier bevat geen aanwijzingen voor dergelijke schade. Als toelichting op deze gevolgschade heeft [eiser] ter zitting in hoger beroep wel een onderbouwing gegeven door te stellen dat de tekortkoming bij een buitentemperatuur beneden nul graden gevolgen had voor zijn bedrijfsvoering. Het lijm- en droogproces verliep langzamer, de voorgeschreven temperatuur voor het spuiten van verf werd niet gehaald en er ontstonden problemen met condensatie en olie. Daarnaast gaat het om behaaglijkheid. Om de ontstane problemen het hoofd te kunnen bieden, heeft [eiser] zijn bedrijfsprocessen aangepast. Dat is met de nodige kosten gepaard gegaan.
Het hof stelt om te beginnen vast dat voor verwijzing naar de schadestaat voldoende maar ook vereist is, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. [eiser] heeft dat, mede in het licht van het debat tussen partijen, niet (voldoende) onderbouwd. Hij heeft voor het eerst ter zitting in hoger beroep gesteld dat hij zijn bedrijfsprocessen heeft aangepast en dat hij daarvoor de nodige kosten heeft gemaakt, maar hij heeft niet toegelicht en onderbouwd waaruit die aanpassingen en de kosten daarvan hebben bestaan en wat de omvang daarvan (ongeveer) is geweest. [eiser] heeft zelf onderkend dat het moeilijk is om een en ander in geld uit te drukken. De mogelijkheid dat schade is veroorzaakt door de tekortkoming van [verweerder] is hiermee slechts in zeer algemene termen omschreven en daarmee niet voldoende onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt.
Voor zover [eiser] het oog heeft op vergoeding van kosten voor herstel of vervanging om de warmtepomp alsnog aan de garantie te laten voldoen, betreft dit geen gevolgschade maar vervangende schade waarvoor een omzettingsverklaring is vereist. [verweerder] heeft aangevoerd dat een dergelijke verklaring ontbreekt en [eiser] heeft niet gesteld dat dit anders is.
Het hof zal de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, daarom afwijzen.’
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.10 en 3.11 en valt uiteen in twee subonderdelen. Onderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel in rov. 3.11 – dat de eis tot vergoeding van bij staat op te maken schade afgewezen wordt – onjuist is, voor zover dit oordeel erop berust dat [verweerder] gesteld heeft dat een omzettingsverklaring ontbreekt en dat [eiser] niet gesteld zou hebben dat dit anders is (rov. 3.10). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het, zo nodig ambtshalve op de voet van art. 25 Rv en/of door middel van interpretatie, moest onderzoeken of in de processtukken van [eiser] een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt, dus ook indien [eiser] niet met zoveel woorden gesteld heeft dat een omzettingsverklaring uitgebracht is. Het onderdeel betoogt dat [eiser] ’s processtukken geen andere conclusie toelaten dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser geen nakoming maar vervangende schadevergoeding wenst. [eiser] heeft immers geëist om [verweerder] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en heeft zodanige feitelijke stellingen aan deze eis ten grondslag gelegd dat deze, eventueel in onderling verband en in samenhang bezien, duidelijk genoeg waren voor de rechter en de wederpartij om toewijzing op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond te kunnen rechtvaardigen, aldus het onderdeel.
Onderdeel 1.2 voert aan dat het door onderdeel 1.1 bestreden oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, voor zover het hof met dit oordeel tot uiting heeft gebracht dat in de processtukken van [eiser] geen omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten zou liggen. Deze processtukken – gelet op [eiser] ’s eis en de daaraan ten grondslag liggende stellingen – laten geen andere conclusie toe dan dat daarin besloten ligt dat [eiser] als schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, zodat in de processtukken een omzettingsverklaring in de zin van art. 6:87 lid 1 BW besloten ligt. Uit deze processtukken blijkt namelijk dat [eiser] vervangende schadevergoeding van [verweerder] wenst om de warmtepomp zelf, door een derde, te laten herstellen respectievelijk vervangen. [eiser] wenst onmiskenbaar schadevergoeding in plaats van nakoming. Dit klemt nog temeer, omdat een schuldeiser bij een tekortkoming moet kiezen tussen nakoming, schadevergoeding bij ontbinding of schadevergoeding zonder ontbinding, en [eiser] gekozen heeft voor schadevergoeding op de voet van art. 6:74 BW, wat past bij een beroep op vervangende schadevergoeding, en niet heeft gekozen voor nakoming of ontbinding met schadevergoeding, aldus het onderdeel.
De onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Overeenkomstig art. art. 6:87 BW is de omzettingsverklaring een schriftelijke mededeling van de schuldeiser aan de schuldenaar dat schadevergoeding in plaats van nakoming wordt gevorderd. Voor de omzetting zijn geen formele bewoordingen nodig: iedere schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldeiser schadevergoeding in plaats van nakoming wenst, is voldoende.3 In het geval dat sprake is van levering van een zaak met een herstelbaar gebrek kan de schuldeiser kiezen voor het omzetten van de verplichting tot levering van de zaak in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding of voor het omzetten van de verplichting tot herstel van het gebrek in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.4 De omzettingsverklaring kan worden gecombineerd met een dagvaarding en kan ook besloten liggen in de dagvaarding (en in andere gedingstukken) als daaruit volgt dat vervangende schadevergoeding wordt gevorderd.5 Door uitleg van de verklaring (die dus ook in de gedingstukken besloten kan liggen) zal moeten worden vastgesteld of de schuldeiser de keuze voor omzetting heeft gemaakt.
De in het onderdeel genoemde passages in de memorie van antwoord, die inhouden dat [eiser] aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding, vallen niet anders dan als een omzettingsverklaring te begrijpen.6 Ook het hof heeft dit gelet op rov. 3.8 zo opgevat. Het hof heeft daarin immers overwogen dat [eiser] heeft gesteld dat het warmtepompsysteem hersteld of vervangen moest worden, wat de nodige kosten met zich brengt. Dat (de advocaat van) [eiser] in zijn memorie van antwoord art. 6:74 BW heeft genoemd en niet het juiste wetsartikel (art. 6:87 BW), doet daaraan niet af, omdat het hof immers op grond van art. 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen. Nu in de gedingstukken een omzettingsverklaring besloten ligt, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet aan zijn motiveringsplicht voldaan, zodat de klachten van onderdeel 1 slagen.
Onderdeel 2 wordt aangevoerd voor het geval dat onderdeel 1 faalt en in cassatie dus uitgangspunt zou zijn dat in [eiser] ’s processtukken geen omzettingsverklaring besloten zou liggen.
Onderdeel 2 behoeft geen behandeling gelet op het slagen van onderdeel 1.
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.8, 3.9 en 3.11 en valt uiteen in twee subonderdelen. Het onderdeel heeft, kort gezegd, betrekking op de afwijzing door het hof van de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Onderdeel 3.1 betoogt dat het hof in rov. 3.9 weliswaar de juiste maatstaf heeft vooropgesteld, namelijk dat voor verwijzing naar de schadestaat de mogelijkheid van schade aannemelijk geworden moet zijn, maar deze maatstaf te streng heeft toegepast. Het hof heeft zijn uit art. 6:97 BW voortvloeiende taak miskend door in rov. 3.9 te hoge eisen te stellen aan de stelplicht van [eiser] voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, namelijk door van [eiser] te eisen dat hij reeds had moeten toelichten en onderbouwen (i) dat en hoe hij zijn bedrijfsprocessen precies aangepast zou hebben en (ii) wat de precieze omvang van de daarmee gepaard gaande kosten geweest zou zijn. Het hof heeft in essentie miskend dat een zaak verwezen moet worden naar de schadestaat indien er ‘ook maar enige twijfel’ is over de aanwezigheid van schade. Volgens het onderdeel laten [eiser] ’s stellingen geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk is geworden, waarbij het onderdeel verwijst naar onderdeel 3.2.
Onderdeel 3.2 klaagt dat de bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn en/of ontoereikend gemotiveerd. Volgens het onderdeel laten de door [eiser] betrokken stellingen geen andere conclusie toe dan dat de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk is geworden, omdat deze stellingen erop neerkomen dat de productie van de trappen gehinderd en vertraagd werd doordat het warmtepompsysteem de bedrijfshal niet steeds kon verwarmen tot 16°C.
De onderdelen kunnen gezamenlijk worden besproken. Ik stel voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, voldoende is dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden.7 Het is voldoende dat eiser feiten stelt waaruit in het algemeen kan worden afgeleid dat schade is geleden.8 Eisers stelplicht reikt niet zo ver dat hij reeds in de hoofdprocedure gehouden is om de schadeposten en het beloop ervan op te geven.9 Heeft de rechter ook maar enige twijfel over de aanwezigheid van schade, dan dient hij te verwijzen naar de schadestaatprocedure.10 Aan de beslissing tot verwijzing worden geen strenge eisen gesteld.11 Voor zover onderdeel 3.1 betoogt dat het hof de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure te streng heeft toegepast, miskent de klacht dat uit het enkele door [eiser] gestelde feit dat bedrijfsprocessen moesten worden aangepast, op zichzelf niet kan worden afgeleid dat schade is geleden. Op zijn minst had een nadere omschrijving moeten worden gegeven waaruit die bedrijfsaanpassingen dan bestaan. De rechtsklacht van onderdeel 3.1 stuit hierop af.
In onderdeel 3.2 klaagt [eiser] dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, gelet op de stellingen die [eiser] heeft betrokken om de mogelijkheid van gevolgschade aannemelijk te doen zijn. De door [eiser] gestelde feiten komen erop neer dat de productie van de trappen gehinderd en vertraagd werd doordat het warmtepompsysteem de bedrijfshal niet steeds kon verwarmen tot 16°C. In het bijzonder heeft [eiser] gesteld dat indien de temperatuur in de bedrijfshal onder de 14°C kwam, moest worden gewacht met lijmen totdat de temperatuur in de ochtend hoger was.12 Hiermee heeft [eiser] aangegeven dat het productieproces dan stilligt c.q. wordt vertraagd. [eiser] heeft daarmee feiten gesteld waaruit in het algemeen kan worden afgeleid dat schade is geleden (stilligschade en stagnatieschade zijn doorgaans vormen van gevolgschade).13In het licht van dit een en ander vormt hetgeen het hof in rov. 3.8 t/m 3.10 heeft overwogen geen toereikende motivering voor zijn oordeel dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is geworden en voor de afwijzing van de gevorderde veroordeling tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, zodat de klacht van dit onderdeel slaagt.
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt.