Home

Parket bij de Hoge Raad, 05-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:374, 23/01284

Parket bij de Hoge Raad, 05-04-2024, ECLI:NL:PHR:2024:374, 23/01284

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2024
Datum publicatie
5 april 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:374
Formele relaties
Zaaknummer
23/01284

Inhoudsindicatie

Onderwijsrecht; Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW); terugvordering teveel betaald collegegeld voor publiek bekostigde opleiding; taakverdeling burgerlijke rechter en bestuursrechter in onderwijsgeschillen

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/01284

Zitting 5 april 2024

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

en 128 anderen (de oud-studenten)advocaat: K. Aantjes

tegen

Erasmus Universiteit Rotterdam h.o.d.n. Rotterdam School of Management (de EUR)advocaat: J.A.M.A. Sluysmans

1 Inleiding en samenvatting

Deze zaak gaat over de vraag of het de EUR vrijstond om voor de tweejarige deeltijd master bedrijfskunde bestemd voor werkenden een bedrag van ongeveer € 34.000,- in rekening te brengen. De rechtbank heeft de oud-studenten niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen omdat zij naar de bestuursrechter hadden moeten gaan. Het hof heeft de oud-studenten wel ontvankelijk verklaard, maar de vorderingen vervolgens op inhoudelijke gronden afgewezen. In het principale cassatieberoep wordt geklaagd over de afwijzing van het hof van het beroep van de oud-studenten op dwaling, een tekortkoming in de nakoming en onrechtmatige daad.

M.i. treffen deze klachten doel. De deeltijd master bedrijfskunde was een bekostigde opleiding. Het is in strijd met het wettelijke systeem van de WHW om studenten meer te laten betalen voor het volgen van een bekostigde opleiding dan het wettelijk collegegeld (of het instellingscollegegeld).

Bovendien heeft de EUR de oud-studenten niet goed voorgelicht over het feit dat het ging om een bekostigde opleiding. Ook de onderwijsinspectie heeft dit al geoordeeld. De EUR had hierover helderheid moeten verschaffen en de oud-studenten moeten meedelen dat het om een publiek bekostigde studie ging, waarvoor de regels van de WHW gelden. De beslissing van het hof dat het beroep op dwaling niet slaagt, kan daarom niet in stand blijven.

Ook andere klachten slagen. Onbegrijpelijk dan wel onjuist is het oordeel van het hof dat weliswaar vast staat dat de EUR in strijd met de WHW heeft gehandeld, maar dat de gevorderde verklaring voor recht dat de EUR onrechtmatig heeft gehandeld jegens de oud-studenten (toch) niet toewijsbaar is. Bovendien heeft het hof de stellingen van de oud-studenten ten aanzien van de schade te beperkt uitgelegd.

Hiermee wordt toegekomen aan het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, dat gericht is tegen het oordeel van het hof dat de oud-studenten ontvankelijk zijn in hun vorderingen bij de civiele rechter. De hiertegen gerichte klachten slagen niet. Het hof heeft terecht geoordeeld dat geen publiekrechtelijke grondslag bestond voor de EUR om een bedrag van ongeveer € 34.000,- in rekening te brengen waardoor de oud-studenten ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

2 Feiten

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, grotendeels ontleend aan het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 januari 2023, rov. 3.2-3.7.1

2.1

De oud-studenten hebben allen in de periode 2009-2018 aan de EUR de tweejaar durende parttime master bedrijfskunde gevolgd (hierna: de master). De master was specifiek bestemd voor werkenden (‘mid-career professionals’).

2.2

De aanmeldingsprocedure ging als volgt. Eerst stuurde de aspirant-student een aanmeldingsformulier aan de EUR. Daarna volgde een toelatingstest. Na het succesvol maken daarvan heeft elke student het ‘financieel verplichtingen formulier’ ingevuld, waarmee – onder meer – akkoord werd gegeven tot betaling van collegegeld. Een voorbeeld van het bovenste deel van zo’n formulier ziet er als volgt uit:

“ROTTERDAM SCHOOL OF MANAGEMENT ERASMUS UNIVERSITY FINANCIËLE VERPLICHTINGEN PARTTIME MASTER BEDRIJFSKUNDE 2014-2016

De kosten van het Parttime Master Bedrijfskunde programma 2014-2016 zullen door mij op de volgende wijze worden voldaan: □ Inschrijfgeld € 1.000,- na bevestiging toelating

De overige opleidingskosten kunnen op de volgende wijze worden betaald: □ In één termijn van € 31.850,-, betaling uiterlijk op 4 september 2014. □ In drie termijnen van (...), deze vervallen op respectievelijk (...). □ In vijf termijnen van (...), deze vervallen op respectievelijk (...).

Pas als ik dit formulier ondertekend terug heb gestuurd en ik mijn inschrijfgeld betaald heb, zal Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM) mij inschrijven. Zolang geen betaling heeft plaatsgevonden, heb ik geen toegang tot de colleges en kan ik geen tentamen afleggen.

(...)”

2.3

Voor aanvang van het collegejaar ontvingen de oud-studenten een bewijs van inschrijving en een toelatingsbrief van de EUR, en ook een collegekaart. Bij aanvang van het collegejaar hebben de oud-studenten bovendien een digitaal bericht ontvangen met daarin onder meer een link naar het studentenstatuut van de EUR. Het collegegeld werd vervolgens gefactureerd. De eerste factuur was van € 1.000,-. Verdere betalingen werden volgens de aangegeven voorkeuren op het financieel verplichtingen formulier gefactureerd en geïncasseerd, bijvoorbeeld door twee facturen van € 14.000,- en een van € 4.750,-. Van sommige oud-studenten is de factuur op hun verzoek gericht aan hun werkgever.

2.4

Afhankelijk van het jaar van hun inschrijving hebben de oud-studenten voor het volgen van de master rond de € 34.000,- betaald. Het wettelijk collegegeld bedroeg, opnieuw afhankelijk van het jaar van inschrijving, rond de € 2.000,- per jaar. Studenten die al een gefinancierde studie hadden afgerond, kon het instellingscollegegeld in rekening worden gebracht. Dit bedroeg rond de € 11.000,- per jaar.

2.5

De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de Inspectie) heeft onderzoek gedaan naar de additionele kosten verbonden aan masteropleidingen van de EUR. In het rapport naar aanleiding van dit onderzoek van maart 2019 staat onder meer het volgende (blz. 17)2:

“De EUR laat studenten aan de opleiding (...) en de Parttime Master Bedrijfskunde een extra bijdrage betalen voor het extra aanbod. (...) Voor de Parttime Master Bedrijfskunde betalen studenten € 34.000 voor 2 jaar (dit bedrag is inclusief het wettelijk collegegeld). (...)

De kosten die de EUR in rekening brengt zijn in strijd met artikel 7.34 en artikel 7.50, eerste lid WHW [...]. De gevraagde extra bijdragen voor de masteropleiding (...) en de Parttime Master bedrijfskunde zijn daarmee in strijd met wet- en regelgeving.”

2.6

Naar aanleiding van de conclusies van dit rapport heeft de EUR een coulanceregeling getroffen voor studenten van de master van de lichtingen in de periode 2016-2020.3 Deze studenten kregen het aanbod dat aan hen een deel van het betaalde collegegeld gerestitueerd werd. De oud-studenten behoorden niet tot deze groep, althans hebben geen gebruik gemaakt van deze regeling.

2.7

De oud-studenten hebben zich – via hun advocaten – tot de EUR gewend met het verzoek om het collegegeld voor zover dit meer was dan het wettelijk collegegeld respectievelijk (voor zover van toepassing) het instellingscollegegeld aan hen terug te betalen. De EUR heeft dit verzoek afgewezen.

3 Procesverloop

3.1

Bij inleidende dagvaardingen van 17 september 2019, 4 oktober 2019, 19 november 2019 en 10 februari 2020 hebben de oud-studenten de EUR gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam.4 De oud-studenten hebben in de kern gevorderd dat de EUR wordt veroordeeld het teveel betaalde collegegeld aan hen terug te betalen.5

3.1.1

Aan hun vorderingen hebben de oud-studenten ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek van de Inspectie is gebleken dat de EUR het door de oud-studenten betaalde collegegeld in rekening heeft gebracht in strijd met art. 7.34 en art. 7.50 lid 1 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Zij vorderen terugbetaling van het (te veel) betaalde collegegeld op grond van:

- dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen hen en de EUR in de zin van art. 6:228 BW en wijziging van de gevolgen van deze overeenkomst ter opheffing van het daardoor geleden nadeel op grond van art. 6:230 BW dan wel terugbetaling van het te veel betaalde als onverschuldigd betaald op grond van art. 6:203 BW;

- partiële ontbinding van deze overeenkomst en veroordeling tot restitutie op grond van art. 6:265 lid 1 BW in samenhang met art. 6:270 en art. 6:271 BW;

- (partiële) nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst tussen de oud-studenten en de EUR dan wel van de betalingsverplichting wegens strijd met de wet en terugbetaling van het te veel betaalde als onverschuldigd betaald op grond van art. 3:40 lid 2 BW in samenhang met art. 6:203 BW; en/of

- de aansprakelijkheid van de EUR voor de door de oud-studenten geleden schade uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).6

3.2

De EUR heeft verweer gevoerd in alle vier procedures waaronder het verweer dat de oud-studenten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat hun vorderingen niet los gezien kunnen worden van het door de EUR genomen inschrijvingsbesluit waarvoor zij na bewaar, beroep hadden moeten instellen bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (hierna: CBHO).

3.3

Nadat de door de rechtbank geplande mondelinge behandeling geen doorgang kon vinden in verband met de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus, hebben de oud-studenten een conclusie van repliek genomen en de EUR een conclusie van dupliek.

3.4

Daarna heeft alsnog een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de vier procedures gevoegd zijn behandeld. Alle partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Ook is proces-verbaal opgemaakt.

3.5

De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 26 mei 2021 de oud-studenten niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en hen, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten veroordeeld. Aan deze beslissing heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd.

3.6

De rechtbank overweegt eerst dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen, omdat de vorderingen van de oud-studenten civielrechtelijk van aard zijn (rov. 4.4-4.5).

3.7

De rechtbank beoordeelt daarna of de oud-studenten ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de oud-studenten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen als:

(i) er sprake is geweest van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb;

(ii) de oud-studenten de mogelijkheid hebben (gehad) om tegen dit besluit via een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang op te komen; en

(iii) zij hiermee eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kunnen (of konden) bereiken als in een civiele procedure.

Dit is slechts anders wanneer de aan het besluit verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dit beginsel een uitzondering moet worden gemaakt (rov. 4.6-4.10).7

3.8

Ten aanzien van voorwaarde (i) overweegt de rechtbank dat de EUR op grond van art. 1.8 lid 2 WHW een openbare rechtspersoon is die naar publiekrecht is ingesteld en dat het bewijs van inschrijving dat de oud-studenten van de EUR hebben ontvangen, kwalificeert als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Ook de facturering van het collegegeld voor de master moet naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als een besluit. De betaling van het collegegeld was door de EUR als voorwaarde gesteld voor de inschrijving van de oud-studenten voor de master en daarmee een voorwaarde voor het nemen van het besluit tot inschrijving op grond van de WHW. De gestelde overeenkomst tussen de oud-studenten en de EUR kan dan ook niet los worden gezien van het inschrijvingsbesluit (rov. 4.11-4.15).

3.9

Naar het oordeel van de rechtbank is ook aan voorwaarde (ii) voldaan. Tegen besluiten tot inschrijving en facturatie van collegegeld kunnen op grond van de Awb in verbinding met de WHW bezwaarschriften worden ingediend (art. 7.59a WHW). Tegen een beslissing op bezwaar kan vervolgens beroep worden ingesteld bij het CBHO dat in hoogste instantie beslist als bijzondere bestuursrechter (art. 7.66 lid 1 WHW8). Het CBHO is een bij wet ingestelde onafhankelijke bestuursrechter die beslist in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.9 Daarbij is van belang dat in art. 7.66 lid 2 WHW is bepaald dat hoofdstuk 8 Awb (behoudens enkele uitzonderingen) op de procedure in beroep van overeenkomstige toepassing is. De rechtbank overweegt dat deze met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang door vermelding in het Studentenstatuut ook kenbaar is geweest voor de oud-studenten (rov. 4.16-4.20).

3.10

Ook aan voorwaarde (iii) is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank overweegt dat de oud-studenten in deze procedure terugbetaling vorderen van het door hen (te veel) betaalde collegegeld. Op grond van art. 8:88 Awb is de bestuursrechter op verzoek van een belanghebbende bevoegd een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van onder meer een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan. Dit artikel is in de WHW van toepassing verklaard op de procedure bij het CBHO (rov. 4.21).

3.11

De rechtbank concludeert dat voor de oud-studenten een bestuursrechtelijke rechtsgang open staat (of stond) die met voldoende waarborgen is omkleed. Bij het CBHO kon eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat worden bereikt, zodat er daarnaast geen taak resteert voor de civiele rechter. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een uitzonderingssituatie. De oud-studenten zijn daarom niet ontvankelijk in hun vorderingen (rov. 4.22-4.23).

3.12

De oud-studenten hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 26 mei 2021.10 Zij hebben één memorie van grieven ingediend in het hoger beroep van drie van de in eerste aanleg gevoegd behandelde procedures en hun eis gezamenlijk gewijzigd, althans geherformuleerd, zodat zij in hoger beroep allemaal hetzelfde vorderen.11

3.13

De oud-studenten hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en het hof verzocht opnieuw rechtdoende:

- primair de door de oud-studenten met de EUR gesloten overeenkomsten zo te wijzigen dat de studiekosten in overeenstemming worden gebracht met het wettelijk collegegeld, althans het instellingscollegegeld, althans tot een door het hof in goede justitie te bepalen lager bedrag dan overeengekomen, en de EUR te veroordelen tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag;

- subsidiair de door de oud-studenten met de EUR gesloten overeenkomsten partieel, namelijk de onderdelen/bedingen die in strijd zijn met art. 7.50 WHW, te ontbinden, althans voor recht te verklaren dat de overeenkomsten partieel in bovengenoemde zin zijn ontbonden, met veroordeling van de universiteit tot restitutie van de studiekosten voor zover de betaling door de oud-studenten het wettelijk collegegeld althans het instellingscollegegeld oversteeg;

- meer subsidiair te verklaren voor recht dat de aangevallen overeenkomst partieel, namelijk voor zover strijdig met de WHW, nietig, dan wel vernietigd is, althans de aangevallen overeenkomst voor zover strijdig met de WHW partieel te vernietigen, met veroordeling van de universiteit tot restitutie van de studiekosten voor zover deze het wettelijk collegegeld, althans het instellingscollegegeld oversteeg;

- in alle varianten de terug te betalen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2019; en daarnaast:

- te verklaren voor recht dat de EUR aansprakelijk is voor de door de oud-studenten geleden schade vanwege het handelen van de EUR in strijd met de WHW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.12

3.14

De EUR heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd waarna een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Beide partijen hebben hierbij spreekaantekeningen overgelegd.13

3.15

Bij arrest van 3 januari 2023 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 26 mei vernietigd, met uitzondering van de in dat vonnis uitgesproken kostenveroordelingen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de oud-studenten afgewezen en hen hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. Aan deze beslissing heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.

3.16

Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat de oud-studenten wel ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Het hof overweegt in dit verband eerst dat de rechtbank terecht voorop heeft gesteld dat de oud-studenten niet-ontvankelijk zijn als aan de door de rechtbank genoemde voorwaarden is voldaan (zie onder 3.7 hiervoor).

3.17

Het is hof is echter van oordeel dat niet voldaan is aan voorwaarde (i) dat sprake is geweest van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb, omdat er geen publiekrechtelijke grondslag is voor het in rekening brengen van de extra kosten zoals de EUR dat heeft gedaan. De WHW biedt geen grondslag om deze kosten in rekening te brengen. Het hof verwijst in dit verband ook naar een beleidsbrief van 28 april 2015 van de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In deze beleidsbrief (zie daarover nader onder 4.230) heeft de minister de instellingen voor (onder meer) Wetenschappelijk Onderwijs geïnformeerd over de ruimte voor instellingen om – naast het collegegeld – een eigen bijdrage van studenten te vragen. Naar het oordeel van het hof biedt deze beleidsbrief evenmin een publiekrechtelijke grondslag – in de vorm van een beleidsregel – voor het in rekening brengen van de extra kosten. Ook het feit dat de EUR in het algemeen (mede) een publieke taak heeft, kan niet voorzien in een publiekrechtelijke grondslag voor het vragen van meer dan het reguliere collegegeld,14 niet alleen omdat aan het publieke taak-criterium slechts in uitzonderingsgevallen (die zich hier niet voordoen) een publiekrechtelijke bevoegdheid kan worden ontleend, maar ook omdat het vragen van meer dan het reguliere collegegeld niet is terug te voeren op de publieke taak van de EUR. Dat de EUR inschrijvingsbesluiten heeft genomen ten aanzien van de oud-studenten brengt in het voorgaande geen verandering, omdat deze besluiten een publiekrechtelijke grondslag ontberen voor het in rekening brengen van bedragen boven het wettelijk collegegeld (rov. 6.6-6.8).

3.18

Bij gebreke aan een publiekrechtelijke grondslag moet de overeenkomst tussen de oud-studenten en de EUR naar het oordeel van het hof worden gekwalificeerd als een rechtshandeling (overeenkomst) naar burgerlijk recht. Dat vindt bevestiging in het feit dat de oud-studenten een ‘aanmeldingsformulier Parttime Master Bedrijfskunde’ hebben ingevuld waarop het hele bedrag aan collegegeld is genoemd en door hen is geaccordeerd (zie 2.2 hiervoor). Het hof overweegt dat de door de oud-studenten gevolgde master qua inhoud afwijkt van een reguliere – voltijds of deeltijds te volgen – studie bedrijfskunde. De master is – doordat het onderwijs wordt gegeven in de avonduren en doordat sprake is van extra voorzieningen en extra begeleiding – erop gericht te faciliteren dat de studenten naast de opleiding een (fulltime) baan hebben. Daarnaast maakt een tiendaagse buitenlandse reis naar een verre bestemming (Sjanghai, Kaapstad, Sao Paulo) onderdeel uit van het opleidingsprogramma, hetgeen de hoge kosten mede verklaart. Het hof voegt hieraan nog toe dat ook de EUR zelf de overeenkomst als privaatrechtelijk kwalificeert (rov. 6.9).

3.19

Daarmee komt het hof, anders dan de rechtbank, wel toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen (rov. 6.11-6.13).

3.20

Het hof beoordeelt eerst het beroep van de oud-studenten op dwaling. Dit beroep steunt op de volgende stellingen: (i) de oud-studenten waren door een combinatie van (onjuiste, althans onvolledige) inlichtingen en stilzwijgen van de EUR er niet van op de hoogte dat het hier om een publiek bekostigde studie ging, waarvoor het op grond van de WHW in beginsel niet is toegestaan om bedragen boven wettelijk-/instellingscollegegeld in rekening te brengen, omdat (ii) de oud-studenten dachten dat het om een privaat gefinancierde opleiding ging, meenden zij aansluitend nog een andere studie te kunnen volgen tegen betaling van het wettelijk collegegeld en (iii) de oud-studenten zijn onvoldoende voorgelicht over goedkopere alternatieven in de vorm van de reguliere studie bedrijfskunde. De oud-studenten stellen, zo overweegt het hof, dat als zij van de ware stand van zaken op de hoogte waren geweest, zij de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden gesloten zouden hebben (rov. 6.14).

3.21

Het hof stelt bij de beoordeling van het beroep op dwaling voorop dat de oud-studenten bij het aangaan van de overeenkomst wisten wat werd aangeboden (de opleiding met alles wat daarbij hoorde) en wat zij daarvoor betaalden. De oud-studenten hebben dus niet gedwaald over de inhoud van de opleiding, en ook niet over de prijs ervan. Daarnaast stelt het hof voorop dat niet duidelijk is gemaakt dat en om welke reden(en) de EUR een onjuiste inlichting heeft verschaft. De verkeersopvattingen brengen niet met zich dat de EUR moest mededelen dat het om een publiek bekostigde studie ging, dat het op grond van de WHW niet was toegestaan om bedragen boven het reguliere collegegeld in rekening te brengen en dat er goedkopere alternatieven waren. De EUR mocht er immers vanuit gaan dat de oud-studenten dit al wisten en/of dat dit voor hen niet van belang was. Reeds op dit een en ander stuit, naar het oordeel van het hof, het dwalingsberoep als bedoeld in artikel 6:228 lid 1, aanhef en onder a en b, BW af (rov. 6.15).

3.22

Ter aanvulling overweegt het hof in de daarop volgende rechtsoverwegingen dat het de oud-studenten niet volgt in de stelling dat zij in de veronderstelling zijn gebracht dat zij zich inschreven bij een privaat gefinancierde instelling en dat de oud-studenten onvoldoende hebben toegelicht dat zij de keuze voor de master niet hadden gemaakt als zij wisten dat zij daarna niet meer tegen het wettelijk collegegeld een studie konden volgen (rov. 6.16-6.17). Ook overweegt het hof dat voor zover de oud-studenten met het beroep op dwaling erop doelen dat zij niet wisten dat zij hetzelfde aanbod hadden kunnen krijgen voor het reguliere collegegeld, zij eraan voorbij gaan dat er geen grond is om te veronderstellen dat de EUR bereid zou zijn geweest de onderhavige opleiding – met alle bijbehorende extra’s buiten het normale curriculum – tegen het wettelijk collegegeld aan te bieden. Naar het oordeel van het hof was de EUR daartoe ook niet verplicht (rov. 6.18). Ook overweegt het hof dat de oud-studenten evenmin hebben onderbouwd dat zij niet voldoende zijn voorgelicht over alternatieven in de vorm van de reguliere studie bedrijfskunde. Tot slot merkt het hof nog op dat gelet op al het voorgaande ook het in eerste aanleg gedane beroep op wederzijdse dwaling faalt (rov. 6.19).

3.23

Volgens het hof is evenmin sprake van een toerekenbare tekortkoming en van een onrechtmatige daad. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de door de oud-studenten gevolgde master qua inhoud voldeed aan hetgeen partijen zijn overeengekomen waardoor van een tekortkoming voor wat betreft de door de EUR geleverde prestatie geen sprake is. Het feit dat de door de EUR in rekening gebrachte collegegelden niet in lijn zijn met de bepalingen van de WHW levert niet, althans niet zonder meer, een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen de oud-studenten en de EUR gesloten overeenkomst op. Dat zou mogelijkerwijs anders kunnen zijn als de met de prestatie samenhangende gedragingen van de EUR aan de oud-studenten op de een of andere manier schade hebben toegebracht. Op dit punt is door de oud-studenten aangevoerd dat de schade hem zit in het niet alsnog kunnen volgen van een tweede studie tegen het wettelijk collegegeld. Naar het oordeel van het hof is echter onvoldoende onderbouwd dat zij er niet van op de hoogte waren dat zij een studie volgden bij een openbaar bekostigde universiteit en is onvoldoende toegelicht dat de oud-studenten, althans enkelen van hen, het voornemen hadden om nog een studie te gaan doen. Bovendien, zo herhaalt het hof, heeft de EUR niet een op haar rustende mededelingsplicht geschonden. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof de vordering gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming niet slaagt en dat er evenmin een grondslag is voor de toewijzing van een verklaring voor recht dat de EUR jegens de oud-studenten onrechtmatig heeft gehandeld op de grond van het niet kunnen volgen van een tweede studie tegen het wettelijk collegegeld (rov. 6.21-6.22).

3.24

Tot slot oordeelt het hof dat het beroep van de oud-studenten op nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de met de EUR gesloten overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW evenmin slaagt. Daartoe overweegt het hof allereerst dat uitgangspunt is dat art. 3:40 lid 2 BW uitsluitend betrekking heeft op gevallen waarin het verrichten van de rechtshandeling (bij een overeenkomst: de contractssluiting) als zodanig met de wet in strijd is. Naar het oordeel van het hof verbiedt de WHW niet het aangaan van de tussen de oud-studenten en de EUR gesloten overeenkomst, maar wel het – als voorwaarde voor de inschrijving bij een reguliere studie – in rekening brengen van een bedrag hoger dan het reguliere collegegeld.15 Nu het hier gaat om de inhoud van de overeenkomst, slaagt het beroep op art. 3:40 lid 2 BW niet. Het hof overweegt voorts dat niet is aangevoerd dat de rechtshandeling (het sluiten van de overeenkomst) wegens inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW). Verder overweegt het hof ten overvloede dat de EUR terecht heeft aangevoerd dat de vordering gebaseerd op art. 3:40 lid 2 BW is verjaard en dat het hof niet toekomt aan de stelling van EUR dat als een grond voor vernietiging zou bestaan, de EUR recht heeft op een redelijke vergoeding van de reeds verrichte prestatie (rov. 6.24-6.27).

3.25

De oud-studenten hebben (tijdig16) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.17 De EUR heeft een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De oud-studenten hebben verweer gevoerd in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en daarna afgezien van respectievelijk re- en dupliek.

4 Bekostigd en niet-bekostigd onderwijs

5 Bespreking van het principale cassatiemiddel

6 Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

7 Conclusie