Home

Parket bij de Hoge Raad, 11-06-2024, ECLI:NL:PHR:2024:632, 22/04003

Parket bij de Hoge Raad, 11-06-2024, ECLI:NL:PHR:2024:632, 22/04003

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juni 2024
Datum publicatie
13 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:632
Formele relaties
Zaaknummer
22/04003

Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Verkeersongeval met dodelijke afloop en zwaar lichamelijk letsel (art. 6 WVW 1994). Rijden op de verkeerde weghelft. Vier middelen. M1 klaagt over innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering. M2 en M3 zijn gericht tegen de bewezenverklaring van de culpa en de verwerping van een uos/alternatief scenario. M4 betreft de strafmotivering. In de tot verwerping strekkende conclusie ligt het accent op momentane onoplettendheid en op de maatstaf voor culpa.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/04003

Zitting 11 juni 2024

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 10 oktober 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 november 2020 bevestigd, met verbetering van gronden. Het hof heeft de verdachte voor het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval waarbij zowel iemand is gedood, als iemand zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (art. 6 WVW 1994), veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met als bijzondere voorwaarde storting van een geldbedrag van € 5.000 op de rekening van het schadefonds van de Vereniging Verkeersslachtoffers. Daarnaast is een rijontzegging voor de duur van twee jaren opgelegd.

1.2

Het cassatieberoep is op 11 oktober 2022 ingesteld namens de verdachte. G. Spong, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. In middel 1 wordt geklaagd over een innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering aangaande een getuigenverklaring. Het tweede en derde middel bevatten bewijsklachten en klachten dat het hof uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Het vierde middel betreft de strafmotivering.

1.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1

In de avond van 15 maart 2019 heeft op een provinciale weg tussen Noord-Scharwoude en Alkmaar, in een flauwe bocht, een frontale botsing plaatsgevonden tussen een Nissan en een Renault. De Nissan reed richting Alkmaar en werd bestuurd door de verdachte. Als gevolg van de botsing is de passagier van de uit de tegengestelde richting komende Renault, [slachtoffer 1] , overleden en is de bestuurder van deze Renault, [slachtoffer 2] , zwaar gewond geraakt. Ook de verdachte heeft als gevolg van het ongeluk ernstig lichamelijk letsel opgelopen.

2.2

De rijbaan van de N242 was verdeeld in twee rijstroken met in het midden een dubbele doorgetrokken streep. De maximum snelheid was 80 km/h en het was droog weer.

2.3

Op basis van het sporenonderzoek verricht door de afdeling Verkeersongevallen Analyse (VOA) is het hof tot het oordeel gekomen dat de verdachte de doorgetrokken streep geheel – met vier banden – heeft overschreden en op de verkeerde weghelft terecht is gekomen, vervolgens een abrupte bocht terug naar rechts heeft gemaakt en daarna – terwijl zij deels op de verkeerde en deels op de juiste rijstrook reed – tegen de Renault is gebotst. Voor die conclusie zijn in het bijzonder van belang het bandenspoor aangeduid als ‘spoor 2’ en het botspunt, aangeduid als ‘punt A’. Spoor 2 begint op linkerhelft van de linkerrijstrook (bezien vanuit de rijrichting van de verdachte) en eindigt bij het botspunt. Het spoor is 17,97 meter lang. Het hof heeft vastgesteld dat spoor 2 door de linker voorband van de Nissan van de verdachte is veroorzaakt toen zij, rijdend op de verkeerde rijstrook, aan haar stuur een ruk naar rechts gaf. Door het naar rechts sturen bevindt het botspunt zich (deels) op de rijstrook van de verdachte.

2.4

Het hof is van oordeel dat het rijgedrag van de verdachte is aan te merken als schuld (culpa) in de zin van art. 6 WVW 1994. Door zo veel naar links te sturen dat zij op de verkeerde rijstrook terecht is gekomen, terwijl de verkeerssituatie om bijzondere oplettendheid vroeg, heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof “dermate aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen dat het verkeersongeval aan haar schuld is te wijten”. Van zogenoemde momentane onoplettendheid – dat wil zeggen een enkel moment of kort moment van onoplettendheid – is volgens het hof geen sprake. Gelet op de lengte van spoor 2, samen met de afstand die de verdachte moet hebben afgelegd voordat zij geheel op de verkeerde rijstrook reed en de tijd die daarmee gemoeid moet zijn geweest, is de verdachte gedurende meer dan enkel een kort moment onoplettend geweest, aldus het hof. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 6 WVW 1994.

3 De bewezenverklaring, de bewijsvoering en de strafmotivering

3.1

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 november 2020 bevestigd, met dien verstande dat het de bewijsoverwegingen en strafmotivering vervangt en de verklaring van getuige [getuige] als bewijsmiddel schrapt. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 15 maart 2019 te Heerhugowaard, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Nissan Murano), daarmede rijdende over de provinciale weg (de Westerweg N242), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl zij, verdachte, ter plaatse bekend is,

- niet voortdurend en niet voldoende haar aandacht bij de weg en het verkeer te houden en niet voortdurend de controle over haar motorrijtuig te houden en

- vervolgens een dubbele doorgetrokken streep te overschrijden gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijbaan van voornoemde weg is gebotst op een op die rijbaan tegemoetkomend motorrijtuig (te weten een personenauto, merk Renault, type Clio), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken sleutelbeen, werd toegebracht.”

3.2

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof overwogen dat het “de bewezenverklaring in het vonnis zo [leest] dat de verdachte de doorgetrokken streep geheel heeft overschreden en – na een abrupte bocht naar rechts te hebben gemaakt en nog gedeeltelijk op de verkeerde rijstrook rijdend – is gebotst op de tegenligger.”

3.3

De bewezenverklaring steunt op de volgende, in het bevestigde vonnis opgenomen, bewijsmiddelen:1

“Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Ik reed op 15 maart 2019 in een Nissan Murano op de N242 in Heerhugowaard. Er kwam een auto op mij af. Ik schrok. Ik probeerde de auto te ontwijken door naar rechts te sturen.

Een proces-verbaal van bevindingen (VerkeersOngevallenAnalyse). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (...):

Op 15 maart 2019 omstreeks 22.55 uur stelden wij een onderzoek in op een ongevalsplaats naar de vermoedelijke toedracht van het hierna bedoelde verkeersongeval. Bij dat ongeval waren betrokken een Nissan Murano voorzien van kenteken [kenteken 2] , bestuurster [verdachte] en een Renault Clio, voorzien van kenteken [kenteken 1] , bestuurder [slachtoffer 2] met als passagiere [slachtoffer 1] .

Op 15 maart 2019 omstreeks 22.35 uur vond op de Provinciale weg de N242 (Westerweg) een frontale aanrijding plaats waarbij waren betrokken de Nissan en de Renault voornoemd.

Het ongeval had plaats gevonden in een flauwe bocht van de N242 te Heerhugowaard, gemeente Heerhugowaard.

Het wegdek van de N242 bestond uit bitumen met dichte structuur (DAB) en was ten tijde van het ongeval droog. Het wegdek vertoonde vóór- en ter plaatse van het ongeval geen oneffenheden welke van invloed waren of konden zijn geweest op het ontstaan van dit ongeval.

De straatverlichting was ten tijde van het ongeval in werking. De temperatuur ten tijde van het ongeval was ongeveer 6,5 °C, het weer was droog.

Er waren voor zover bekend ten tijde van het ongeval geen sprake van zicht belemmerende obstakels of andere omstandigheden die van invloed waren op het uitzicht voor de betrokken bestuurders.

De bestuurster van de Renault reed over de N242 vanuit de richting Alkmaar in de richting van Noord-Scharwoude. De bestuurder van de Nissan reed over de N242 vanuit de richting Noord-Scharwoude in de richting van Alkmaar. Het ongeval had plaats gevonden bij hectometerpaal 47,8 tussen de kruispunten van de N242 met de Edisonstraat en de Westdijk. De rijbaan van de N242 was verdeeld in 2 rijstroken met in het midden een dubbele doorgetrokken streep.

Op de rijstrook aan de oostzijde zagen wij een bandenspoor met een verloop naar het zuidwesten (spoor 2 als genoemd in dit proces-verbaal). Dit bandenspoor was afkomstig van linker voorband van de Nissan. Op de rijstrook aan de oostzijde zagen wij krassporen in het wegdek.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als aanvullend relaas van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (aanvullend proces-verbaal):

Het conflict tussen beide voertuigen heeft plaats gevonden op punt A, zie AutoCad tekening PC-Rect overzicht.

Spoornummer 2: dit betrof een spoor [dat] zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door de linker voorband van de Nissan. Dit spoor begint op de rijbaan voor verkeer komende uit de richting van Alkmaar en gaande in de richting van Noord-Scharwoude, en eindigt op de middenlijn ter hoogte van het conflictpunt. Punt B in de AutoCad tekening PC-Rect overzicht geeft het eindpunt van spoornummer 2 weer.

De lengte van spoornummer 2, gemeten vanaf begin aftekenen tot punt B, is 17,97 meter.

Terug gekeken vanuit de eindpositie en de bots positie van beide voertuigen kan het niet anders dan dat het linker voorwiel van de Nissan het spoor met label 2 heeft veroorzaakt.

De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 27 oktober 2020:

De rechtbank neemt waar op de AutoCad tekening (bijlage II) dat het botspunt A is gelegen op de rijstrook voor het verkeer in de richting van Alkmaar, vlak naast de dubbele doorgetrokken streep.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 16 maart 2019 door getuige [slachtoffer 2] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaring:

Gisteravond reden [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) en ik op de N242 richting Schagen. Ik zag een auto aan komen rijden uit tegenovergestelde richting. Ik zag dat deze auto de bocht nam die daar in de N242 zit. Ik zag dat de auto de bocht niet afmaakte maar op mij af kwam rijden. Vervolgens zag ik die auto geheel op mijn rijbaan mij tegemoet kwam rijden. Ik keek vol in de lampen van die auto. Ik zag dat die auto die op ons af kwam plotseling een beweging maakte naar zijn eigen rijbaan. Maar hij zat veel te veel naar links en geheel op mijn rijbaan om een aanrijding te voorkomen. We reden vol tegen elkaar aan en het was zo een harde klap.

Ik raakte [slachtoffer 1] in haar gezicht aan en ze voelde kil aan. [slachtoffer 1] lag schuin hangend in haar autogordel tegen mij aan. Ze bewoog niet en ik hoorde ook niets meer.

Een schriftelijk bescheid, zijnde het schouwverslag van de forensisch arts A. Sahebali (...):

Dit verslag houdt onder meer het volgende in.

Cliënt: [slachtoffer 1] .

aard van het letsel:

Ribfracturen; rechts zijn alle ribben gebroken. Links meerdere. Vermoedelijk long contusie en perforatie met forse inwendige bloedingen.

Conclusie: Niet natuurlijke dood veroorzaakt door een frontale botsing.

Een schriftelijk bescheid, zijnde de geneeskundige verklaring van de arts P. Nagel gedateerd 11 april 2019 (...):

Uitwendig waargenomen letsel bij [slachtoffer 2] onder meer:

- gebroken sleutelbeen links

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als aanvullend relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , gedateerd 8 mei 2019 (...):

Op 8 mei 2019 heb ik gebeld met [slachtoffer 2] . Hij is inmiddels geopereerd aan zijn schouder waardoor hij nu veel last heeft van zijn hand en pols. Hij volgt EDR therapie om zijn trauma te verwerken. Hij mag nog niet autorijden.

Bijlage II

3.4

Het hof heeft de volgende aanvullende bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het arrest:

“1. De verklaring van de getuige [verbalisant 2], Forensisch onderzoeker plaats delict/brigadier van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2022.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat u mij vragen gaat stellen over de aanrijding op 15 maart 2019 te Heerhugowaard.

U vraagt mij hoe ik het spoor heb herkend waarover de brandweerwagen geparkeerd stond. Wij lopen over de plaats delict heen. Wij kijken naar sporen die belangrijk zijn of die wij uit kunnen sluiten als afkomstig van het ongeval. De belangrijke sporen markeren wij. Dat doen we op verschillende wijze. Ik zag het bewuste spoor in deze zaak in één oogopslag. Ik zag het spoor voor de brandweerauto lopen. Om het spoor te markeren heb je vaak licht nodig, dan ga je stap voor stap. Dan moeten we echt zoeken.

Zo’n spoor is niet goed zichtbaar. Gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet. Dan schijn je er licht op. Omdat ik ervaring heb, herken ik de sporen sneller. Het moet allemaal heel nauwkeurig.

Je kan niet alle sporen tegelijk aftekenen. Er lopen mensen langs. Je maakt foto’s vanuit de mast, vanaf een bepaalde hoogte. Dan zijn het net stipjes. Dan zie je de stipjes scheeflopen. Je moet zo’n spoor vanaf een afstand bekijken en in tegengestelde richting. Het asfalt heeft een bepaalde structuur. Met veel mensen die er overheen lopen, er moet goed gekeken worden voordat je gaat markeren.

Zodra je een spoor ontdekt ga je dat uitlopen. Je hoeft niet alle sporen tegelijk te merken. Dat kan ook later gebeuren.

Wij hebben het spoor 2 van twee kanten bekeken. Als je terugkijkt zijn de sporen duidelijk te zien. Je kijkt daarnaar aan de hand van wat er heeft plaatsgevonden. Dan krijg je een goed beeld. Aan de hand daarvan kun je de sporen een naam geven. Op de foto komt het soms anders over. Op een gegeven moment herken je de bandensporen. Die wil je dan identificeren om te bezien of die een rol hebben gespeeld bij de aanrijding. Dat identificeren kan ter plaatse, of op een tekening. Je hebt geconstateerd waar de voertuigen zijn geëindigd. En van daaruit beredeneer je het verloop van de sporen. Een bandenspoor herken je aan de stukjes rubber, aftekening, kleur en het verloop van het spoor.

Dat spoor 2 lang doorloopt en dat spoor 3 pas halverwege begint, dus dat de linker band te zien is maar niet de rechterband, kan komen doordat het voertuig een bepaalde kant ophangt.

Spoor 2 is afkomstig van de Nissan. Het is niet mogelijk dat dit spoor van de andere auto afkomstig is. Wij hebben alles in ogenschouw genomen, o.a. de spoorbreedte tussen 3 en 2. Als je dat uitmeet kom je op hetzelfde spoor uit.

Het is ondenkbaar dat spoor 2 van een andere auto afkomstig is. Mijn collega was kort na de melding aanwezig. De brandweerwagen stond al over het spoor heen. Spoor 2 eindigt bij het conflictpunt en het rubber wordt herkend. Ik sluit uit dat het spoor van de brandweerauto afkomstig was.

We hebben wel beide kanten uitgelopen. Aan de andere kant waren dan geen sporen in relatie tot het ongeval. Daar zijn dus ook geen markeerbordjes neergezet.

Ik loop de rijrichting 50 meter tot 100 meter terug. In de andere richting heb ik geen rem of slipsporen gezien.

2. De verklaring van de getuige [verbalisant 1], Forensisch onderzoeker plaats delict/hoofdagent van beroep, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2022.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor dat u mij vragen gaat stellen over de aanrijding op 15 maart 2019 te Heerhugowaard.

U toont mij de foto 1 op blz. 25 van het proces-verbaal onderzoek plaats ongeval en vraagt mij wanneer dit spoor 2 is geïdentificeerd. We hebben samen de beelden bekeken. Mijn collega kon zich herinneren dat hij de brandweerauto over het spoor zag staan. Hij heeft gezegd dat het voertuig niet verplaatst kon worden. Dat spoor is later afgekrijt. Toen de hulpverleners weg waren.

Destijds heb ik uitgebreid rondgelopen op de plaats delict. Sommige sporen zijn eerder gemarkeerd dan andere sporen. Tijdens het rondlopen heb ik spoor 2 gezien. We konden spoor 2 nog niet markeren omdat de brandweerauto in de weg stond. Ik was aan het schijnen met een zaklamp. Omdat die brandweerauto daar stond met licht en er licht was van een tegenligger heb je een ander zicht. We zijn pas gaan markeren toen er voldoende ruimte was en we alles goed konden zien.

Op de beelden die net zijn afgespeeld zijn we spoor 2 aan het zoeken. Spoor 2 eindigt bij spoor 1, dat is een kras in het wegdek. Vanaf dat spoor gingen we verder zoeken.

Sommige sporen zie je beter met scheerlicht of vanaf bepaalde plek. Op deze foto is het spoor duidelijk zichtbaar. Of een spoor goed zichtbaar is wordt ook beïnvloed door de belichting op dat moment. Toen ik daar rondliep heb ik het spoor waargenomen. Ik heb mijn ronde afgemaakt en toen kwam mijn collega. We zijn samen verdergelopen en ik heb gezegd dat de brandweerauto achteruit moest rijden. Dan gaan we aan de gang met scheerlicht. Mijn collega markeert het spoor en ik geef aanwijzingen.

(hof: t.a.v. spoor 2) Er zijn lichte schuine strepen zichtbaar. Dat is typerend voor een band die in een slip zit. Je ziet ook losse rubberen rolletjes die je weg kunt blazen. Dat is kenmerkend voor een bandenspoor, dat je krulletjes ziet.

Ik kan mij herinneren dat ik witte streepjes heb waargenomen. Die staan niet op de foto. De band staat diagonaal. Het profiel geeft een bepaalde afdruk. De schuine strepen van een profiel zijn in het algemeen herkenbaar.

Een voertuig wijkt af naar rechts, daar is meer druk, waar de meeste druk is vormt het eerste spoor.

Spoor 2 is niet afkomstig van een andere auto dan de Nissan. Dit spoor loopt uit naar het vastgestelde conflictpunt. Daar zie je de kapotgereden radiator en olie op de weg. Exact op dezelfde plek.

Ik weet niet meer hoe lang we bezig zijn geweest. Ik weet nog wel het tijdstip van de melding, 22.50 uur. Om 23.05 uur was ik ter plaatse.

Het kan niet anders dan dat spoor 2 bij de Nissan hoort. Er is een begin van spoor 2. Een slipspoor dat eindigt ter hoogte van spoor 1. Dat is ongeveer de conflict zone. Het is onmogelijk dat exact hetzelfde punt afkomstig is van een andere auto. Er is een tekening op schaal gemaakt. De afstand tussen de sporen 2 en 3 is gemeten. De Nissan kan precies op de tekening worden gezet.

De brandweerauto is niet verder gereden dan het punt waarop die geparkeerd stond. Spoor 2 kan nooit afkomstig zijn geweest van de brandweerauto.

De rubberen deeltjes zijn mij bijgebleven. Ik had net de module Spoorleer afgerond. Het is niet vastgelegd. Indien daarvan een foto was gemaakt en als je dan recht van boven kijkt zou je de rubberdeeltjes kunnen zien.”

3.5

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof verder het volgende overwogen:

Bewijsoverweging

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en schuld heeft aan het ongeval, hetgeen de dood van [slachtoffer 1] en zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. Hij heeft het hof verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe, samengevat, aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een verkeersovertreding heeft begaan, noch dat zij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en daardoor in botsing is gekomen met haar tegenligger.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Toedracht van het ongeval

Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verdachte in de avond van 15 maart 2019 reed in een Nissan Murano komende vanuit de richting Noord-Scharwoude en gaande in de richting van Alkmaar op de provinciale weg N242 (Westerweg). Ter plaatste was de rijbaan van de N242 verdeeld in twee rijstroken voor het verkeer in beide richtingen. De rijstroken waren gescheiden door middel van een dubbele doorgetrokken streep. Tussen de afslag met de Edisonstraat en de afslag met de Westdijk bevindt zich een – vanuit de rijrichting van de verdachte bezien – flauw naar rechts buigende bocht. In deze bocht heeft (ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 47.8) een frontale botsing plaatsgevonden tussen de auto die de verdachte bestuurde en de uit de tegenstelde richting komende Renault Clio die door [slachtoffer 2] werd bestuurd.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer dat [slachtoffer 1] , die als passagier bij [slachtoffer 2] in de auto zat, is komen te overlijden als direct gevolg van het ongeval en dat [slachtoffer 2] – eveneens als direct gevolg van het ongeval – zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Het hof is van oordeel dat op basis van het (sporen)onderzoek verricht door de afdeling Verkeersongevallen Analyse (hierna te noemen: VOA) en de verklaring van [slachtoffer 2] bewezen is dat de verdachte van haar weghelft is geraakt en de doorgetrokken streep heeft overschreden, waardoor zij op de rijbaan van het haar tegemoetkomende verkeer terecht is gekomen, vervolgens een abrupte bocht terug naar rechts heeft gemaakt en daarna rijdend op de doorgetrokken streep tegen het voertuig van [slachtoffer 2] is gebotst. Het sporenbeeld, zoals beschreven in de rapportage van de VOA en de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting door de verbalisanten van de VOA komen overeen met de toedracht van het ongeval zoals die door [slachtoffer 2] is geschetst in zijn verklaring. Het dossier noch het onderzoek ter terechtzitting heeft een aanwijzing opgeleverd dat het rijgedrag van [slachtoffer 2] heeft bijgedragen aan het ongeval.

De verklaringen van de getuigen [getuige] en [slachtoffer 2]

De verdediging heeft betoogd dat de verklaring van getuige [getuige] , als wordt aangenomen dat deze iets heeft kunnen zien van het ongeval, tegenstrijdig is met de verklaring van [slachtoffer 2] . Het hof volgt de raadsman hierin niet. De verklaring van getuige [getuige] , dat de verdachte "plotseling een ruk aan het stuur gaf" en de verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte "plotseling een beweging maakte naar zijn rijbaan” zijn naar het oordeel van het hof niet onderling tegenstrijdig. Beide verklaringen laten immers de ruimte voor het scenario dat de verdachte eerst in de bocht over de dubbele streep is gegaan en daarna een ruk naar rechts heeft gegeven. Het hof heeft ook in dit opzicht dus geen aanleiding om aan de juistheid of betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] te twijfelen.

De VOA-rapportage

De raadsman heeft aangevoerd dat de verbalisanten die de VOA-rapportage hebben opgesteld ten onrechte slechts één scenario hebben getoetst, namelijk dat de verdachte degene is geweest die op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Dit verweer wordt verworpen. De ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde verbalisanten hebben verklaard dat zij beide rijrichtingen ‘zijn uitgelopen’ (het hof begrijpt: beide rijbanen onderzoeken op sporen) en dat zij geen sporen op de rijbaan vanuit de rijrichting van het voertuig van [slachtoffer 2] hebben waargenomen in relatie tot het ongeval.

Het standpunt van de verdediging dat het in de VOA-rapportage als “spoor 2” aangeduide spoor niet zonder meer aan het voertuig van de verdachte kan worden toegerekend wordt eveneens verworpen. Uit hetgeen de verbalisanten ter terechtzitting hebben toegelicht, volgt dat zij “spoor 2” direct na aankomst op de plaats van het ongeluk hebben gezien. Zij hebben het niet direct ‘afgekrijt’ (het hof begrijpt: gele markeringen aan hebben gebracht aan weerszijden van het betreffende spoor) omdat toen zij arriveerden een brandweerwagen over het betreffende spoor stond geparkeerd. De gebruikelijke werkwijze, die in dit geval ook is gevolgd, is dat de markeringen pas worden aangebracht als er genoeg ruimte en voldoende licht is om het gehele spoor na te lopen. Het spoor werd door de verbalisanten geïdentificeerd als een bandenspoor omdat er losse rubberdeeltjes werden waargenomen in het spoor, wat kenmerkend is voor een bandenspoor. De breedte van een bandenspoor kan volgens de verbalisanten variëren met de kracht die op de afzonderlijke banden heeft gestaan, bijvoorbeeld bij het maken van een bocht door het voertuig, waardoor de ene band een smallere afdruk achterlaat dan de andere.

De raadsman heeft erop gewezen dat “spoor 2” niet zichtbaar is op camerabeelden van diverse nieuwskanalen. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn die beelden bekeken en is geconstateerd dat de aanwezigheid van “spoor 2” daarop niet duidelijk kan worden vastgesteld. Dit maakt voor het hof echter geen verschil. De verbalisanten hebben toegelicht dat sporen niet vanuit ieder oogpunt zichtbaar zijn. Wanneer het donker is, is men afhankelijk van kunstlicht en in sommige gevallen zijn sporen enkel zichtbaar bij scheerlicht. Ook het punt van waaruit men naar een spoor kijkt is volgens de verbalisanten van belang. Het kan dus zo zijn dat op door omstanders of journalisten gemaakte beelden een spoor niet zichtbaar is maar op – onder andere condities – door de politie gemaakte beelden wel.

Het hof heeft zich de vraag gesteld of “spoor 2” nog een andere herkomst kan hebben dan het voertuig van de verdachte en of het spoor dus voor of het na het ongeluk kan zijn ontstaan, zoals de verdediging heeft betoogd. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat het bandenspoor is veroorzaakt door een andere auto. De asbreedte tussen “spoor 2” en “spoor 3" is precies dezelfde als die van de auto van de verdachte. Het spoor bevindt zich precies op de plek waar het conflictpunt is vastgesteld door middel van het krasspoor en sluit aan bij de eindpositie van het voertuig van de verdachte. Dat eenzelfde soort voertuig met precies dezelfde as breedte op precies dezelfde plek hard heeft geremd en in een slip is geraakt is volgens het hof zeer onaannemelijk.

Het hof komt gelet op het bovenstaande tot de conclusie dat “spoor 2” door het voertuig van de verdachte is veroorzaakt toen zij rijdend op de verkeerde rijstrook aan haar stuur een ruk naar rechts gaf, waardoor het uiteindelijke botspunt zich (deels) op de (oorspronkelijke en juiste) rijstrook van de verdachte bevond. Met de rechtbank stelt het hof voorts vast dat de verdachte niet enkel de 17.97 meter van spoor 2 op de verkeerde rijstrook heeft afgelegd, maar dat er ook tijd gemoeid moet zijn geweest met het afleggen van een afstand terwijl zij rechtdoor bleef rijden in de bocht, voordat zij geheel op de verkeerde rijstrook reed en spoor 2 veroorzaakte.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het dossier waaronder de navolgende door de verdediging ingebrachte rapportages:

- Rapport van 10 juni 2022, opgesteld door Ing. C. Verhulst van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (...);

- Rapport van 16 juni 2022, opgesteld door P.T. Bet, forensisch arts;

- Rapportage RaNed van 20 juni 2022, opgesteld door R.F. van Noort;

- Aanvullende rapportage RaNed van 7 september 2022, opgesteld door R.F. van Noort;

- Scientific Report van Forensic Access van 30 augustus 2022, opgesteld door Iain McArthur en een beëdigde vertaling daarvan.

Deze onderzoeksrapporten en hetgeen door de – door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep meegebrachte – deskundige R.F. van Noort naar voren is gebracht, hebben het hof niet gebracht tot andere inzichten over de duiding van “spoor 2”.

In de (aanvullende) verkeersongevallenanalyse zijn meer sporen op de plaats van het ongeval weergegeven en toegelicht. De verbalisanten hebben die sporen ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd nader geduid.

Deze overige sporen zijn ook van commentaar voorzien in enkele van de voormelde rapporten en zijn ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde gesteld. De raadsman heeft in zijn pleidooi tevens opmerkingen gemaakt over enkele van die sporen. Hierin heeft het hof geen gronden gezien om te twijfelen aan de steun die ook die sporen geven aan de conclusie dat de verdachte het ongeval heeft veroorzaakt.

Toetsingskader artikel 6 WVW

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat in het algemeen niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Eén moment van onoplettendheid, bijvoorbeeld erin bestaande dat een bestuurder een andere weggebruiker over het hoofd ziet, is onvoldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Ook uit de (aard van de) gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, kan op zichzelf niet worden afgeleid dat sprake is van dergelijke schuld.

Toepassing toetsingskader

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat provinciale wegen en zeker die waarbij de rijstroken voor het elkaar tegemoetkomende verkeer niet fysiek van elkaar zijn gescheiden, zoals op de N242 op de plaats van het ongeval het geval is, wegen zijn die vanuit verkeerstechnisch oogpunt bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers vragen. Dit geldt in nog sterkere mate ter plaatse van het ongeval, omdat de weg daar een flauwe bocht maakt. Dat de wegsituatie om grote voorzichtigheid vraagt, wordt benadrukt door de aanwezigheid van de dubbele doorgetrokken streep op het midden van de weg die een absoluut inhaalverbod aanduidt. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat ook de duisternis om extra oplettendheid vroeg. Deze omstandigheden maken dat van weggebruikers op deze weg grote voorzichtigheid kan worden gevraagd.

Door op deze weg, zonder duidelijke aanleiding, als bestuurder niet zoveel mogelijk rechts te houden, maar zo veel naar links te sturen dat zij op de voor het haar tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook terecht is gekomen, heeft verdachte naar het oordeel van het hof zich dermate aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen dat het verkeersongeval aan haar schuld is te wijten, als bedoeld in art. 6 WVW 1994. Gelet op de afstand die de verdachte moet hebben afgelegd voordat zij geheel op de verkeerde rijstrook reed en de tijd die daarmee gemoeid moet zijn geweest, is de verdachte gedurende meer dan enkel een kort moment onoplettend geweest.

Van enige omstandigheid die maakt dat niet van schuld in vorenbedoelde zin kan worden gesproken is niet gebleken.

Het hof komt aldus tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.”

3.6

Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren. Naast de algemene voorwaarden heeft de rechtbank als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de verdachte binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis € 5.000,00 zal storten op de rekening van het schadefonds van de Vereniging Verkeersslachtoffers. Daarnaast heeft de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging opgelegd voor de duur van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis – ook ten aanzien van de opgelegde straffen – zal bevestigen.

De raadsman heeft het hof verzocht geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen en heeft daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals de omstandigheden dat zij voor haar ouders mantelzorger is en dat zij ook zelf aan het ongeval psychische en fysieke klachten heeft overgehouden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden een fataal verkeersongeval heeft veroorzaakt. Ze is op de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer terechtgekomen met als gevolg een frontale botsing met de door [slachtoffer 2] bestuurde auto. [slachtoffer 2] heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen en [slachtoffer 1] , die als passagier bij hem in de auto zat, is als gevolg van het ongeluk overleden.

Dit verkeersongeval is een dramatische gebeurtenis die diep ingrijpt in de levens van alle betrokkenen. [slachtoffer 1] heeft haar leven verloren, haar nabestaanden zullen moeten leven met het tragische en onomkeerbare verlies van hun dierbare. De enorme impact daarvan is op indringende wijze gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaringen. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf de pijn en het verdriet dat het overlijden van [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt kan wegnemen.

De verdachte heeft ten gevolge van het ongeluk ook zelf ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Daarnaast heeft zij ten gevolge van het ongeluk psychische klachten opgelopen. Het hof twijfelt er niet aan dat het ongeval ook bij de verdachte diepe sporen heeft nagelaten. Het hof acht het met de rechtbank aannemelijk dat een taakstraf gelet op de voornoemde persoonlijke omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoort. Anderzijds is niet gebleken dat de verdachte geen draagkracht heeft om de door de rechtbank bepaalde storting te doen op de rekening van het schadefonds van de Vereniging Verkeersslachtoffers, namelijk als bijzondere voorwaarde bij de door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 augustus 2022 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan, ziet het hof geen ruimte om – zoals door de raadsman is verzocht – een rijontzegging enkel in voorwaardelijke vorm op te leggen. Daar de verdachte door haar handelen de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht, acht het hof een sanctie die daarbij aansluit, namelijk het ontzeggen van de rijbevoegdheid, gepast en noodzakelijk. Met de rechtbank oordeelt het hof dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur en de storting van een geldbedrag van €5000,- op de rekening van het schadefonds van de Vereniging Verkeersslachtoffers een redelijk alternatief is voor een, op zichzelf voor onderhavig strafbare feit passende, langdurige taakstraf. Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarde en een onvoorwaardelijke rijontzegging van de door de rechtbank bepaalde duur, passend en geboden.”

4 Het eerste middel

5 Het tweede middel (tweede deelklacht) en het derde middel

6 Het tweede middel (eerste deelklacht)

7 Het vierde middel

8 Slotsom