Home

Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1408, 25/02288

Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1408, 25/02288

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 december 2025
Datum publicatie
8 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1408
Formele relaties
Zaaknummer
25/02288

Inhoudsindicatie

Incident. Zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie. Art. 224 en 414 Rv, art. 6:51 lid 2 BW. Derdengeldenrekening advocaat.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02288

Zitting 19 december 2025

CONCLUSIE IN HET INCIDENT

B.F. Assink

In de zaak

1 Elser & Company Ltd. (hierna: Elser)

2. Carlisle Investments Inc. (hierna: Carlisle)

(hierna tezamen: Elser c.s., in mannelijk enkelvoud)

tegen

1 [verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] )

2. [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2])

3. Head Sports Holding N.V. (hierna: Head Sports)

4. Head UK Ltd. (hierna: Head UK)

(hierna tezamen: Head c.s., in mannelijk enkelvoud)

5. KPMG Alpen Treuhand GmbH (hierna: KPMG)

6. Boomdaal B.V. (hierna: HLB; hierna tezamen met KPMG: KPMG c.s., in vrouwelijk enkelvoud)

Inleiding

In dit incident vordert Head c.s. op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv zekerheidstelling voor de proceskosten in cassatie.

1 Feiten

1.1

Voor zover hier van belang kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan rov. 2.1-2.12 van het bestreden arrest (hierna: het arrest).1

(i) ‘Head’ is een wereldwijd bekend sportmerk en concern dat activiteiten verricht op het gebied van productie en verkoop van sportartikelen en sportkleding.

(ii) Nadat Head N.V. van de beurs was gehaald, is Head N.V. in mei 2015 omgezet in Head B.V. (hierna: Head). De aandelen in Head werden gehouden door Head Sports (97,79%), Stichting Head Option Plan (1,9%), Elser (0,28%) en Carlisle (0,03%). Het statutair bestuur van Head werd (laatstelijk) gevormd door de grootaandeelhouder in Head Sports, [verweerder 1] , en door [verweerder 2] (hierna gezamenlijk ook: het bestuur).

(iii) In het najaar van 2016 heeft het bestuur van Head het besluit genomen om Head te splitsen als bedoeld in art. 2:334cc BW.

(iv) Ondanks bezwaren van de zijde van Elser c.s. heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Head op 21 december 2016 besloten Head conform voorstel te splitsen.

(v) Op 27 december 2016 heeft de splitsing plaatsgevonden, als gevolg waarvan Head is opgehouden te bestaan en Head Sales B.V. en Resle B.V. (hierna: Head Sales en Resle) zijn opgericht. Het gehele aandelenkapitaal van Head Sales is in handen gekomen van Head Sports en het gehele aandelenkapitaal van Resle is in handen gekomen van Elser c.s. De gehele onderneming van Head is ondergebracht in Head Sales en Resle verkreeg een bedrag in contanten groot € 214.517,00 dat werd gestort op een aparte bankrekening.

(vi) Head Sales is op 9 januari 2018 als verdwijnende rechtspersoon gefuseerd met Head UK als verkrijgende rechtspersoon.

2. Procesverloop2

In eerste aanleg

2.1

Bij dagvaardingen van 16 april 2021 heeft Elser c.s. Head c.s., KPMG en HLB in rechte betrokken bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

2.2

Elser c.s. vordert, samengevat, dat de rechtbank: (i) voor recht verklaart dat Head c.s., KPMG en HLB gezamenlijk en ieder voor zich onrechtmatig hebben gehandeld, althans misbruik hebben gemaakt van recht; (ii) voor recht verklaart dat Head c.s. in strijd heeft gehandeld met art. 2:8 BW; (iii) Head c.s., KPMG en HLB hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.526.120,92 (inclusief wettelijke rente tot 16 april 2021), althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente; en (iv) Head c.s., KPMG en HLB hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

2.3

Hieraan legt Elser c.s., samengevat, het volgende ten grondslag. Elser c.s. heeft in het kader van de splitsing een onredelijk lage vergoeding ontvangen. Head c.s., KPMG en HLB hebben elk voor zich en gezamenlijk onrechtmatig gehandeld. Het kernverwijt ten aanzien van Head c.s. is (i) dat hij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van een zuivere splitsing om minderheidsaandeelhouders buiten spel te zetten, waarbij (ii) Head c.s. bewust heeft aangestuurd op een te lage waardering van de onderneming door KPMG om de vergoeding aan Elser c.s. zo laag mogelijk te houden.3 Elser c.s. verwijt KPMG: (i) dat zij heeft meegewerkt aan de totstandkoming van een waarderingsrapport waarvan zij wist dat het was gebaseerd op eenzijdige, onvolledige en subjectieve informatie van het bestuur van Head, zonder toepassing van hoor en wederhoor;4 (ii) dat zij bij haar waardering onvoldoende onafhankelijk is geweest, zodat zij heeft gehandeld in strijd met internationale accountantsnormen en met haar zorgplicht jegens derden;5 en (iii) dat zij een te lage waardering heeft gegeven van Head, al dan niet in de wetenschap dat deze waardering gebruikt zou worden om de minderheidsaandeelhouders een zo laag mogelijke vergoeding toe te kennen.6 Elser c.s. verwijt HLB dat zij als accountant op grond van art. 2:334aa en 2:334cc BW de taak had te controleren of de voorgestelde splitsing (de ruilverhouding en de verdeling van aandeelhouders) naar haar oordeel redelijk was. HLB zou bij de uitoefening van haar taak geen hoor en wederhoor hebben toegepast, de subjectieve prognoses van het bestuur van Head niet hebben getoetst en onvoldoende onafhankelijk zijn geweest.7

2.4

Head c.s., KPMG en HLB hebben ieder een incidentele conclusie ingediend, met daarin onder meer een exceptie van onbevoegdheid. Elser c.s. heeft in dit incident een conclusie van antwoord ingediend.

2.5

Bij tussenvonnis van 19 januari 20228 heeft de rechtbank alle incidenten afgewezen.

2.6

Head c.s., KPMG en HLB hebben een conclusie van antwoord ingediend.

2.7

Op 4 november 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

2.8

Bij vonnis van 4 januari 20239 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van Elser c.s. afgewezen en hem hoofdelijk veroordeeld in de proces- en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

In hoger beroep

2.9

Bij appeldagvaarding met grieven van 31 maart 2023 is Elser c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).

2.10

Head c.s., KPMG en HLB hebben memories van antwoord ingediend. KPMG heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.11

Elser c.s. heeft een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep ingediend.

2.12

Op 12 juni 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof.

2.13

Bij het arrest heeft het hof het vonnis bekrachtigd, Elser c.s. veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep verworpen.

In cassatie

2.14

Bij procesinleiding van 24 juni 2025 heeft Elser c.s. (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.

2.15

Op 26 september 2025 heeft Head c.s. een conclusie houdende incidentele vordering tot zekerheidstelling tevens verweerschrift ingediend (hierna: de conclusie Head c.s. 26 sep). Daarin vordert hij - in het incident, samengevat - dat de Hoge Raad:

- Elser c.s. beveelt tot het stellen van zekerheid in de vorm van storting op de derdengeldenrekening van de advocaat van Elser c.s. (mr. R.R. Verkerk), althans in een vorm die voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, tot het beloop van de som van de proceskosten tot betaling waarvan zij in cassatie zou kunnen worden veroordeeld, te begroten op ten minste € 11.665,00;

- met bepaling dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk binnen twee weken, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, na het te wijzen arrest in het incident, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep;

- Elser c.s. beveelt om, indien de gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is wegens aanvullende proceskosten in deze cassatieprocedure (zoals nader vastgestelde griffierechten), op dezelfde wijze als hiervoor gevorderd aanvullende zekerheid te stellen binnen twee weken, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, nadat is gebleken dat de gestelde zekerheid ontoereikend is geworden, begroot op de hoogte van de aanvullende proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. indien hij deze (aanvullende) zekerheid niet binnen voornoemde termijn stelt;

- met veroordeling van Elser c.s. in de kosten van het incident en wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.

2.16

Op 26 september 2025 heeft KPMG c.s. een verweerschrift, tevens incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Daarin vordert zij - in het incident, samengevat - dat de Hoge Raad, uitvoerbaar bij voorraad:

- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. in het cassatieberoep, tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten door storting binnen veertien dagen na de datum van het in deze te wijzen arrest op de derdengeldenrekening van zijn advocaat, althans op een andere door de Hoge Raad te bepalen wijze, van een bedrag van € 14.265,00, althans € 11.665,00, althans een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag;

- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt om, indien de op grond van de hierboven vermelde vordering gestelde zekerheid op enig moment niet langer toereikend is wegens aanvullende proceskosten in deze cassatieprocedure (zoals nader vastgestelde griffierechten), op dezelfde wijze als hiervoor gevorderd aanvullende zekerheid te stellen binnen veertien dagen nadat is gebleken dat de gestelde zekerheid ontoereikend is geworden, begroot op de hoogte van deze aanvullende proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Elser c.s. indien hij deze (aanvullende) zekerheid niet binnen voornoemde termijn stelt;

- Elser c.s. (hoofdelijk) veroordeelt in de kosten van het incident en wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van het arrest in dit incident.

2.17

Op 24 oktober 2025 heeft Elser c.s. een verweerschrift in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten van Head c.s. ingediend (hierna: het verweerschrift Elser c.s. 24 okt). Op dezelfde datum heeft Elser c.s. tevens een verweerschrift ingediend in reactie op de incidentele vorderingen tot zekerheidstelling proceskosten en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van KPMG.

2.18

Bij portaalbericht van 24 oktober 2025 (ingediend op 22 oktober 2025) heeft KPMG c.s. het door haar opgeworpen incident tot zekerheidstelling ingetrokken.

2.19

Op 14 november 2025 heeft Head c.s. een uitlating in het incident tot zekerheidstelling ingediend (hierna: de uitlating Head c.s. 14 nov).

2.20

Op 21 november 2025 heeft Elser c.s. een reactie op de uitlating in het incident tot zekerheidstelling ingediend (hierna: de reactie Elser c.s. 21 nov).

3 Bespreking van de incidentele vordering tot zekerheidstelling

4 Conclusie