Home

Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, ECLI:NL:PHR:2024:779, 23/00521

Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, ECLI:NL:PHR:2024:779, 23/00521

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 augustus 2024
Datum publicatie
29 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:779
Formele relaties
Zaaknummer
23/00521

Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. OM-cassatie. Middel over beslissing hof OM niet-ontvankelijk te verklaren wegens schending vertrouwensbeginsel. Gerechtvaardigd vertrouwen niet te zullen worden vervolgd voor drugshandel ontleend aan transactie ten aanzien van een witwasverdenking? Plv. AG gaat in op het vertrouwensbeginsel, de (uitleg van) strafrechtelijke overeenkomsten en de onderlinge verhouding hiertussen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00521

Zitting 27 augustus 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch, heeft bij arrest van 31 januari 20231 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het tenlastegelegde (enigszins ingekort: het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van harddrugs). Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie. W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte is door R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

Het middel

2.

2.1

Het middel bevat de klacht dat de beslissing van het gerechtshof om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is.

Een korte schets van de zaak

2.2

Het gaat in deze zaak om de vraag of sprake is geweest van een buitengerechtelijke afdoening van de zaak die in de weg staat aan het instellen van (verdere) vervolging van de verdachte.

2.3

Het procesverloop komt op het volgende neer. Het openbaar ministerie en de verdachte zijn op 28 februari 2020 een transactie overeengekomen ter afdoening van - in elk geval - een witwasverdenking. Daarbij is het misdrijf dat de witgewassen voorwerpen heeft opgeleverd (het grondfeit) in het midden gebleven, althans niet anders dan in ”speculatieve” bewoordingen aan de orde gesteld.

2.4

Later is de verdachte gedagvaard ter zake van een verdenking van, kort gezegd, drugshandel. Ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is vervolgens door de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat met de afspraak van 28 februari 2020 niet alleen de witwasverdenking, maar ook deze Opiumwetverdenking is afgedaan.

2.5

Zowel de rechtbank (rechtbank Oost Brabant 3 december 20212) als het gerechtshof heeft dit verweer gehonoreerd en de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitgesproken.

De overwegingen van het hof

2.6

Het hof heeft het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat het Openbaar Ministerie bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zou worden vervolgd. Daartoe is onder verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg in de kern het navolgende aangevoerd.

Tussen de verdachte en de officier van justitie, mr. J.J. van Bree, is in februari 2020 een overeenkomst gesloten ter afdoening van het volledige, en al het daaruit voortkomende, onderzoek INCA. Het onderzoek INCA zag niet alleen op een onderzoek naar de verdenking van (eenvoudig) witwassen, maar betrof eveneens een onderzoek naar de verdenking van de handel in/uitvoer van verdovende middelen. Bij de verdachte is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat door middel van de transactie zou worden getransigeerd voor de verdenking van witwassen, alsmede dat het onderzoek naar andere strafbare feiten zou worden gestaakt.

Door vervolgens het onderzoek naar de handel in/uitvoer van verdovende middelen voort te zetten in onderzoek 26YREKA en de verdachte hiervoor te vervolgen, heeft het Openbaar Ministerie in strijd gehandeld met de gesloten overeenkomst en het vertrouwensbeginsel geschonden. Er is derhalve sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde die dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, aldus de raadsman.

Standpunt advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is - onder verwijzing naar de appelschriftuur d.d. 29 december 2021 - in de kern het navolgende aangevoerd.

Het onderzoek INCA heeft zich enkel gericht op de verdenking van witwassen en nimmer op de verdenking van Opiumwet-feiten. Ook uit de tekst van de tussen de verdachte en de officier van justitie gesloten transactie en de e-mailcorrespondentie tussen de officier van justitie en de raadsman van de verdachte van 11 december en 19 december 2019 volgt duidelijk dat de transactie enkel zag op de verdenking van witwassen. De verdachte heeft derhalve nergens het gerechtvaardigd vertrouwen aan kunnen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd voor Opiumwet-feiten, aldus de advocaat-generaal.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat aan de verdachte wel een concrete toezegging is gedaan dat hij niet (verder) zou worden vervolgd en de verdachte op deze toezegging gerechtvaardigd mocht vertrouwen, veranderde c.q. nieuwe omstandigheden maken dat op deze toezegging gerechtvaardigd kon worden teruggekomen.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in de zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of sprake is geweest van uitlatingen van de kant van het Openbaar Ministerie en of deze uitlatingen van dien aard waren dat deze bij de verdachte tot het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen leiden dat hij niet (verder) zou worden vervolgd. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Op 11 december 2019 heeft officier van justitie mr. J.J. van Bree per e-mail contact gezocht met de raadsman van de verdachte, mr. J. van Wijk, om de mogelijkheden van een buitengerechtelijke afdoening te bespreken. Deze e-mail houdt, voor zover voor het navolgende van belang, het volgende in:

“Geachte heer Van Wijk,

Graag zou ik met u willen verkennen of een buitengerechtelijke afdoening van het strafrechtelijk witwasonderzoek “Inca” tegen uw cliënt [verdachte] tot de mogelijkheden behoort. Bent u komende week in de gelegenheid voor een telefonisch overleg? (..)"

Vervolgens heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen officier van justitie mr. Van Bree en de raadsman van de verdachte mr. Van Wijk, waarna ter bevestiging van dit telefoongesprek op 19 december 2019 de navolgende e-mail - voor zover voor het navolgende van belang - door mr. Van Bree aan mr. Van Wijk is verzonden:

“Geachte heer van Wijk,

Vandaag bespraken wij het strafrechtelijk onderzoek tegen uw cliënt [verdachte] (onderzoek INCA met parketnummer 15-860186-19).

Gelet op de schaarse zittingscapaciteit bij de rechtbank Noord-Holland heb ik er belang bij de zaak buitengerechtelijk af te doen met een transactie a.b.i. art. 74 Sr. (...) Indien uw cliënt aan de onder te noemen voorwaarden zou voldoen, zou ik bovendien het onderzoek kunnen staken en kostbare opsporingscapaciteit kunnen aanwenden in andere zaken.

Ik besprak met u de als uitgangspunt te nemen strafmaat indien de zaak vervolgd zou worden. Gelet op de richtlijnen zou dat een strafmaat opleveren van 12 tot 18 maanden gevangenisstraf.

U speculeerde er op dat de Bitcoins mogelijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn, uit feiten (kortgezegd: drugshandel) gepleegd voor zijn detentie, (...) Maar ook indien - puur hypothetisch gesteld - de Bitcoins uit eigen misdrijf afkomstig zijn waarvoor uw cliënt eerder is veroordeeld, staat een verbeurdverklaring daarvan niet in de weg.”

Uiteindelijk is op 28 februari 2020 tussen de verdachte en de officier van justitie een transactie ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gesloten. De tekst van de transactie luidt, voor zover voor het navolgende van belang, als volgt:

“De Officier van Justitie bij het parket Noord-Holland mr. J.J. van Bree,

biedt hierbij aan de verdachte:

Naam [verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

Parketnummer 15-222904-19

die wordt verdacht van het misdrijf strafbaar gesteld in het artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd op of omstreeks 19 september te [plaats] en/of [plaats] ,

overeenkomstig artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht, dat hij niet vervolgd zal worden ter zake van het hiervoor vermeld misdrijf respectievelijk [ik begrijp: en, MvW] dat er geen vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tegen hem zal worden ingediend (...)”

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie uitlatingen zijn gedaan over de niet verdere vervolging van de verdachte. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de reikwijdte van deze uitlatingen is geweest en of de verdachte er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet alleen niet verder zou worden vervolgd voor de in de transactie genoemde verdenking van witwassen, maar ook voor hetgeen aan hem in de onderhavige zaak ten laste wordt gelegd.

Het hof stelt in dat verband de navolgende feiten en omstandigheden - zoals die blijken uit het procesdossier - vast, waarbij het hof de loop der gebeurtenissen in chronologische volgorde zal behandelen.

11 september 2019: TCI proces-verbaal

19 september 2019: doorzoekingen

21 oktober 2019: verhoor verdachte

Afronding