Parket bij de Hoge Raad, 14-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:500, 22/02832
Parket bij de Hoge Raad, 14-05-2024, ECLI:NL:PHR:2024:500, 22/02832
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 mei 2024
- Datum publicatie
- 9 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:500
- Zaaknummer
- 22/02832
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Slagend middel over ontbreken belangenafweging bij oordeel over aanhoudingsverzoek. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02832
Zitting 14 mei 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 14 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1, 2 en 3 "verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd" en 4 en 5 “verduistering, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) toegewezen en twee vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld1 namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
Het eerste middel komt op tegen de afwijzing van een aanhoudingsverzoek en bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken een afweging te hebben gemaakt van alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 20222 houdt voor zover van belang in:
“Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De raadsman zegt voorts:
Mijn cliënt is er niet en ik verwacht hem ook niet. Hij kon geen vrij krijgen van zijn werk. Dat bericht heeft mij laat bereikt. De e-mail van zijn werkgever zal ik doorsturen naar de griffier.
(De e-mail wordt door de griffier geprint en in het dossier gevoegd).
Mijn cliënt heeft het vonnis gezien en zou er vandaag zelf ook graag wat over willen zeggen.
Primair vraag ik om aanhouding van de behandeling van de zaak.
(...)
De advocaat-generaal zegt:
Er wordt gevraagd om aanhouding, maar dat verzoek moet wel onderbouwd worden. Uit de mededeling dat de verdachte moet werken, blijkt nog niet dat hij ter zitting aanwezig wil zijn. Er moet een afweging gemaakt worden tussen het belang van de verdachte en het belang van strafvordering. De feiten zijn van lange tijd geleden. Als u komt tot de conclusie dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, dan vind ik dat de zaak vandaag moet worden afgedaan.
Het hof trekt zich terug en de voorzitter deelt daarna als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst het aanhoudingsverzoek af. Op 25 april 2022 is de oproeping aan de verdachte in persoon betekend. Nu op het laatste moment komt er bericht van verhindering. Dit vormt echter onvoldoende aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. We gaan vandaag behandelen, en u bent gemachtigd. Wat zijn de bezwaren tegen het vonnis?”
Het e-mailbericht dat door de raadsman op de terechtzitting van 30 juni 2022 aan het hof toegestuurd houdt voor zover van belang in: