Parket bij de Hoge Raad, 20-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1405, 24/00999
Parket bij de Hoge Raad, 20-12-2024, ECLI:NL:PHR:2024:1405, 24/00999
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 december 2024
- Datum publicatie
- 23 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:1405
- Zaaknummer
- 24/00999
Inhoudsindicatie
Verzoek bewind meerderjarige; digitaal bijwonen mondelinge behandeling; instemming partijen vereist?; motiveringsplicht?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00999
Zitting 20 december 2024
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
1 [verzoeker 1] (hierna: [verzoeker 1]),
2. [verzoeker 2] (hierna: [verzoeker 2]),
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn
tegen
[verweerder] (hierna: [verweerder]),
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. A.C. de Bakker,
en
1 [de moeder](hierna:moeder),
2. [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2]),
belanghebbenden,
niet verschenen
en
Stichting Pameijer, informant,
niet verschenen
1. Inleiding en samenvatting
In deze zaak hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een verzoek ingediend tot instelling van een bewind over de goederen van hun broer [verweerder] Zowel de rechtbank als het hof heeft dit verzoek afgewezen.
In cassatie klagen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de eerste plaats dat het hof heeft toegestaan dat [verweerder] en zijn advocaat via een videoverbinding hebben deelgenomen aan de mondelinge behandeling van het hoger beroep op 1 november 2023 (onderdeel 1). Volgens het onderdeel is dit ten onrechte, nu art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 op dat moment reeds was vervallen en [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet met video-deelname hebben ingestemd, maar daartegen bezwaren hebben geuit. Voor het geval die klachten niet slagen, wordt bovendien geklaagd dat het hof bij zijn toets of het instellen van een bewind ten aanzien van [verweerder] noodzakelijk is, vooral acht heeft geslagen op zijn dagelijkse financiën en niet op het beheer van ander vermogen van [verweerder], afkomstig uit de nalatenschap van hun vader (onderdeel 2).
Mijns inziens slagen reeds enkele klachten uit het eerste onderdeel.
Deze zaak hangt samen met het cassatieberoep onder zaaknummer 24/00997. Die zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, heeft betrekking op het door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ingediende verzoek tot instelling van een bewind over de goederen van hun moeder en een verzoek tot instelling van een mentorschap ten behoeve van haar.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan de beschikking van 20 december 2023 (hierna ook: de bestreden beschikking) van het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof)1:
(i) [verweerder] is geboren te [geboorteplaats], Suriname op [geboortedatum] 1971.
(ii) [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn broers van [verweerder], [belanghebbende 2] is zijn zus. Allen zijn zij kinderen van moeder.
In eerste aanleg
Bij verzoekschrift van 21 maart 2022 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) verzocht om een bewind in te stellen over de goederen van [verweerder], met benoeming van [verzoeker 1] en [belanghebbende 2] tot bewindvoerders. Op 6 april 2022 is een aanvulling op het verzoekschrift ingediend.
Bij verweerschrift, gedateerd 5 mei 20222, heeft [verweerder] geconcludeerd dat het verzoek dient te worden afgewezen en dat, voor zover de kantonrechter een bewind noodzakelijk acht, [belanghebbende 2] dan wel Stichting Pameijer tot enig bewindvoerder wordt benoemd, dan wel een onafhankelijk en professioneel bewindvoerder.
De kantonrechter heeft de zaak ter zitting van 11 mei 2022 behandeld en heeft [verweerder], [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en de voorgestelde bewindvoerders gehoord. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.3
Bij beschikking van 20 mei 20224 heeft de kantonrechter het verzoek afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“Ter zitting hebben verzoekers aangegeven het beschermingsbewind te vragen om inzage te krijgen in de financiën van hun broer en meer in het bijzonder de afwikkeling van de nalatenschap van de vader.
Een beschermingsbewind, zoals dat nu is gevraagd, is daar echter niet voor bedoeld. Tot het instellen van het beschermingsbewind kan worden overgegaan indien de rechthebbende als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de financiën en de fysieke zorg van betrokkene al jarenlang – ook naar zijn eigen zeggen en dat van zijn begeleider – goed verloopt. Betrokkene stelt in staat te zijn om samen met zijn zus en de begeleiding van Pameijer zijn eigen financiën te beheren en wenst juist dat het contact met de broers wordt beperkt.
De kantonrechter ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding het gevraagde bewind over betrokkene in te stellen.”
In hoger beroep
Bij beroepschrift van 19 augustus 2022 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de kantonrechter van 20 mei 2022 te vernietigen en, met wijziging van het oorspronkelijke verzoek, [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te benoemen tot bewindvoerder van [verweerder], althans een derde onafhankelijke en professionele bewindvoerder.
In zijn verweerschrift, ingekomen bij het hof op 17 oktober 2022, heeft [verweerder] gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen en dat, voor zover het hof een bewind noodzakelijk acht, [belanghebbende 2] dan wel Stichting Pameijer tot enig bewindvoerder dient te worden benoemd, dan wel een onafhankelijk en professioneel bewindvoerder.
Bij het hof zijn namens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] journaalberichten inclusief bijlagen ingekomen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2023, tezamen met die van de zaken bekend onder zaaknummers 200.310.624/01, 200.310.624/02 en 200.310.625/01.5 Daarbij waren, voor zover in deze zaak relevant, aanwezig [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en hun advocaat mr. Budhu Lall, en via een videoverbinding: [verweerder] en zijn advocaat mr. Boiten, moeder en [belanghebbende 2] Ook was een vertegenwoordigster van Stichting Pameijer aanwezig.6 Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: p-v hof). De advocaten van appellanten en van [verweerder] hebben pleitnotities overgelegd.
Bij zijn thans bestreden beschikking van 20 december 2023 heeft het hof de beschikking van de kantonrechter van 20 mei 2022 bekrachtigd en de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd. Daartoe heeft het hof overwogen:
“5.4 Het hof is gelet op de stukken en het besprokene ter zitting van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden het verzoek strekkende tot het instellen van een beschermingsbewind heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een andere beslissing leiden. Het hof neemt daarbij in overweging dat [[verweerder]] al vele jaren zonder (financiële) problemen begeleid woont. Hij wordt ondersteund door Stichting Pameijer en zijn zus. Ook uit de verklaringen van [[verweerder]] en de vertegenwoordiger van de Stichting leidt het hof af dat de rechthebbende in staat is om zijn financiën zelf behoorlijk waar te nemen. Hetgeen de verzoekers naar voren hebben gebracht, acht het hof onvoldoende om het bewind over de goederen van de rechthebbende uit te spreken.”
In cassatie
Bij procesinleiding, ingediend bij de Hoge Raad op 18 maart 2024 (hierna ook: p.i.), zijn [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van 20 december 2023, alsmede van een (als bijlage 4 bij de procesinleiding gevoegde) als ‘Rolbeslissing’ aangeduide e-mail van 31 oktober 2023 van de griffie van het hof. Van het voorbehoud tot aanvulling is geen gebruik gemaakt. In zijn verweerschrift heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.