Parket bij de Hoge Raad, 14-10-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1098, 25/00813
Parket bij de Hoge Raad, 14-10-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1098, 25/00813
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2025
- Datum publicatie
- 14 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1098
- Zaaknummer
- 25/00813
Inhoudsindicatie
Beklag beslag op/gebruik van geluidsopnamen van gesprekken waaraan advocaten deelnemen. Ambtshalve overwegingen over de ontvankelijkheid van het klaagschrift omdat de geluidsopnamen niet met dwangmiddelen zijn verkregen. Eerste middel over beoordeling of de opnamen deel uitmaken van het verschoningsrecht van de advocaten, faalt. Tweede middel over oordeel dat vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden (verdenking tegen een van de advocaten) het verschoningsrecht mag worden doorbroken, faalt grotendeels. Wel slaagt de klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op de stelling dat ook namen zijn te horen van cliënten die niet betrokken zijn bij de verdenking. Derde middel behoeft geen bespreking. Conclusie strekt tot vernietiging van de beslissing en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam. Samenhang met 25/00719 Bv.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00813 Bv
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.
1 Inleiding
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 februari 2025 het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard.1 Dit beklag had betrekking op een aantal fragmenten van geluidsbestanden waarvan de officier van justitie en opsporingsambtenaren volgens een beslissing van de rechter-commissaris in die rechtbank van 25 oktober 2024 kennis mochten nemen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. P.T.C. van Kampen, advocaat in Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Er bestaat samenhang met de zaak 25/00719 Bv waarin de verwerping van het klaagschrift van [medeklager] aan de orde is. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2 De zaak in het kort
De klager was enige tijd advocaat in hetzelfde kantoor als de medeklager [medeklager] . Vanaf januari 2024 verschijnen in de media berichten over opnames van gesprekken die Peter R. de Vries, de toenmalige directeur van het advocatenkantoor, zou hebben gemaakt. In deze gesprekken, met onder anderen de klager en de medeklager, zou te horen zijn dat de klager verklaart dat hij een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft omgekocht of dat heeft willen doen.
Na deze berichten starten zowel de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam als het ministerie van Justitie en Veiligheid als de politie een onderzoek. Nadat bekend wordt dat de eerste twee onderzoeken geen aanwijzingen hadden opgeleverd voor een dergelijke omkoping, ontvangt de rijksrecherche van een anonieme bron een zevental geluidsbestanden. Deze worden door het openbaar ministerie overgedragen aan de rechter-commissaris om te beoordelen in hoeverre hetgeen in de fragmenten te horen is onder het verschoningsrecht van de advocaten valt. De rechter-commissaris neemt op 25 oktober 2024 de beslissing die aanleiding is voor de klaagschriften van de klager en de medeklager.
Samengevat, zal ik hierna als eerste ambtshalve ingaan op de vraag of de rechtbank terecht geen aandacht heeft besteed aan de ontvankelijkheid van het beklag. De reden dat hieraan zou kunnen worden getwijfeld, is dat de wettelijke beklagmogelijkheden volgens de tekst van de wet allemaal zijn gerelateerd aan de inzet van dwangmiddelen, terwijl in dit geval de betreffende gegevens vrijwillig aan de politie zijn verstrekt. Ik kom echter op basis van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van Hoge Raad tot de conclusie dat in deze zaak de procedure voor geheimhoudersinformatie van art. 98 Sv op overeenkomstige wijze kan worden toegepast (randnr. 4).
Het eerste middel gaat over de wijze waarop de rechtbank heeft beoordeeld of de geluidsfragmenten onder het verschoningsrecht van de klager en de medeklager vallen. De eerste deelklacht is gericht tegen de beoordeling van dit verschoningsrecht per afzonderlijk fragment van de geluidsbestanden. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank niet in het midden had mogen laten of het verschoningsrecht zich over alle delen van de geluidsbestanden uitstrekt. Beide klachten behoeven echter geen bespreking omdat de rechtbank in haar beschikking wel degelijk tot uitgangspunt neemt dat de geluidsbestanden in hun geheel onder het verschoningsrecht vallen (randnrs. 5.15-5.17). Ik merk verder nog op dat voor zover er al sprake was van een beoordeling per fragment, deze overeenkomstig het geldende beslisschema (en dus terecht) heeft plaatsgevonden in het kader van de vraag welke gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (randnr. 5.18).
De derde deelklacht richt zich met name tegen de overweging van de rechtbank dat de te verstrekken fragmenten niet tot ‘de kern van verschoningsrecht’ behoren. De rechtbank zou hiermee hebben miskend dat er niet zoiets bestaat als ‘een beetje verschoningsgerechtigd’: gegevens vallen wel of niet onder het verschoningsrecht, aldus de steller van het middel. In mijn bespreking zet ik uiteen dat en waarom de rechtbank, in het kader van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, de inhoud van de betreffende gegevens (wel degelijk) heeft mogen relateren aan de reden voor het bestaan van dat recht, namelijk dat iedereen zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde tot de verschoningsgerechtigde kan wenden voor bijstand en advies (randnrs. 5.19-5.23). Ten slotte wordt tevergeefs geklaagd over een aantal feitelijke vaststellingen (randnrs. 5.24-5.25).
Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het belang van het verschoningsrecht. Het middel omvat vier deelklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat de belangen van de in deze zaak betrokken cliënt zich niet tegen doorbreking van het verschoningsrecht verzetten. Ik acht dit oordeel echter niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat door de klager niets is aangevoerd over andere belangen dan het algemene belang dat met het verschoningsrecht is gemoeid (randnrs. 6.2-6.6). De tweede deelklacht richt zijn pijlen op de overwegingen van de rechtbank over de aard en ernst van de jegens de klager aangenomen verdenking. De eerste drie onderdelen van de klacht berusten op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking (randnrs. 6.7-6.12). In het vierde onderdeel van de deelklacht wordt betoogd dat de rechtbank geen verdenking heeft kunnen aannemen omdat het onderzoek van de deken van de orde van advocaten geen aanwijzingen voor strafbare feiten heeft opgeleverd. Ik ga nader in op de wettelijke taakverdeling tussen de deken van de orde en het openbaar ministerie en concludeer dat het openbaar ministerie zich eigenstandig, met behulp van een opsporingsonderzoek, een oordeel dient te vormen of er reden bestaat tot een strafvervolging en dat het onderzoek van de deken voor de rechtbank geen reden hoefde te zijn om de verdenking ongegrond te verklaren (randnrs. 6.13-6.19). Bij het laatste onderdeel van deze deelklacht komt aan de orde dat de rechtbank steeds een tweetal (alternatieve) verdenkingen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd (randnr. 6.20). De derde deelklacht komt erop neer dat de rechtbank heeft miskend dat zij moet onderzoeken of de gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Dat dit het geval zou zijn, vermag ik echter niet in te zien (randnr. 6.22-6.23). De vierde deelklacht is ten slotte gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen dan met doorbreking van het verschoningsrecht. Dat oordeel acht ik echter, mede gelet op de overweging over het overlijden van Peter R. de Vries, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd (randnrs. 6.24-6.25).
De derde en vierde deelklacht stellen echter ook een punt aan de orde dat wel tot cassatie dient te leiden. In de beklagprocedure heeft de klager namelijk gesteld dat in de te verstrekken geluidsfragmenten ook namen zijn te horen van andere cliënten dan de cliënt die betrokken is bij de verdenking tegen de klager. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad dient er bij het oordeel of het verschoningsrecht kan worden doorbroken rekening mee te worden gehouden dat andere cliënten van de advocaat niet onevenredig in hun belangen worden getroffen. Door tegen die achtergrond in het geheel niet in te gaan op de stelling van de klager, is de beschikking van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd, zodat het middel doel treft (randnrs. 6.27-6.29).
Het derde middel gaat in op de betekenis van het feit dat tegen de medeklager geen verdenking bestaat zoals tegen de klager. Dit middel behoeft geen bespreking. Enerzijds vanwege het slagende tweede middel. Anderzijds omdat naar mijn mening de klager niet kan opkomen voor het verschoningsrecht van de medeklager (randnr. 7).
Voordat ik uitgebreider inga op het bovenstaande, zal ik eerst het relevante procesverloop weergeven.
3 Procesverloop
Bij vordering gedateerd 3 juli 2024 heeft de officier van justitie bij het landelijk parket de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam gevraagd om onderzoekshandelingen te verrichten. Deze vordering houdt onder andere het volgende in:
“De officier van justitie, werkzaam bij het Openbaar Ministerie, Landelijk parket te Rotterdam,
Gelet op het proces-verbaal van verdenking met kenmerk 20240005 en documentnummer 2405021547.AMB, d.d. 6 juni 2024, opgemaakt door de rijksrecherche;
Overwegende, dat in bovenbedoeld opsporingsonderzoek onder meer na te noemen persoon als verdachte is aangemerkt:
Naam : [klager]
(...)
ter zake van de volgende strafbare feiten over de periode 1 februari 2018 tot en met 31 december 2018:a. actieve omkoping, strafbaar gesteld in artikel 177 wetboek van strafrecht,b. oplichting, strafbaar gesteld in artikel 326 wetboek van strafrecht
Vordert, dat de rechter-commissaris:
(...)
I. beoordeelt of de alsdan uitgefilterde gegevens daadwerkelijk gegevens inhouden die afkomstig zijn van dan wel bestemd zijn voor een persoon of personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in de zin van art. 218 Sv respectievelijk art. 218a Sv, en;
zo ja, te beoordelen of desalniettemin tot het ter beschikking stellen aan het onderzoeksteam van die gegevens (digitale geluidsbestanden of uitgewerkte gesprekken) kan worden overgegaan omdat zich één of meer van de volgende (bijzondere) omstandigheden voordoen:
• de rechter-commissaris oordeelt dat de betreffende gegeven(s) niet aan de betrokkene(n) in diens/hun hoedanigheid zijn toevertrouwd en/of afkomstig zijn, en/of• de rechter-commissaris oordeelt dat de betreffende gegeven(s) deel uitmaken van één of meer strafbare feiten waarnaar onderzoek gedaan wordt in de strafzaak met voornoemd parketnummer tegen genoemde verdachte en/of tot het begaan daarvan hebben gediend (art. 98 lid 5 Sv), en/of• de rechter-commissaris oordeelt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt prevaleert boven het verschoningsrecht, ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de geheimhouder(s) als zodanig is toevertrouwd;
en vervolgens die gegeven(s) op die grond(en) door tussenkomst van de officier van justitie ter beschikking te stellen aan het opsporingsteam ten behoeve van het opsporingsonderzoek en daarvan proces-verbaal te laten opmaken, dan wel;
• te bevelen de uitgefilterde (digitale) gegevens te bewaren op een zodanige veilige plaats dat het opsporingsteam geen kennis krijgt van de inhoud daarvan totdat de betrokken geheimhouder(s) alsnog door de rechter-commissaris om diens/hun standpunt kan/kunnen worden gevraagd ex art. 98 lid 1 Sv (vrijwillige toestemming voor inbeslagneming, al dan niet in diens hoedanigheid toevertrouwd) dan wel art. 98 lid 5 Sv (object of instrument delict), en een verdere beslissing over het al dan niet ontoegankelijk maken van die gegevens aanhoudt;
Gelet op artikel 98, artikel 126aa lid 2 en de artikelen 181 tot en met 185 Wetboek van Strafvordering;
Vordert, dat de rechter-commissaris de hierboven omschreven onderzoekshandelingen zal verrichten, voor zover en zodra het onderzoeksbelang dat toelaat”
De rechter-commissaris heeft deze vordering toegewezen. Na zijn onderzoek heeft de rechter-commissaris de onder 2.2 genoemde beslissing van 25 oktober 2024 genomen, waaraan de volgende passages kunnen worden ontleend:
“beslissing op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering
In de strafzaak tegen de verdachte:
[klager] ,
(...)
Uit de vordering en het onderliggende proces-verbaal van aanvraag volgt dat het Openbaar Ministerie (ongevraagd) van een anonieme afzender (...) via downloadlinks meerdere geluidsbestanden (7) heeft ontvangen (...)
De rechter-commissaris heeft vervolgens twee geheimhoudersfunctionarissen benoemd, die niet betrokken zijn bij dit onderzoek en enkel onder regie van de rechter-commissaris werken. Die geheimhoudersfunctionarissen hebben zorg gedragen voor een schriftelijke uitwerking van de geluidsfragmenten. Op 29 juli 2024 heeft de rechter-commissaris uit handen van één van de twee geheimhoudingsfunctionarissen een beveiligde USB stick ontvangen, met daarop zowel de geluidsbestanden als de schriftelijke uitwerking daarvan.
(...)
Ten aanzien van geluidsbestanden [...] Geluidsbestand [...] bevat een gesprek tussen wijlen Peter R. de Vries en een persoon die [betrokkene 1] wordt genoemd. Gelet op onder meer het proces-verbaal van aanvraag gaat de rechter-commissaris ervan uit dat [betrokkene 1] de gesprekpartner is van Peter R. de Vries. [betrokkene 1] was, zo blijkt uit het gesprek, enige tijd cliënt van [klager] . [klager] was advocaat bij een advocatenkantoor waarvan Peter R. de Vries de directeur was. Goed betoogd kan worden dat Peter R. de Vries in zijn hoedanigheid van directeur van het advocatenkantoor aan het gesprek deelneemt en hem een (van [klager] afgeleid) verschoningsrecht toekomt.
Uit de titel die geluidsbestanden [...] is gegeven, lijkt te volgen dat aan beide opgenomen gesprekken steeds drie personen deelnemen. Op geluidsbestand [...] zijn inderdaad drie verschillende personen te horen, namelijk wijlen Peter R. de Vries, [klager] (destijds advocaat) en [medeklager] . Op het geluidsbestand [...] hoort de rechter-commissaris slechts twee verschillende stemmen, maar uitgaande van de ingenomen standpunten gaat de rechter-commissaris ervan uit dat [medeklager] ook aan dat gesprek deelnam.
(...)
Ten aanzien van geluidsbestanden [...] overweegt de rechter-commissaris dat wel sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij gaat het om de volgende zeer uitzonderlijke omstandigheden:
Er is - gezien het proces-verbaal van aanvraag en het proces-verbaal van verdenking - een serieuze verdenking dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, ofwel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij, de advocaat, een selectiefunctionaris kan omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 - de enige versie waarvan de rechter-commissaris kennis heeft - neemt deze verdenking niet weg.
De advocaat bekleedt een essentiële rol binnen de rechtsstaat en heeft zich daarbij te houden aan gedragsregels, waarin belangrijke kernwaarden zijn vastgelegd. Integriteit is één van die kernwaarden. Procesdeelnemers moeten op de integriteit van een advocaat kunnen vertrouwen in het belang van een eerlijk proces en een goede procesorde. Er is ook een breder belang: de advocaat is één van de hoofdrolspelers in de rechtsbedeling en zijn handelen heeft daardoor ook effect op het vertrouwen dat de samenleving in de advocatuur en de rechtspleging stelt.
De verdenking die in dit onderzoek centraal staat is al onderwerp geweest van meerdere publicaties in dagbladen en vele andere media-uitingen, en heeft voor de nodige maatschappelijke beroering gezorgd. De aard van de verdenking berokkent schade aan het aanzien van het beroep van advocaat en het maatschappelijk vertrouwen in de advocatuur. Gelet hierop is de rechter-commissaris van oordeel dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig zijn die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht moet komen prevaleren boven het verschoningsrecht van zowel [klager] als [medeklager] . Ten aanzien van [medeklager] wordt nog opgemerkt dat de inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkter is. Het betrof niet zijn eigen cliënt en zijn inbreng in de ‘driegesprekken’ is beperkt.
Ook aan het vereiste van subsidiariteit - kunnen de gegevens ook op een andere manier worden verkregen? - is voldaan. Een rol speelt daarbij dat Peter R. de Vries niet meer in leven is.
De geluidsbestanden [...] zullen dan ook aan de officier van justitie beschikbaar worden gesteld. Dat geldt uiteraard alleen voor de passages die naar de inschatting van de rechter-commissaris kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Overige passages worden niet vrijgegeven
beslissing
De rechter-commissaris verklaart ten aanzien van (delen van) de geluidsbestanden (...) het regime van de zeer uitzonderlijke omstandigheden van toepassing.
(...)
Dit betekent dat de officier van justitie en opsporingsambtenaren kennis mogen nemen van voornoemde passages en daarvan gebruik mogen maken in het een strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvan [klager] verdacht wordt.
De rechter-commissaris zal de geheimhoudersfunctionarissen opdracht geven om de bovengenoemde fragmenten te verstrekken aan het onderzoeksteam en zal de geheimhoudersfunctionarissen opdracht geven ervoor te zorgen dat de geluidsbestanden voor het overige ontoegankelijk blijven.
(...)
De verschoningsgerechtigden kunnen zich desgewenst op grond van artikel 98 juncto artikel 552a WSv bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over deze beslissing. Dit moet binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing worden ingesteld. De geluidsbestanden (en schriftelijke uitwerkingen daarvan) zoals hierboven genoemd onder het kopje ‘beslissing' worden in geval van een klaagschrift nog niet verstrekt en dat blijft zo totdat daarover definitief is beslist. Gedurende de veertien dagen dat een klaagschrift kan worden ingediend wordt eveneens niets verstrekt.”
Namens de klager is op 8 november 2024 een klaagschrift ingediend. Hieraan kan onder andere het volgende worden ontleend:
“Beklag ex artikel 98 lid 4 Sv jo. artikel 552a Sv
(...)
60. De slotsom van alle verweren, elk afzonderlijk en ook in samenhang bezien, is dat de beslissing van de rechter-commissaris niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden. Van verstrekking kan geen sprake zijn. De geluidsbestanden in de beslissing dienen niet alleen ontoegankelijk gemaakt te worden, deze dienen ook vernietigd te worden.”
De in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank luidt als volgt:
“beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo. 552a Wetboek van Strafvordering van:
[klager] , (...)
Feiten
Vooraf Vanaf 18 augustus 2017 zijn [klager] en [medeklager] als advocaat werkzaam bij [A] , inmiddels na een structuurwijziging maar feitelijk binnen dezelfde kantoororganisatie - [B] BV geheten. Vanaf november 2017 tot en met 29 mei 2020 was wijlen Peter R. de Vries kantoordirecteur van dit advocatenkantoor.
Mediaberichten Vanaf januari 2024 wordt in diverse media melding gemaakt van mogelijke omkoping, dan wel een poging hiertoe, van een selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) door [klager] . Op 3 april 2024 wordt op de website geenstijl.nl een geluidsopname gepubliceerd van een gesprek waaraan volgens de website Peter R. de Vries, [klager] en [medeklager] zouden deelnemen. De inhoud van dit gesprek zou zien op het feit waarvan [klager] wordt verdacht. Volgens de website is het bestand bij hen terechtgekomen via ‘de drie musketiers’.
De verdenking Sinds 14 maart 2024 heeft het onderzoeksteam contact met een getuige, die in 2018 van [klager] het aanbod zou hebben gekregen om voor € 12.000,- een gunstiger detentieverloop te kunnen realiseren. Hiervoor zou een selectiefunctionaris, een oude studievriendin van [klager] , € 10.000,- ontvangen, waarbij er voor [klager] € 2.000,- overbleef. Dit zou hij eerder hebben gedaan bij een andere gedetineerde, die € 8.000,- zou hebben betaald aan [klager] .
Rapporten van de Deken en de DJI Op 27 maart 2024 heeft de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten (hierna: de deken) de conclusies van haar onderzoek (naar aanleiding van de berichtgeving in de media) gepubliceerd op hun website. De deken heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor omkoping van selectiefunctionarissen of pogingen daartoe [klager] . Wel heeft hij zich volgens haar ongepast uitgelaten naar een cliënt om betaling van een factuur te verkrijgen. Op 4 april 2024 publiceerde de DJI een persbericht waarin stond dat het Bureau Integriteit (BI) heeft geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van een integriteitschending.
De verstrekte geluidsbestanden Op 5 april 2024 (daags na het rapport van de DJl) werd via het algemene mailadres van de Rijksrecherche een mail ontvangen, afkomstig van [e-mailadres 1]. De mail had als onderwerp [...] . Deze e-mail bevatte (links naar) zeven geluidsbestanden, die direct door een digitaal rechercheur zijn veiliggesteld, gescand op virussen en in een aparte geheimhoudersregistratie zijn opgeslagen, zodat het onderzoeksteam er geen toegang toe had.
De vordering van de officier van justitie Op 3 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris zal beoordelen of sprake is van geheimhoudersinformatie en, zo ja, dan ook te beoordelen of desalniettemin tot het ter beschikking stellen aan het onderzoeksteam kan worden overgegaan.
De werkwijze van de rechter-commissaris Op 29 juli 2024 heeft de rechter-commissaris uit handen van één van de twee geheimhoudingsfunctionarissen een beveiligde USB stick ontvangen, met daarop zowel de geluidsbestanden als de schriftelijke uitwerking daarvan. Op 24 september 2024 heeft de rechter-commissaris het standpunt ingewonnen van de Amsterdamse deken, die zich op het standpunt stelde dat sprake was van geheimhoudersinformatie. Op 15, respectievelijk 16 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris het standpunt ingewonnen van verdachte, [klager] en, klager, [medeklager] . Beiden stelden zich op het standpunt dat sprake was van geheimhoudersinformatie.
Het oordeel van de rechter-commissaris Op 25 oktober 2024 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van vier van de zeven geluidsbestanden de standpunten van klagers (en de deken) gevolgd dat sprake is van geheimhoudersinformatie. Ten aanzien van drie geluidsbestanden heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat weliswaar sprake is van geheimhoudersinformatie, maar ook dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het belang dat het verschoningsrecht dient. Er is immers “een serieuze verdenking dat een advocaat ten behoeve van een cliënt een selectiefunctionaris heeft omgekocht om een gunstiger detentieverloop te realiseren, ofwel dat deze advocaat een cliënt heeft geprobeerd op te lichten met de suggestie dat hij, de advocaat, een selectiefunctionaris kan omkopen voor een gunstiger detentieverloop. De publieke versie van het rapport van de deken van 27 maart 2024 - de enige versie waarvan de rechter commissaris kennis heeft - neemt deze verdenking niet weg.” Ook wordt gewezen op de essentiële rol van een advocaat binnen de rechtsstaat, het belang van integriteit, het (maatschappelijk) vertrouwen in de advocatuur en de rechtspleging en de nodige maatschappelijke beroering. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de inbreuk op het verschoningsrecht van [medeklager] beperkter is: het betrof immers niet zijn eigen cliënt en zijn inbreng in de ‘driegesprekken’ is beperkt. Aan het vereiste van subsidiariteit is bovendien voldaan, waarbij een rol speelt dat Peter R. de Vries niet meer in leven is. Vervolgens heeft de rechter-commissaris delen van de gesprekken (die zich lenen voor waarheidsvinding) ter beschikking gesteld aan de officier van justitie.
Het beklag van [medeklager] en [klager] De klaagschriften van [klager] en [medeklager] verzetten zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024.
(...)
Beklag Het beklag strekt tot vernietiging van de inbeslaggenomen geheimhoudersinformatie, te weten de (fragmenten van de) drie geluidsbestanden waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding.
(...)
Beoordeling De rechtbank stelt met betrekking tot het beroep op het verschoningsrecht het volgende voorop.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de advocaat. Dit standpunt dient door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
De rechtbank stelt aan de hand van de stukken en het onderzoek in raadkamer de volgende feiten en omstandigheden vast.
Het gebruik van mediaberichten in de opsporing In elk geval sinds 6 juni 2024 (de datum van het proces-verbaal van verdenking) is een verdenking ontstaan jegens [klager] dat hij zich - in zijn hoedanigheid van advocaat - schuldig zou hebben gemaakt aan (poging tot) omkoping, dan wel (poging tot) oplichting. De verdenking is mede ontstaan naar aanleiding van berichtgeving in diverse media sinds januari 2024. De rechtbank merkt hierover op dat het Openbaar Ministerie wel degelijk bevoegd is een strafrechtelijk onderzoek op te starten naar aanleiding van openbare informatie, óók als deze informatie verschoningsgerechtigde informatie bevat. De veel aangehaalde conclusie van advocaat-generaal Spronken wordt door de advocaten veel te ruim geïnterpreteerd, nu deze conclusie ziet op een andere situatie. In die situatie ging het erom dat als verschoningsgerechtigde informatie aan één instantie is verstrekt, dat er volgens Spronken niet toe mag leiden dat ook andere instanties kennis mogen nemen van die informatie. Dat laatste doet zich hier echter niet voor. De visie van de advocaten is niet alleen onjuist, maar ook rechtens en maatschappelijk absoluut onwenselijk, omdat het zou betekenen dat het Openbaar Ministerie op geen enkel maatschappelijk signaal met betrekking tot verschoningsgerechtigd materiaal zou mogen reageren. Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 7) verworpen.
(...) De werkwijze van de rechter-commissarisBij het inwinnen van de standpunten van [klager] en [medeklager] heeft de rechter-commissaris hen verzocht een standpunt in te nemen “ten aanzien van het verschoningsrecht met betrekking tot de opgenomen gesprekken”. Zowel [klager] , als [medeklager] stelde zich op het standpunt dat ten aanzien van alle gesprekken sprake was van verschoningsgerechtigde informatie, wat in de weg zou staan aan verstrekking aan het onderzoeksteam. Vervolgens volgde de rechter-commissaris het standpunt van [klager] en [medeklager] ten aanzien van vier van de zeven gesprekken, maar ten aanzien van fragmenten in de drie overige gesprekken was de rechter-commissaris van oordeel dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigden. Wellicht hadden [klager] en [medeklager] niet kunnen voorzien dat de rechter-commissaris de geluidsbestanden per fragment zou beoordelen, maar zij hadden zich reeds op het standpunt gesteld dat sprake was van verschoningsgerechtigde informatie, een standpunt waar de rechter-commissaris in zekere zin in mee is gegaan. Vervolgens heeft de rechter-commissaris echter ten aanzien van enkele fragmenten geoordeeld dat sprake was van uitzonderlijke omstandigheden, op grond waarvan het verschoningsrecht moest wijken voor de waarheidsvinding. Dat is echter geen beslissing waar [klager] en [medeklager] (of hun advocaten) op dat moment in de procedure zich over mochten uitlaten; daar is deze beklagprocedure ex art. 98 jo. 552a Sv voor bedoeld (ECLI:NL:HR:2002:AD5297, ro. 5.4.3). De werkwijze van de rechter-commissaris bevat in dat opzicht dan ook geen gebreken. Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 2) verworpen.
(...)
Zeer uitzonderlijke omstandigheden Zoals eerder door de rechter-commissaris is overwogen in zijn beslissing van 25 oktober 2024 is het de vraag of de fragmenten van de drie geluidsbestanden onder het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] vallen. Een advocaat komt namelijk alleen een verschoningsrecht toe met betrekking tot wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft gekregen (zie ook HR 12 maart 2024, rov. 6.2.1). Gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van de gesprekken is het de vraag of dat aan de orde was. Net als de rechter-commissaris zal de rechtbank (het antwoord op) deze vraag echter in het midden laten en zich richten op de vervolgvraag of, als al sprake zou zijn van verschoningsgerechtigde informatie, het belang dat het verschoningsrecht dient, zou moeten wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De vraag ligt dan ook voor of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager zou moeten worden doorbroken ten behoeve van de waarheidsvinding. De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop.
Het verschoningsrecht van de advocaat is niet absoluut. Er zijn immers zeer uitzonderlijke omstandigheden denkbaar waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat de toestemming van de advocaat voor kennisneming van inbeslaggenomen gegevens die onder het verschoningsrecht vallen in zeer uitzonderlijke omstandigheden niet nodig is. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend, maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt (Vgl. ECLI:NL:HR:2009:BH7284). Bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van een advocaat rechtvaardigen, dienen de volgende factoren in aanmerking te worden genomen: - de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak, - de omstandigheid of het een tegen de advocaat bestaande verdenking betreft, - het belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek, en - de vraag of de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.
Aard en ernst van de verdenking [klager] wordt ervan verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan (poging tot) oplichting van een cliënt, dan wel (poging tot) omkoping van een ambtenaar in functie. De verdenking bestaat erin dat [klager] een van deze strafbare feiten heeft begaan in zijn hoedanigheid van advocaat. Volgens de advocaat van [klager] is dit niet alleen een “weinig ernstige” verdenking, er zou überhaupt geen begin van een verdenking jegens [klager] zijn. De rechtbank kan de advocaat niet volgen in deze stellingen. Dat er nog geen begin van een verdenking zou zijn, is, gelet op het (door de advocaat van [klager] in deze procedure ingebrachte) proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een onbegrijpelijk standpunt. Uit deze stukken, en met name uit de daarin opgenomen passages van de geluidsbestanden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank namelijk duidelijk een redelijke verdenking. Hier doen de rapporten van de deken en de DJI niets aan af. De door hen ingestelde onderzoeken vonden immers telkens plaats met beperkte onderzoeksmiddelen en enkel binnen het eigen domein, wat in beide gevallen een significant ander domein betreft dan een strafrechtelijk onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie, net als de rechtbank, geen inzage gehad in het volledige rapport van de deken, waardoor het Openbaar Ministerie des te meer gerechtigd is onderzoek te doen. Het betreft verder een verdenking van een buitengewoon ernstig feit. Het gaat immers om een verdenking dat een advocaat een cliënt zou hebben opgelicht, dan wel een selectiefunctionaris van de DJl zou hebben omgekocht. Nu de verdenking eruit bestaat dat het feit door een advocaat is gepleegd, zou, bij een bewezenverklaring, sprake zijn van een grove integriteitsschending die ook nog eens in negatieve zin afstraalt op de gehele advocatuur als beroepsgroep. Dat dit een “weinig ernstig” feit zou zijn, vindt de rechtbank, gelet op de bijzondere aard van de verhouding tussen een advocaat en zijn of haar cliënt geen begrijpelijk standpunt Hiermee wordt de klacht van de advocaat van [klager] onder 8) verworpen.
Een tegen een advocaat bestaande verdenking In het geval van [klager] is sprake van een verdenking tegen hemzelf als advocaat, terwijl in het geval van [medeklager] hij zelf niet als verdachte is aangemerkt. In hoeverre dit van belang is voor de uitkomst van deze procedure (voor zowel [klager] , als [medeklager] ), zal de rechtbank hieronder (in de conclusie) meewegen.
Het belang van de gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek De gegevens zijn van essentieel belang voor het strafrechtelijk onderzoek. Immers, zo is de rechtbank gebleken uit onder meer het proces-verbaal van verdenking van 6 juni 2024 en de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, een aanzienlijk deel van de verdenking en mogelijk bewijs zal gelegen zijn in de geluidsbestanden ten aanzien waarvan het verschoningsrecht is ingeroepen. Ook de officier van justitie heeft op de zitting het belang van de geluidsbestanden benadrukt. Ten behoeve van de waarheidsvinding zijn deze gegevens dan ook cruciaal.
Kunnen de gegevens op andere wijze worden verkregen? Een situatie waarin deze specifieke gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen, laat zich moeilijk voorstellen. Het gaat namelijk om informatie die, in beginsel, onder het verschoningsrecht valt en dus niet kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek. De informatie is bovendien alleen maar beschikbaar bij de twee personen die zich op hun verschoningsrecht zouden kunnen beroepen ( [klager] en [medeklager] ). Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de derde deelnemer aan de bewuste gesprekken (Peter R. de Vries ) niet meer in leven is.
De aard van de gegevens De rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en Peter R. de Vries . Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.
Conclusie Als de rechtbank het voornoemde samenvat: er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ( [klager] ). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is. De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het maatschappelijk belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het maatschappelijk belang van het verschoningsrecht van [klager] en [medeklager] en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden.Hiermee wordt de klacht van de advocaten onder 4), 5) en 6) verworpen.
De rechtbank zal daarom het beklag van zowel [klager] , als [medeklager] ongegrond verklaren.
De rechtbank sluit af met een algemene overweging. De rechtbank onderkent het grote belang dat het verschoningsrecht dient en het is met recht een hoeksteen van de rechtsstaat te noemen. Verschoningsgerechtigden en hun cliënten moeten immers in alle vrijheid met elkaar kunnen communiceren, waarbij zij er op moeten kunnen vertrouwen dat deze communicatie niet naar buiten komt, of ter beschikking wordt gesteld aan opsporingsinstanties. De keerzijde van dit grote belang is echter, dat als sprake is van een redelijke verdenking van een ernstig strafbaar feit jegens een verschoningsgerechtigde, deze verdenking ook uiterst serieus wordt genomen.
Beslissing De rechtbank verklaart het beklag, van zowel [klager] , ais [medeklager] ongegrond.”