Parket bij de Hoge Raad, 18-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1240, 24/04079
Parket bij de Hoge Raad, 18-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1240, 24/04079
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 november 2025
- Datum publicatie
- 13 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1240
- Zaaknummer
- 24/04079
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Poging doodslag toenmalige vriend. Verwerping beroep op noodweer. Proportionaliteitseis. ’s Hofs oordeel dat de verdachte zich disproportioneel heeft verdedigd, nu het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond, is niet zonder meer begrijpelijk. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en voor het overige tot verwerping.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04079
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2024 (parketnummer 10-732032-19) door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uur, subsidiair negentig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”