Parket bij de Hoge Raad, 10-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:750, 24/00541
Parket bij de Hoge Raad, 10-07-2024, ECLI:NL:PHR:2024:750, 24/00541
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 juli 2024
- Datum publicatie
- 10 juli 2024
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:750
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:723
- Zaaknummer
- 24/00541
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vragen over inzage in processtukken. Moet een gerecht op verzoek inzage in processtukken uit afgesloten civiele verzoekschriftprocedures en/of afschriften daarvan verstrekken?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00541
Zitting 10 juli 2024
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak naar aanleiding van het verzoek van:
[betrokkene]
Prejudiciële vragen over het geven van inzage in processtukken en het verstrekken van afschriften daarvan door een gerecht na afloop van een procedure.
1 Samenvatting
In deze prejudiciële procedure gaat het om de vraag of de rechtbank mag of moet voldoen aan een verzoek om inzage in processtukken uit afgesloten verzoekschriftprocedures en/of afschriften daarvan te krijgen. In die procedures zijn ten aanzien van betrokkene (die inmiddels volwassen is) in het verleden kinderbeschermingsmaatregelen uitgesproken door de rechtbank (uithuisplaatsing, ondertoezichtstelling), zijn de ouders van betrokkene uit de ouderlijke macht ontzet, en is (destijds) Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes. Betrokkene vraagt om deze informatie omdat hij bijna niets weet over zijn vroege jeugdjaren en niemand hem daarover iets kan of wil vertellen. Hij heeft die informatie nodig voor het vormen van zijn identiteit en om rust te krijgen.
De rechtbank vraagt onder meer of er een juridische grondslag is om deze informatie aan betrokkene te verstrekken, en hoe het zit met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden.
M.i. is het antwoord dat betrokkene op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in beginsel recht heeft op de informatie, omdat in de procesdossiers zijn eigen persoonsgegevens zijn verwerkt en de AVG een algemeen recht tot inzage in de eigen persoonsgegevens bevat. Uit art. 8 EVRM volgt dat dit recht op informatie in de persoonsgegevens over de eigen kindertijd heel zwaar weegt. Een mogelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden kan bij een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot het ontzeggen van inzage. Ook in de sociaalpsychologische literatuur is er veel aandacht voor het belang van informatie over de eigen kindertijd.
De rechtbank zal voor elk procesdossier moeten beoordelen of er concrete belangen van derden zijn (bijvoorbeeld ouders of andere familieleden) die worden geraakt bij het verstrekken van informatie aan betrokkene. De derden zullen moeten worden geïnformeerd over het verzoek van betrokkene en in de gelegenheid moeten worden gesteld hun mening daarover te geven. De rechtbank zal dan moeten beoordelen of de belangen van die derden zo zwaar wegen, dat zij rechtvaardigen dat bepaalde stukken deels geanonimiseerd of onleesbaar worden gemaakt, of helemaal uit het dossier moeten worden verwijderd. Het helemaal ontzeggen van informatie uit het procesdossier aan betrokkene is echter niet toegestaan, omdat het fundamentele grondrecht van art. 8 EVRM van betrokkene niet in de kern mag worden aangetast. Gestreefd moet worden naar het zo volledig mogelijk verstrekken van alle informatie die zich in het dossier bevindt, waar het gaat om de eigen persoonsgegevens van betrokkene. Als er in een procesdossier stukken zitten die in het geheel geen betrekking hebben op betrokkene, is geen sprake van eigen persoonsgegevens en is er in beginsel geen recht op inzage in dat specifieke stuk.
Gelet op de sociaalpsychologische wetenschappelijke literatuur over het inzien van kinderbeschermingsdossiers verdient het aanbeveling dat iemand die verzoekt om informatie over de eigen kindertijd ondersteuning door een vertrouwenspersoon wordt aangeboden bij het kennisnemen van het dossier. De informatie kan namelijk een grote impact hebben op een betrokkene, en heeft soms ook (juridische) toelichting nodig. Ook zal de rechtbank moeten toezien op een zorgvuldige samenstelling van het dossier, in die zin dat er geen persoonlijke aantekeningen in zitten en dat het behoorlijk geordend is.
Inhoudsopgave
2. Feiten en procesverloop
3. Inleiding
4. Arrest Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak
5. Informatieverstrekking in lopende procedures aan minderjarigen (art. 290 jo. art. 811 Rv)
6. Andere instanties die beschikken over dossiers over betrokkene
7. Informatieverstrekking door de Raad voor de Kinderbescherming
8. Informatieverstrekking door een gecertificeerde instelling
9. Inzage in stukken uit afgesloten strafzaken
10. Inzage in processtukken die zijn gearchiveerd volgens de Archiefwet
11. Erkenning van het belang van afstammingsinformatie
12. Erkenning van het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis
13. Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het kind (IVRK)
14. Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis volgens art. 8 EVRM
15. Art. 29 lid 2 Rv
16. Art. 838 Rv
17. Inzagerecht (art. 843a Rv en art. 194 Rv (nieuw))
18. De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
19. Gegevensverwerking bij de gerechten in procesdossiers
20. Toepassing van de AVG op verzoeken om inzage/afschrift in afgesloten jeugdbeschermingsdossiers
21. Wijze van verstrekking van de dossiers
22. Beantwoording van de prejudiciële vragen
23. Conclusie
2 Feiten en procesverloop
Betrokkene, inmiddels meerderjarig,1 heeft bij e-mail van 6 januari 2023 de rechtbank Rotterdam het volgende verzocht:2
“Graag zou ik alle dossiers thuis gestuurd willen hebben omdat ik nog elke dag vecht tegen mijn verleden. Ik kan aan niemand vragen: “Wat is er gebeurd?” “Hoe zit het?”. Dat doet mij elke dag veel verdriet en pijn. Ik wil het door het lezen van alle dossiers van vroeger een plek geven.”
Het verzoek van betrokkene is gericht op het procesdossier van de procedure waarin zijn biologische ouders uit de ouderlijke macht zijn ontzet (thans: beëindiging van ouderlijk gezag), en op procesdossiers die betrekking hebben op kinderbeschermingsmaatregelen.3 Uit een uittreksel van 20 maart 2023 uit het Gezagsregister dat onderdeel is van het procesdossier blijkt dat op 16 augustus 2004 een ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat een machtiging is gegeven tot plaatsing in een pleeggezin. Beide zijn meermaals verlengd. In 2009 zijn de ouders ontzet uit de ouderlijke macht over betrokkene en zijn vier broers en zussen. Tevens is (destijds) Bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam benoemd tot voogdes.4
Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank het verzoek vooralsnog opgevat als een verzoek op grond van art. 290 Rv (rov. 2). De rechtbank heeft overwogen dat zij naar de huidige stand van zaken niet kan bepalen wie tot de kring van belanghebbenden horen (boven rov. 1).
De rechtbank heeft overwogen dat bij gerechten geregeld verzoeken binnenkomen tot inzage/afgifte van dossierstukken van (reeds lang) afgeronde civiele (jeugd)procedures, maar ook van afgeronde procedures die betrekking hebben op ouderlijk gezag en/of een contactregeling (hierna gezamenlijk: familie- en jeugdprocedures). De verzoekers betreffen niet zelden jeugdigen die, als zij meerderjarig zijn geworden, het dossier willen inzien om hen moverende redenen zoals bijvoorbeeld voor traumaverwerking of in zijn algemeenheid voor het verkrijgen van informatie over het eigen verleden. Die informatie kan ook nodig zijn voor verzoeken tot schadevergoeding of andere vormen van compensatie (rov. 3.1).
Verder overweegt de rechtbank dat er een kans bestaat dat betrokkene onderdelen van het procesdossier kan verkrijgen van andere instanties. De rechtbank heeft daar direct aan toegevoegd dat deze andere instanties mogelijk niet (alle) over de (volledige) informatie beschikken waarover de rechtbank beschikt, en dat voorkomen moet worden dat betrokkene ‘van het kastje naar de muur’ wordt gestuurd (rov. 3.2).
Vervolgens heeft de rechtbank een aantal overwegingen gewijd aan wetsbepalingen en jurisprudentie die mogelijk relevant zijn voor de beoordeling van verzoeken als die van betrokkene (rov. 3.3-3.4). Ook is opgemerkt dat de wijze waarop inzage of afgifte plaatsvindt en hoe (privacy)belangen van belanghebbenden hierbij dienen te worden afgewogen in het familie- en jeugdrecht, op dit moment onderwerp van gesprek zijn in de rechtspraak, met name binnen de expertgroep jeugdrechters (rov. 3.4).
Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van onduidelijkheden, en dat zij om die reden prejudiciële vragen wil stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft vervolgens vragen geformuleerd (rov. 3.6-3.7).
Op 22 december 2023 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene, vergezeld door zijn pleegvader, zijn verzoek nader toegelicht. Ook zijn de prejudiciële vragen besproken.
Op 5 februari 2024 heeft de rechtbank opnieuw een beschikking gegeven.5 De rechtbank heeft allereerst weergegeven hoe betrokkene zijn verzoek heeft onderbouwd en vervolgens geoordeeld dat die onderbouwing duidelijk is:
“3.1. [Betrokkene] heeft zijn verzoek van 6 januari 2023 tijdens de mondelinge behandeling van 22 december 2023 als volgt nader onderbouwd. [Betrokkene] woont al heel lang bij zijn pleegouders; hij heeft de achternaam van zijn pleegvader aangenomen en heeft in 2021 zijn voornamen laten wijzigen. De (biologische) ouders van [betrokkene] hebben samen in totaal vijf kinderen; [betrokkene] en zijn twee zussen en twee broers. De ouders van [betrokkene] zijn in 2009 ontzet uit het ouderlijk gezag over hem.
Betrokkene] wil zoveel mogelijk te weten komen over zijn achtergrond. Hij beschikt niet over stukken uit het verleden. Hij weet niet wat er destijds is gebeurd. Hij kan dat aan niemand vragen. Hij zou graag willen weten wat er is gebeurd waardoor hij in zijn huidige situatie is terechtgekomen. [Betrokkene] zou zijn verzoek niet hebben gedaan als zijn ouders hem iets hadden verteld, maar dat hebben ze niet gedaan. Het blijft door zijn hoofd spoken.
Betrokkene] heeft toegelicht dat hij geen contact meer heeft met zijn moeder. Hij heeft nu wel weer contact met zijn vader, maar die wil hem niets vertellen. [Betrokkene] heeft geprobeerd informatie over het verleden van zijn vader te krijgen, maar hij heeft nu de hoop opgegeven dat zijn vader hem ooit iets zal vertellen.
Betrokkene] heeft diverse (half)broers en -zussen. Hij heeft alleen nog contact met een zus. Af en toe ziet hij twee van zijn broers voorbij komen, maar hij spreekt ze niet.
Betrokkene] heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om inzage in zijn dossiers gevraagd. Deze instelling heeft hem naar de rechtbank verwezen.
Betrokkene] heeft in het verleden wel enige informatie van zijn psychiater gekregen. Dit was enkel mondeling; hij mocht geen stukken inzien.
Namens [betrokkene] heeft zijn pleegvader tijdens de mondelinge behandeling aangevuld dat [betrokkenes] identiteit (nog) in ontwikkeling is. Omdat hij amper wat weet van vroeger is het moeilijk voor hem om relaties aan te gaan; hij weet zo weinig over zichzelf. De psychiater van [betrokkene] helpt hem stapjes op weg, maar [betrokkene] blijft met de vraag zitten wie hij nou eigenlijk is. Niemand kan hem dat vertellen. [Betrokkene] heeft trauma’s die zich wellicht goed laten verklaren door het verleden. Er moet rust in zijn leven komen en daarvoor behoort hij meer te weten over zijn verleden, zo vindt de pleegvader.
De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] (met hulp van zijn pleegvader) zijn belang bij inzage/afgifte van stukken uit de dossiers duidelijk heeft onderbouwd. Voor zijn identiteitsontwikkeling en verwerking van trauma’s is het belangrijk dat hij zoveel mogelijk informatie krijgt over zijn verleden. Hij is zoekende naar wie hij is en heeft voor zijn geestelijk welzijn hierover rust en duidelijkheid nodig.”
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene zich kan verenigen met het voornemen om de in de beschikking van 4 oktober 2023 vermelde prejudiciële vragen te stellen (rov. 3.10). Vervolgens heeft de rechtbank acht prejudiciële vragen gesteld (rov. 3.11).
Namens de griffier van de Hoge Raad zijn betrokkene en zijn pleegouders in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen in deze prejudiciële procedure in te dienen. Bij brief van 18 maart 2024 hebben zij laten weten dat daarvan geen gebruik wordt gemaakt. Wel wordt in deze brief de wens uitgesproken om op de hoogte te worden gehouden van het verloop en de uitkomst van de onderhavige prejudiciële procedure.
3 Inleiding
De rechtbank heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld (rov. 4.1):6
A. Is er een (rechtstreekse) wettelijke basis voor inzage/afschrift van stukken uit een dossier (anders dan vonnissen, arresten en beschikkingen) na afloop van een procedure?
B. Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, kan dan ofwel art. 29 Rv, ofwel art. 290 Rv, ofwel art. 811 Rv ofwel art. 843a Rv, al dan niet analoog, worden toegepast?
C. Als er een wettelijke basis is – al dan niet naar analogie – voor inzage/afschrift van dossierstukken na afloop van een procedure, hebben minderjarigen die tijdens de procedure weliswaar belanghebbend waren, maar niet processueel bekwaam vanwege hun minderjarigheid, dan ook recht op inzage/afgifte zodra ze meerderjarig zijn geworden?
D. Heeft een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure betrekking op alle informatie uit het dossier of moet bepaalde informatie worden verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden zoals broers en zussen?
E. Is het doel van de aanvraag nog van belang (bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek)?
F. Moet wellicht onderscheid gemaakt worden tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd?
G. Dient bij de beoordeling van verzoeken tot inzage eventueel een parallel te worden getrokken met art. 5.1, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid, Wet open overheid (Woo)? En, zo ja, op welke wijze?
H. In hoeverre speelt art. 8 EVRM bij de beoordeling van verzoeken tot inzage een rol?”
Over welke informatie gaat het?
Om een beter zicht te krijgen op de problematiek die met de prejudiciële informatie aan de orde wordt gesteld, is het goed om scherp te hebben over welke informatie het eigenlijk gaat.
In dossiers in jeugdbeschermingszaken kan in het algemeen de volgende informatie worden gevonden:
- Onderzoeksrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (‘raadsonderzoek’);
- Verslagen van kindgesprekken;
- Verzoek Raad voor de Kinderbescherming of Bureau Jeugdzorg tot ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing van een belanghebbende en eventuele broers en zussen;
- Verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verzoek machtiging uithuisplaatsing van belanghebbende en eventuele broers en zussen;
- Verweerschriften en/of pleitaantekeningen opgesteld door de advocaat van een of beide ouders;
- Processen-verbaal van zittingen in het kader van de verzoeken tot (verlenging van) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (al dan niet uitgewerkt);
- Oproepingsberichten voor de zittingen bij de rechtbank;
- Rechterlijke beschikkingen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van belanghebbende en eventuele broers en zussen;
- Verzoeken tot verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing;
- Rechterlijke beschikking(en) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing;
- Plannen van aanpak en indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg ten behoeve van een belanghebbende en eventuele broers en zussen;
- Verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie tot het nemen van een gezagsbeëindigende maatregel, met bijlagen;
- Verweerschrift en/of pleitaantekeningen opgesteld door de advocaat van een of beide ouders ten aanzien van het verzoek tot gezagsbeëindiging;
- Proces-verbaal van de zitting over het verzoek tot gezagsbeëindiging;
- Rechterlijke beschikking ten aanzien van de gezagsbeëindiging.
In veel jeugdbeschermingsdossiers zullen stukken zitten waarin – in hetzelfde stuk – zowel de situatie van een betrokkene als die van broers en zussen worden besproken of beoordeeld. Er kunnen echter ook stukken zijn die uitsluitend betrekking hebben op één van de kinderen, en waarin de andere kinderen wel worden genoemd maar niet verder besproken. Ook is het denkbaar dat in een dossier stukken zitten die specifiek betrekking hebben op de ouders of wellicht andere bekenden of familieleden van een betrokkene.
Geen landelijk beleid
Met enige regelmaat hebben gerechten te maken met verzoeken om inzage in afgesloten dossiers. Die verzoeken kunnen betrekking hebben op civiele jeugdbeschermingszaken, zoals bijvoorbeeld ondertoezichtstelling al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging, maar ook op gezag- en omgangsprocedures en verdeling van zorg- en opvoedingstaken. Ook zou wellicht om inzage kunnen worden gevraagd in dossiers over afstammingszaken, zaken betreffende de registers van de burgerlijke stand, curatele, beschermingsbewind en mentorschap en op zorgrechtzaken.
Uit informatie die ik van de Expertgroep jeugdrecht heb ontvangen, komt naar voren dat er binnen de rechtbanken geen landelijk beleid bestaat hoe omgegaan moet worden met verzoeken om inzage in afgesloten dossiers.
Wel lokaal beleid
Sommige rechtbanken [de rechtbank Gelderland] hanteren het volgende beleid:7
“Wanneer gevraagd wordt om inzage in (een of meerdere) dossiers, dient de verzoeker (die voorheen als partij of minderjarige bij de procedure was betrokken) de reden van zijn verzoek aan te geven. Vervolgens worden de betreffende dossiers opgevraagd bij het Archief [A-G: het gaat hier om het rechtbankarchief] en samen met het verzoek voorgelegd aan een rechter. De rechter beslist of het verzoek wordt toegewezen. Indien voor de verzoeker positief wordt beslist, gelden de volgende uitgangspunten:
• het dossier dient in ieder geval geschoond te zijn van:
‐ alle aantekeningen van rechters/griffiers/administratie;
‐ bijlagen van verzoek- en verweerschriften en zelfstandig ingediende producties;
‐ rapporten van de Raad en/of OvJ;
‐ zittingsaantekeningen;
• inzage (waar nodig geanonimiseerd) kan in ieder geval worden verkregen in:
‐ verzoek- en verweerschriften zonder bijlagen;
‐ journaalberichten of brieven zonder bijgevoegde producties;
‐ (tussen)beschikkingen.
Alleen met uitdrukkelijke instemming van de rechter kunnen ook andere stukken worden ingezien.
Naar aanleiding van de beslissing van de rechter, zal een griffiemedewerker en/of juridisch medewerker het dossier (tijdelijk) schonen en de stukken anonimiseren wat betreft persoonsgegevens van derden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de privacy van derden beschermd dient te worden en dat de rechter bepaalt welke informatie om die reden onleesbaar moet zijn.”
Opvallend in dit beleid van de rechtbank Gelderland is dat de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en/of van de officier van justitie dus uit het dossier worden verwijderd. Alleen met uitdrukkelijke instemming van de rechter kunnen deze stukken worden ingezien, althans dat is mijn begrip van dit beleid. Ook alle bijlagen van verzoek- en verweerschriften en zelfstandig ingediende producties worden verwijderd, evenals de zittingsaantekeningen. Hiermee blijft er eigenlijk niet veel over; betrokkene krijgt slechts de rechterlijke uitspraken (de beschikkingen) en de verzoek- en verweerschriften zónder bijlagen (en de journaalberichten of brieven zonder producties).
Uit een interne notitie van de rechtbank Rotterdam van februari 2023 blijkt dat de rechtbank Rotterdam een soortgelijke werkwijze aanhoudt als de rechtbank Gelderland. Kern daarvan is dat iedere belanghebbende in beginsel recht heeft op inzage in en afschrift van een dossier dat betrekking heeft op een procedure waarbij verzoeker betrokken is geweest, ook als hij destijds minderjarige was. Een gerechtsjurist bereidt de beslissing op het verzoek tot inzage voor en in beginsel neemt de rechter die bij de procedure betrokken was de beslissing. Voor het verstrekken van inzage of afschriften geldt een aantal uitgangspunten, zoals het schonen en anonimiseren van (een deel van de) dossierinformatie die betrekking heeft op anderen dan verzoeker. Als uitgangspunt geldt dat de privacy van derden beschermd moet worden. Zo wordt het dossier geschoond van interne stukken, van bijlagen van verzoek- en verweerschriften, van zelfstandig ingediende producties, en van rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming of van de officier van justitie. In ieder geval kan wél inzage worden verkregen in (waar nodig geanonimiseerd): verzoek- en verweerschriften zonder bijlagen, journaalberichten of brieven zonder bijgevoegde producties, (tussen)beschikkingen en verslagen van kindergesprekken. Er zijn verder twee mogelijkheden voor inzage: inzien van het dossier bij de rechtbank of het opvragen van een kopie van het dossier die kan worden opgehaald bij de rechtbank. Verder bevat het memo aandachtspunten voor de werkwijze van de griffie en administratie van de rechtbank en handvatten voor het anonimiseren van stukken.
Vermeldenswaardig is nog dat er binnen Europa een tendens is om op ruimere schaal het inzien van procesdossiers mogelijk te maken. In een Europees onderzoeksrapport uit 2013 is de volgende conclusie te lezen: “A growing number of countries, both EU and non-EU Member States, grant access to court files to third persons. The judiciary is no longer automatically excluded from provisions on the right to access public documents.”8In die zin is het verlenen van toegang tot procesdossiers aan iemand als betrokkene een aspect van een bredere discussie.