Parket bij de Hoge Raad, 13-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1348, 24/00600
Parket bij de Hoge Raad, 13-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1348, 24/00600
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 december 2024
- Datum publicatie
- 16 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:1348
- Zaaknummer
- 24/00600
Inhoudsindicatie
Verzekeringsrecht. WAM. Deelgeschillenprocedure. Benadeelde spreekt WAM-verzekeraar aan op grond van eigen recht (art. 6 WAM). Kan WAM-verzekeraar benadeelde tegenwerpen dat deze namens verzekeringnemer onjuiste mededelingen heeft gedaan in totstandkomingsfase verzekeringsovereenkomst? Betekenis HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103 (Bijrijders) en HvJ EU 19 september 2024, C-236/23, ECLI:EU:C:2024:761.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00600
Zitting 13 december 2024
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
1 [eiser 1]
2. [eiseres 2]
3. [eiseres 3] V.O.F.
(eisers tot cassatie onder 1., 2. en 3. hierna gezamenlijk: ‘ [eiseres 1, 2 en 3] ’)
4. [eiseres 4] (hierna: ‘ [eiseres 4] ’)
5. [eiser 5] h.o.d.n. [A] (hierna: ‘ [A] ’)
(alle eisers tot cassatie hierna gezamenlijk: ‘ [eisers] ’)
tegen
Allianz Benelux N.V. h.o.d.n. Allianz Nederland Schadeverzekering (hierna: ‘Allianz’)
[eiseres 4] is als passagier in een eenzijdig auto-ongeluk ernstig gewond geraakt. Zij heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van de betrokken auto, Allianz, aangesproken op grond van haar eigen recht uit art. 6 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: ‘WAM’). Allianz heeft uitkering geweigerd. De auto was weliswaar niet op naam van [eiseres 4] verzekerd, maar in de nasleep van het ongeval is gebleken dat [eiseres 4] wel eigenaar en gebruikelijke bestuurder van de auto was. Bovendien is gebleken dat zij eerst zelf de auto had willen verzekeren, maar dat haar een verzekering was geweigerd. Daarna heeft [eiseres 4] (met succes) op naam van een vriendin de verzekeringsaanvraag ingediend en daarbij de vragenlijst bewust onjuist ingevuld, zodat alsnog een WAM-verzekering voor de auto tot stand kwam.
Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 4] in het licht van deze omstandigheden weliswaar niet is aan te merken als verzekeringnemer, maar wel als meeverzekerde ‘bekende derde’ in de zin van art. 7:928 lid 2 BW. Daarom is zij volgens het hof geen benadeelde aan wie op grond van art. 6 WAM een eigen recht toekomt. Dit betekent volgens het hof dat art. 11 WAM er niet aan in de weg staat dat Allianz verweren gebaseerd op titel 7.17 BW aan [eiseres 4] tegenwerpt. Voor zover [eiseres 4] toch als WAM-benadeelde is aan te merken, heeft zij volgens het hof door haar onoorbare gedrag haar eigen recht uit art. 6 WAM verspeeld, zodat Allianz’ beroep op art. 6:2 lid 2 BW slaagt en Allianz niet tot uitkering is gehouden.
In cassatie zijn [eisers] tegen deze oordelen opgekomen. De bespreking van haar klachten staat sterk in de sleutel van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het bijzonder het recente Matmut-arrest.1
1 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:2
Op 1 januari 2019 is [eiseres 4] betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval (hierna: ‘het ongeval’) met een personenauto, een Citroën Xsara Picasso met [kenteken] (hierna: ‘de auto’). [eiseres 4] zat als passagier in de auto, die werd bestuurd door haar jongere zus, [de zus] (hierna: ‘de zus’). Andere passagiers in de auto waren de voormalige partner van [eiseres 4] , [de voormalige partner] (hierna: ‘ [de voormalige partner] ’), de dochter van [eiseres 4] en [de voormalige partner] , [de dochter] (hierna: ‘de dochter’), en de vader van [eiseres 4] , [de vader] (hierna: ‘de vader’). Het ongeval vond plaats op de A12 op de verbindingsweg tussen Utrecht en Apeldoorn, ter hoogte van de uitrit naar de A50 te Arnhem. De auto is uit de bocht gevlogen en door de vangrail meerdere keren over de kop geslagen, waarna de auto op de tegenovergestelde weghelft is terechtgekomen.
Door het ongeval is [eiseres 4] bekneld geraakt. Zij had direct geen gevoel meer in haar benen. [eiseres 4] is door de brandweer uit de auto gehaald en per ambulance overgebracht naar het Radboudumc. Er was sprake van meerdere wervelfracturen van de rug. [eiseres 4] is dezelfde dag nog geopereerd en de fracturen zijn met behulp van osteosynthesemateriaal vastgezet. Het gevoel in haar benen is niet meer teruggekomen. Er bleek sprake te zijn van een incomplete dwarslaesie (vanaf niveau Th11; het midden van de rug).
Na een opname van een week in het Radboudumc is [eiseres 4] overgebracht naar revalidatiekliniek Roessingh in Enschede. Na enkele maanden is [eiseres 4] overgeplaatst naar revalidatiecentrum Beatrixoord in Haren. Op 4 juni 2019 werd [eiseres 4] overgeplaatst naar een aangepaste woning met vierentwintiguurszorg. Ten tijde van het ongeval was [eiseres 4] vijftig jaar oud.
[eiseres 4] staat onder beschermingsbewind. [eiseres 1, 2 en 3] zijn benoemd tot bewindvoerder. Zij zijn per 16 januari 2023 vervangen door [A] .
De auto was ten tijde van het ongeval op naam gesteld van [betrokkene 1] (hierna: ‘ [betrokkene 1] ’). Op naam van de toenmalige partner van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] (hierna: ‘ [betrokkene 2] ’) is een WA-beperktcascoverzekering afgesloten bij Allsecur (een voormalige handelsnaam van Allianz) met als ingangsdatum 20 juli 2018. Vanaf 20 juli 2018 tot 6 december 2018 stond de auto op naam van [betrokkene 2] en daarna op naam van [betrokkene 1] . De polis van de auto is op 18 december 2018 geschorst wegens een betalingsachterstand, waarna de polis op 2 januari 2019 is geroyeerd.
In een brief van 13 juni 2019 heeft de belangenbehartiger van [eiseres 4] , [betrokkene 3] (hierna: ‘ [betrokkene 3] ’), NIVRE Register-Expert Personenschade bij Kracht! Letselschade, Allianz als WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. Op 10 december 2019 heeft Allianz aansprakelijkheid van de hand gewezen omdat op basis van de destijds beschikbare informatie [eiseres 4] de bestuurster van de auto was ten tijde van het ongeval. Nadien heeft [betrokkene 3] foto’s aan Allianz en drie handgeschreven verklaringen van [de voormalige partner] , de dochter en de vader gestuurd. Volgens deze verklaringen bestuurde de zus de auto ten tijde van het ongeval.
Op 10 februari 2020 heeft Allianz Dekra Experts (hierna: ‘Dekra’) opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de omstandigheden rondom het ongeval. In dat kader heeft [de toedrachtonderzoeker] (hierna: ‘ [de toedrachtonderzoeker] ’) interviews afgenomen met [eiseres 4] , [de voormalige partner] en de zus.
Op 11 februari 2020 heeft Allianz [betrokkene 3] laten weten dat zij vanwege de ernst van het letsel van [eiseres 4] bereid is [eiseres 4] een voorschot te betalen van € 2.000. Allianz heeft daarbij opgemerkt dat de betaling van het voorschot niet kan worden gezien als een erkenning van aansprakelijkheid.
Op 13 maart 2020 heeft Allianz aan [betrokkene 3] geschreven dat zij de rapportage van Dekra heeft ontvangen en dat Allianz de letselschade van [eiseres 4] als schuldloze inzittende als gevolg van het ongeval in behandeling neemt op grond van de WAM. Op 17 maart 2020 heeft [betrokkene 3] aan Allianz geschreven dat hij er nota van heeft genomen dat Allianz met haar bericht aansprakelijkheid op grond van de WAM erkent. In reactie daarop heeft Allianz op 28 april 2020 geschreven, onder verwijzing naar de eerdere voorschotbetaling waarbij geen aansprakelijkheid werd erkend (zie hiervoor, randnummer 1.9), dat de zaak binnen Allianz intern is overgedragen en dat Allianz geen aansprakelijkheid erkent. Ook heeft Allianz aangegeven dat er geen duidelijkheid is over onder meer de dekking en de aansprakelijkheid, dat het onderzoek daarnaar nog niet is afgerond en dat wellicht een uitbreiding/aanvulling van het onderzoek nodig is.
In het eerste rapport van Dekra van 3 april 2020 staat onder meer dat de zus heeft verklaard dat zij als bestuurster kan worden aangemerkt ten tijde van het ongeval en dat zij na het ongeval het rijbewijs van [eiseres 4] heeft getoond. Daarnaast heeft de zus verklaard dat zij niet in het bezit is van een geldig rijbewijs voor het besturen van een auto en dat de auto in eigendom zou toebehoren aan [eiseres 4] . In het rapport staat voorts dat [eiseres 4] heeft verklaard dat zij de auto heeft geleend van [betrokkene 1] , een kennis van haar. Vervolgens heeft Allianz op 23 april 2020 aan Dekra opdracht verstrekt tot het verrichten van vervolgonderzoek. [de toedrachtonderzoeker] heeft in dat kader op 9 juli 2020 interviews afgenomen met de vader, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] .
In het tweede rapport van Dekra van 16 juli 2020 staat onder andere dat de auto in eigendom toebehoort aan [eiseres 4] . Dit is gebaseerd op de verklaringen van de zus, de vader, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Voorts staat in het rapport dat [betrokkene 2] de auto op 20 juli 2018 op verzoek van [eiseres 4] op haar naam heeft laten zetten (volgens de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] omdat [eiseres 4] in de schuldsanering terecht was gekomen), waarna [betrokkene 1] (nadat [betrokkene 2] in de schuldsanering terecht was gekomen) de auto op 6 december 2018 op verzoek van [eiseres 4] op zijn naam heeft laten zetten. Volgens het rapport volgt uit het vorenstaande dat [eiseres 4] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de eigendom van de auto. Daarnaast staat in het rapport dat [eiseres 4] in het verleden zelf een verzekeringsaanvraag had ingediend voor de auto en dat die aanvraag blijkens stukken van Allsecur is geweigerd. Vervolgens heeft [eiseres 4] op 20 juli 2018, met toestemming van [betrokkene 2] , online een verzekeringsaanvraag ingediend bij Allsecur op naam van [betrokkene 2] . Volgens het rapport heeft [eiseres 4] daarbij de slotvragen onjuist beantwoord. In het rapport is opgemerkt dat [betrokkene 2] niet in het bezit is van een geldig rijbewijs, terwijl de hierop betrekking hebbende vraag wel met ‘ja’ is beantwoord. Uit het rapport blijkt voorts dat [eiseres 4] onjuiste informatie heeft verstrekt over de verzekeringsaanvraag bij Allsecur. Ook staat in het rapport vermeld dat [eiseres 4] zich in telefoongesprekken met Allianz heeft voorgedaan als [betrokkene 2] (of als familie van [betrokkene 2] ), dat [eiseres 4] de door [betrokkene 2] betaalde premie aan [betrokkene 2] terugbetaalde en dat [eiseres 4] op de hoogte was van het feit dat haar zus niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.
Naar aanleiding van voornoemd rapport is [eiseres 4] nogmaals geïnterviewd door [de toedrachtonderzoeker] . In het daarvan opgemaakte derde rapport van Dekra van 11 september 2020 staat onder meer dat de auto volgens [eiseres 4] eigendom is van [betrokkene 4] , dat laatstgenoemde de auto wilde schorsen en dat [eiseres 4] de auto wilde blijven gebruiken en heeft aangeboden de auto te verzekeren en op naam te zetten. Vervolgens heeft [eiseres 4] volgens het rapport met toestemming van [betrokkene 2] de auto op naam gesteld van [betrokkene 2] en een WAM-verzekering afgesloten, nadat [eiseres 4] werd geweigerd door de verzekeraar. In december 2018 is de auto volgens de verklaring van [eiseres 4] op naam gesteld van [betrokkene 1] . [eiseres 4] heeft voorts verklaard dat zij en enkele anderen de gebruiker zijn geweest van de auto.
Op 6 oktober 2020 heeft de advocaat van Allianz aan [betrokkene 3] geschreven dat sprake is van verval van recht op uitkering onder de WAM-verzekering, omdat [eiseres 4] zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedrog, opzettelijke misleiding en schending van de waarheidsplicht. In reactie daarop heeft [betrokkene 3] op 1 november 2020 aan Allianz geschreven dat Allianz geen verzekeringsrechtelijke sanctie aan [eiseres 4] kan tegenwerpen, omdat [eiseres 4] geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst. Op 14 december 2020 heeft de advocaat van Allianz een beroep gedaan op een schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv) en op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW). In de brief staat dat [eiseres 4] op die gronden haar recht op schadevergoeding volledig heeft verspeeld.
[eiseres 4] is door het ongeval rolstoelafhankelijk geworden en zij verplaatst zichzelf door middel van een elektrische rolstoel. Voor veel handelingen heeft [eiseres 4] hulp van derden nodig. Er is sprake van een vierentwintiguurszorgindicatie. Allianz heeft [eiseres 4] tot op heden € 7.000 betaald als voorschot.
2 Procesverloop
Bij inleidend verzoekschrift strekkende tot een beslissing in een deelgeschil op grond van art. 1019w Rv van 2 juli 2021 hebben [eiseres 1, 2 en 3] (indertijd bewindvoerders over de goederen van [eiseres 4] ) en [eiseres 4] de rechtbank Noord-Nederland, voor zover in cassatie van belang, verzocht om te bepalen dat Allianz is gehouden tot vergoeding van de door [eiseres 4] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Allianz heeft verweer gevoerd.
Op 28 oktober 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
Bij beschikking van 25 november 20213 heeft de rechtbank Noord-Nederland het verzoek van [eisers] toegewezen en, voor zover in cassatie van belang, bepaald dat Allianz is gehouden tot vergoeding van de door [eiseres 4] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval.
De rechtbank is daartoe – voor zover in cassatie van belang – ingegaan op de positie van [eiseres 4] ten aanzien van de verzekeringsovereenkomst en op haar eigen recht op grond van art. 6 WAM:
“4.4. De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Bij personenschade veroorzaakt door een motorrijtuig heeft de benadeelde op grond van artikel 6 lid 1 WAM een eigen vorderingsrecht op de WAM-verzekeraar. Daarnaast bepaalt artikel 11 WAM dat geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door een verzekeraar aan een benadeelde kan worden tegengeworpen. Voorts bepaalt artikel 7:928 lid 1 BW dat de verzekeringnemer verplicht is om voor het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat zij voor de verzekeraar van belang zijn of kunnen zijn. Indien niet aan de mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW is voldaan, is de verzekeraar op grond van lid 4 van 7:928 BW geen uitkering verschuldigd, indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben afgesloten. Dit geldt op grond van lid 5 van voornoemd artikel ook indien de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Daarnaast bepaalt artikel 7:941 lid 2 BW dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde verplicht zijn om binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Lid 5 van 7:941 BW bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde hun meldingsplicht (lid 1) en inlichtingenplicht (lid 2) niet nakomen met het opzet de verzekeraar te misleiden.
Allianz beroept zich op voornoemde bepalingen uit boek 7 BW en stelt dat [eiseres 4] de facto verzekeringnemer van Allianz was. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel uit de rapporten van Dekra kan worden afgeleid dat [eiseres 4] eigenaar van de auto was, in de rapporten duidelijk naar voren komt dat de auto met toestemming van [betrokkene 2] op naam van [betrokkene 2] is verzekerd bij Allianz. Dit betekent dat er ter zake van de WAM-verzekering een contractuele verzekeringsrechtelijke relatie heeft bestaan tussen [betrokkene 2] en Allianz. Het feit dat [eiseres 4] bij de totstandkoming van die overeenkomst een rol heeft gespeeld en in werkelijkheid een verzekering voor haar eigen auto wilde afsluiten, betekent niet dat zij door die handelwijze ook daadwerkelijk verzekeringnemer is geworden. Verzekeringsrechtelijk gezien staat [eiseres 4] buiten de contractuele relatie tussen [betrokkene 2] en Allianz. Gelet op het feit dat [eiseres 4] als inzittende van de auto bij het ongeval van 1 januari 2019 betrokken is geweest, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding jegens Allianz. Alle door Allianz opgeworpen verweren en sancties naar aanleiding van het frauduleuze handelen van [eiseres 4] zien op de contractuele verzekeringsrelatie tussen Allianz en [betrokkene 2] . Die verweren kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan [eiseres 4] worden tegengeworpen. Op grond van artikel 11 WAM kunnen de verzekeringsrechtelijke sancties (verval van het recht op uitkering) en/of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheden en overige verweren alleen aan [betrokkene 2] worden tegengeworpen.”
Vervolgens heeft de rechtbank onder verwijzing naar het zogeheten Bijrijders-arrest van Uw Raad4 geoordeeld dat de handelwijze van [eiseres 4] niet tot verval van haar vorderingsrecht op grond van art. 6 WAM kan leiden, omdat voor een analoge toepassing van art. 7:941 lid 5 BW geen plaats is:
“Analoge toepassing artikel 7:941 lid 5 BW?
Ook voor een analoge toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW op de buitencontractuele rechtsverhouding tussen Allianz en [eiseres 4] – zoals ter zitting door Allianz is betoogd – is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1103, rechtsoverweging 3.3.5). De Hoge Raad heeft in dat verband geoordeeld dat artikel 7:954 lid 5 BW geschreven is voor een specifieke contractuele rechtsverhouding. Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen de WAM-verzekeraar en de benadeelde van geheel andere aard is dan die rechtsverhouding en samenhangt met een andere (niet-contractuele) rechtsverhouding tussen de benadeelde en de verzekerde. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 7:941 lid 5 BW een sanctiekarakter heeft en toepassing kan vinden bij uiteenlopende gevallen van misleiding. De (potentieel) ver[s]trekkende gevolgen van de sanctie brengen volgens de Hoge Raad mee dat zij een wettelijke basis dient te hebben. De Hoge Raad concludeert dat voor het aanvaarden van een algemene buitenwettelijke regel die meebrengt dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht van artikel 6 WAM vervalt, derhalve geen plaats is. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de handelwijze van [eiseres 4] niet tot verval van haar vorderingsrecht op grond van artikel 6 WAM kan leiden.”
Ook het beroep van Allianz op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW) en op schending van de waarheidsplicht (art. 21 Rv) vinden bij de rechtbank geen genade:
“4.7. Uit de rapporten van Dekra volgt dat [eiseres 4] [betrokkene 2] ertoe heeft bewogen om de auto van [eiseres 4] te verzekeren, omdat [eiseres 4] dat zelf niet kon doen. Uit de rapporten volgt voorts dat [eiseres 4] onjuiste informatie aan Allianz heeft verstrekt en dat [eiseres 4] zich richting Allianz heeft voorgedaan als [betrokkene 2] . Hoewel de rechtbank begrijpt dat Allianz zich door deze handelwijze van [eiseres 4] om de tuin geleid voelt en [eiseres 4] mogelijk onrechtmatig jegens Allianz heeft gehandeld, staat deze handelwijze naar het oordeel van de rechtbank echter niet in zodanig verband met het ongeval dat heeft plaatsgevonden en de schade die daaruit is voortgevloeid, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om op grond van artikel 6 WAM tot schade-uitkering aan [eiseres 4] over te gaan. Uit het arrest van de Hoge Raad – zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 4.6 – volgt immers dat de WAM een vergaande bescherming biedt aan de benadeelde. Ook acht de rechtbank van belang dat [eiseres 4] door het ongeval rolstoelafhankelijk is geworden, waarbij sprake is van een 24-uur zorgindicatie. Deze voor [eiseres 4] zeer ingrijpende gevolgen van het ongeval, in samenhang bezien met de bescherming die de WAM aan benadeelden beoogt te bieden, brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het beroep van Allianz op artikel 6:2 lid 2 BW niet slaagt. Op grond van het vorenstaande ziet de rechtbank evenmin aanleiding om aan de schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv) de gevolgtrekking te verbinden dat [eiseres 4] haar recht op schadevergoeding heeft verspeeld. De rechtbank acht Allianz daarom op grond van artikel 6 WAM juncto artikel 3 onder 1 sub a juncto artikel 2 onder schuldloze in- of opzittende Bedrijfsregeling schuldloze derde aansprakelijk voor de schade die [eiseres 4] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. De daartoe strekkende bepaling [lees: het daartoe strekkende verzoek, A-G] is toewijsbaar, met dien verstande dat hierna nog nader op de omvang van de schadevergoedingsplicht van Allianz zal worden ingegaan, gelet op het beroep van Allianz op eigen schuld van [eiseres 4] .”
Vervolgens is de rechtbank (in rov. 4.8.-4.10., hier niet weergegeven) ingegaan op het beroep van Allianz op eigen schuld (art. 6:101 BW) van [eiseres 4] en het beroep van [eiseres 4] in dat verband op de billijkheidscorrectie in art. 6:101 BW. De rechtbank is, kort weergegeven, tot het oordeel gekomen dat er sprake is van een percentage eigen schuld van [eiseres 4] van 10%, maar dat de billijkheid een andere verdeling van de schade rechtvaardigt, zodat de vergoedingsplicht aan de zijde van Allianz uiteindelijk toch 100% van de schade van [eiseres 4] betreft.
Hoger beroep
Tegen deze beschikking heeft Allianz hoger beroep ingesteld.5
Hangende het hoger beroep heeft de rechtbank Rotterdam per 16 januari 2023 [eiseres 1, 2 en 3] als bewindvoerders over de goederen van [eiseres 4] ontslagen en [A] als bewindvoerder benoemd.6 [eisers] hebben vervolgens, met instemming van Allianz, het hof verzocht om [eiseres 1, 2 en 3] als procespartij te vervangen door [A] .
Op 21 september 2023 heeft een mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgehad.7 Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. [eisers] hebben op dit proces-verbaal bij brief van 8 oktober 2023 gereageerd.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 21 november 2023 arrest gewezen (hierna: ‘het bestreden arrest’).8 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eisers] alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof voor zover in cassatie van belang als volgt overwogen en geoordeeld.
Het hof heeft in rov. 4.3-4.4 overwogen dat [eiseres 4] zelf geen verzekeringnemer is, maar wel een ‘bekende derde’ in de zin van art. 7:928 lid 2 BW:
“4.3 Vaststaat dat [eiseres 4] de verzekeringsaanvraag namens [betrokkene 2] heeft gedaan, omdat zij wist dat Allianz haar een verzekering zou weigeren aangezien zij in de schuldsanering zat en Allianz al eerder had geweigerd een WAM-verzekering met haar af te sluiten voor de auto vanwege betalingsproblemen. Allianz heeft – onweersproken – gesteld dat voor haar op geen enkele wijze kenbaar is geweest dat [eiseres 4] optrad als vertegenwoordiger van [betrokkene 2] en dat Allianz ervan uit is gegaan dat [betrokkene 2] op eigen naam een verzekering sloot ten behoeve van haar eigen voertuig.
Hoewel het hof van oordeel is dat dit nog niet betekent dat [eiseres 4] door deze handelwijze ook daadwerkelijk verzekeringnemer is geworden, omdat uit de rapporten van Dekra blijkt dat de auto met toestemming van [betrokkene 2] op haar naam is verzekerd bij Allianz, merkt het hof [eiseres 4] wel aan als ‘bekende derde’, als bedoeld in artikel 7:928 lid 2 BW, wier belang bij het sluiten van de verzekering is gedekt. Dit laatste gelet op de omstandigheden dat [eiseres 4] online een verzekeringsaanvraag heeft ingediend bij Allsecur (de rechtsvoorganger van Allianz) op naam van [betrokkene 2] , feitelijk eigenaar, althans bestuurder van de auto was en (via [betrokkene 2] ) de verzekeringspremies heeft voldaan en aldus direct belanghebbende bij de WAM-verzekering was, die zij zelf niet kon afsluiten.”
Het hof is vervolgens in rov. 4.5-4.10 tot het oordeel gekomen dat de precontractuele mededelingsplicht betreffende [eiseres 4] is geschonden:
“4.5 Uit artikel 7:928 lid 1 BW volgt dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Lid 2 van genoemd artikel bepaalt dat indien de belangen van een bij het aangaan van de verzekering bekende derde worden gedekt, de in lid 1 bedoelde verplichting mede omvat de hem betreffende feiten die de verzekeringnemer kent of behoort te kennen, en waarvan naar deze weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. De mededelingsplicht van de verzekeringnemer omvat aldus ook hetgeen een hem bekende derde wiens belang bij het sluiten van de verzekering gedekt is, had moeten mededelen indien hij zelf verzekeringnemer was geweest. Blijkens de wetsgeschiedenis9 wordt de mededelingsplicht van de verzekeringnemer uitgebreid in die zin dat, ongeacht zijn eigen wetenschap, de geobjectiveerde wetenschap van de derde aan hem wordt toegerekend.
Het hof stelt vast dat [eiseres 4] de aanvraag voor de WAM-verzekering voor de auto niet alleen op naam van [betrokkene 2] heeft gedaan, maar ook namens haar de vragenlijst onjuist heeft ingevuld. De vraag ‘Heeft een verzekeraar u of uw medebestuurder ooit een verzekering geweigerd of opgezegd? Of bijzondere eisen gesteld?’ is immers ten onrechte met ‘nee’ beantwoord, terwijl vaststaat dat [eiseres 4] de bestuurder van de auto was en wilde blijven en Allsecur [eiseres 4] heeft geweigerd als verzekeringnemer voor een WAM-verzekering met betrekking tot de auto. Tevens is de vraag ‘Heeft u en uw medebestuurder een rijbewijs dat in Nederland geldig is’ met ‘ja’ beantwoord, waar vaststaat dat [betrokkene 2] niet beschikt over een rijbewijs en overigens niet in staat is de handgeschakelde auto te besturen, omdat zij maar één been heeft.
Allianz heeft – onweersproken – gesteld dat zij de betreffende WAM-verzekering niet zou hebben gesloten als zij van de ware feiten, hieruit bestaande dat niet [betrokkene 2] maar [eiseres 4] de feitelijke verzekeringnemer was, zou hebben geweten. Immers, al eerder heeft zij [eiseres 4] als verzekeringnemer van een WAM-verzekering voor de auto geweigerd.
Uit artikel 7:930 lid 1 BW volgt dan dat indien aan de in artikel [7:]928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, alleen recht op uitkering bestaat overeenkomstig de leden 2 en 3. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat in afwijking van de leden 2 en 3 geen uitkering is verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, terwijl uit lid 5 volgt dat geen uitkering is verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 7:928 lid 2 BW, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde.
Onder opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 BW dient te worden verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen de overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.10 De zware sanctie van verval van het recht op uitkering geldt tegenover de derde alleen indien deze zelf dan wel de verzekeringnemer met betrekking tot het risico of het belang van de derde heeft gehandeld met het opzet tot misleiden.
Naar het oordeel van het hof is hiervan sprake geweest, waar [eiseres 4] na de aanvankelijke weigering aan haar van een WAM-verzekering voor de auto, deze alsnog tot stand heeft willen brengen en heeft gebracht op naam van een ander, waarbij de mededelingsplicht is geschonden.”
Daarna heeft het hof in rov. 4.11-4.12 beoordeeld of art. 11 WAM in de weg staat aan het inroepen van verzekeringsrechtelijke sancties door Allianz tegenover [eiseres 4] . Volgens het hof is dat niet het geval:
“4.11 Gelet op het voorgaande volgt het hof Allianz in haar stelling dat artikel 11 WAM niet in de weg staat aan het inroepen van de verzekeringsrechtelijke sancties door Allianz jegens [eiseres 4] (schending van de precontractuele mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW en verval van het recht op uitkering wegens opzettelijke misleiding), omdat [eiseres 4] niet als een derde-benadeelde (derde-claimant onder de WAM, die niets van doen heeft met de verzekeringsrechtelijke verhouding tussen de verzekerde/verzekeraar) kan worden aangemerkt.
Van toepasselijkheid van het Bijrijdersarrest van 6 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1103) is geen sprake omdat – zoals [eiseres 4] zelf ook in de memorie van antwoord heeft geconstateerd – in deze zaak immers wel sprake is van een derde benadeelde/inzittende die zelf ook een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de WAM-verzekering. Zonder de fraude van [eiseres 4] zou geen sprake zijn geweest van een WAM-verzekering en dus ook geen dekking voor schade als gevolg van het ongeval. Het hof volgt [eiseres 4] daarmee niet in haar stelling dat de fraude in deze zaak minder ernstig is dan de fraude die centraal stond in het Bijrijdersarrest.”
Ten overvloede heeft het hof het beroep van Allianz op art. 6:2 lid 2 BW beoordeeld – in welk verband het hof heeft geoordeeld dat dit beroep slaagt voor zover [eiseres 4] niet zou hebben te gelden als ‘bekende derde’ in de zin van art. 7:928 lid 2 BW – om vervolgens tot de conclusie te komen dat de eerste twee door Allianz aangevoerde grieven slagen:
“4.13 Voor zover [eiseres 4] niet zou hebben te gelden als ‘bekende derde’ als bedoeld in artikel 7:928 lid 2 BW, slaagt ook het beroep van Allianz op artikel 6:2 lid 2 BW. Het bedrog van [eiseres 4] brengt met zich mee dat zij haar recht op vergoeding ex artikel 6 WAM (voor zover haar daarop al een beroep zou toekomen) door haar eigen onoorbare gedrag heeft verspeeld. De handelwijze van [eiseres 4] , bestaande uit het opzettelijk misleiden van Allianz, had als doel een WAM-dekking te construeren voor de auto waarmee het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze dekking zou zij niet hebben verkregen indien zij de vragenlijst naar waarheid zou hebben ingevuld en naar waarheid zou hebben verklaard. Daarmee zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om op grond van artikel 6 WAM tot schade-uitkering aan [eiseres 4] over te gaan, omdat dat zou betekenen dat [eiseres 4] zou kunnen profiteren van haar op juist dat profijt gerichte bedrieglijke constructie. Dit geldt temeer nu [eiseres 4] ook na het ongeval diverse onjuiste en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd om de door haar gepleegde fraude te verhullen, waarbij zij zich in ieder geval tijdens drie telefoongesprekken met Allianz heeft voorgedaan als [betrokkene 2] . Dit is niet alleen maatschappelijk onwenselijk, maar leidt ook tot verval van het recht op uitkering wegens opzettelijke misleiding ex artikel 7:941 lid 5 BW in samenhang met artikel 7:941 lid 2 BW.
Conclusie
De grieven van Allianz tegen het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsrechtelijke verweren niet aan [eiseres 4] kunnen worden tegengeworpen (grief 1) en dat Allianz geen beroep toekomt op artikel 6:2 lid 2 BW (grief 2) slagen. Daarmee behoeft grief 3 geen verdere bespreking.”
In het kader van de devolutieve werking van het appel is het hof daarna in rov. 4.15-4.22 ingegaan op de stelling van [eiseres 4] dat het Allianz niet vrijstaat om terug te komen op de erkenning van haar aansprakelijkheid in haar e-mail van 13 maart 2020. Het hof heeft daarbij geoordeeld dat Allianz gelet op de gang van zaken niet kan worden verweten dat zij op 13 maart 2020 meedeelde dat zij de letselschade van [eiseres 4] in behandeling zou nemen op grond van de WAM zonder daarbij nogmaals het voorbehoud te maken dat dit geen erkenning van aansprakelijkheid inhoudt. Op 11 februari 2020 heeft Allianz dat voorbehoud immers wel gemaakt, terwijl zij op 28 april 2020 ook ontkennend heeft gereageerd op de mededeling van [betrokkene 3] van 17 maart 2020 dat sprake was van erkenning van aansprakelijkheid, waarbij zij ook heeft verwezen naar het voorbehoud dat op 11 februari 2020 was gemaakt. Daarnaast zou het volgens het hof in verband met de omstandigheden genoemd in rov. 4.13 (geciteerd in het vorige randnummer) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om Allianz aan een aanvankelijke erkenning van aansprakelijkheid te houden, voor zover daarvan al sprake zou zijn.
Ten slotte heeft het hof in rov. 4.23-4.27 de vierde grief van Allianz verworpen. Deze grief had betrekking op het oordeel van de rechtbank over de kosten van het deelgeschil.
Op grond van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv is het bestreden arrest aan te merken als tussenarrest. Bij arrest van 12 maart 2024 heeft het hof tussentijds cassatieberoep opengesteld.11
Cassatieberoep
[eisers] hebben tegen het bestreden arrest op 21 februari 2024 – tijdig12 – cassatieberoep ingesteld. Allianz heeft verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten en hebben afgezien van re- en dupliek.