Home

Parket bij de Hoge Raad, 02-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:681, 22/02313

Parket bij de Hoge Raad, 02-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:681, 22/02313

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juli 2024
Datum publicatie
10 september 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:681
Formele relaties
Zaaknummer
22/02313

Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Belediging ambtenaar in functie (art. 266 jo. 267 Sr) en bedreiging door met auto op pui woonkamer daklozenopvang in te rijden (art. 285 Sr). 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv. Berust bewezenverklaarde belediging slechts op verklaring één getuige, nu uit overige bewijsmiddelen de exacte bewoordingen niet blijken? 2. Klacht over toewijzing van de vordering benadeelde partij wat betreft immateriële schade door de bedreiging. Kon hof oordelen dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen? 3. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vermindering van duur opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02313

Zitting 2 juli 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 13 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, wegens,

- in de zaak met parketnummer 02-018027-20: “diefstal”;

- in de zaak met parketnummer 02-019936-20: 1. subsidiair “bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd”, 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling”, 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”;

- in de zaak met parketnummer 02-207924-20: 1. “in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen” en 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en

- in de zaak met parketnummer 02-236480-20: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”.

Het hof heeft voorts de vorderingen benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld en daarbij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld2 namens de verdachte en P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1

Het middel heeft betrekking op het onder parketnummer 02-019936-20 onder 3. bewezen verklaarde feit en klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 Sv de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten aangever [verbalisant 1]. Uit de overige bewijsmiddelen zou immers niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte de bewezen verklaarde bewoordingen heeft geuit.

2.2

Ten laste van de verdachte is onder parketnummer 02-019936-20, onder 3., bewezenverklaard dat:

“hij op 22 januari 2020 te [plaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] (brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), en een ambtenaar, te weten [verbalisant 2] (brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), en een ambtenaar, te weten [verbalisant 3] (hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen: "pannenkoeken, mongolen, kanker”, althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking”.

2.3

Deze bewezenverklaring berust – voor zover hier relevant – op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van de bewezenverklaring onder parketnummer 02-019936-20

Hierna wordt - tenzij anders vermeld - steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, basisteam Leijdal, opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2020020372, gesloten d.d. 23 januari 2020, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-62. (...)

8. Proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2020, dossierpagina’s 23-25, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 1]:

Ik ben werkzaam als brigadier bij de nationale politie binnen het district Hart van Brabant, Team Leijdal (het hof begrijpt: Eenheid Zeeland-West-Brabant: zie volgende bewijsmiddel). Op 22 januari (het hof begrijpt: 22 januari 2020) was ik samen met mijn collega wijkagent [verbalisant 2] werkzaam om te anticiperen op meldingen vanuit de meldkamer en werkzaamheden te verrichten in onze wijken als wijkagent. Ik hoorde van mijn collega [verbalisant 2] dat een inwoner van onze wijk mocht worden aangehouden voor onder andere vernieling. Het ging om [verdachte], welke woont op de [a-straat 1] te [plaats].

(...)

Samen met collega [verbalisant 2] ben ik naar het adres van [verdachte] gegaan. Na enkele seconden zag ik dat er kalende man in een onderbroek hard op ons af kwam gelopen. Ik hoorde dat de man schreeuwde. Ik zag dat hij een agressieve blik in zijn ogen had en versneld op ons af kwam lopen. Ik zag en hoorde dat mijn collega de man wilde aanspreken maar op dat moment zag ik de man een slaande/zwaaiende beweging maken met zijn linkerarm naar mijn collega [verbalisant 2]. Ik zag wat geduw en getrek tussen mijn collega, de deur en de wat later bleek [verdachte] was. Om aan deze dreigende situatie een einde te maken is er pepperspray ingezet tegen de verdachte. Naast collega [verbalisant 2] was ook collega [verbalisant 3] aangesloten vanwege de dreigende houding van de verdachte. De verdachte was continu aan het schreeuwen en hij riep beledigende teksten richting ons als politie. Hij riep woorden als pannenkoeken, mongolen en verschillende woorden met de ziekte kanker. Toen hij in de deuropening van de badkamer stond, keek [verdachte] mij aan en hij wees met zijn vinger naar mijn hoofd, terwijl hij mij aankeek, uitte hij de volgende bedreiging: "Jij bent de mijne, ik ga jou opzoeken en ik maak je kapot’, ‘jij gaat eraan, ik maak je dood'. Deze woorden heeft hij minuten lang herhaald terwijl hij mij aankeek en met zijn vinger telkens met gestrekte arm naar mijn hoofd wees. De gehele rit van ongeveer 10 minuten heeft [verdachte] mij bedreigd. Hij riep het volgende: ‘Jou ga ik niet vergeten, jij bent de mijne, ik zoek je thuis op en klim door je raam naar binnen. Ik snijd je ogen uit en maak je kapot. Ik ben steigerbouwer dus ik klim via je dak thuis naar binnen. Ik maak je vader en moeder dood. Ik zit dan wel geboeid maar ik trap je dadelijk helemaal in elkaar vuile tyfuslijer’. Om deze bedreigingen 25 minutenlang aan te horen gaat door merg en been. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Ik voelde mij ernstig bedreigd door de woorden en bewegingen die [verdachte] richting mij uitte.

9. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2020, dossierpagina 26, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

Op 22 januari 2020 was ik, [verbalisant 3], hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, belast met incident afhandeling. Op 22 januari 2020 hoorde ik portofonisch dat een verdachte zich onttrokken had aan zijn aanhouding. Aldaar waren politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ter plaatse. Ik ging vervolgens ter plaatse ter ondersteuning van de politieambtenaren. [verdachte] was de gehele tijd agressief in onze richting. Ik zag vervolgens dat [verdachte] naar politieambtenaar [verbalisant 1] keek en riep: "Ik maak jou af, ik weet jou wel te vinden!!" Hierbij wees hij in de richting van politieambtenaar [verbalisant 1].

10. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2020, dossierpagina’s 27-29, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]:

Wij, verbalisanten, [verbalisant 2], brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant en [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, verklaren het volgende:

Wij zijn op 22 januari 2020 naar het woonadres van de verdachte, de [a-straat 1] te [plaats], gegaan om te kijken of verdachte daar aanwezig was.

(...)

Ik, [verbalisant 2], heb gezegd dat wij de deur van de woning open wilde houden om zicht te houden. Op enig moment zag ik een manspersoon die ik direct als [verdachte] herkende met versnelde pas richting de voordeur lopen.

(...)

Op de locatie is de machtiging ter aanhouding opgemaakt en hebben wij de woning betreden. In afwachting tot verdachte onder de douche vandaan kwam hebben wij, verbalisanten, ons opgehouden in de woonkamer. Aldaar zag ik, [verbalisant 1], een voorwerp liggen welke ik ambtshalve herkende als een verborgen wapen, het was een stroomstootwapen in de vorm van een zaklamp. Ik heb deze verborgen wapens al vaker gezien. Ik, verbalisant, heb het voorwerp in beslag genomen, wat afzonderlijk via een proces-verbaal wordt afgewerkt. Verdachte beledigde vervolgens zowel mij, [verbalisant 1] als [verbalisant 3]. Vervolgens begon verdachte [verbalisant 1] te bedreigen. Wij hoorden de verdachte meerdere malen zeggen dat hij mij [verbalisant 1] kapot zou maken en dat hij mij op zou gaan zoeken. Hij zou mijn woning binnen gaan en mij hier kapot maken. Hierbij wees hij met zijn vinger richting mij, [verbalisant 1]. Wij, verbalisanten, hoorden verdachte zeggen dat hij de ogen van [verbalisant 1] zou uitsnijden en deze hemzelf zou laten opeten. Ook zei hij dat hij via het raam de woning van mij [verbalisant 1] zou binnenklimmen en mij daar dan kapot zou maken.”

2.4

Het middel faalt, nu de door aangever [verbalisant 1] gerelateerde feiten en omstandigheden (bewijsmiddel 8) voldoende steun vinden in het als bewijsmiddel 10 gebezigde proces-verbaal van bevindingen dat als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] onder meer inhoudt dat de verdachte “zowel mij, [verbalisant 1] als [verbalisant 3] [beledigde]”. Hoewel uit dit – op ambtseed dan wel -belofte opgemaakte – proces-verbaal inderdaad niet blijkt welke precieze bewoordingen door de verdachte zijn geuit, kan daaruit wel worden afgeleid dat de verdachte – zo kennelijk door beide verbalisanten is waargenomen – zich beledigend naar hen heeft uitgelaten. Reeds daarmee kan niet worden gezegd dat de door aangever [verbalisant 1] gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal,3 terwijl deze voorts steun vinden in het (overige) door collega’s [verbalisant 2] (bewijsmiddel 10) en [verbalisant 3] (bewijsmiddel 9) waargenomen (agressieve) gedrag van de verdachte en de door hen wel waargenomen bewoordingen.4 Voor zover het middel berust op de opvatting dat het door art. 342 lid 2 Sv vereiste steunbewijs betrekking dient te hebben op de precieze inhoud van de bewezenverklaarde belediging stelt het een eis die het recht niet kent.

Het tweede middel

Het derde middel

Afronding